VIJFDE HOOFDSTUK

V UITBREIDING VAN HET GRONDGEBIED
DE POLDERS



DE STRIENE
Ende Godt seijde: “Dat de wateren van onder
den hemel in eene plaats vergadert worden,
ende dat het drooge gesien worde”;
ende het was alsoo.
Ende Godt noemde het drooge: Aerde; ende
de vergaderinge der wateren noemde hij: Zeen.
Ende Godt sagh dat het goet was.
Genesis, 1, 9, 10



Als de Zeeuwen het bijbelverhaal over de schepping van de aarde en de zee lezen of horen, bekruipt hun de stille gedachte, dat zij God een behoorlijk handje geholpen hebben. Hardop zullen zij dit niet uitspreken, omdat zij van nature twijfelen of bij zulke serieuze zaken als Bijbel en Religie wel een ironische bijgedachte past. Dit weerhoudt hen echter niet van een monkelend binnenpretje, voor de buitenwereld nauwelijks zichtbaar, zoals alleen Zeeuwen dat hebben.
De heren van Vossemeer hebben hun heerlijkheid met succes bestuurd. Vanzelfsprekend zal de mens van vandaag het niet in alle opzichten eens zijn met hun beleid. Doch er mag ongetwijfeld gesteld worden dat zij, hun middelen, mogelijkheden en hun tijd in aanmerking genomen, een goed bestuur hebben gevormd. Tegenover het land en de provincie betrachtten zij een loyale houding. De dikwijls zware belastingen hebben zij met pijn in het hart betaald. Geen zinnig mens zal hen hierom laken; voor velen van ons zijn de bedrijfs- en verwervingskosten ook een halszaak. Ofschoon hun heerlijkheid in zekere zin een geldbelegging was en het dividend hun zeer ter harte ging, hebben de heren van Vossemeer dit over het algemeen niet vooropgesteld, doch was hun eerste zorg het welzijn en het geluk van hun onderzaten.
Hun grootste verdienste is wellicht te vinden in de uitgebreide landaanwinningen, die zij vanaf 1410 tot laat in de vorige eeuw tot stand hebben gebracht. Het epos van hun heerlijkheid is niet geschreven met het zwaard van sommige roemruchte heren. Ten onrechte menen velen, dat de grote feiten der geschiedenis gevormd worden door de oorlogen, de expansies van vorsten of rijken, en de daarmede gepaard gaande “heldendaden”. Anderen hechten misschien meer waarde aan de gunstige financiële balans, de hoogte van het dividend. In onze tijd van overwaardering van het materiële bestaat het gevaar, dat de economie beschouwd wordt als de spiegel der geschiedenis.
De heerlijkheid van Vossemeer is in feite verdwenen, ondergegaan in een ontwikkeling, die nét nog plaats laat voor enige zakelijke rechten van de vroegere ambachtsheerlijkheid. Het blijvend ereteken, dat de heren van Vossemeer zichzelf hebben opgericht (niet aldus bedoeld en juist daarom te aanvaarden), is het door hen geschapen land, dat er zwaar van Zeeuwse klei ligt. Elk jaar laat het zijn gouden tarwe, zijn zeegroen vlas opgolven, terwijl de fijne spot met het vroegere zwartgrijze zoutwater ook hier niet uitgesproken wordt. Op dit land woont, al tientallen generaties lang, het arbeidzame volk van Vossemeer.

Het heeft dan ook alle zin, wat langer bij de landaanwinning stil te staan. Zo wordt duidelijk, hoe in etappes is gerealiseerd wat in 1410 was voorzien en bedoeld. Het onderstaande overzicht is in de geschiedenis van de heerlijkheid een onontbeerlijk onderdeel, al vormt het geen boeiende lectuur. Elke polder is afzonderlijk behandeld; van de eerste bedijking is het jaartal gegeven. Af en toe zou de uitvoerigheid de indruk kunnen wekken, dat de geschiedenis van een polder hiermede is uitgeput. Het is nodig enige voorbehouden vooraf te laten gaan.
Dit verhaal over de landaanwinning mag niet als een volledige geschiedenis van de onderscheiden polders beschouwd worden; evenmin mag er een absolute waarde gehecht worden aan het jaartal van de bedijking. Meerdere malen was het gebied al langer in gebruik als wei- of cultuurgrond, vóórdat er van een bedijking sprake was; waarschijnlijk is het dan wel enigszins beschermd geweest. Veel details der dijkages zijn niet meer te achterhalen. Zouden zij na eindeloos gepeuter in de archieven opgediept kunnen worden - wat zeer goed mogelijk is - dan zou de grote lijn waarschijnlijk niet ingrijpend worden gewijzigd, nog er van afgezien dat het op die wijze nagaan van alle grote en kleine details het geheel totaal onleesbaar zou maken. Het eerste voorbehoud wil er attent op maken, dat het in de bedoeling heeft gelegen de grote lijn van de landaanwinsten te geven.
Het beleid van de heren van Vossemeer is er altijd op gericht geweest, met anderen samen nieuwe dijkages te ondernemen, voornamelijk met de ingelanden, die reeds grond bezaten in een ontworpen polder of die kochten als met de dijkage werd begonnen. Meestal ging een inpoldering hand in hand met de verkoop van gronden. De heren van Vossemeer sprongen financieel wel bij, doch bekostigden nooit het gehele werk. Het directe gevolg hiervan is, dat in hun archief slechts zelden alle gegevens van een dijkage terecht gekomen zijn. Nadat de bedijkingswerken voltooid waren, werd een polderbestuur door de heren benoemd en geïnstalleerd (althans vóór 1795), dat zich enerzijds wel te voegen had naar de wensen en voorschriften van de heren van Vossemeer, doch zich overigens richtte naar de bevelen van de landsregering en de provinciale besturen inzake het beheer en het bestuur van het waterschap.
De heren reserveerden voor zichzelf de heerlijke rechten en een zeker aantal gemeten in het nieuwe land. Doch veel verder reikte hun bemoeienis niet met de polders; hoogstens kwamen zij tussenbeide, indien er op het stuk van het bestuur iets misliep. Hun opzet was, dat de polders zichzelf konden handhaven. Bij de latere inpolderingen is van deze opzet afgeweken en hebben de heren sommige bedijkingen zelf gefinancierd en de nieuwe polders een tijdlang in eigen
Voorstelling van de doorbraak van een zeedijk. Naar een gravure uit de collectie: De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Voorstelling van de doorbraak van een zeedijk. Naar een gravure uit de collectie: De Atlas van Stolk te Rotterdam.

beheer gehouden. Dit is in de behandeling van de stof een richtlijn geweest. Het kon niet in de bedoeling liggen een volledige geschiedenis van de polders te geven. Over het algemeen eindigen in het archief de gegevens over een bedijking op het tijdstip, dat de heren de polders aan de ingelanden overlieten.
Op één aspect moet enigszins nadrukkelijk gewezen worden. De heren hebben in 1410 en 1415 een gebied verkregen, waarvan de opeenvolgende bedijkingen over een tijd van meer dan 5 eeuwen liggen. In breder verband heeft dit een bijzondere betekenis. Het grondgebied van Vossemeer is gewonnen in een zeer lange periode, terwijl de heren het al van 1410 en 1415 in hun bezit hadden, al lag het toen nog voor het merendeel onder water. Desondanks hadden zij het als een grondgebied gekregen. Dit verschijnsel, dat in Vossemeer helder aan de dag treedt, is in tal van historisch-geografische studies niet opgemerkt. In veel oudere literatuur, die zich bezighoudt met de reconstructie van heerlijkheden en hun territoria in vroeger eeuwen, heeft men zich niet gerealiseerd, dat in een waterland de uiterste reserve noodzakelijk is. Een uitspraak over wat water en wat land was, kan slechts op exacte gegevens steunen. In tal van gevallen is de omschrijving van zulk een grondgebied als een algehele verlanding opgevat, terwijl het problematisch is, of en in hoeverre de winning van het land al resultaat had gehad. De kaart van Vossemeer met de polders en de dijken lijkt met enige uitleg duidelijk. Als men de chronologie van de onderscheiden dijkages op de kaart nagaat, blijkt dat er logisch is bedijkt. Toch is het vrijwel zeker, dat tussen de ons bekende dijkages andere plannen gelopen hebben, die misschien geheel of ten dele zijn uitgevoerd, misschien mislukten, misschien geheel veranderd moesten worden na een calamiteit. Als treffend voorbeeld kan het land ten westen en zuidwesten van het dorp Halsteren worden aangehaald, waar betrekkelijk vroeg dijkages tot stand zijn gekomen, het dorp en parochie Polder ontstond, doch waar alles weer verloren ging tot het tussen de 15e en 18e eeuw in stukken kon worden herwonnen. Zoals overal elders zullen ook in Vossemeer tussentijdse werken hebben plaats gevonden, die eigenlijk zeer nauwkeurig bekend moesten zijn om de in stand gebleven werken geheel te begrijpen. In 1592 verzocht de rentmeester de indiening van de rekening der ambachtsheerlijkheid uit te stellen tot october, daar hij als dijkgraaf te druk bezet was met de dijkage van Bonaventura. 1 De “hemelraden” (heemraden) van deze nieuwe polder gaven het volgend jaar een penning aan de armen van Vossemeer. 2 Bonaventura moet wel een polder onder Vossemeer zijn geweest, waarvan men later evenwel niets meer verneemt. Dit zou erop kunnen wijzen, dat de polder kort na zijn bedijking weer verloren is gegaan. In 1664 vroeg iemand een stuk dijk in erfpacht in de buurt van de “Vriendeloose Polder”. 3 Deze naam vindt men in Vossemeer of in de directe omgeving niet meer terug. In dit geval kan men denken aan de verbastering van een naam of aan een naam uit de volksmond. Het archief bevat echter meer sporen over uitgevoerde werken, die in de bronnen niet zó exact omschreven zijn, dat zij ons in details een inzicht zouden kunnen geven in alles wat gedaan is, wat eventueel is mislukt of om andere redenen niet gehandhaafd bleef.
Kaart van de polders van Oud Vossemeer door K. Bestebroer, 1761. Archief Ambachtsheerlijkheid.

Kaart van de polders van Oud Vossemeer door K. Bestebroer, 1761 . Archief Ambachtsheerlijkheid.

De periodieke overstromingen hebben het oorspronkelijke beeld van de dijkages niet onaangetast gelaten. Ook hier zijn de grotere en kleinere veranderingen niet altijd nauwkeurig aan te wijzen. Evenals de gehele streek heeft Vossemeer van zware overstromingen te lijden gehad. De grootste rampen zijn veroorzaakt door de watervloeden van: 1421, 1511, 1530, 1532, 1570, 1583, 1682, 1720, 1808, 1906 en 1944. De meeste ervan komen bij de onderscheiden polders nog ter sprake. De stormramp van 1953 ging aan Oud Vossemeer voorbij, doch stortte zich met des te groter geweld op Nieuw Vossemeer. Door deze overstromingen zal de circumscriptie, die de polders bij hun eerste bedijking hadden, niet ingrijpend zijn gewijzigd. Dat er toch veranderingen zijn voorgevallen, bewijzen trouwens wel de afwijkende oppervlakten, die in de loop van de jaren opgegeven worden. Met deze voorbehouden dient het onderstaande overzicht van de polders gelezen te worden.
Met het bestuur van de polders hebben de heren zich niet intensief bezig gehouden. In de eerste eeuw van het bestaan der heerlijkheid bemerkt men daar al zeer weinig van. In 1503 bepaalden de heren, dat elke polder “zoals vanouds” zijn landmeesters moest hebben. 4 Zoals vanouds duidt wel aan, dat deze functie al langer bestond. De landmeesters hadden tot taak de landerijen en de kunstwerken na te gaan en voor hun instandhouding te zorgen. De kosten hiervan sloegen zij om over de ingelanden. Zij legden aan de heren rekening af. Hierdoor en omdat zij door de heren werden benoemd, hadden deze voldoende toezicht op de polders. De rentmeester of de baljuw fungeerde als dijkgraaf van alle polders en de heerlijkheid. Het instituut van de landmeesters is uiteindelijk verdwenen en op gegaan in dat van de gezworenen; dan was een zuiver polderbestuur gevormd.
De ingelanden van de polders waren in zoverre autonoom, dat zij onafhankelijk van de heren besluiten konden nemen en werken doen uitvoeren. Financieel moesten zij zichzelf zien te bedruipen; slechts zelden deelden zij in algemene dijklasten of in de lasten van andere polders. Na de watersnood van 1570 heeft koning Philips II bevolen, dat alle zeepolders moesten bijdragen in de herdijking van de polders van Zeeland. Daarom zouden zij een bepaald deel opbrengen van wat zij zelf aan hun zeedijk ten koste legden. 5 Nadien, zo merkte de rentmeester op, hebben sommige polders geen cent meer aan hun dijken besteed; zo hoefden zij ook niets meer af te dragen. 6 Aanvankelijk fungeerde de rentmeester van de heren als penningmeester van alle polders. 7 Later is deze functie gecombineerd met die van secretaris. Wel heeft de rentmeester altijd gediend als schakel tussen de heren en de polderbesturen. In 1669 geboden de heren, dat de dijkgraaf en de gezworenen hem in kennis moesten stellen van alle aan te besteden werken; 8 dit voorschrift herhaalden zij in 1717. 9 Door dit toezicht en het afhoren van de rekening hadden de heren van Vossemeer toch een sterke zeggenschap in het beheer van de polders.
Met het toekennen van subsidie voor het uitvoeren van werken waren de heren niet vlot. In 1724 vroegen de ingelanden van Nieuw Vossemeer een bijdrage voor een nieuwe sluis. De heren wezen dit verzoek af, omdat de bestaande sluis pas 30 jaren geleden was gelegd; zij was altijd door de ingelanden onderhouden. 10 Met andere woorden: als jullie niet tevreden zijn met de bestaande, bouw dan zelf maar een nieuwe. Toen de ingelanden er in 1727 weer op terugkwamen, droegen de heren de dijkgraaf op dit werk door de ingelandenvergadering te laten begroten en te doen uitvoeren, doch zonder subsidie van hun kant. 11 Het is slechts een symptoom van het beleid van de heren, dat de polders zich financieel konden en moesten redden.
Na 1795 hebben de polderbesturen zich veel vrijer tegenover de heren gedragen; toen had de supervisie in de praktijk niet veel meer te betekenen. Na het herstel van sommige rechten der ambachtsheerlijkheid behielden de heren het recht van voordracht voor de benoeming van een dijkgraaf, penningmeester en gezworenen, doch omstreeks 1850 is ook dit afgeschaft.


33. DE STRIENE
EEN MYTHOLOGISCHE RIVIER
Vóór de eerste inpoldering vormde het latere grondgebied een waterland, waarin zich hier en daar al opgewassen gronden aftekenden. De juiste toestand van dit gebied kan men zich slechts bij benadering voorstellen; exacte gegevens zijn in de geschreven bronnen nauwelijks aanwezig. Waarschijnlijk bieden de bodemkarteringen meer houvast. De daarna gevormde polders liggen er nu als zó vanzelfsprekend, dat de barre watervlakte van weleer maar heel moeilijk terug te projecteren is. Er dringt zich echter één punt naar voren, dat nodig opgehelderd dient te worden, namelijk de bewering, door sommige historici tot ontwijfelbare zekerheid verheven, dat in dit gebied de rivier De Striene gelopen zou hebben.
Aan deze rivier wordt gewoonlijk een belangrijk deel van de vroegste geschiedenis van West-Brabant en Tholen opgehangen. Ofschoon zich over haar bestaan en haar loop van lieverlede een algemene mening heeft gevormd, waaraan Van Rheineck Leyssius en Beekman de wetenschappelijke afronding gaven, 1 gaat de rivier achter dichte sluiers van historische en geografische raadsels schuil. Volgens hen heeft de Striene oorspronkelijk door het eiland Tholen gestroomd, en bepaald over een groot gedeelte van het gebied, dat later het land van Vossemeer werd. De behandeling van de wording van dit grondgebied is derhalve een gerede aanleiding, om de juistheid of de valsheid van die bewering te onderzoeken. Het al dan niet bestaan van deze rivier op de aangenomen plaats is op zich al een interessant historisch-geografisch vraagstuk. De kwestie is van nog meer gewicht, omdat met de rivier meerdere zaken verbonden zijn, wier historiciteit staat of valt met haar werkelijkheid. Zou het als niet passend beschouwd worden, een kritisch onderzoek in te stellen naar deze zogenaamde zekerheid, dan kan verwezen worden naar de onlangs voltooide bodemkartering van het eiland Tholen, waarbij geen enkele indicatie te voorschijn is gekomen, dat het eiland van zuid naar noord door een rivier doorsneden is geweest. Een historisch onderzoek behoeft overigens geen rechtvaardiging.
De gangbare reconstructie is voor het grootste deel voortgekomen uit een niet geheel juist inzicht in de aardrijkskundige en waterstaatkundige ontwikkeling van Zeeland en West Brabant. De historici, die met een bepaalde materie werkten, naar de schijn ter plaatse thuisbehorend, hebben zich niet of veel te weinig verdiept in het onderzoek naar de oude gesteldheid van de wateren en gronden. Vooropstellend, dat de rivier de Striene hier ergens heeft gelopen – dit scheen immers uit de bronnen te moeten worden gelezen - hebben zij haar loop, voornamelijk aan de hand van enkele toponiemen, zeer nauwkeurig beschreven; ál te mooi, mag men wel zeggen. Zonder het minste bezwaar laten zij de Striene op enkele plaatsen door andere wateren kruisen, wier bestaan en loop wel bekend zijn. Voornamelijk hierdoor wordt hun reconstructie absoluut onhoudbaar. Als er inderdaad een zodanige “kruising” van wateren had bestaan, zouden de middeleeuwers zeker niet tot de simplificerende naamgeving gekomen zijn als de historici achteraf hebben vastgesteld. Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat de zogenaamde Striene zich in die warreling van wateren zó duidelijk aftekende, dat haar loop én haar naam van het begin tot aan de uitmonding vast lagen? In waterstaatkundig opzicht is de Striene een onaanvaardbaar product van kamergeleerdheid; zij is een papieren rivier.
Een beeld van het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Een beeld van het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Tholen en West-Brabant moet men zich in de 10e eeuw, toen er volgens de gevestigde mening de Striene stroomde, als een waddengebied voorstellen, waar geen plaats is voor een zo mooi aangeduide en zo nauwkeurig afgebakende rivier. Verschillende delen van de buitenwateren, van de monden van Maas en Schelde, hebben wellicht al lang een naam gehad, misschien al enige tijd voordat de hoogwaterlijn (bij normale vloeden) een zekere stabiliteit verkregen had. Toen door de verdergaande verlanding het land en het water zich duidelijker begonnen af te tekenen, spreekt het vanzelf, dat de dan ontstane stromen, geulen en kreken een naam kregen. Waarschijnlijk werden eerst de geheel of ten dele drooggevallen gronden van een naam voorzien; die naam kon op het water overgaan. Ook het omgekeerde heeft zich voorgedaan, namelijk dat de naam van een water overging op het gevormde land. Vossemeer is hiervan een duidelijk voorbeeld. Er moet rekening gehouden worden met de voortdurende stroming, waardoor enerzijds een betere aftekening van gronden en wateren zichtbaar werd, anderzijds een vrij lange tijd gevergd werd vóórdat een verlanding tot rust kwam. Zover behoefde het niet altijd te zijn; een gebied kon om de nabijheid van reeds bewoonde plaatsen om een naamgeving vragen, zelfs als het nog niet bewoond en nog minder gecultiveerd was. Door enkele valse teksten en uit hun chronologie getrokken gegevens is de verlanding van deze streek, het begin van bewoning en cultivatie, meerdere eeuwen te vroeg geplaatst. Het behoeft geen betoog, dat dit het historisch beeld zeer vertroebeld, zelfs een geheel vals fundament gegeven heeft. De exacte gegevens, die beschikbaar zijn, wijzen vrij nauwkeurig de tijd aan, wanneer het nieuwe land van West Brabant en Tholen door de mens in bezit is genomen. In dit verband behoeven wij niet te discussiëren over een jaar vroeger of later; de historische gegevens tonen helder aan, dat Tholen, Bergen op Zoom, Steenbergen en andere plaatsen in deze streek pas in de 13e eeuw hun intrede in de geschiedenis doen. De volgende plaatsen worden voor het eerst genoemd: de tol van Schakerlo (Tholen) in 1218; Bergen op Zoom en Wouw in 1232 of 1235; Halsteren in 1263; Steenbergen in 1267; Gastel in 1275; Zevenbergen in 1283. Opmerkelijk is, dat de plaatsen op de hoge zandgronden van West-Brabant geruime tijd eerder verschijnen: Breda, Zundert, Rijsbergen, Etten, Nispen tegen het midden van de 12e eeuw. Men zou een bepaalde veiligheidsmarge kunnen aannemen in deze zin, dat in de streek al bewoning was voordat de plaatsen in de geschreven bronnen verschijnen. Daar is geen enkel bezwaar tegen, mits die marge niet tot in het oneindige wordt doorgetrokken. Ook zonder een termijn daarvoor te willen of te durven stellen, moet het uiterste maximum toch wel op een eeuw worden gehouden. Die vrij late intrede is enkel te wijten aan het feit, dat dit gebied van Brabant en Zeeland een nieuwland was, pas in de 11e of 12e eeuw van het water vrijgekomen. Dat het misschien een nieuw oudeland was, volgens een onderscheiding van de middeleeuwers, als zij wilden aanduiden dat een gebied voorheen had bestaan en opnieuw op de zee gewonnen was, is wel mogelijk, doch in dit geval zeer onwaarschijnlijk. In West-Brabant en Tholen, in tegenstelling tot sommige streken van Zeeland, zijn geen archeologische relicten gevonden uit de tijd van of vóór de transgressies. Deze transgressies (blijvende overstromingen van langere duur) hebben tussen de 3e en 10e eeuw, uiteraard in op- en neergangen, het gehele laagland van West-Europa overspoeld.
Het heeft geen zin de reconstructie van de rivier de Striene door Van Rheineck Leyssius en Beekman in details te volgen, daar deze punten niet van belang zijn naast de principiële vraag, waar en hoe de rivier heeft bestaan. Waar deze schrijvers water aanwijzen, was dit ongetwijfeld aanwezig. Er waren zelfs meer wateren dan zij verondersteld hebben. Een rivier tekent zich namelijk pas af, als zij door oevers is afgebakend. Wordt zij gereconstrueerd in een enorm complex van buitenwateren, dan mag terecht worden gevraagd naar duidelijke gegevens, waarop zulke vreemde reconstructie steunt. Beekman spreekt er zich niet over uit, op welke tijdstippen precies de Striene heeft bestaan en verdwenen was; hij houdt zich op de vlakte en zegt, dat ze reeds lang verdwenen is. De chronologie der teksten en der dijkages is voor hem blijkbaar geen probleem geweest; toch is dit het enig juiste uitgangspunt voor de historische geografie van een waterland. Met een overtuiging, waar geen spoortje van twijfel doorklinkt, gaat hij er van uit, dat de Striene ter plaatse heeft bestaan.
Om zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, wat de tijdgenoten onder het woord Striene of zijn varianten begrepen, moeten wij de naam in de bronnen volgen. Bij het nagaan van de teksten zal duidelijk worden, uit welke vreemde hoek de stelling afkomstig is, dat tussen West-Brabant en Tholen een rivier Striene heeft gestroomd.
In een ongedagtekende oorkonde, vermoedelijk ca. 1198 opgemaakt, verklaart de hertog van Lotharingen, dat Godfried van Schoten het allodium van Breda van hem in leen houdt, namelijk het kasteel van Breda, de vennen tussen Vulgenhage (onder Princenhage) en Striene. 2 Deze leenverheffing werd door de graaf van Holland met lede ogen aangezien. Hij protesteerde er tegen in de overtuiging, dat door deze uitbreiding van het land van Breda aan zijn gebied was geraakt. Een en ander leidde tot een accoord tussen de graaf van Holland en de hertog van Lotharingen, in 1203 gesloten, 3 waardoor de reeds lang bestaande geschillen over de jurisdictie van het land tussen Schelde en Maas geregeld werden. De graaf van Holland gaf aan de hertog terug, doch ontving van hem terstond weer in leen: “de stad Durthreth (Dordrecht).... en het gehele land tussen Strine en Walwic (Waalwijk)”. Door deze twee acten, die nauw samenhangen, wordt aangegeven waar Striene gelocaliseerd moet worden, als het tegen het einde van de 12 e eeuw in de historische bronnen verschijnt. In deze acten is ongetwijfeld het land van Strijen bedoeld; van een rivier of een water is geen sprake. Dordrecht, Striene en Waalwijk staan als plaatsen naast elkaar genoemd om een nu Hollands gebied aan te duiden, dat als Brabants leen wordt erkend.
Opgemerkt moet worden, dat de eerste vermelding van Striene pas tegen het einde van de 12e eeuw voorvalt. Niet eens doorslaggevend is het feit, dat deze teksten het land van Strijen en geen water bedoelen. Belangrijk is wel de tekstkritische constatering, dat enige (overigens valse!) teksten uit de 10e eeuw, die de Struona vermelden, niet gesteund worden door parallelteksten.
Het oude land van Strijen is een duistere zaak, niet omdat aan zijn werkelijk bestaan getwijfeld zou mogen worden, doch omdat over zijn geschiedenis en betekenis nogal gefantaseerd is. Nóg niet uitgeroeid is de mythe, door de abdij van Thorn in het leven geroepen, door velen aangekweekt en door sommigen verder opgeschroefd tot kwasi-historie, dat het een graafschap is geweest, reeds van belang toen het graafschap Holland nog niet bestond. Zijn geschiedenis is tevens duister, omdat in de opeenvolgende heren van Strijen nog altijd geen volledige klaarheid is geschapen. Het enig vaststaande is, dat het zich vanaf de 12e, misschien vanaf de 11e eeuw, in het eilandengebied van Zuid-Holland bevond. De plaats Strijen vormde er wellicht het middelpunt van. De heerlijkheid Strijen omvatte ook een gebied in het huidige Noord-Brabant, waaruit de heerlijkheid Zevenbergen is ontstaan. 4
Wanneer kort nadien, in het jaar 1213 Hendrik I, hertog van Lotharingen, aan Godfried van Breda de helft van de tol op de Schelde en de Striene in leen geeft, 5 op voorwaarde dat hij de lieden, die er varen, in bescherming zal nemen, is er geen enkele reden om te besluiten tot een geheel andere plaats van Strena, zoals de tekst het water noemt. Zonder de minste twijfel bedoelt de acte een water, als zij over een tol te water handelt. De nevenschikking van Schelde en Striene, het feit, dat de heer van Breda in dezelfde acte Schakerlo en Ossendrecht krijgt, en niet te vergeten de gangbare reconstructie van de Striene hebben de overtuiging post doen vatten, dat hier de tol en het geleide op een rivier tussen Tholen en Brabant bedoeld waren. De acte heeft integendeel de bescherming op het oog gehad van de schippers in het westen (de Schelde) en het noorden (de Striene) van het land van Breda en van Brabant. Het water van Strijen wordt Strena genoemd; dat het Hollandsch Diep is bedoeld, staat niet alleen door de reeds gegeven teksten van de Striene vast, doch mag ook worden afgeleid uit de leengeving van het jaar 1203, waarbij de hertog van Lotharingen de heer van Breda bevoegdheden en het territorium afstond tot aan Striene. Zo gezien, was de opdracht redelijk. Door het bezit van het land tot aan Strijen was de heer van Breda in het noorden in elk geval in staat de tol te beschermen; in het westen versterkte de hertog met opzet zijn positie door hem Schakerlo en Ossendrecht in leen te geven. De reconstructie van de Striene vanaf Tholen tot Strijemond valt in feite vrijwel geheel buiten het territorium, dat de heer van Breda beheerste; ook op grond van deze acte is zij niet te houden. De hertog van Lotharingen had zich het water van Strijen voorbehouden, al had hij de graaf van Holland het land in leen gegeven. 6 Ongeveer hetzelfde accoord werd in 1223 tussen de hertog en Godfried van Schoten herhaald. 7
In het Nassau Domeinarchief komt de oorkonde van 1213 in enige afschriften voor. 8 Merkwaardigerwijs spreekt het oudste afschrift van de tol op de Schelde en de Rijn (Rhyne), terwijl een 15e eeuws afschrift Stryne in plaats van Rhyne geeft. Als het origineel inderdaad de Rijn heeft genoemd, wat niet onwaarschijnlijk is, wordt de door de locale omstandigheden beïnvloede lezing wel begrijpelijk, doch blijft zij een vervalsing. Belangrijker is echter, dat wij dan de eerste duidelijke vermelding van Striene als een water ruim een halve eeuw verder moeten plaatsen, en wel naar een acte van 1279, waar het water ten noorden van Gastel is bedoeld. Eenzelfde aanduiding van de streek vindt men in een bulle van paus Innocentius van het jaar 1486 9. Daarin geeft hij een beschikking over de tienden in het land, dat graaf Engelbrecht van Nassau wil laten bedijken (het latere Kruisland onder Steenbergen), en dat aangeduid wordt te liggen “tussen de monden van Rijn en Schelde”. Deze omschrijving zal door de pauselijke kanselarij wel letterlijk overgenomen zijn uit het voorafgaand verzoek van de graaf. Het vormt een sterke aanwijzing, dat de woorden Schelde en Rijn uit de vorige acte authentiek zijn.

Tegen het midden van de 13e eeuw beginnen de vermeldingen van de heren van Strijen. Het is van belang hun namen te geven, omdat daardoor voor een lange tijd vaststaat, dat Striene opgevat moet blijven worden als het land van Strijen. De enige maatstaf voor een juiste interpretatie is immers te weten, wat de tijdgenoten onder een bepaalde naam verstaan hebben. In 1244 zijn Willem, Hugo en Hendrik van Striene bekend; 10 in 1287 Willem van Strien; 11 in 1294 Jan van Striene; 12 in 1300, 13 1315 en 1338 Hugeman van Striene of Stryene, heer van Zevenbergen; in 1300 Hadewich, dochter van Willem van Striene; 14 in 1357 Aleidis van Putten en Strijen; 15 in 1360 en 1370 Sweder van Abcoude, heer van Gaasbeek, Putten en Strijen; 16 in 1370, 1375 en 1376 Hugeman van Strien, heer van Zevenbergen; 17 in 1380 en 1381 de heer van Gaasbeke, Putten en Stryene; 18 in 1426 Gerrit van Strijen, heer van Zevenbergen. 19 Door deze teksten wordt ten aanzien van de interpretatie van wat Striene betekent een lange tijd overbrugd door de absolute zekerheid, dat het oude land van Strijen onder de naam Striene blijft verschijnen. Bijzonder duidelijk wordt tot uitdrukking gebracht, dat Strijen en Striene volkomen identiek zijn. Er is altijd aangenomen, dat Strijen de naam van het land zou zijn en Striene de naam van de rivier.
Andere heren van Streie of Streye vindt men zeer ver naar het zuiden. In het jaar 1374 komt Gillis de Strée voor, die in een oorkonde Gielson Streye heet en zelf als “Gile de Streie” zegelt. In een oorkonde van het jaar 1377 wordt hij Gillis van Strige genoemd. 20 Zijn naam komt van de plaats en de heerlijkheid Strée, in de provincie Luik en het kanton Huy gelegen. Bij gebrek aan exacte gegevens kan de band van de Hollandse heren van Strijen met deze Luikse familie niet zonder méér worden verondersteld. Toch moet ernstig rekening worden gehouden met deze mogelijke herkomst van het Hollandse geslacht. De meeste, om niet te zeggen alle adellijke geslachten, die in Brabant en Holland heerlijkheden verwierven, blijken immers van zuidelijke afkomst te zijn. Zou deze mogelijkheid ooit nader geadstrueerd worden, dan vormt dit een reden te meer, om het legendarische graafschap Strijen ver van ons te werpen.
Tussen 1240 en 1258 komt Hendrik Buffel voor als leenman van Breda en Holland, en als heer van Schakerlo. In 1248 verkreeg hij van roomskoning Willem II het leengoed Schakerlo (ten zuidwesten van de stad Tholen gelegen) met alle toebehoren, 21 waarvan de begrenzing in de acte aldus beschreven wordt: “tussen dusdanich palen als: Vosvliet, 22 Mara, 23 Goewech (Gawech) 24 Heendrecht, Scelde, Striene ende Myddeldijc van Poortvliet”. De acte is niet geheel en al betrouwbaar, omdat er toponiemen in voorkomen, die pas geruime tijd later in andere bronnen worden genoemd. Als zij geen volledig post-factum is, dan bestaat wel de kans, dat zij ruim een eeuw later hermaakt of herschreven is, met alle mogelijkheden van interpretatie en interpolatie, want dan blijkt zij opeens weer actueel te zijn, als in Steenbergen en Tholen over haar inhoud en strekking getuigen worden gehoord. 25 Voor ons doel kunnen wij de oorkonde textueel als authentiek aanvaarden, want de limietomschrijving raakt de rivier de Striene niet. In de tekst staat de naam van Striene tussen Schelde en de middeldijk van Poortvliet. Hier duidt Striene de streek aan van Oud en Nieuw Strijen onder Poortvliet, het punt waar de gangbare mening het begin van de rivier plaatst. Ook uit deze aanduiding is geen rivier te distilleren. De limietbeschrijving uit deze acte, die het oude leen van Schakerlo rondom afpaalt, noemt haar in het noorden nergens, zij gebruikt Striene als streeknaam, in dit geval als de naam van gronden.
In het jaar 1407 wordt land onder Poortvliet verkocht, 26 oostwaarts
Een dijkdoorbraak. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Een dijkdoorbraak. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

grenzend aan de zandweg, zuidwaarts aan de middeldijk van Striene en van Jan van Steelants polder. Méér dan een streeknaam, later opgenomen in de naam der polders, is ter plaatse niet aanwezig geweest. Het is toch wel te weinig om daar de belangrijke conclusie aan vast te knopen, dat tussen Poortvliet en Tholen het begin van de rivier de Striene lag. De middeldijk van Striene heeft sommigen tot de opvatting gedrongen, dat hier de Striene afgedamd is geworden. Het woord “middeldijk” wijst geenszins op de afdamming van een rivier; het duidt aan, dat aan weerszijden reeds andere (nieuwe?) bedijkingen lagen.
Volledig opgelost wordt het raadsel, hoe op het eiland Tholen de toponiem Striene terecht is gekomen. In 1413 oorkonden de schepenen van Tholen, dat Willem Scobbelant, bastaard van Zevenbergen, aan Guy bastaard van Bloys de eigendom overdroeg van een rente uit de gorzen van Doorlo, die door de (grafelijke!) rentmeester van Tholen aan hem moest worden betaald. 27 Nog daarna is sprake van deze rente, die lange tijd regelmatig in de rekeningen terugkeert, bijvoorbeeld in 1424, als Clara van Botlant, weduwe van Bloys, haar ontving voor het “Scobland”, dat voorheen aan de bastaard van Zevenbergen toebehoorde. 28 Er blijkt dus, dat de heren van Zevenbergen en vóór deze de heren van Strijen op het eiland Tholen al lang rechten en bezittingen hadden. Het feit, dat de graaf van Holland hun een rente verschuldigd was, kan er zelfs op wijzen, dat hun bezit al zeer vroeg gevestigd was. Bij een zo duidelijke relatie tussen Poortvlieten de heren van Strijen mag zonder bezwaar gesteld worden, dat de ter plaatse voorkomende toponiem van hen afkomstig is en niet van de veronderstelde rivier.
In 1256 bevestigde Floris, ruwaard van Holland, de schenkingen van koning Willem aan Alaerde Margrietenzoon van Duvenne van de “Vriezendijksemoeren”, waarvan deze het tweede deel bezat, terwijl het derde deel aan de heer van Breda toebehoorde. 29 Het land in kwestie lag tussen deze grenspunten: “van Quarenvliet 30 naar het zaailand, dat men Gheest Lant 31 noemt; vandaar op Striene; vandaar op Greveningen; vandaar op Vosvliet; vandaar op Bole Ee; vandaar op Bokelenberge 32 en van Bokelenberge 33 op het Gheest Lant”. Deze schenking is door graaf Floris in het jaar 1271 bevestigd. 34
Er is wel eens verondersteld, dat in deze acte hetzelfde of ongeveer hetzelfde gebied werd uitgegeven als in 1248 aan Hendrik Buffel, temeer daar ook in deze brief het ambacht van Schakerlo is genoemd. Waarschijnlijk is dit niet juist, daar de indruk wordt gewekt, dat de eerste brief op een groter gebied van het latere eiland Tholen betrekking heeft dan de tweede. Het is vrijwel zeker, dat de, uitgiften van 1248 en 1256 slaan op wateren en gronden, die nog ingepolderd moesten worden. Het is in deze streek geheel normaal, als gronden worden uitgegeven, die in feite nog geheel drijvend waren; het kon trouwens moeilijk anders. Even waarschijnlijk is het, dat van die voorgenomen inpolderingen niet veel terecht is gekomen; vrijwel het gehele gebied, in de acte van 1256 begrepen, is in 1410 en 1415 opnieuw aan de heren van Vossemeer ter bedijking uitgegeven. Men zou kunnen veronderstellen, dat dit land tegen het midden van de 13e eeuw inderdaad bedijkt is geworden en later weer verloren gegaan, doch dit kan niet meer dan een veronderstelling blijven.
Het vervolg van de oorkonde van 1256 bewijst, dat de inpoldering het doel of een integrerend onderdeel van de leengeving was. Alaerd ontving eveneens de “uitdijken” (ws. zeedijken) van Schakerlo met vergunning om die, als hij wilde en er bekwaam toe was, verder uit te dijken, van welk land hij dan ook de tienden zou hebben. En ingeval Striene omdijkt werd, zou hij ook daar alle tienden hebben van het land met de “uitdijken” tot aan de Schelde toe. Even tevoren is Striene genoemd naast Greveningen; daar moet de interpretatie van het diep van Strijen worden aanvaard. Waarschijnlijk werd een inpoldering van Coudenoord voorzien, dat blijkens andere gegevens onder Strijen gerekend werd, doch welke dijkage niet is gerealiseerd. Mogelijk doch heel onwaarschijnlijk is, dat de tweede maal Striene bij Poortvliet is bedoeld; de acte geeft geen nadere toelichting, wat in dit geval toch wel nodig was. Het “omdijken” van Striene leek er weer op te wijzen, dat de Striene afgedamd is. Afgezien van de waarschijnlijkheid, dat op de acte van 1256 geen enkele dijkage is gevolgd, is die deductie ook om waterstaatkundige redenen niet juist. Bij de bedijkingen begon men beslist niet met de grote rivieren en kreken; die werden juist vermeden, totdat zij door andere werken zoveel mogelijk aan banden waren gelegd. Hadden de historici zich gerealiseerd, wat het betekent een rivier te sluiten, dan zouden zij deze stelling niet zo lichtvaardig neergeschreven hebben.
In 1273 verklaart Willem, heer van Strijen, dat de heer van Putten en hij hun land tussen Strien en Weede 35 gescheiden hebben. 36 Hier gaat het om het oude land van Strijen, boven het huidige Hollandse Diep gelegen, en is zeker niet een rivier bedoeld.
Een oorkonde van de St. Bernardusabdij van Hemiksem geeft in 1279 een omschrijving van een grondgebied in West Brabant. 37 Dat gebied lag tussen het Dorlichtervenne 38 en de Lede 39 tot Dindelmonde 40; vandaar tot Markemonde 41 en het midden van het water, dat Striene heet; van de Markemonde tot Oversteovermere 42 en het midden van de Mark; vandaar tot Hoeghsten Holterberghe 43en het Dorlichtervenne. Het water van de Striene moet aan de hand van de andere grenspunten opgevat worden als het water van Strijen, derhalve een deel van het Hollandsch Diep. Geplaatst tussen de mond van de Mark en een punt onder Hoeven kan geen in Tholen te situeren rivier zijn bedoeld.
De oorkonde van 1279 is voorafgegaan door een acte van het jaar 1125 44, waarin dezelfde namen voorkomen. In deze brief bevestigde graaf Dirk van Holland de schenking door Fastradus, bijgenaamd Scerebart, aan de abdij van Nieuw-Bethlehem of Oostburg bij Utrecht. De geschonken goederen lagen tussen deze palen: “van de Markemonde tot Overste Overmere, vandaar tot Halreberghe en vandaar tot Thurlichtervenne”. Het blijkt hetzelfde gebied, waar de abdij van St. Bernard in 1279 rechten ontving. Opmerkelijk is, dat in de oudste acte elk raakpunt met Striene ontbreekt, dat die van 1279 wél tussen Markemonde en het Overste Overmere noemt. Zou het lichtvaardig zijn aan te nemen, dat er in 1125 nog geen heerlijkheid Strijen bestond, of op zijn minst, dat het aan Strijen toebehorende of rakende water nog niet met de naam Striene werd aangeduid? Naderhand vernemen wij niets meer van enige bemoeienis van de Utrechtse abdij met dit gebied; misschien had zij dit waterland ter bedijking en cultivatie gekregen, doch is zij in de verwezenlijking ervan niet geslaagd.
Wanneer bij de verdeling van de landen van de graaf van Nassau en de heer van Bergen op Zoom, in 1458 gedaan, 45 de noordgrens van Nassau omschreven wordt, vindt men deze term: “. . . tot int diepe van den watere van der beke van Rosendale. . . . westwairt of noordwestwairt totten halven diepen toe voer Cakeloy, 46 ende van dair alsoe voort langhs den diepen noortwert totten halven diepe van den Appeler ende van dair voort noortwestwairt langhs den diepe van der Dyndel, ende van dair voirt langhs den diepen noortoostwert totten diepen toe, geheijten Volckenracke, ter graaflicheijt toe van Hollant”. Het water van Strijen en het Volkerak blijken identiek te zijn, met dien verstande, dat het diep van Strijen méér omvat heeft.

Chronologisch gezien, lopen de vermeldingen van de twee streken, die Strijen of Strien heetten, al merkwaardig parallel; het was zaak beide plaatsen goed uit elkaar te houden. In het begin van de 14e eeuw krijgen zij gezelschap van een derde Striene. In 1320 gaven de heer en vrouw van Putten en Strijen aan hun “knaap” Willem van Duivenvoorde een goed in pacht, in de heerlijkheid van Breda gelegen: “zulk goed, dat zij hadden in Oosterhout, dat men het goed van Strijene noemt”. 47 Tot dat goed behoorden andere bezittingen in het land van Breda, te Wernhout, in Ulvenhout en op andere plaatsen. Het was afkomstig uit het versterf van de moeder van de vrouw van Putten en Strijen, vrouwe Aleidis. In het jaar 1324 gaven Gwijde van Vlaanderen en Beatrix, heer en vrouw van Putten en Striene, die burcht te Oosterhout in erfpacht aan dezelfde Willem van Duivenvoorde: “ons steenhuis en woning te Oosterhout, dat men het huis van Striene noemt”. 48 In 1326 verklaarde Willem van Wichvliet, dat hij knaap was van de heer van Striene, en dat deze hem het huis te Oosterhout liet bouwen. De beemd, waarop het huis stond, was gekocht van Coppard van Oosterhout. 49 Op 1 januari 1329 nam hertog Jan III van Brabant dit huis in bescherming, “dat men heet dat huys te Striene” 50 Nadien in 1344 en 1354 komt het huis, Striene of Strijen genoemd, nog in de bronnen voor. 51
Terecht is er tussen deze naam van Striene, onder Oosterhout voorkomend en daar om overigens begrijpelijke redenen aan een kasteel van de heer van Strijen gegeven, en de zogenaamde rivier de Striene nimmer enig verband gelegd. Wel zien wij, dat de naam Strijen, Strien of Striene nogal ruim verbreid was. Eerst duidt de naam de oude heerlijkheid aan, het oude land van Strijen; dan wordt hij gebruikt voor een deel van het gebied aan de Brabantse oever. Op het eiland Tholen verschijnt hij als streeknaam en in Oosterhout als naam van een herenhuis. Daartussendoor spelen de gevallen, waar hij een water scheen aan te duiden. Deze naam heeft de historici wél voor de voeten gelopen!

In het jaar 1337 vestigde Andries van Zeelant c.s. ten gunste van de stad Steenbergen een rente, die als bakengeld moest dienen: 52 “En deze voornoemde rente zal jaarlijks “gaan” (bestemd zijn) voor het bakengeld, om daarmede het water te bakenen, dat van Steenbergen noortwaarts gaat tot de Striene toe . . . ” Zelfs hier, waar de tekst “der Strienen” geeft, wat een rivier suggereert, is de conclusie geheel en al misplaatst, dat de veronderstelde Striene is bedoeld. Nog altijd wordt
Het huis Strijen te Oosterhout, ca. 1700. Naar een tekening in bezit van A. Hofkens te Breda.

Het huis Strijen te Oosterhout, ca. 1700. Naar een tekening in bezit van A. Hofkens te Breda.

het water van het land van Strijen aangeduid, het Hollandsch Diep, het Volkerak en in deze tekst speciaal de omgeving van Coudenoord, voorheen tot het land van Strijen behorend. In een oorkonde van 6 november 1368, 53 waarin de schepenen van Steenbergen een verklaring geven over de scheiding tussen het land van Breda en van Bergen op Zoom, spreken zij van het “zoute water, genaamd Strije” De oorkonde zelf is niet bewaard gebleven, doch in inhoud en de opmerkelijke benaming zijn vermeld in een oude inventaris van het jaar 1517. Blijkens de mededeling aldaar: “met nog drie andere certificatiën in papier, dienende op ’t selve”, is deze brief een andere dan de tezelfdertijd afgelegde getuigenverklaringen. Zeer juist is de omschrijving. Het diep van Strijen stond immers in zo nauw contact met de buitenwateren, dat het door de tijdgenoten niet eens als een rivier werd beschouwd, doch als een deel van een zeearm.
Op 5 november 1368 worden voor de schepenbank van Steenbergen getuigenverklaringen afgelegd over de grens tussen het land van heer Jan van Bloys en dat van de heren van Breda en Bergen op Zoom. 54 In feite ging het om de grens tussen het eiland Tholen en West-Brabant. De scheiding liep over de plaats waar de Quarenvliet 55 in de Striene valt, over de noordzijde van de Mynne, 56 het westeinde van Stommelmare 57 en ten westen van de oude Couveringe; 58 tevens wordt uitdrukkelijk vastgesteld, dat Stommelmare binnen de grenzen van Brabant ligt. Anderen getuigden, 59 dat Stommelmare onder het gerecht van Steenbergen hoort en dat het land, gelegen tussen de Quarenvliet, de Mynne en half het diep van Strijen tot Markemonde en Dinlemonde toe, en ook het land van Strijen, Coudenoord geheten, tot Brabant en aan de heren van Breda en Bergen op Zoom behoren. Andere personen verklaren, dat de grens tussen dat stuk van het graafschap Zeeland, dat Hendrik Buffel in leen had, en het gemeenschappelijk land van Breda en Bergen op Zoom liep over Striene, de Quarenvliet, de dijk van de Oude Saeghen, het moer ten zuiden van Doedenshil, 60 de Oude Couveringe, de noordwesthoek van Mattemburg, de Hole Quebbe, die nu Rode Kene heet, de Ewenkene en vandaar langs Heendrecht in de Schelde. Weer anderen zeggen: de grens loopt waar de Quarenvliet in de Striene valt, verder langs de noordzijde van de Dayrop. De noordzijde van Dayrop, weet een ander weer, was van Jan van Henegouwen; de zuidzijde van de heren van Breda en van Bergen op Zoom. Het behoeft geen betoog, dat overal waar van Striene gesproken wordt, het Hollandsch Diep en het Volkerak zijn bedoeld.
Een jaar later, in 1369, worden getuigenverklaringen afgelegd over het tolrecht van de hertog van Brabant. 61 Gehoord worden de schippers van Zandvliet, Oordamme, Lillo en Hildemisse. Hun getuigenis behoeft niet in extenso gegeven te worden, doch hier volstaat een samenvatting van hetgeen zij over de Striene vertellen. De stroom van de hertog gaat van de Eendracht naar Vosvliet, vandaar naar Scherpenisse langs de Mare 62 en van Strien verder naar Valkenberge. 63 Een ander zegt: de stroom van de hertog loopt van de Eendracht tot in de Gewech en vandaar langs de Mare tot de Vosvliet. Een derde zegt het nog duidelijker: langs de Eendracht in de Geweg en verder langs de Mare tot Vossehille toe en voorts op Scherpenisse aan; vandaar naar Heenhille toe en vandaar langs Striene tot Valkenberge. Deze laatste beschrijft de wateren, waarop het Brabantse tolrecht rust, van Scherpenisse naar het oosten toe, waar hij Striene zeer nauwkeurig tussen de Heen (Steenbergen) en Valkenberge situeert.
Opmerkelijk is, dat enkele andere brieven over het tolrecht op de Schelde in het geheel niet van de Striene spreken. In verklaringen van schout en schepenen van Antwerpen van de jaren 1374 64 en 1384 65 zoekt men Striene tevergeefs. Hier gaat het om de vrije vaart en het geleide voor de schippers van Antwerpen op de Schelde. Het valt te begrijpen, als wij in een oorkonde van het jaar 1339 zien, dat de tolvrijheid van Antwerpen begon bij Vosvlietshille en verder liep over Eendrachtmuyden (de mond van de Eendracht), Bergen op Zoom, Borgvliet, Ossendrecht en Zandvliet. 66 De rivier is hier van noord naar zuid beschreven. In het noorden, op de Hollandse wateren, in casu het Hollandsch Diep of het diep van Strijen, kon Antwerpen zich niet beroepen op de vrije Scheldevaart, zelfs als de stad daar een bepaalde tolvrijheid heeft gehad. Had de rivier de Striene werkelijk overeenkomstig de gangbare reconstructie bestaan, dan zou Antwerpen op de vrije vaart aldaar, evenals die over de Eendracht, ongetwijfeld aanspraak hebben gemaakt. Eveneens ontbreekt de Striene in de oorkonden van hertog Jan van het jaar 1296 en van hertog Anthonis van het jaar 1409, waarbij zij aan de stad Steenbergen tolvrijheid verleenden op de Schelde. 67 Zou men daartegenover willen stellen, dat de rivier toen niet meer is genoemd, omdat zij inmiddels verdwenen was, dan wordt de vraag naar exacte gegevens wel heel dringend en moet eindelijk eens worden uitgemaakt, wanneer zij wél en wanneer zij niet meer bestond. De losse bewering, dat zij heeft bestaan maar reeds lang verdwenen is, kan niet worden aanvaard voor de lange periode, waar Striene in de bronnen voorkomt en welke teksten ten onrechte als vermeldingen van de rivier zijn opgevat.
Andere negatieve gegevens kunnen maar weinig meer toevoegen aan de juiste interpretatie van Striene. Toch moet er nog op gewezen worden, dat in Steenbergen, in Tholen en vooral in het archief van de heerlijkheid Vossemeer, waar toch de raakpunten zouden moeten liggen met de rivier de Striene, niets aanwezig is, dat de gangbare opvatting steun verleent. In de tweede uitgifte brief van Vossemeer dd. 9 februari 1415 is aan de heerlijkheid een uitbreiding gegeven. 68 Nadat in 1410 het eerste stuk was uitgegeven en bedijkt, de huidige Oud Vossemeerse Polder, gaf de graaf van Holland aan de heren: “het water van Vosvliet naast het land van den Broek, 69 met uitergorzen, daaraan gelegen; vandaar tot Marlo; 70 vandaar op Greveningen; vandaar tot Strijen; vandaar naar de Vertrisen Vaart; 71 vandaar naar Hazershil 72 langs het diep van de Eendracht tot de Noortkeeten van Tholen en zo rond langs de vrijheid van Vossemeer”. Deze beschrijving begint links boven aan de Oud Vossemeerse Polder, gaat vandaar recht naar het noorden, buigt over Greveningen en het water van Strijen (het Hollandsch Diep) naar het oosten en keert langs het land van Steenbergen naar Vossemeer terug. Ook hier is duidelijk, dat onder Strijen het Volkerak en het Hollandsch Diep begrepen zijn.
Naar aanleiding van deze leengeving ontstond er een geschil tussen de graaf van Holland en de hertog van Brabant over de juiste grensscheiding in dit gebied. Het werd op 8 mei 1415 in deze zin geregeld, dat de graaf van Holland in feite voet bij stuk hield inzake de gronden, die hij aan de heren van Vossemeer had uitgegeven. 73 Hoogstens zijn er enige kleinere correcties toegepast. De graaf van Holland behield als zijn gebied: van Coudenoord tot in de Quarenvliet; Strijen aan de noordzijde, Dayrop Kene aan de zuidzijde. Het land van Breda en van Bergen op Zoom liep van Hazershil naar de Vertrisen Vaart, over de Mynne, de Oestmare en de Zuitmare, aan de zuidzijde van Dayrops Kene “tot aan het land van Strijen, dat de jonker van Gaasbeke toebehoort”.
Coudenoord, dat in deze beschrijvingen een belangrijk punt vormt, was een wad ten noorden van de Heen gelegen. In 1431 getuigden enige personen, 74 dat het een gors was van ongeveer 70 gemeten, op de kant van Strijen gelegen, waar in die tijd veel moer werd gestoken. Het land van de heren van Vossemeer liep tot Geelmisweert op de Sprencvliet; vandaar naar de Rubere en naar een kreek, die tussen Mattemburg en de Heije liep; vandaar naar de Lake; vandaar naar de Mare en zo in de Quarenvliet. Al zijn de genoemde punten niet alle met zekerheid te plaatsen, in grote lijnen is dit dezelfde oostgrens als die in 1415 was vastgesteld en de heerlijkheid Vossemeer later is blijven houden. Hier en daar, bijvoorbeeld in de Heen en in de Heije, is deze grens herzien tengevolge van latere accoorden tussen de heren van Vossemeer en de graaf van Nassau, omdat bij de uitvoering van bepaalde dijkages enige ruilingen van gronden wenselijk waren.
In een geschil over de indijking van gorzen, tussen het land van Vossemeer en dat van Steenbergen gelegen, welk geschil in 1511 geregeld is, 75 wordt de grens van de beide landen in een terminologie gesteld, die dichter bij de huidige namen komt en die door andere gegevens duidelijk is. Zij liep van het diep van Mairlo over Greveningen, Strijen, de Steenbergse Vliet, de Couveringse Vaart, de Vertrise Vaart, Hazershil, de Eendracht en de Noortkeeten van Tholen. Deze acte bevat ondermeer het bewijs, dat Quarenvliet en Steenbergse Vliet identiek zijn, wat niet wil zeggen, dat dit water zich altijd op dezelfde plaats heeft bevonden. In verband met de vroegere acten volgt er uit, dat men vanaf de 12e tot en met de 16e eeuw het diep of het water van Strijen gelocaliseerd heeft, waar wij nu het Volkerak en het Hollandsch Diep onderscheiden. Laten wij het bronnenonderzoek over de Striene eindigen met de vermelding van een typische naamgeving uit het archief van de heerlijkheid. In het jaar 1514 lieten de heren van Vossemeer de polder Voordage herdijken, die daarna de naam van Schuddebeurs kreeg. 76 De rentmeester spreekt enige malen over Strienaars, dijkwerkers van Strijen. Het stuk dijk, dat zij legden, noemt hij Strienaarsdijk. Er blijkt niet, of die dijkwerkers van het land van Strijen kwamen of van Strijen onder Poortvliet. De benaming van Strienaars of Strienaarsdijk heeft de rentmeester voor het gemak gebruikt; zij is niet in een toponiem van Schuddebeurs achtergebleven. Gelukkig maar; anders hadden Van Rheineck Leyssius en Beekman weer een schijnargument gehad voor hun reconstructie van de Striene.
Het Hollandsch Diep heeft deze naam pas vrij laat gekregen. Tot in de 14e eeuw is de hertog van Brabant een deel van de wateren als zijn stroom blijven beschouwen. Toen deze reservering van het recht op het water en de daaraan afgeleide tolrechten en geleide allengs minder betekenis hadden gekregen, en bovendien de territoriale jurisdictie over Brabant door de steeds verder gaande emancipatie van de leenmannen min of meer een fictie geworden was, weiden deze wateren als een Hollandse stroom beschouwd, wat op een zeker tijdstip, misschien met opzet, gepreciseerd werd door Hollandsch Diep. Zelfs verdween het oude onderscheid, dat de grens eigenlijk op de helft van het water lag. Dit proces is aanzienlijk bevorderd in de tijd, dat één vorst tegelijk hertog van Brabant en graaf van Holland was. Toen was er al heel weinig aanleiding tot scherpslijperij. Wat de hertog eventueel te kort kwam, haalde hij wel als graaf van Holland binnen.
Zoals ten zuiden van het land van Strijen dit zijn naam aan het water gegeven heeft, zo is hetzelfde geschied met andere wateren naast Strijen. Ten westen van Oud Strijen werd het water eveneens Striene genoemd. De overgang van
Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968

Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968

de wateren van Strijen in de Oude Maas werd Strienemond genoemd, waar een tijdlang een tol gevestigd was. Deze naam heeft de opvatting van Striene als afzonderlijke rivier uiteraard sterk in de hand gewerkt; hij suggereerde dat hier de mond lag van de rivier, die elders een oorsprong moest hebben. Zodoende legde men het begin van de rivier bij Poortvliet; de uitmonding in de Oude Maas. In waterstaatkundig opzicht was dit een absurditeit, daar deze stroom dwars tegen de draad van andere in liep. In dezelfde streek komt de naam voor van Cromstrije of Cromstrien; daarvan werd afgeleid, dat er ook een Kromme Striene zou hebben bestaan: een arm of deel van de Striene, die op haar beurt weer tot afzonderlijke rivier werd uitgeroepen.
Aan de hand van de bronnen is gebleken, dat de naam van het water of de wateren afgeleid is van die der oude heerlijkheid Strijen. Het land of de heerlijkheid vindt men reeds vermeld, vóórdat sprake is van het water of het diep van Strijen. Het is moeilijk aan te nemen, dat met Kromme Striene of Cromstrijen precies het omgekeerde zou zijn gebeurd, namelijk dat het naastaangelegen land de naam van het water zou hebben gekregen. Misschien moet Cromstrijen aldus worden opgevat, dat een deel van de oude heerlijkheid een kromleen is geweest of geworden; mogelijk is ook, dat de naam gewoon afgeleid is van een grillig gevormd onderdeel van Strijen. Het water, daarbij behorend of daar tegenaan gelegen, kreeg ook die naam.
Het waterschap Oud Vossemeer met de onderscheiden polders. Naar een kaart van A. Hollestelle.

Het waterschap Oud Vossemeer met de onderscheiden polders. Naar een kaart van A. Hollestelle.

Deze wateren van Strijen hebben de tijdgenoten niet als één doorlopende rivier beschouwd, zelfs als zij onderling verbonden waren. Het is trouwens de vraag, of zij ooit op de gedachte zijn gekomen dit te doen. Het is beslist geen opzet van hun kant geweest, dat zij bij Striene het woord rivier stelselmatig vermeden schijnen te hebben, al valt het nu beslist op. Het zou hun even raar in de oren geklonken te hebben als ons de rivier Volkerak. Daarom was het al geheel onjuist haar “loop” als één doorlopende rivier te reconstrueren. Volkomen uit de lucht gegrepen is de reconstructie, die de Striene laat beginnen ten zuiden of zuidoosten van Poortvliet. Er bestaat geen enkele tekst, waaruit afgeleid kan worden, dat op de wateren tussen het zuiden van het eiland Tholen en het noordwesten van Steenbergen de naam Striene ooit van toepassing is geweest. Het volkomen negatieve resultaat van de bodemkartering verzet er zich radicaal tegen, dat een of andere tekst over Striene met de haren naar Tholen kan worden gesleept.
De voortzetting van het Hollandsch Diep naar het westen is onder een veelheid van namen bekend. Op kaarten van de 16e en 17e eeuw wordt het water nog het diep van Strijen genoemd. Er is zelfs een onderscheid gemaakt tussen Lange Striene, het brede water tussen Steenbergen en Zevenbergen, en Korte Striene, een water tegen Overflakkee aan. Daarnaast vindt men in hetzelfde complex: Corte Grevelingen; verder naar het westen Grevelingen, tussen Overflakkee en Brouwershaven. Flackee heet op een 17e-eeuwse kaart het water boven Overflakkee. Beningen wordt het genoemd tegen de kust van Zuid-Holland; iets verder Beneden-Vliet. Roovaart heette het Hollandsch Diep tussen Strijen en Zevenbergen. De wateren tussen Overflakkee en de Heen worden Krammer genoemd; Volkerak tussen Willemstad en Overflakkee. Tussen Tholen en St. Philipsland ligt de Mosselkreek; de Zijpe tussen St. Philipsland en Duiveland; het Slaak tussen St. Philipsland en Steenbergen. Is dit dezelfde plaats als het oude Maarlo, of moet dit misschien de lokale bronnen vindt men veel meer waternamen, die zelfs niet met zekerheid naar hun juiste plaats terug te voeren zijn. Uit deze veelheid van namen in dit watergebied blijkt wel heel duidelijk, dat men bij deze naamgeving geenszins aan afzonderlijke rivieren heeft gedacht.
Vraagt men zich af, waarom zoveel verschillende namen gegeven zijn aan wat ons toch als één water voorkomt, dan kan een redelijk antwoord verkregen worden uit de verlanding. Een plaats in de zee krijgt pas door bijzondere omstandigheden een naam, bijvoorbeeld als zij geschikt is als viswater, als er zich ondiepten bevinden, die door de schippers te mijden zijn, of als er zich gorzen hebben gevormd, die al te gebruiken zijn. Het is een normaal verschijnsel, dat de mens namen geeft aan plaatsen, waar hij eens is geweest en denkt terug te komen. Toen de namen eenmaal vastlagen, werden nieuwe gegeven aan plaatsen en wateren, die bij de verdergaande verlanding vrij kwamen. Merkwaardig is immers, dat deze veelheid van namen enkel voorkomt in het laagland, waar de verlanding en de naamgeving hand in hand zijn gegaan, zodat er wel een causaal verband tussen beide mag worden aangenomen.
Het voorgaande kan aldus worden samengevat: Een rivier de Striene, zoals die geconstrueerd werd door Van Rheineck Leyssius en Beekmans, heeft nooit bestaan. Als het diep of het water van Strijen of Striene wordt vermeld, als rakend aan Brabant, is een deel van het Hollandsch Diep bedoeld. Sommige teksten wijzen duidelijk de identiteit aan van het ‘diep van Strijen’ met het Hollandsch Diep. De naam Striene is gebruikt voor het gehele water vanaf het noorden van de Heen onder Steenbergen tot en met het land van Zevenbergen. Op westelijker gelegen wateren is de naam niet van toepassing geweest. Zeer in het bijzonder moet de opvatting verworpen worden, die een deel van de zogenaamde Striene tussen het eiland Tholen en West Brabant plaatste. Andere gevolgtrekkingen, voortgekomen uit de foutieve locatie van Striene en de veronderstelling van een rivier, die niet heeft bestaan, gaan het bestek van dit boek te buiten, doch dienen nodig herzien te worden.
OUD VOSSEMEER
34. OUD VOSSEMEERSE POLDER, 1411
Het is aan geen enkele twijfel onderhevig, dat deze polder het eerst is ingedijkt. De uitgiftebrief van 1410 laat niet veel grond open voor de wel eens gelanceerde veronderstelling, dat dit oudste deel van de heerlijkheid mogelijk van vóór de 15e eeuw kan zijn.
Elders hebben wij gezien, dat het land van Vossemeer al vóór zijn uitgifte bepaalde vruchten opleverde voor de graaf van Holland. Deze polder is uit een rijp schor gewonnen en niet in de volle zee bedijkt, wat in deze periode al voor de hand ligt. Hollestelle 1 heeft terecht en juist gereconstrueerd, dat deze polder een dijkage vormt tegen de polders Dalem, Nieuwland, Puit, Peuke, Vijftienhonderd Gemeten, Rooland en Broek, en dat hij derhalve pas gevormd kan zijn, nadat deze inpolderingen een feit waren. De Dalempolder is rond 1375 ingedijkt. Tegen de Dalempolder zijn de gronden van het Nieuwland gewonnen; enige jaren daarna zijn tegen het Nieuwland achtereenvolgens de Peuke- en de Puitpolder afgebakend. Na de dijkage van de Peukepolder is waarschijnlijk een tijdsruimte van 10 jaren nodig geweest, alvorens de Oud Vossemeerse Polder ontgonnen kon worden. Dit komt zeer goed overeen met de tijd, dat de graaf van Holland een rijp gors ter bedijking uitgaf.
In 1410 verkocht hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, aan de 6 heren van Vossemeer het land “benoorden der Tholen binnen de mercken van de Noortketen, die staan op ten dijck van de Dalemse polder, overcomende aen Hasers Hille, van daenen in de Kercke Kamere, streckende lijnrecht door Vosvliet aen ’t nyeuwenlandt van den Brouck”, welk land zij als een ambachtsheerlijkheid zullen bezitten. Dit waterland moet al in 1399 een zekere verlanding hebben gehad, als het in een acte Vosvliethille wordt genoemd. 2
Even verder zegt de oorkonde van de uitgifte: “ende prouffyte, die daer aff coemen sullen metten middeldijken, die nu zeedijcken sijn, ende dat daer off comen sall, ende met der heerlickhede van den dijck van den Brouck met sijne toebehoirten strekkende van den heerlichheyt van Vossemaer tot Catteweel toe”. Uit dit laatste trekt Hollestelle de conclusie, dat de heren van Vossemeer ook de zeedijken kregen van de Tholense polders, die na hun inpoldering tot binnendijk vervielen. Deze dijken, oorspronkelijk aangelegd als buitenwaterkering, behoren inderdaad niet tot de polders van Tholen. Ook het gedeelte van de dijk van de Broekpolder, liggend vóór de nieuwe dijkages en dat misschien tot deze polder behoorde, werd door de graaf aan het nieuwe ambacht toegevoegd. Dit gedeelte strekte zich uit tot aan de Catteweel, dat de polder Broek en Rooland scheidt.
De passage van de oorkonde is evenwel voor een andere uitleg vatbaar. Wellicht heeft de graaf van Holland hiermede willen bepalen, dat de heren van Vossemeer recht hadden op een uitkering van de achterliggende polders om het feit, dat de zeedijk, omsloten door het gebied van Vossemeer, vanaf (de niet meer vermelde) Noortketen tot aan de Cattenweel toe, nu slaper werd, wat in feite een hele zorg minder was en sterk kostenbesparend werkte voor een aldus beschermde polder. Geheel normaal was het, dat een polder aanzienlijk bijdroeg in de bedijkingskosten van vóórliggend nieuwland. Dit wordt enigszins benadrukt door het feit, dat de oorkonde van “prouffijte” spreekt, niet van bezit of eigendom. Een en ander sluit niet uit, dat de heren van Vossemeer op een later tijdstip deze slaperdijken geheel in onderhoud en beheer (gevolgd door eigendom) hebben overgenomen.
Voorbereidingen tot het herstel van een dijkdoorbraak. Gravure uit de collectie van De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Voorbereidingen to t het herstel van een dijkdoorbraak. Gravure uit de collectie van De Atlas van Stolk te Rotterdam.

De dijk van de polder is ongeveer 6400 meter lang. Een groot deel van de vroegere kreek, de Vosvliet, die voorheen de vrije wateren van noord en zuid verbond, was door de dijk afgesloten. Blijkens de gesteldheid van het daarin aangelegde dijkvak heeft de afdamming van dit water niet veel bezwaren opgeleverd; ter plaatse zijn geen verzakkingen van de dijk te bespeuren. Bij de aanleg van de Kerkpolder werden 2920 meter van de eerste dijk tot slaper gedegradeerd; het overige deel is pas bij de inpolderingen van Slabbecorn en Oud Kijkuit binnendijk geworden. Uit de oudste rekening, die bewaard is gebleven (1491/92), blijkt dat de dijk van deze polder heden ten dage nog zijn oude beloop heeft. Bij het verhuur van de dijken werd hij in stukken omschreven en verpacht: van de Dalemse polder tot aan de dijk van Nieuwland; van Nieuwland tot aan de Kruisweg (huidige Groeneweg); van de Kruisweg tot aan de Puit; van de Puit tot aan de Kerkweg (huidige Molenweg); van de Kerkweg tot aan de Puddicke (Peuke); de dijk van de Peuke; van de Vijftienhonderd Gemeten tot aan Jacob Huge; vandaar tot aan de Rolandspolder; vandaar tot aan de Vossemeerseweg (vermoedelijk Rollandse weg); vandaar tot aan de Broekpolder toe.
Kort na de eerste dijkage van Vossemeer werd de polder door de St. Elisabethsvloed van het jaar 1421 overstroomd. Blijkens een brief van hertog Jan van Beieren van 21 januari 1422 is aan de heren van Vossemeer vergunning verleend, om hun land wederom te bedijken, waartoe de benodigde grond en zoden gestoken mochten worden uit de gorzen van Beoosterschelde. 3 Ook bij de zogenaamde St. Leonardsvloed van 1530 is de polder overstroomd; de resolutie der heren van 1531 spreekt over een regeling van de pacht der korentiende.
Door de vloed van 26 januari 1682 brak de polder in; zijn waterkering werd bij deze gelegenheid dermate zwaar beschadigd, dat een hoog dijkschot omgeslagen moest worden voor de dekking der kosten. De doorbraak ontstond tegenover de Langeweg.
In maart 1715 drong de zee door een bij “Den Laatsten Stuiver” ontstane dijkbreuk naar binnen. De schade was groot, alle gezaai was verloren gegaan. Bovendien moesten de ingelanden belangrijke sommen opbrengen voor het herstel van de dijken van Slabbecorne.
Even erg was de stormvloed van 1 januari 1721. De polder van Oud Kijkuit was geheel volgestroomd; het erin opgestuwde water beukte zozeer de zeedijk van de Oud Vossemeerse Polder, dat deze slechts met de grootste moeite behouden kon worden, onder andere door het spannen van zeilen op de bedreigde plaatsen. Daar de polder van Slabbecorne zwak was, besloten de ingelanden en heren de dijk van Oud Vossemeer te versterken.
Vóór de verdere bedijkingen had de polder een zeesluis voor de afwatering. Zij wordt gezegd aan “De Mare” gelegen te hebben. Zijn oppervlakte besloeg in 1479 1190 gemeten dijkland en 384 gemeten vroonland. Later bedroeg de oppervlakte 1240 gemeten schotbaar land en 450 gemeten vroonland. Het meerdere van de latere opgave, ruim 100 gemeten, is vermoedelijk bijgewonnen door het effenen en cultiveren van voormalige kreken en geulen en andere slechte partijen grond.


35. KERKEPOLDER, ca 1545
De gorzen, die de Kerkpolder hebben opgeleverd, lagen tegen de dijk van de Oud Vossemeerse Polder. Van de Broekpolder waren zij gescheiden door de Vosvliet, doch overigens waren er geen belangrijke geulen of kreken aanwezig. Zelfs de Kerkamer (waarschijnlijk te lezen als Kerk-Amer), een vliet, waardoor de buitengronden aanvankelijk nog van Oud Vossemeer gescheiden waren, was in het begin van de 15e eeuw reeds tot een ondiepe geul verland, die voor de dijkage geen bijzondere moeilijkheden heeft opgeleverd.
In de eerste uitgiftebrief van 1410 was niet méér omschreven en aan de heren uitgegeven dan het grondgebied van de Oud Vossemeerse Polder. In de brief van 9 februari 1415 is een veel groter gebied genoemd, zodat deze oorkonde met recht als de grondslag mag worden beschouwd van de latere uitgestrektheid van de heerlijkheid. Het spreekt vanzelf, dat de uitgifte niet inhield, dat dit land ineens bedijkt moest worden. De heren kregen: “ ’t Water van Vosvliet naast den lande van den Broucke ende den uitgorsen daaraan gelegen; vandaar naar Marlo; van Marlo naar Greveningen; vandaar naar Greven; vandaar naar Strijen; vandaar de Vliet langs naar de Couveringse Vaart; vandaar naar Vertijsen Vaart en vandaar voor de Hazershille om langs het diep van de Eendracht tot de Noortkeeten van Tholen en zo voorts langs de vrijheid van Vossemeer... ”. Dit gebied valt, met uitzondering van het later aan het ambacht gekomen Vrijberghe, vrijwel geheel samen met de ons bekende uitgestrektheid van de heerlijkheid.
Hollestelle meent, dat ná 1411 de eerstvolgende bedijking pas in 1433 is geschied; dit leidt hij af uit de bekende brief van Gillis van Wissenkerke van het jaar 1433 . Dit is niet juist. Op 1 maart 1415 gaven de deken en het kapittel van St. Marie in den Haag vidimus (authentiek afschrift) van de eerste uitgiftebrief van hertog Willem uit het jaar 1410. Zou men er zich over verwonderen, dat men in Vossemeer het eerste en belangrijkste stuk van de heerlijkheid al niet meer in bezit had, dan is die verwondering misplaatst. Van de eerste brief waren 6 eensluidende afschriften gemaakt, die aan ieder van de 6 eerste heren waren uitgereikt. Waarschijnlijk had de grafelijke kanselarij ook een minuut of grosse bewaard. De 6 grossen behoorden tot het persoonlijk bezit of archief van de heren, zodat de rentmeester van Vossemeer zich in 1415 realiseerde, dat het ambacht zelf in feite geen eerste uitgiftebrief had. Dit deed zich als een werkelijk gemis voelen, toen die eerste uitgifte van 1410 door een grotere werd gevolgd, veel breder van opzet en strekking; de tweede oorkonde verwijst trouwens naar de eerste; zij vormt er een zodanig vervolg op, dat de tekst van de eerste niet gemist kon worden. Hierom werd in Den Haag een vidimus gevraagd. Dit toont aan, dat de heren van Vossemeer de tweede uitgifte hebben aanvaard en dat zij er door een bedijking misschien een begin van uitvoering aan gegeven hebben. De tweede polder van Vossemeer is overigens pas lang na 1433 definitief tot stand gekomen.
Kort na de uitgifte protesteerden de hertog van Brabant en de heren van Nassau en van Bergen op Zoom tegen wat zij noemden de aantasting van hun gebieden. Op 8 mei 1415 waren zij met de graaf van Holland reeds in zoverre tot overeenstemming gekomen, dat de wederzijdse grenzen werden vastgesteld. De graaf van Holland behield het gebied: van Vosvliet oostwaarts op lange Striene tot Hencxwairt toe; vandaar langs de Vliet tot Lijsendijck; vandaar zuidwaarts langs de Couveringse Vaart tot de Struuckreeke; vandaar westwaarts langs de Heije tot voorbij Mattemburg; vandaar oostwaarts tot Hazershil; vandaar naar de Eendracht. Tevens zou hij hebben; van Couwenoirde tot in de Quarenvliet; Strijen aan de noordzijde; Dayrop Kene aan de zuidzijde. Vanzelfsprekend zijn de zuidelijke delen van de heerlijkheid van Vossemeer in deze limietscheiding niet genoemd, omdat daarover geen kwestie was. Al zijn niet alle toponiemen met volledige zekerheid te plaatsen, toch geven de latere ontwikkelingen voldoende aan, welk gebied er bedoeld was.
Op 17 juni 1433 gaf Gillis van Wissenkerke, regent van het land van Vossemeer, enige gorzen ter bedijking uit, “zoveel als het de bedijkers believen zal”. De reeds gebruikelijke voorwaarden werden vastgesteld, o.a. dat dit nieuwe land onder het gerecht en de heerlijkheid van Vossemeer behoorde. Pieter van Botland, ook regent van het land, bezegelde de brief mede. Hierin ziet men al de aanzet van een raad van beheer, die voor en namens de overige heren de lopende zaken behandelt. Deze brief heeft men wel eens opgevat als de oprichting en regeling van het bestuur van Vossemeer, omdat hij nogal uitvoerig ingaat op diverse zaken van bestuurlijke aard, die voorheen nog niet geregeld schenen te zijn, waarvan althans geen stukken aanwezig zijn. De oorkonde is echter gezegeld met het zegel van de heren en van vier schepenen van Vossemeer, waaruit afdoende blijkt, dat in 1433 geen bestuur is ingesteld, doch dat dit al langer bestond en fungeerde. De voorgenomen inpoldering moest half maart 1434 voltooid zijn.
Het staat als vrijwel zeker vast, dat de polder pas omstreeks 1450 is ingedijkt, ofschoon zijn grond al in 1415 was uitgegeven en de brief van Gillis van Wissenkerke in 1433 zijn dijkage had voorzien. Wat de oorzaak is geweest van dit lange uitstel, valt moeilijk met zekerheid te zeggen. Mogelijk hebben de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarin sommige heren van Vossemeer ijverig hun partij geblazen hebben, een tijdlang de aandacht en de energie opgeëist. De Oud Vossemeerse Polder is in 1421 verloren gegaan; waarschijnlijk heeft het herstel van deze polder lang geduurd. Doch zelfs na 1433 is nog niet terstond aan een tweede polder begonnen. In 1450 gaf de graaf van Holland aan de heren van Vossemeer verlof, om de misdadigers in een van zijn gevangenissen te doen opsluiten, omdat zijzelf wegens “de pas voltooide dijkage” nog geen geschikte plaats hadden. 1 Dit wordt nader bevestigd door verschillende schepenbrieven uit het archief der familie Van Bleiswijck. 2 Jacob van Bleiswijck kocht verschillende percelen land aan; in 1451 6 gemeten in “Nieuw Vosmaer”. Blijkens de omschrijving lag dit land in de Kerkpolder, die deze naam nog niet had. In 1457 kocht hij een huis aan de Kerkstraat gelegen. De naam van Kerkpolder verschijnt voor het eerst in een acte van 1461. In 1461 verkocht hij aan zijn zwager Jan Willems zoon een perceel land, gelegen in “Clein Vosmaer” bij Tholen. Klein Vossemeer werd de omgeving van het Botshoofd genoemd, waar zich blijkens deze acte reeds een buurtschap had ontwikkeld. In 1467 verkocht Poyen Heynentszoon aan Jacob een “spade” land, gelegen in de Kerkpolder, waar Poyen dat bedijkt had. In 1469 kocht Jacob nog enige percelen; dan is de naam Kerkpolder vast ingeburgerd. De stichting van het dorp en de kerk heeft derhalve tussen 1450 en 1457 plaats gevonden. Het dorp ligt vrijwel in het midden van de Kerkpolder. Combineert men al deze gegevens, dan kan de dijkage van de Kerkpolder omstreeks 1450 gesteld worden.
De dijk van de polder heeft een lengte van 3790 meter. Hij is nog overal aanwezig, doch is minder zwaar dan die van de Oud Vossemeerse Polder. Waarschijnlijk behoefde hij niet zo zwaar te zijn, omdat na zijn aanleg nog een brede strook slikgrond overbleef, spoedig in rijpe gorzen herschapen, waarvan de inpoldering al werd voorzien. Kort nadien immers is de Kerkpolder ingesloten geworden door de Onze Lieve Vrouwepolder (de latere Hikke), Oud Kijkuit, Leguit en Vogelenzang. Vanouds werd de Kerkpolder verdeeld in 6 hoeken, die nu nog afgebakend door de wegen in het landschap te zien zijn. Bij de verpachtingen van de tienden worden zij regelmatig in rekeningen genoemd, de eerste maal in 1492. De Westhoek, die men de Mare noemde, lag van Broekland af tot de eerste weg. Daarnaast, in het noorden, lag de Welhoek. Recht onder deze langs de Oude Dijk, “waar de molen op staat”, de Moelhoek of Molenhoek. In de rekening wordt de Creeckhoek genoemd van de weg van Jacob van Bleiswijck tot de Kerkweg, later bekend als de Stelhoek. De laatste naar het oosten is de Gantelhoek en die daarboven heette het Bonenblok.
Tengevolge van het overstromen van de O.L.Vrouwepolder in 1530, die tot 1561 drijven bleef, moest de dijk van de Kerkpolder verzwaard worden. Bij deze stormramp bleef de polder zelf onaangetast. De vloed van 1682 brak wel door de dijken heen; nu was de Hikkepolder volgelopen; het water viel de dijk van de Kerkpolder dermate hevig aan, dat hij op de plaats van de voormalige Vosvliet over een lengte van 100 meter bezweek. Voor de bedijking werd buiten de ontstane kolk om, op grond van de Hikkepolder een afsluitdijk gelegd. Het werk bracht bijzondere moeilijkheden met zich mee, omdat de Hikkepolder nog altijd overstroomd was. Deze bekading van de Zoeteweel vorderde een hoge som.
Ook in 1721 is de polder overstroomd. Nu was een nooddijk om de sluis van Oud Kijkuit bezweken, welke sluis werd vernieuwd. Toen het water in Oud Kijkuit bovendien nog door een hevige storm werd opgestuwd, stortte het zich overal, doch vooral tegenover de Koentjesweg de polder in. Daar ontstond een wijde inbraak, zodat de Kerkpolder met de voorpolders overstroomden. Men slaagde er evenwel in, de ontstane opening spoedig te dichten en na verloop van slechts enkele weken waren de polder en het dorp van het zoute water bevrijd. In 1479 bedroeg de oppervlakte van de Kerkpolder 394 gemeten schotbaar land en 69 gemeten vroonland; in 1682 mat hij 495 gemeten dijkland en ruim 83 gemeten vroonland.

36. OUD KIJKUIT, ca. 1450
Tussen de Kerkpolder en Slabbecorn is een dijkage uitgevoerd, waarvan het juiste bedijkingsjaar niet bekend is. Het is wel waarschijnlijk, dat deze drooglegging het eerst op de twee voorafgaande is gevolgd, doch volstrekte zekerheid hieromtrent bestaat niet, daar het zeer wel mogelijk is, dat een gors tussen twee bedijkingen nog enige tijd is blijven liggen. Met enig voorbehoud mag deze inpoldering rond het midden van de 15e eeuw gesteld worden. Zeker is, dat de polder in het jaar 1479 bestond. Hij werd aanvankelijk Kijkuit genoemd. Nadien, toen aan de overkant van het water een polder onder dezelfde naam was ontstaan, is hij Oud Kijkuit genoemd, in tegenstelling tot die over de Eendracht, die Kijkuit aan Brabant of Nieuw Kijkuit heette. In deze naamgeving is men niet altijd consequent geweest. In 1511 spreekt een resolutie van de heren toch van “de Oude Kijkuit over ’t water gelegen aan Brabant”. 1 Een grafelijke rekening van 1513 noemt hem Klein Kijkuit. 2 Enige malen komt men in het archief de naam van Seguit, Sichuit en Suguit; 3 uit de samenhang blijkt dan duidelijk, dat toch Oud Kijkuit is bedoeld.
De naamsverklaring is in feite vrij simpel, al moet vooropgesteld worden, dat een voor de hand liggende verklaring persé niet altijd de juiste is. De naam moet waarschijnlijk letterlijk worden opgevat als “Kijk uit”, d.w.z. dat de dijkage om redenen van topografische aard moeilijk en gevaarlijk was. Bij de naamgeving kan ook de bijgedachte hebben meegesproken, dat deze polder een bescherming, een wachtpost, een “kijkuit” was voor de achterliggende polders. In de andere naam van Seguit of Sichuit moet wellicht dezelfde betekenis worden gezien. Van “Zie uit” heeft de volksmond Sichuit gemaakt.
Merkwaardig is een passage uit de resolutie van 1497. Als de heren een regeling treffen over het tarief van het veer aan het Botshoofd, wordt gezegd dat dit ligt tussen de “twee nieuwe landen van Kijkuit”. Kennelijk zijn hier Oud en Nieuw Kijkuit bedoeld. Even verder zegt de resolutie, dat de pachter van het veer een bepaalde som zal krijgen van elke haardstede in Nieuw Kijkuit. Naar alle schijn bestond de polder van Oud Kijkuit al langer; toch wordt hij nog nieuwland genoemd. Het is niet onmogelijk, dat beide dijkages een nauwer verband hebben dan ons nu uit de stukken blijkt.
In hoofdzaak ligt de dijk van deze polder nog precies als bij zijn eerste aanleg. Bij de dijkage zijn rijpe gorzen of hoog gelegen slikgronden ontgonnen. De opgeworpen waterkering was 2507 meter lang en sloot twee belangrijke kreken of vlieten af, die in het landschap nog te zien zijn. Bij de latere dijkages van Leguit en het Karnemelkland werd de Oude Kijkuit binnenpolder.
Een niet altijd duidelijke beschrijving van de dijk treffen wij aan in de rekening van 1491/92. Bij de verhuringen van de dijken worden deze delen opgesomd: van de dijk aan “Cleyn Vossemar” (omgeving van het Botshoofd) tot de sluis van Kijkuit; vandaar tot het land van Antonis Janssen van Wissenkerke; vandaar naar de Kerkepoldersedijk toe; de zeedijk van Leguit tot aan het land van Antonis Janssen; vandaar tot aan de dijk van de Kerkpolder. Deze beschrijving begint vermoedelijk in de noordwesthoek van de polder, en loopt rechtsom langs de dijk. Zij loopt niet de gehele polder rond, daar de andere stukken dijk onder de Oud Vossemeerse Polder of de Kerkpolder werden verpacht.
Ook deze polder is niet ontsnapt aan de watervloeden. Volgens de rekening van de landmeesters heeft hij omstreeks 1505 enkele jaren geen profijt gegeven. Door de overstroming van 1509 moet hij wel beschadigd zijn, want in 1512 werd begonnen met het verhogen van de zeedijken en het maken van nieuwe opritten. 4 De rekening van dit werk is nog in het archief aanwezig; zij bestaat uit slechts één blad. Doch dit zegt weinig, daar het in die periode meermalen voorkomt, dat een belangrijk waterstaatkundig werk in de rekening met één zeer summiere post wordt afgedaan. Bij de watersnood van 1530 is de polder ook verloren gegaan, doch in 1531 weer drooggelegd. In de rekeningen wordt hij onderscheiden in een Oosteinde en een Westeinde.
De rekening van 1512 is afgelegd voor de baljuw, de schepenen en de ingelanden, terwijl de rentmeester van de heren van Vossemeer er slechts als toehoorder bij was. Dit is weer een opmerkelijk teken van het beleid van de heren van Vossemeer, die de polders aan een eigen bestuur overlieten, nadat zij ze hadden drooggelegd. In 1682 leed de polder grote schade doordat het water vanuit de overstroomde Slabbecorn binnendrong. Het herstel van de binnendijk vorderde weliswaar geen grote uitgaven, doch er was schade toegebracht aan de landerijen en veldvruchten, die vrijwel geheel verloren gingen.
Een nieuwe slag trof de polder in 1715, toen de zwakke dijk van Slabbecorn andermaal bezweek. Aanvankelijk stroomde het water over de Nieuwendijk heen, totdat deze brak. De vernieling aan de waterkering was niet aanzienlijk, doch ook ditmaal was de schade aan de landerijen en de gewassen veel erger.
Een der zwaarste overstromingen, deze polder overkomen, was die van 1720. In de zomer van dit jaar vond een vernieuwing van de zeesluis plaats. Door verschillende oorzaken was dit werk vertraagd, zodat het niet klaar was toen de winter inviel. De veiligheid van de polder hing geheel af van een nooddijk of vingerling, die voor de drooglegging van de sluisput was gelegd. De nooddijk hield het niet uit; het water sleurde de nog niet voltooide sluis met zich mee. Door het in- en uitstromende water werd de doorbraak elke dag breder en dieper. Met de winter voor de deur vond het polderbestuur het niet raadzaam met de herdijking en het leggen van een nieuwe sluis te beginnen. Op korte tijd kreeg de polder het aanzien van een met geulen doorsneden moeras.
Op 10 april 1721 werd de herdijking aanbesteed. Eerst moest een afsluitingskade gemaakt worden vóór de doorbraak; dit werk was om de zware getijstromen moeilijk en gevaarlijk. Tijdens het werk traden gelukkig geen nieuwe verzakkingen en doorbraken op, zodat de nieuwe dijk en de sluis tegen het einde van de zomer voltooid waren. Het zeewater had de polder een half jaar lang bedekt; door het vrije spel van de getijden was veel goede teelaarde weggevoerd. Kostbaar is het herstel geweest.
De oppervlakte van de polder bedroeg in 1479 127 gemeten schotbaar land en 32 gemeten vroonland; in 1508 134,5 gemeten. 5 In 1541 wordt nog dezelfde maat van 127 gemeten vermeld. 6 In 1561 worden ruim 133 gemeten opgegeven. Kort vóór de ramp van 1682 besloeg de polder 170 gemeten, wat vrij goed overeenstemt met zijn huidige grootte. Dit toont aan, dat Oud Kijkuit niet of nauwelijks van zijn oorspronkelijke bedijking is afgeweken. De grond van de polder bestaat uit middelmatig zware klei.

37. HIKKEPOLDER of O.L.VROUWEPOLDER, ca. 1470, herdijkt in 1561
De gronden van deze polder zijn grotendeels in of langs de oude Vosvliet opgekomen. Na de afdamming van dit water bij de Zoeteweel is spoedig de verlanding van de onbedijkte landen vóór de Oud Vossemeerse Polder en de Kerkpolder begonnen. Langs de dijk van de Broekpolder en in noordelijke richting tot in het oude Maarlo is de vroegere vliet in het landschap nog duidelijk te zien. Ook een zijtak van de vliet, noordoostwaarts naar de Eendracht lopend, is nog te onderscheiden. De geul van de noordelijke uitloop van de Vosvliet diende zelfs tot in het laatst van de vorige eeuw als grens tussen de heerlijkheden van Vossemeer en die van Vrijberghe. Van de eerste bedijking is weinig bekend. In het jaar 1431 is sprake van een Hickevliet. 1 In een getuigenverklaring wordt gezegd, dat tussen Dobbelaershil en de Hickevliet een gors ligt, Jans Land geheten, dat door de heren van Vossemeer als schapenweide werd verpacht. Op de Hicke lagen al meerdere “moerdijken”; hiervoor werd betaald aan de rentmeester van Vossemeer. 2 De poorters van Reimerswaal hadden er een grote moerdijk. 3 Meester Pieter Coxzoon had er een “vletting” op de noordzijde van de Hicke. 4 Hieruit blijkt wel, dat het gors al vrij intensief werd gebruikt voordat het bewinterdijkt was. Vermoedelijk is er veel turf en daring gestoken.
Samen met Kijkuit over het water en het Karnemelkland is de Hikkepolder in october 1511 bereden. 6 Dit tijdstip ligt wel vrij lang ná de inpoldering, doch het berijden door de graaf van Holland is in Vossemeer meermalen lang na de eerste dijkage geschied. De eerste zeven jaren zou het nieuwe land vrij van schot en bede zijn. In 1511 ging de polder in de St. Nicasiusvloed verloren; kort daarna viel een tweede overstroming voor. Pas in 1513 leverde hij weer vruchten op. Volgens dezelfde bron omvatte Hikke 458 gemeten. In 1508 waren 478 gemeten opgegeven. 7 In 1510 of 1511 is de kapel op de dijk tussen de Hikke en de Broekpolder hersteld. 8 Er werd een nieuw beeld van O.L.Vrouw geplaatst. Misschien is de naam van Onze Vrouwenpolder van de kapel afgeleid.
Vóór de inpoldering was de naam van Hikke al in gebruik. Later blijkt de nieuwe polder O.L.Vrouwepolder te hebben geheten. Hij ging in 1530 verloren. Bij de herdijking in 1561 is de laatste naam in onbruik geraakt en ging de naam van Hikkepolder overheersen. In een stuk van 1494 spreken de heren zelf van de Hikke, alias Onze Vrouwenpolder. 5
In 1494 handelen de resoluties 9 over de “nieuwe landen”, waaronder zij de Hikke en Kijkuit (in Brabant) verstaan. Deze term wordt meestal gebruikt voor kortelings drooggelegde landen. Kijkuit in Brabant is in 1488 ingedijkt; daar klopt de term van nieuwland in 1494 nog goed. Ook blijkt dat rond hetzelfde tijdstip diverse zaken in verband met de Hikke geregeld worden. De heren besluiten, dat de visserij er verpacht zal worden voor eenzelfde termijn als in de andere polders. 10 Er wordt een veer aan de Hikke ontworpen, 11 dat echter niet terstond in werking komt, omdat er geen pachter voor te vinden was. 12 De Hikke zal bestuurd worden door de baljuw, schout en schepenen van Vossemeer. 13 De tienden, die al enige jaren verhuurd waren, moet de rentmeester in twee percelen verpachten; 14 naar de oost- en westzijde van de weg. Wel staat hier bij “na ouwe costuyme”, wat er op wijst, dat de tienden al veel langer zo verpacht werden. In hetzelfde jaar besluiten de heren, dat de baljuw en de schepenen de dijk van de Hikke “ten scherpste” moeten schouwen; als er klachten of schade komen, zal deze op hen persoonlijk verhaald worden. Deze opdracht wordt enkele jaren nadien herhaald. 15 In 1498 blijkt er nog moernering in de polder te zijn; 16 waarschijnlijk was hij nog niet geheel in cultuur gebracht. Later beslissen de heren, dat in het onderhoud van de wetering door de Hikke die van Vossemeer 2/3 en die van de Broekpolder en het Rooland 1/3 moeten betalen. 17
Bij de St. Leonardsvloed van 1530 is de polder geheel verloren gegaan. Met de pachters van de visserij werd een accoord gesloten, toen zij onder ede verklaard hadden geen profijten uit de Hikke te hebben gehad. 18 Enige jaren tevoren hadden de heren een vrij ernstig gebrek aan de dijk geconstateerd. 19 Toen zij dit op de scheiding van Vrijberghe wilden herstellen, protesteerden de heren van Vrijberghe fel, omdat de dijk op hun grond kwam te liggen. De ruzie liep zo hoog, dat op een gegeven ogenblik in de stad Tholen het gerucht ging, dat 200 of 300 dijkers op de dijk van de Hikke dood gebleven waren! Reeds in 1531 was de dijk hersteld, waarvan enige stukken weggeslagen waren. Doch in de vloed van 1532 ging de polder een tweede maal verloren; nu zou hij 30 jaren drijvend blijven.
Nadat de polder 10 jaren bevloed en beslibd was (een verbetering!), besloten de heren in 1540, dat er een plan tot herdijking zou worden opgesteld. 20 Een landmeter maakte een kaart van de nieuwe polder. 21 Inmiddels bestonden er al dammen of dammekens; 22 een lag er op de oude dijkstoel. Misschien werden er weer gronden gebruikt; mogelijk waren de dammen bedoeld om de aanslibbing te bevorderen.
Reeds enige maanden na de opdracht leverde de commissie haar rapport en bestek in. 23 De commissie bestond uit: Anthonis van Wissenkerke, Cornelis Jans, dijkgraaf van Biezelinge, en de rentmeester. Zij stelde de plaats van de dijk en de sluis voor. Aan de keizer moest octrooi gevraagd worden. Tevens werd in overweging gegeven, om voor een bepaald aantal jaren vrijdom of in elk geval vermindering van schot te verzoeken. Volgens de mening van de commissie moesten de ingelanden van de Kerkpolder “dijkvelling” toestaan.
Pas in 1546 schoot de zaak een beetje op; weer werd aan de heren gerapporteerd. 24 Op 26 augustus van dat jaar verklaarden de ingelanden van de Kerkpolder, met uitzondering van Mr. Jan Breijl, zich accoord met een dijkvelling van 3 ksg. per gemet en 3 ksg. op elk huis.
In een request aan de keizer zetten de heren van Vossemeer hun belangen uiteen: In 1530 waren 5 polders overstroomd; 4 ervan hebben de heren zelf hersteld. Daarvoor hebben zij voor 10 jaren vrijdom van lasten gekregen. Met grote inspanning en veel kosten moet de Kerkpolder behouden worden. De bedoeling is ook deze afdoende te beschermen door de dijk van de Hikke in de oude toestand te brengen en hem geheel te sluiten van de meestoof in het oosten tot ten westen van het St. Anthonis-kapelletje. Om dit werk te kunnen volbrengen, vragen zij vrijdom van schot voor een lange termijn, en een rente op de heerlijkheid te mogen vestigen.
Het request kwam bij de Raad en Rekenkamer in Den Haag terecht, die het om advies zond naar de rentmeester van Beoosterschelde. Deze schijnt de zaak niet geheel begrepen te hebben en kreeg het request met zijn brief teruggezonden, omdat de rekenkamer “geen suffisant fondement” gevonden had om te adviseren. Daarna wordt niets meer van request of vrijdom gehoord! Desondanks sloten de heren van Vossemeer al op 28 december 1548 het contract voor de bedijking met de dijkgraaf van Biezelinge. De kosten van de dijk waren begroot op 2000 pond.
Uiteindelijk is de herdijking pas in 1561 doorgegaan. 25 Doch ook ditmaal waren de moeilijkheden niet van de lucht. Eerst maakten de ingelanden van de Kerkpolder bezwaar. Zij voelden zich helemaal niet meer gebonden door het accoord van 1546, dat zij niet mede ondertekend hadden; niemand had daar trouwens bevoegdheid toe! Sindsdien hebben zij zichzelf beschermd, hun dijk doorlopend verzwaard en verhoogd; daartoe hadden zij lasten op zich moeten nemen van 3 ksg. of meer per gemet. Hun dijk had het zelfs gehouden in de Pontiaansvloed van 1552. Bij de dijk van de Hikke meenden zij geen belang meer te hebben. Bovendien vonden zij, dat de heren van Vossemeer toch niet te klagen hadden; zij hebben de polder zó lang laten liggen, dat verschillende eigenaars hun landerijen voor een krats verkocht hebben. Door de langdurige overstromingen was de grond van de Hikke zelfs aanmerkelijk verbeterd. Op grond van een en ander wilden zij niet in de dijkvelling toestemmen. Nadien zijn de ingelanden op hun weigering teruggekomen.
Ernstiger was het conflict, dat met een der heren van Vrijberghe ontstond. In de noordwesthoek van de Hikkepolder bevond zich een smalle strook grond, die tot de heerlijkheid van Vrijberghe behoorde. De limiet liep daar van de Poortvlietse Sluis tot aan de oude Vosvliet met enige aanwassen, en vandaar uit recht naar het noorden toe. In de nieuwe dijkage zouden 5 gemeten van Vrijberghe opgenomen worden. Om deze 5 gemeten, met enige bijkomende zaken, zoals roven van grond en de verpachting van het gors, is tot voor het Hof van Holland geprocedeerd. Toch kwamen de partijen tot een accoord, zodat de dijkage kon doorgaan. Misschien hebben de heren van Vossemeer hierom al te veel toegegeven aan de heren van Vrijberghe in een zaak, die hen eeuwen lang een angel in het vlees gebleven is! Er is heel wat gekrakeeld om dat lapje grond. In 1586 stak deze zaak de kop weer op. 26 Huibrecht van Wissenkerke en de rentmeester kregen opdracht te trachten met de heren van Vrijberghe tot een zuivere paalscheiding te komen, zodat de ruzie van de tiendenaars zou ophouden. Berustend schreef de rentmeester in de kant: “Factum est; en hebben niet kunnen accorderen”.
Bij de herdijking van 1561 is de dijk van de vroegere polder geheel hersteld; uit andere gegevens blijkt, dat de oude dijkstoel is aangehouden. Misschien is er bij Vrijberghe enige verandering aangebracht, doch dit blijkt niet uit de stukken. Deze dijk is 3450 meter lang; enige delen ervan zijn nadien binnendijk geworden. Door de geweldige storm van 26 januari 1682 bezweek de dijk tegenover een der vroegere uitlopers van de Vosvliet, vóór de grote kreek, die de polder over zijn breedte in twee delen snijdt. Het hoog opgestuwde water drong met geweld binnen en veroorzaakte ter plaatse een zo diepe weel, dat aan een afsluiting niet meer te denken viel. Het polderbestuur wilde een hulpkade om deze weel aanleggen, doch deze was tegen het opdringende water niet bestand, zodat een nieuwe moest worden gelegd. Deze kade, waaraan door tal van arbeiders werd gewerkt, was in augustus 1682 voltooid, en is daarna tot zeedijkshoogte opgewerkt. Het herstel van de polder heeft een som van fl. 29.000; gevergd. Voor de polder en de twee achterliggende (Oud Vossemeerse Polder en Kerkpolder) moest tevens een nieuwe zeesluis gemaakt worden, daar de oude geheel was, weggespoeld.
De Hikkepolder is de vruchtbaarste grond onder Oud Vossemeer; zijn bodem bestaat uit klei, met veel zand vermengd. Bij de verhuring van de tienden werd hij in verschillende delen onderscheiden: de Schelphoek, de Noordoosthoek, de Noordwesthoek en de Grote Gemeente.

38. SLABBECORN, ca. 1470
Deze betrekkelijk kleine polder, aan de oostzijde van het oudland van Vossemeer gelegen, moet misschien beschouwd worden als de bedijking van een overgeschoten stuk gors van de Oud Vossemeerse Polder, misschien als een nieuwe aanslibbing, ontstaan toen de Eendracht smaller was geworden. Het juiste jaar van zijn dijkage is niet bekend. De kaart van Resen van het jaar 1555 noemt hem een nieuwe dijkage, doch hieruit valt niet veel af te leiden, daar dit nooit een exacte tijdsbepaling kan zijn en het “nieuwe” evengoed op een herbedijking zou kunnen slaan. In een accoord tussen de heren van Vossemeer en het kapittel van Tholen van het jaar 1493, 1 waarin alle toen bestaande polders zijn opgesomd en de indruk wordt gewekt, dat er een chronologische rangschikking is gevolgd, staat hij direct na de Oud Vossemeerse en de Kerkpolder vermeld. Uit de aansluiting van de dijk aan Oud Kijkuit concludeert Hollestelle, dat Slabbecorn vóór Oud Kijkuit is gesticht, doch dit overtuigt wel allerminst, daar tussen de beide polders het Karnemelkland ligt met een eigen (helaas onduidelijke!) waterstaatkundige geschiedenis. Uit de huidige raakpunten tussen Oud Kijkuit en Slabbecorn kunnen derhalve geen conclusies getrokken worden; oorspronkelijk immers raakten de polders elkaar niet. Gezien de gehele situatie van het land van Vossemeer mag eer aangenomen worden, dat Slabbecorn ná Oud Kijkuit en vóór Leguit is bedijkt. Deze reconstructie geeft althans een redelijke uitbreiding aan het land. In de rekening van 1491/92 staat Slabbecorn vermeld zonder nadere aanduiding; Leguit echter als nieuwland. Ook dit wijst erop, dat Leguit ná Slabbecorn bedijkt is.
De oppervlakte van de polder besloeg in 1479 90 gemeten dijkersland en 30 gemeten vroonland; in 1541 eveneens 90 gemeten; 2 in het midden van de 17e eeuw bedroeg zij 89 gemeten en 262 roeden. In 1505 heeft de polder minstens een jaar onder water gestaan; de vrijwel gelijke oppervlakte daarvoor en daarna toont aan, dat hij bij de drooglegging en sinds het einde van de 15e eeuw niet veel veranderingen heeft ondergaan. De dijk, die ongeveer 2258 meter lang is, werd kort langs de over van de Eendracht gelegd, tengevolge waarvan hij een betrekkelijk zwaar onderhoud heeft gevorderd.
In de bronnen komt de naam onder diverse schrijfwijzen voor. De meest gebruikelijke is Slabbecorn of Slabbecorne; soms Slabbecoornde, Slabbecorn zal wel de authentieke naam zijn. Waarschijnlijk is het volksetymologie, waar men af en toe de naam van Slabbecoorde ziet. Mogelijk wijst de naam op een bodemkundige toestand en een geringe vruchtbaarheid, en drukt hij uit, dat er slechts slap koren te verwachten was.
In 1595 kregen de ingelanden een subsidie van de heren van Vossemeer. 3 Op voorwaarde dat zij de sluis in dat jaar zouden leggen, mochten zij voor de tijd van 4 jaren het vierde deel van de tienden in Slabbecorn genieten. Die tienden werden gewoonlijk in twee percelen verpacht, de twee delen van de polder: Voorhoek en Achterhoek.
De smalle polder met zijn lange zeedijk is talloze malen overstroomd; voor de andere polders van Oud Vossemeer is hij altijd een bedreiging geweest. In 1682 is Slabbecorn overstroomd en bleef de polder maanden lang onder water. Er was een grote som nodig voor het directe herstel, tevens aanzienlijke zorg en geld voor het onderhoud. In 1699 is de zeedijk belangrijk verhoogd, doch niettegenstaande deze voorzorg brak de polder in 1715 weer in. De dijk was zodanig geteisterd, dat hij over een lengte van 56 roeden vernieuwd moest worden. Van deze gelegenheid heeft men gebruik gemaakt om hem te verhogen en te verzwaren. 4 Een en ander werd met hulp van de andere polders uitgevoerd, omdat deze ook overstroomd waren.
Bij de overstroming van Oud Kijkuit in 1720 viel Slabbecorn eveneens aan het water ten prooi. Deze watersnood vond midden in de winter plaats, zodat spoedig herstel was uitgesloten en de landerijen lange tijd onder het zoute water lagen. Gezamenlijk met andere polders is het herstel aangevat, dat zeer kostbaar was. Daarna heeft de polder gedurende iets minder dan een eeuw rust gehad.
In de nacht van 14 op 15 februari 1808 brak de zeedijk op niet minder dan vijf plaatsen door en verschoof hij over een lengte van 81 roeden van zijn grondvesten. Bij de ontstane breuken was er een zeer gevaarlijk; daar was over een lengte van meer dan 70 meter een diepte ontstaan gelijk de bedding van een rivier. De hierdoor ontstane stroom vormde in de polder verschillende kreken, waarvan een zich langs de binnenzijde van de zeedijk uitstrekte en een andere naar de dijk van Oud Vossemeer. Dagenlang vloeide het water de polder in en uit. Oud Kijkuit was ook overstroomd. Met het herstel van de kunstwerken zijn enorme kosten gemoeid geweest.

39. KARNEMELKLAND, ca. 1475
In het accoord tussen het kapittel van Tholen en de heren van Vossemeer, 1 in het jaar 1493 gesloten, wordt over het Karnemelkland gesproken als een afzonderlijke polder; het geschil betrof de tienden van deze polder, gelijk met die van de andere. Tegenwoordig valt dit landje, waaraan nog de Karnemelkpot herinnert, binnen de bedijking van Oud Kijkuit. Om topografische bijzonderheden (al geven die niet altijd de doorslag, omdat niet alle details van mogelijke tussentijdse veranderingen bekend zijn), mag met enig voorbehoud geconcludeerd worden, dat de polder ná Oud Kijkuit (wat zeker is) en kort ná Slabbecorn is ingedijkt. Dat hij in chronologische volgorde vóór Leguit staat, mag misschien hieruit worden afgeleid, dat Leguit in de eerste rekening van 1491/92 nieuwland heet, en bij Karnemelkland deze toevoeging ontbreekt. Met enige reserve mag de dijkage ca. 1475 gesteld worden.
De polder komt slechts zelden in de rekeningen voor. Wel worden er regelmatig de tienden verpacht, doch van een verhuring van de dijken blijkt expliciet niets. Vermoedelijk werden deze met die van de andere polders verhuurd en waren de stukken te klein naar het idee van de rentmeester om er een afzonderlijk kapittel van te maken. Die van 1500/01 spreekt van de dijk van Slabbecorn “met de dijk alzo ver als Karnemelkland gaat”. 2 In 1503 en 1505 bepalen de heren, dat Kijkuit “over ’t water” en het Karnemelkland op gelijke wijze in de lasten moeten betalen als de overige polders. 3 Dit zou erop kunnen wijzen, dat beide polders ongeveer op dezelfde tijd ingedijkt zijn, en dat de ingelanden een zekere tijd vrijdom van lasten genoten hadden, welke termijn in 1505 voorbij was. In 1509 maakt de resolutie een duidelijk onderscheid tussen Slabbecorn en Karnemelkland; wel werd er één landmeester voor beide polders benoemd. 4 In 1510 is er een kwestie tussen de heren en Adriaan Ydozoon over diens eigendom in het Karnemelkland. In 1541 wordt een grootte opgegeven van 11 1/2 gemeten en 138 roeden; 6 in 1561 van 32 gemeten en 288 roeden.
Het poldertje ging bij de Allerheiligenvloed van 1570 verloren, 7 en bleef lange tijd onbedijkt liggen. Het wordt nog wel pro memorie vermeld, voor het laatst in de rekening van 1624/25; volgens die post is er zelfs geen “apparentie” dat er nog iets van te verwachten is. In de volgende rekeningen komt deze memorie-post niet meer voor. Geruisloos is het Karnemelkland uit de stukken verdwenen; er blijkt zelfs niet, wanneer het poldertje tenslotte in Oud Kijkuit is opgenomen.
De naam moet verklaard worden als een benaming van minder goed land. Karnemelk is hier kennelijk tegenover volle melk gesteld.

40. LEGUIT, 1483
De gorzen, waaruit deze polder is gevormd, lagen vóór hun dijkage door een kreek van Oud Kijkuit gescheiden, die aan beide einden op de Eendracht loosde, waarvan in deze en de achtergelegen dijkages nog overblijfselen aanwezig zijn. Voor de inpoldering vormde Leguit een plaats, die geheel door water was omringd. Het juiste jaar van de bedijking is uit de grafelijke rekeningen bekend. De polder ontbreekt onder de gegevens over de meting van het land van Vossemeer uit het jaar 1479; toen bestond hij nog niet als bedijkte polder. In de rekening van 1491/92 wordt het nieuwe land vermeld, genaamd Leguit. In diezelfde rekening worden Kijkuit, Slabbecorn en het Karnemelkland zonder nadere toevoeging genoemd. Ook uit de topografische toestand valt af te leiden, dat deze dijkage na die van Oud Kijkuit en Slabbecorne is geschied. De polder droeg zijn eerste vruchten in de zomer van 1484; hij had 116 gemeten dijkersland en 26 gemeten vroonland. Op 28 januari 1484 is hij door de hertog van Bourgondië bereden. De eerste zeven jaren was hij vrij van schot; pas met St. Jan 1491 werd hij schotplichtig. 1 Uit de eerste jaren van zijn bestaan zijn practisch geen gegevens bekend. In 1495 en 1497 nemen de heren van Vossemeer besluiten over een moerdijk aan Leguit. 2 In 1497 wordt gezegd, dat er verleden zomer een moerdijk is gelegd op de hoek van Kijkuit. De kopers zijn evenwel niet komen opdagen; daarom kreeg de rentmeester opdracht, om hen in Zierikzee in der minne of gerechtelijk tot betaling over te halen. Vermoedelijk betreft het hier niet een plaats in de polder zelf, doch buitendijks, waar op het gors nog moernering mogelijk was. Misschien diende de moerdijk ter voorbereiding van een verdere inpoldering buiten Leguit, die een tijd later afgerond zou worden met de polder van Vogelenzang. In 1500 geven de heren van het kapittel van Tholen een kwitantie af voor ontvangen gelden uit de tienden “van Vossemare liggende aan deze zijde van de Eendracht, en de tienden van een polder, geheten Leguit aan Brabant” 3 Het kan een simpele vergissing zijn. Doch ook is het mogelijk, dat het kapittel van Tholen deze terminologie met opzet heeft gebruikt, namelijk om de oude strijdvraag, waar nu precies de grens tussen Brabant en Zeeland lag, in een voor het kapittel voordelige richting te duwen. In principe immers kon het kapittel van Tholen geen rechten doen gelden op tienden in het Brabantse deel van de heerlijkheid.
Deze polder was een uitbreiding, een “uitleg” van het land van Vossemeer. Waarschijnlijk hoeft de verklaring van de naam niet verder gezocht te worden.
Kerkgang per boot te Oud Vossemeer bij de overstroming van 1906. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente O.Vossemeer.

Kerkgang per boot te Oud Vossemeer bij de overstroming van 1906 . Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente O.Vossemeer.

Bij elke overstroming van Oud Kijkuit is de polder ondergelopen, omdat de binnendijk aan het Botshoofd reeds vroeg vervallen en niet meer op hoogte was. Door zijn belending aan Slabbecorn, de zwakste plek in Oud Vossemeer, en zijn lange dijk langs de Eendracht, is Leguit wel de meest kwetsbare polder geweest.
De vroegst bekende overstroming is die van 1530, welke ramp in 1531 weer was hersteld. Waarschijnlijk is ook in 1570 de polder tijdelijk verloren gegaan. De rekening van de landmeesters van 1505/06 vermeldt, dat er dit jaar geen inkomsten uit de polder zijn geweest; vermoedelijk is hij toen ook overstroomd, in elk geval onbruikbaar geweest.
Beter kent men de rampen, door de stormvloed van 1682 veroorzaakt. De zeedijk van Leguit brak door; over een lengte van 12 meter verdween de waterkering. Het instromende water woelde de grond diep uit. Rond de onstane weel werd een ringdijk opgeworpen, die kort daarop tot zeedijk is verzwaard. De latere overstromingen werden meestal veroorzaakt door overvloeiing van de binnendijk van Oud Kijkuit. Men mag zich zelfs afvragen, waarom men de binnendijk tussen de beide polders niet verzwaard en op voldoende hoogte heeft gebracht. Wellicht is dit te wijten aan het nu eenmaal trage reactievermogen van de gemeenschap. Uitgesloten is echter ook niet, dat de ingelanden een zeker risico genomen hebben; een rustige en niet-calamiteuze overstroming van de landerijen is niet eens slecht voor de grond. De moeilijkheid was wel, de gulden middenweg tussen hoop en vrees te vinden!
Toen op 3 maart 1715 het zeewater door de dijk van Slabbecorn brak en de polder als een kom had gevuld, stroomde Leguit eveneens vol. Aan de gewassen werd veel schade toegebracht. Vóór de doorbraak moest een kade worden gelegd, waaraan door de ingelanden van Leguit moest worden bijgedragen.
Bij de overstroming van Oud Kijkuit in 1720 viel het water bij Botshoofd de polder van Leguit binnen. De dijken hadden het wel uitgehouden, doch het bleek nodig deze te verzwaren en te verhogen. Reeds in het volgend jaar is dit werk uitgevoerd.
Volgens één bron 4 was de polder in 1508 41 1/2 gemeten groot; volgens een resolutie 5 telde de polder in 1541 116 gemeten; het register geeft dit duidelijk aan, al is de mogelijkheid van een schrijffout niet uitgesloten. In 1555 blijkt de polder 190 gemeten te tellen, vermoedelijk de grootte bij de, bedijking; in 1561 worden 155 gemeten opgegeven. In 1627 bedroeg zijn oppervlakte 154 gemeten. Een en ander wijst erop, dat de polder veranderingen heeft ondergaan, die in het archief niet meer nauwkeurig te volgen zijn. Het is mogelijk, dat af en toe het Karnemelkland onder Leguit begrepen is. Dit land, heden nauwelijks meer als een afzonderlijke polder te herkennen, komt gedurende een lange tijd in de stukken wel als zodanig voor. Zeer goed mogelijk is, dat hij nu eens onder Leguit, dan weer onder Slabbecorn heeft geressorteerd.


41. VOGELENZANG, 1569
De gronden van deze polder zijn grotendeels aanwassen aan de monding van de kreek, die vroeger langs de noordelijke dijk van Oud Kijkuit liep. Tegen het einde van de 15e eeuw was er nog geen gors gevormd; in de rekening van 1491/92 is nergens sprake van Vogelenzang. De naam verschijnt voor het eerst in 1512; 1 dan besluiten de heren op het gors een vlot te doen leggen, waar de schepen kunnen aanleggen, die vracht hebben voor Vossemeer. Enige jaren later schijnt er al een vast veer bestaan te hebben. 2 Vanaf 1518 blijkt het gors verhuurd te zijn; 3 in 1518 en 1534 wordt het gors met de dijk van Leguit verhuurd; 3a in 1520 zijn er veel zoden gestoken voor het herstel van andere dijken en krijgt de pachter een vergoeding. 4 Dit betekent nog geenszins, dat het land al bedijkt was; hoogstens was het van een zomerkade voorzien.
In de vergadering van 1567 (juni en october) besloten de heren van Vossemeer tot de bedijking. 5 Zij stelden het bestek op en bepaalden de voorwaarden voor de uitgifte. De dijk zal aansluiten aan die van de Hikke; in het zuiden aan die van Leguit. De weg, die er al ligt, moeten de bedijkers handhaven. De heren behouden zich alle heerlijke rechten voor. Het honderdste gemet komt toe aan het kapittel van Tholen. Bij een eventuele overstroming moet de polder het volgend seizoen bedijkt worden, anders valt hij terug aan de heren van Vossemeer. De bedijking moet voltooid zijn in de lente van 1568 of op zijn laatst in het eerstvolgend seizoen van 1569. Na de bedijking zal de nieuwe polder door de officieren van de heren geïnspecteerd worden. De legschat zal in drie termijnen betaald worden. Zes gemeten land worden voor de heren gereserveerd, aan weerszijden van de weg. De eerste zeven jaar mag de dijk alleen met schapen beweid worden. Op deze voorwaarde heeft Jan Jansse van Couwerffve, dijkgraaf, de polder gekocht voor de som van 5 schellingen per gemet. 6 Uit de rekening van 1570/71 blijkt, dat de polder in het jaar 1569 is bedijkt. Buitendijks was nog een klein gors overgebleven. Het werk schijnt niet geheel tot genoegen van de heren geschied te zijn; enige latere resoluties dragen de bedijkers op de inpoldering te voltooien. 7 De dijk van Vogelenzang is 1487 meter lang en ligt waarschijnlijk nog overeenkomstig zijn eerste aanleg. De polder heeft zeer vruchtbare grond, bestaande uit zware klei, die vrijwel geheel uit jonge bezinkingen is ontstaan.
Door de inpoldering van Vogelenzang was de haven van Vossemeer afgesloten. Enige tijd was aan Vogelenzang een veer gelegd, dat vooral voor het vrachtvervoer naar Vossemeer van belang was. Dit veer kreeg nog meer betekenis, toen aan de overkant van de Eendracht het dorp van Nieuw Vossemeer ontstond. In 1571 richtten het dorpsbestuur en de ingezetenen van Oud Vossemeer zich tot de heren met het verzoek, een nieuw veer te doen aanleggen en dit door een weg met het dorp te verbinden. 8 Sindsdien is dit veer in stand gebleven, maar door de langdurige overstromingen van Nieuw Vossemeer is het een tijdlang in betekenis teruggelopen. In 1579 werd dit veer geschikt gemaakt voor het lossen van paardewagens. 9
Reeds een jaar na zijn voltooiing ging de polder in de vloed van 1570 verloren; 10 de heren genoten er geen tienden meer en de dijkettingen werden niet meer verpacht. Uit de rekening van 1572/73 blijkt echter, dat de polder toen weer vrij van water was.
Bij de vloed van 1682 ging de polder andermaal verloren. Nadat het water geweken was, bemerkte men, dat op verschillende plaatsen breuken en verschuivingen aan de dijk waren ontstaan, zodat besloten werd tot een volledige verhoging en verzwaring.
De stormvloed van 1720 en die van 1775 brachten weliswaar geen grote schade met zich mee, doch deden de polder wel volstromen. Telkenmale bleek de dijk aan het veer de kwetsbare plek van de polder te zijn.
De grootte van de polder bestond uit 91 gemeten dijkersland en 225 roeden vroonland, hetgeen nog vrij nauwkeurig overeenstemt met de huidige oppervlakte. In de oude stukken werd hij meestal onderscheiden in Grote Vogelenzang of Oosteinde, en Kleine Vogelenzang. Op een der erven van deze polder heeft lang de meestoof van Oud Vossemeer gestaan.

42. OOST VRIJBERGHE POLDER (1511 ), ca. 1650
De gronden, gelegen tegen de noordelijke dijken van de polders Priestermeet, Bartelmeet en Broek, vormden voorheen de afzonderlijke heerlijkheid van Vrijberghe. Deze strook land was van Vossemeer gescheiden door de Vosvliet; langs haar westelijke kant vloeide de noordelijke uitloop van de Pluimpot en in het noorden was zij door het oude Marlo begrensd.
Dit gebied was door twee grote kreken in drie delen gesplitst. De strook langs de dijken van de polders Priestermeet, Bartelmeet, Broekland en Hikkepolder stond als het Gravengors bekend; dan volgde het Jan Ruijgrocksland en nog meer noordelijk lag een schor, dat later met de naam van Rammegors op de kaarten is vermeld. Het Gravengors is ingenomen door de polders van Vrijberghe; het tweede en derde stuk hebben de Hollare- en de Van Haaftenpolders opgeleverd. De Jan Huijgenshil, waarvan in oude stukken melding wordt gemaakt, is ten dele met de Sluispolder ingedijkt.
Kaart van de polders van Vrijberghe door K. Besteboer, 1759. Archief Ambachtsheerlijkheid

Kaart van de polders van Vrijberghe door K. Besteboer, 1759 Archief Ambachtsheerlijkheid

Aanvankelijk zijn de polders bedijkt op naam en volgens het recht van de heerlijkheid van Vrijberghe; de laatste in 1747. Tegen het einde van de 18e eeuw verkregen de heren van Vossemeer het merendeel en in de 19e eeuw het totaal der aandelen van Vrijberghe, zodat beide heerlijkheden zijn samengevoegd. Het oudste deel van de gronden van Vrijberghe schijnt reeds op 4 maart 1445 door hertog Philips van Bourgondië ter bedijking uitgegeven te zijn aan Jan Ruijgrock en Anthonie van Botselaar. Het is niet bekend, of op deze uitgifte terstond de inpoldering gevolgd is. Het volgende gegeven komt pas in 1511 , waar Boxhorn verhaalt, dat de polder in dit jaar voor het eerst “bereden” is. Uit een verzoek van de heren van Vrijberghe uit het jaar 1634 zou men misschien mogen opmaken, dat de herdijking tot in de 17e eeuw is uitgebleven, en tevens dat de oudste polder gelegen heeft ter plaatse, waar men nu de Oost Vrijberghepolder aantreft. In dat verzoek verklaren de heren hun overstroomde polder te willen herversen; daarvoor vragen zij vrijstelling van lasten. Er was derhalve sprake van een verloren gegane polder; doch na 1511 vindt men geen andere polder of een overstroming van Vrijberghe vermeld.
In de ambachtsheerlijkheid van Vrijberghe heeft nimmer een dorp bestaan. De weinige bewoners waren over de gehele polder verspreid. Voor hun kerkgang maakten zij gebruik van de St. Anthoniskapel, die op de dijk tussen de Hikkepolder en het Broekland stond en misschien door Anthonis van Wissenkerke is gesticht. Deze kapel, waarvan in de 18e eeuw de fundamenten nog aanwezig waren, heeft lange tijd gediend als limietscheiding tussen Vossemeer en Vrijberghe, want zij stond juist in de richting van de voormalige Vosvliet, ongeveer 500 meter ten noorden van de Broekseweg.
Het juiste jaar van de bedijking van de Oost Vrijberghepolder is niet bekend. Hij bestond nog niet in 1642, doch wel in 1669; zijn dijkage moet tussen deze jaren liggen. Zoals reeds opgemerkt, is het mogelijk dat het hier een herdijking betreft.
Bij de inpoldering werd een dijk opgeworpen van 900 meter; bij het leggen deden zich geen bijzondere moeilijkheden voor. De monding van de voormalige Vosvliet was al geheel verland. Ook van de stroom en de golfslag zullen de kunstwerken niet veel te lijden hebben gehad, daar ten noorden van Vrijberghe zich reeds lang uitgestrekte schorren hadden gevormd.
Toch heeft de polder niet altijd geprofiteerd van zijn gunstige ligging. Bij de overstroming van 1682 ging hij verloren; hij schijnt kort nadien herwonnen te zijn. Over verdere lotgevallen van de polder is niets bekend. Door de dijkage van de Nieuwenpolder werd de zeedijk geheel aan de aanval van het open water onttrokken, en bleef in feite alleen de zorg voor een goede afwatering over.

43. WEST VRIJBERGHE POLDER, ná 1666
Het Gravengors, dat aanvankelijk vóór de dijken van de polders Bartelmeet en Broekland lag, werd van de westelijker gelegen aanwassen gescheiden door de uitwateringsvliet van de polders van Poortvliet. In het noorden was het begrensd door een oude kreek, die in de uitwateringsvliet begon en in de Krabbebeek uitmondde.
Het ontstaan van deze schorren was voor de polder van Poortvliet een belangrijk feit; een groot deel van de zeedijk werd er door beschermd. De dijk van Bartelmeet vorderde voorheen veel zorgen en kosten, doch deze werden aanzienlijk minder bij de voortschrijdende verlanding en zij verdwenen geheel bij de dijkage van het voorliggende land. Het is dan ook te begrijpen, dat de polders van Poortvliet getracht hebben het Gravengors in erfpacht te verkrijgen, 1 teneinde niet alleen de aanwas beter te doen aangroeien, maar hem ook zo spoedig mogelijk te bedijken. Een daartoe strekkend verzoek is niet ingewilligd, doch wel mochten de polderbesturen enige dammen in het Gravengors leggen.
Tot het jaar 1666 wordt het Gravengors nog altijd als een openliggend gors vermeld. Een nauwkeuriger tijdsbepaling is voor de dijkage niet te geven.
Voor de inpoldering was een dijk van 1415 meter nodig; dit is een zeer lange dijk, zeker in verhouding tot de betrekkelijk kleine oppervlakte van de polder. Zijn vorm werd voorgeschreven door de kreek langs de noordzijde van de gorzen. Misschien was het wel mogelijk geweest deze in de bedijking op te nemen, doch het is achterwege gebleven, omdat de gronden ten noorden van de kreek nog niet geheel rijp waren. Pas tegen het midden van de 19e eeuw volgde daar de polder van Hollare.
De watervloed van 1682 veroorzaakte veel schade. De zeedijk brak en kon slechts met hoge kosten weer hersteld worden. Het polderbestuur heeft nadien de dijk regelmatig en goed onderhouden, zodat het land van de geweldige vloeden van 1715 en 1775 vrijwel geen schade ondervond.
Na de bedijking van de Hollarepolder verviel de zeedijk tot binnendijk; een goede afwatering bleef het enige probleem.

44. NIEUWENPOLDER, 1747
Na de totstandkoming van de beide voorafgaande polders waren een deel der gronden, in het voormalige Vosvliet aangewassen, en wellicht een stuk van het na 1511 overstroomde land onbedijkt gebleven. Bij de inpoldering van deze vormde de Krabbebeek in het noorden als het ware een natuurlijke grens.
Het octrooi van de bedijking dagtekent van 29 april 1746. Het gaf vrijdom van verschillende lasten, teneinde de bedijkers tegemoet te komen. De dijkage zou binnen de tijd van twee jaren voltooid moeten zijn, en het honderdste gemet zou als vroonland ten goede komen aan de kerk.
Hoewel met de bedijking een begin werd gemaakt in 1747, kon zij in dat jaar niet voltooid worden. Tengevolge van de belegering van Bergen op Zoom waren vrijwel alle arbeiders vertrokken. De uitvoering der werken van Vrijberghe moest worden uitgesteld. In de winter ontstond er weinig schade aan de onvoltooide werken; het water vloeide wel ongestoord in en uit, doch dit bracht geen nadeel, daar de landen nog niet in cultuur waren. Eerst na de overgave van de stad is de waterkering voltooid, die een lengte had van 2138 meter.
In 1749 werd de rekening van de dijkage gepresenteerd; zij beliep een uitgave van ruim 4000 pond. In de eerste tijd na de dijkage vorderde het onderhoud van de zeewering, die aan zware golfslag bloot stond, nog hoge uitgaven.
Op 11 maart 1750 zijn drie gaten in de dijk geslagen. Het herstel van de schade eiste een grote inspanning. Een zwaar getij liep door de gevallen openingen; de grond voor de sluiting benodigd, was niet aanwezig en moest van elders worden aangevoerd. Het herstel was kostbaar; gedurende twee seizoenen was de cultivatie onmogelijk. Bij de stormvloed van 1808 is de polder eveneens zwaar getroffen. Later is de Nieuwenpolder niet meer door stormen geteisterd. Bij het verdere verlanden van de Krabbekreek kreeg de zeewaterkering steeds minder te lijden. Afdoende werd de polder beschermd door de bedijking van de Hollarepolder.

45. HOLLAREPOLDER, 1843
In het jaar 1623 lieten de heren van Vossemeer de aanwassen vóór de Hikke meten en in kaart brengen, teneinde deze gorzen als hun eigendom te doen erkennen. 1 Een deel van dit slikland is in de 17e en 18e eeuw als de polders van Vrijberghe ingedijkt. Langs de zuidzijde van de Mosselkreek bleven uitgestrekte slikken over, die op enkele plaatsen begroeid waren, doch pas tegen het midden van de 19e eeuw rijp voor bedijking. Door dit gebied liepen verschillende geulen en kreken, waaronder de grootste als de Krabbekreek bekend was. Door de voortgaande verlanding kwam er van lieverlede meer samenhang in de gronden, zodat zij tegen het begin van de 19e eeuw reeds als weiland in gebruik waren.
In 1831 blijkt, dat de heren al geruime tijd plannen hadden voor een bedijking tussen St. Philipsland en Tholen. Daartoe namen zij contact op met de ambachtsheren van St. Philipsland en die van Poortvliet, en met de eigenaar van het Rammegors, 2 met wie in principe overeenstemming werd bereikt. In 1839 besloot de vergadering echter, niet gezamenlijk te bedijken, doch alleen het deel van de ambachtsheerlijkheid in te polderen. Op 18 maart 1840 werd het koninklijk besluit tot octrooi voor de dijkage verkregen.
Het domein maakte in 1841 aanspraak op de eigendom van twee percelen grond in de ontworpen polder, samen 35 bunders groot. De minister van binnenlandse zaken wilde de dijkage niet doen stagneren en gaf de heren in overweging die gronden van de staat aan te kopen. Deze kwestie hing nauw samen met andere vorderingen van het domein op de aanwassen, en andere geschillen met vrijwel alle ambachtsheerlijkheden in Zeeland. Besloten werd de eigendomskwestie van de twee percelen te laten rusten, en met de inpoldering te beginnen. In 1842 namen de heren het definitieve besluit. Voor de dijkage was een geldlening van fl. 145.000,- nodig. De aanbesteding vond op 8 november 1842 plaats. De laagste inschrijving was van Dirk Dronkers uit Middelburg, die de dijk en andere kunstwerken aannam voor fl. 119.000,- 3
Met de erven van J.C. de Bruijn waren onderhandelingen geopend over de aankoop van het deel der gorzen van Vrijberghe, dat binnen de ontworpen polder viel. De heren van Vossemeer hadden reeds het merendeel van de aandelen
Extract uit een kaart van het Gat van Brouwershaven door J.B. Sprenger, opgemaakt in verband met plannen tot de bedijking der schorren (latere Hollarepolder), 1823. Archief Ambachtsheerlijkheid.

Extract uit een kaart van het Gat van Brouwershaven door J.B. Sprenger, opgemaakt in verband met plannen tot de bedijking der schorren (latere Hollarepolder), 1823 . Archief Ambachtsheerlijkheid.

van Vrijberghe in handen. De laatste aandeelhouder, de erven de Bruijn, is in 1845 uitgekocht, zodat Vossemeer de vrije beschikking had over de eigendommen. Op 9 februari 1844 was de bedijking voltooid en kon de nieuwe polder geïnspecteerd worden. Tot op die dag was er een som van fl. 129.599,- aan besteed. In totaal waren 265 bunders zeer goede grond gewonnen; ruim 60 bunders onder Vossemeer; ruim 202 bunders onder Vrijberghe. De heren besloten hem te noemen naar de Zeeuwse zeeheld Marinus Hollaer (zie hieronder). Na afloop van het werk klaagde de aannemer steen en been, dat hij er dik op had toegelegd. Er bleek echter, dat dit voornamelijk zijn eigen schuld was geweest, daar hij het werk verwaarloosd had en zijn ondergeschikten maar liet doen. De heren van Vossemeer waren niet genegen nog iets toe te geven. In de noordwestelijke hoek van de polder was een oude vliedberg aanwezig, die afgegraven werd; met de grond zijn kreken en geulen gevuld. In 1845 is een begin gemaakt met het scheuren van grasland en zijn de eerste percelen bezaaid.
Gedurende 30 jaren heeft de ambachtsheerlijkheid de polder in eigen beheer gehad. Het zou het bestek van dit hoofdstuk te buiten gaan het landbouwbedrijf van de Hollarepolder uitvoerig te behandelen. Er zijn veel stukken van bewaard gebleven, alle van de hand van de minutieuze rentmeester Willem Johannes van Voorst Catshoek, die in 1846 tot beheerder van de nieuwe polder is aangesteld. Zijn boekhouding is zo nauwkeurig, dat er bij wijze van spreken de graankorrels in verantwoord zijn! De stukken vormen dan ook een zeer opmerkelijke landhuishoudkundige boekhouding. In breder verband zijn zij van nog meer belang, omdat er gedetailleerd uit te construeren is, wat een bedijking en vooral de bewerking der gronden tot de cultivatie met zich bracht. Bij de meeste oudere dijkages zijn deze gegevens zelden te achterhalen. Ook in dit opzicht bevatten de stukken over het beheer van de Hollarepolder wellicht uniek materiaal.
Na het afsluiten van de polder bleek de sluis te diep te zijn aangelegd. Een vrij aanzienlijke som was nodig om dit euvel te herstellen. Overigens betekende deze tegenvaller niet veel; toen de polder enkele jaren later geheel in cultuur was, gaf hij ruimschoots de investeringen terug. In 1849 is er een eerste gebouw gesticht, bestaande uit een schuur, karnhuis en varkenshok. Dit lag in het midden van de polder en werd Middenhofstede genoemd; hier werd in 1852 een woonhuis bijgeplaatst. Er was een vertrek in gereserveerd voor de heren, waar zij hun vergaderingen over de polder hielden. In 1862 bood Mr. J.J. Slicher van Domburg een afbeelding aan van de zeeslag van Marinus Hollaer tegen de Spanjaarden, welke prent in die kamer werd opgehangen. In 1856 volgde een schuur en een arbeiderswoning in het oostelijk deel, de Oosthofstede. In 1861 werd de Westhofstede gesticht, bestaande uit een schuur en arbeiderswoning. In 1862 volgden de woonhuizen bij beide laatste hofsteden. Deze hofsteden werden met enige erbij behorende landerijen verpacht. Vanaf het begin stond in de Hollarepolder een directiekeet; hier en in de Middenhofstede hebben de heren van Vossemeer een tijdlang de jaarvergaderingen gehouden. In de tijd van het eigen beheer van de polder was het de gewoonte, één dag voor de algemene vergadering een aparte bijeenkomst te houden tot bespreking en regeling der zaken van de nieuwe polder.
Op 5 maart 1849 brak er een “oproer” uit onder de arbeiders van de polder, dat in baldadigheid ontaarde. Er werden meer dan 30 ruiten van de directiekeet ingeslagen. De rel moet wel georganiseerd zijn geweest; volgens de rentmeester was er op eenhoorn geblazen ten teken dat alle arbeiders het werk moesten neerleggen. De rentmeester, die in Tholen woonde, begaf zich onmiddellijk naar de polder; er waren nog maar een paar man aan het werk. Daar er genoeg mensen te krijgen waren, die op het oude loon wilden werken, verliep de staking. Wel deed de rentmeester aangifte bij de kantonrechter, “daar het hoogst onraadzaam is dergelijke rebellie ongestraft te laten”.
Het vele weiland, dat aanvankelijk nog in de polder aanwezig was, werd beweid door vee, dat door landbouwers was gestald. In 1856 ging de rentmeester over tot de aanschaffing van werkpaarden; zelfs van deze heeft hij nauwgezet boek gehouden. Merkwaardig zijn soms de details die hij ervan geeft. Een overleed op 4 april 1858 ’s middags om 12 uur; het stond om 11 uur nog te eten. Een ander stond voor een lege wagen en viel dood. “Kaat” was zó zwaar van adem, dat “hij” niet meer werken kon (toch was ’t een merrie). Ook “Madam den Ouden” was zwaar van adem. In 1863 had de ambachtsheerlijkheid nog 22 paarden.
Vrij plotseling kwam in de raad van beheer het plan naar voren de Hollarepolder te verkopen. Het voorstel, in 1875 gedaan en door de algemene vergadering vlot in een besluit omgezet, was ingegeven door verschillende motieven. Binnenkort liep de pacht van de hofsteden af; er zou beslist moeten worden tot een nieuwe pachttermijn of tot een geheel andere opzet. De raad van beheer had het land en de gebouwen laten taxeren. Een gemeenschappelijke eigendom had veel bezwaren. Bovendien was het raadzaam de aandelen van de ambachtsheerlijkheid niet te hoog in waarde te laten stijgen. Vroeg of laat zou tóch tot de verkoop besloten worden; het kon beter vroeg gebeuren, als de polder en gebouwen in uitstekende toestand waren. Over enige tijd zou veel geld nodig zijn om alles op peil te houden. De taxateurs hadden fl. 120.000,- méér aan verkoopwaarde dan aan pachtwaarde berekend, wijl de tijd om te verkopen gunstig was. Wie van de aandeelhouders zijn geld liever in grondbezit stak, kon desgewenst land in de polder kopen. De oud-rentmeester, lange tijd beheerder van de polder, had eveneens met klem tot verkoop geadviseerd.
Op de eerste veiling, 17 maart 1876, werd fl. 825,- per gemet geboden; deze verkoop hielden de commissarissen op. Bij de tweede veiling op 1 april werd fl. 831,- per gemet ingezet. De gehele massa van landerijen, hofsteden en wegen is aan L. Smit te Lekkerkerk verkocht voor fl. 595.315,-. In totaal bracht de verkoop, na aftrek van de kosten, ruim fl. 615.000,- op. In 1877 is deze som tussen de aandeelhouders verdeeld naar rato van het getal van hun aandelen. Bepaalde eigendommen, o.a. de zeedijk en de binnendijk met de Van Haaftenpolder, en het gebruik van de wegen, hebben de heren van Vossemeer uit de verkoop gehouden.
De Hollarepolder heeft nooit veel gevaar gelopen van buitenwateren. Het zogenaamde Stinkgat langs de noordelijke dijk slibde spoedig aan; aan de westzijde ontstonden hoge slikgronden. Vanaf 1852 is een belangrijk deel van de zeewaterkering door de Van Haaftenpolder beschermd en sinds 1877 een ander deel door de Sluispolder.

46. VAN HAAFTENPOLDER, (1850), 1852
In het begin van de 19e eeuw waren meerdere aanwassen ten noorden van Oud Vossemeer bedijkingsrijp. In 1832 lieten de heren van Vossemeer een kaart van de aanwassen maken. 1 Met het domein waren geschillen hangende over de juiste limieten van de eigendommen van de staat en die van de heerlijkheid. Het zou te ver gaan, deze kwesties in details te volgen. Ook bij deze dijkage spelen zij intensief door de plannen en onderhandelingen heen. Het Rammegors werd door het domein als staatseigendom beschouwd. Omdat de heren hun gronden, daartegenaan gelegen, wilden bedijken en het zeer logisch was het Rammegors in die dijkage te betrekken, namen zij in 1833 het besluit te trachten het gors aan te kopen. 2 Blijkens een meting was het gors ongeveer 101 bunders groot; een taxatie had uitgewezen, dat de waarde ervan door het domein en de heerlijkheid verschillend werd beoordeeld. Al was het verschil niet zo heel groot, toch wilden de heren van Vossemeer niet de prijs van het domein geven. 3 Op 16 juli 1835 is het Rammegors publiek verkocht. In een der artikelen van de verkoop stond, dat de staat zich de heerlijke rechten voorbehield. Deze nu meende de ambachtsheerlijkheid te bezitten, althans zeker van dat deel, waarover de geschillen liepen. De rentmeester van Vossemeer had opdracht het gors te kopen. Een bod van fl. 8000, werd door het domein niet geaccepteerd; bij een tweede veiling werd niet hoger geboden. 4
In 1838 is het Rammegors aan C.B. Thomaes verkocht. 5 De heren besloten met hem en met de ambachtsheren van St. Philipsland en van Poortvliet over een bedijking te praten. Doch het volgend jaar zagen zij van een gezamenlijke bedijking af en namen zij zich voor hun gronden afzonderlijk in te polderen.
Enige jaren later, in 1843, kwam het de heren van Vossemeer ter ore, dat de erven van de inmiddels overleden C.B. Thomaes wel genegen waren het Rammegors te verkopen. Daar toen de inpoldering van Hollare in volle gang was, zag ieder wel het belang in van een verdere bedijking van de rijpe gronden ten noorden van deze polder. De rentmeester kreeg opdracht bij het domein te informeren, of de tienden afgekocht konden worden, die de Staat zich bij de verkoop van het Rammegors had voorbehouden. 6 De erven Thomaes berichtten, dat zij voor fl. 12.000; wilden verkopen. Thomaes had de tienden al afgekocht. Deze prijs vonden de heren veel te hoog. Prompt werd hij door de erven Thomaes tot op fl. 10.000,- verlaagd.
Bij de publieke verkoop hadden de heren fl. 8000,- geboden toen het gors er goed bij lag; nu de situatie ongunstiger geworden was, en de bedijkingskosten ongetwijfeld hoog zouden worden, wilden zij tot fl. 5000,- gaan, eventueel tot fl. 6000,-. Op dit aanbod hebben de erven Thomaes niet gereflecteerd.
De eigenaren van het Rammegors wilden desondanks tot de bedijking overgaan. 7 Dit konden zij niet doen buiten de heren van Vossemeer om.
In 1846 legden zij een ontwerp over van ingenieur Caland. Zij wilden de gronden van Vossemeer vóór de Hollarepolder aankopen, de nieuwe dijk aan de Hollare aansluiten en andere faciliteiten verkrijgen voor het beheer van de ontworpen polder. De heren waren overtuigd, dat een dijkage voor hen wel voordelig was. Zij hielden evenwel aan het principe vast, geen gronden te verkopen. Wel waren zij bereid toestemming te geven de nieuwe dijk aan hun polder aan te sluiten, uiteraard tegen bepaalde voorwaarden. Over dit voorstel is lang geconfereerd tussen beide partijen, doch er werd geen overeenstemming bereikt. 8 Daar kwam nog bij, dat zij het zelfs niet eens waren over de juiste grens van de gronden en slikken in het Stinkgat. 9 In 1849 stelden de eigenaren van het Rammegors aan de heren voor, hen de helft van het Stinkgat in eigendom over te dragen, en de andere gronden van het domein aan te kopen. Op deze en andere voorwaarden gaven de heren van Vossemeer in principe toestemming om de nieuwe dijk aan de Hollarepolder aan te sluiten.
Een dijkdoorbraak onder Oud Vossenveer, 1906. Naar een foto uit de collectie van het gemeentearchief te Bergen op Zoom.

Een dijkdoorbraak onder Oud Vossenveer, 1906 . Naar een foto uit de collectie van het gemeentearchief te Bergen op Zoom.

In 1850 kreeg het Rammegors een zomerkade. 10 De vorige eigenaren hadden het gors aan A. van Haaften te Sliedrecht en B.A. Kramer te St. Philipsland verkocht. Hen had de minister van Binnenlandse Zaken vergunning verleend om een zomerkade te leggen; tot de bedijking zou pas verlof gegeven worden als sommige kwesties met het domein geregeld waren. Van Haaften was een energiek man; hij heeft zich in deze tijd met veel bedijkingen bezig gehouden, o.a. is de Slaakdam zijn idéé en zijn werk. Doch zoals veel energieke lieden was hij ook nogal eigengereid. In 1850 stelde hij de heren voor 10 bunders grond van hen over te nemen, en vroeg hij het vee uit het Rammegors, dat al bekaad was en gebruikt werd, in de Hollarepolder te mogen drenken. De heren van Vossemeer zagen af van de gronden in het Stinkgat, doch wensten hun recht op de voorgronden van de Hollarepolder vast te houden. Het drenken van het vee werd niet toegestaan. Deze voorwaarden nam Van Haaften aan. Enige tijd later kwam van zijn advocaat het bericht, dat hij ze niet aannam. 11 De heren van Vossemeer wilden nu zelf het Stinkgat van het domein aankopen, doch dit berichtte, dat het met Van Haaften in onderhandeling was. 12
Kwamen er meerdere gegadigden, dan zou er een publieke veiling gehouden worden. Dit durfden de heren met Van Haaften niet aan. In 1852 dreigde Van Naaften desnoods zonder toestemming van de heren van Vossemeer de dijk aan de Hollarepolder aan te sluiten; hij achtte zich voldoende gesteund door de ministeriële vergunning. Vanzelfsprekend is de vergadering van de heren hierover erg boos geworden; zij machtigde de raad van beheer zich met alle kracht en alle middelen van het recht hiertegen te verzetten, doch tevens naar een schikking te streven en een gewraakt artikel uit de conceptovereenkomst desnoods maar te laten vallen. 13
Kort nadien heeft Van Haaften aan de raad van beheer zijn excuses aangeboden voor zijn dreigement. Van hun kant hebben de heren van Vossemeer de onderhandelingen weer geopend, toen Van Haaften de werkzaamheden op de grond van Vossemeer had stopgezet. Op 3 juli 1852 is het accoord tussen de beide partijen gesloten. Daar de ambachtsheerlijkheid van Vossemeer het proces over de gronden in het Stinkgat inmiddels verloren had, waren deze niet meer in geding. Van Haaften mocht aan beide einden met de nieuwe dijk aan de Hollarepolder aansluiten. De heren kregen ruim 15 bunders grond, de voorgronden van de Hollarepolder, die na afloop van de dijkage zouden afgepaald worden. In de kosten van de dijkage droegen zij fl. 2500,- bij. Daartegenover zou het Rammegors de proceskosten in de zaak van het Stinkgat betalen. De stukken dijk, die op grond van de heerlijkheid lagen, zouden aan de heren van Vossemeer komen. Nog enige andere zaken werden geregeld, waaronder de verhouding tussen de nieuwe polder en de Hollarepolder, vooral ten aanzien van de waterstaatswerken.
De definitieve bedijking van de Van Haaftenpolder is in 1852 voltooid. Hun gronden in de nieuwe polder hebben de heren van Vossemeer in eigen beheer gehouden, totdat zij in 1875 samen met de Hollarepolder zijn verkocht. 14

47. SLUISPOLDER, 1877
Tussen de Hollarepolder en de in 1860 ingedijkte Johanna Mariapolder lag nog een strook grond braak. Deze omvatte een stuk van het oude Jan Ruijgrocksland, deel der voormalige heerlijkheid van Vrijberghe, en de gronden, die langs de uitwateringskreek van de polders van Poortvliet waren aangeslibd. Bovendien was er een omkade sluisboezem van Poortvliet aanwezig, bekend als de Lange of Grote Bree. De heren van Vossemeer bezaten er ruim 12 hectaren in eigendom; de rest was het eigendom van A. Tak van Poortvliet te Middelburg.
In 1863 besloten de heren octrooi voor een bedijking te vragen en overleg te plegen met de heer Tak, desnoods zijn gronden aan te kopen. 1 Op 31 juli 1863 werd het octrooi aangevraagd. Tak wachtte de gang van zaken niet af, doch zond onmiddellijk een request aan de koning, met het verzoek de concessie niet te verlenen omdat zijn gors nog niet rijp was; bovendien was het sterk vergraven en vol met putten door de aanleg van de dijk van de Johanna Mariapolder. 2 Hij had in zoverre succes, dat de regering de concessie voorlopig niet verleende, omdat zij eerst een onderzoek wilde doen instellen naar de rijpheid van de gronden, en de kosten van dit onderzoek ten laste van de heren van Vossemeer dacht te brengen. 3 Voor zulk een nieuwe procedure bij een bedijking voelden de heren niets.
Het in ogenschouw nemen van de gevolgen van de dijkdoorbraak. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam

Het in ogenschouw nemen van de gevolgen van de dijkdoorbraak. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam

In 1873 kwam de raad van beheer met een nieuw voorstel. 4 De schorgronden waren inmiddels aanzienlijk verbeterd. Er was een bedijkingsplan opgesteld; daarna moest de concessie aangevraagd worden en zouden met Tak van Poortvliet onderhandelingen worden geopend. Berustend verzucht de resolutie “Op grote bereidwilligheid van de heer Tak kan het bestuur zich niet beroemen”. Zijn grond wilde hij in geen geval verkopen. Tegen het bedijken had hij wel bezwaar, omdat zijn grond door aanslibbing nog elk jaar verbeterde. Toch wilde hij de heren niet in de weg staan en gaf hij toestemming tot bedijking. Hij maakte het hun echter lastig door er enige onbillijke voorwaarden aan te verbinden. Toch aanvaardden zij deze en droegen Hollestelle op een bestek en een begroting te maken. 5 Tak had als eis gesteld, dat de dijk gelegd zou worden op een plaats, die de heren niet gekozen hadden; ook dit namen zij op de koop toe. Achteraf bleek dit niet eens slecht uitgevallen te zijn. Besloten werd in het voorjaar van 1877 met de inpoldering te beginnen. 6 Een geldlening van fl. 14.000,- werd aangegaan, die geheel bij de aandeelhouders zelf werd geplaatst; zij was zelfs meer dan dubbel overtekend. Alvast werd de naam van Sluispolder vastgesteld, omdat de polder ligt op de plaats van de oude sluis der polders van Poortvliet, welke plaats reeds lang als de Poortvlietse Sluis bekend was. 7
In juni 1877 vond de aanbesteding plaats. G. Bolier te Scherpenisse nam het werk aan voor fl. 12.490,-, wel fl. 900,- hoger dan de begroting. Als opzichter fungeerde Hollestelle. Op 2 juli 1877 is met het werk begonnen; op de 24e was de dijk gesloten en op 15 october 1877 werd de polder opgeleverd. Na meting bleek hij 18 hectaren te omvatten.

48. EEN VOORTIJDIG DELTAPLAN
“Om u de waarheid te zeggen”, schrijft mevrouw van Treslong in maart 1555 aan Anthonis van Wissenkerke, “voel ik er niets voor in een proces verwikkeld te geraken, als er een andere weg gevonden kan worden”. Ook ditmaal blijkt de vrouwelijke intuïtie juist te zijn geweest. 1
De heren van Vossemeer hadden al enige jaren met de gedachte gespeeld, in één forse en gedurfde dijkage het land van Vossemeer afdoende te beschermen. “Over ’t water” (in Brabant) bestonden al enige kleine polders, grenzend aan het land van de markies van Bergen op Zoom. Tussen Vossemeer en Steenbergen lagen, buiten de polder van Mattemburg, nog uitgestrekte gorzen, die aan de kant van Steenbergen voor en na gedeeltelijk waren ingedijkt. Als wij nu, dachten de heren van Vossemeer, de Eendracht afsluiten, zal niet alleen een enorme lap grond gewonnen zijn, doch zullen wij ook beter de voortdurende bedreiging van de zee in bedwang kunnen houden.
Op 18 juli 1554 was een accoord bereikt tussen de heren van Vossemeer en de prins van Oranje als heer van Steenbergen 2 over het bedijken van de gorzen ten oosten van de Eendracht en ten noorden van de polders Mattemburg en de (Oude) Heije. Een deel van deze gorzen was voorheen al bedijkt geweest. Nu was van oost naar west een nieuwe dijk ontworpen. Dit werk zou voor gezamenlijke rekening worden uitgevoerd, omdat gronden van beide partijen in de ontworpen dijkage lagen; twee derden van de kosten zouden door de prins van Oranje, een derde door de heren van Vossemeer betaald worden. De nieuwe dijk was als volgt ontworpen: hij begon in het westen aan de hoek van Kijkuit, liep naar het noorden over het gors van de Plaat, verder naast het water van Beukelenberg en zou in het oosten aansluiten op de dijk van de Graaf Hendrikpolder, ter plaatse waar deze de dijk van de Heije bereikt. Bepaald werd nog, dat als een der partijen met dijken zou willen beginnen, zij de andere 9 maanden tevoren moest waarschuwen. Het dijkbestuur zou eveneens in gezamenlijk overleg benoemd worden.
Ofschoon in dit accoord de dam door de Eendracht niet expliciet is genoemd (hij zou geheel op het terrein van de heren liggen en had dus niet rechtstreeks met het accoord te maken), hield de ontworpen inpoldering er ten nauwste
De aanleg van een dijk. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

De aanleg van een dijk. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

verband mee. Dit werk is trouwens niet uitgevoerd, toen de dam door de Eendracht niet kon worden gelegd. De voorgenomen dijkage is een tiental jaren later in een andere opzet uitgevoerd.
Op 26 april 1554 heeft Anthonis van Wissenkerke het plan verdedigd bij de markies van Bergen op Zoom, die hoewel persoonlijk heer van Vossemeer, in eerste instantie niet veel voor de dam gevoeld schijnt te hebben. 3 Van Wissenkerke prees hem de voordelen aan, die zijn landen van Halsteren en van Bergen op Zoom van deze afdamming zouden hebben. Nadat Van Wissenkerke er op gewezen had, dat vroeger in feite al hetzelfde was geschied bij de afdamming van de Couveringse Vaart en de Vertrijse Vaart, ging de markies van Bergen op Zoom met het plan accoord, op voorwaarde dat men nog een studie zou maken van de wateren en hun loop.
Ook de prins van Oranje is van het plan tot afdamming op de hoogte geweest. Hij stelde er zich volledig achter; zijn heerlijkheid kon er slechts voordeel van hebben, al zat er voor hem geen directe landaanwinst aan vast. De polders van Steenbergen zouden in elk geval een veel veiliger situatie krijgen. Nadat er een begin met de uitvoering van het werk gemaakt was, brak er een tumult los tegen de heren van Vossemeer. Toen was de prins van Oranje niet meer van de partij! Wellicht is het niet juist te zeggen, dat hij de heren op een kritiek moment in de steek heeft gelaten. Misschien heeft hij zich met opzet afzijdig gehouden in de overtuiging, dat hij met zijn interventie de zaak niet zou helpen, daar hij te Brussel al niet meer zo in de gratie stond.
In de vergadering van 1554 hadden de heren van Vossemeer in principe besloten, dat het voorgenomen werk gemaakt zou worden. In de bijeenkomst van 17 juni 1555 werd bepaald, dat op 16 juli a.s. gepubliceerd zou worden, dat een dam door de Eendracht was ontworpen, en dat de grote kreek door Vossemeer gedicht zou worden. Het vervolg van de geschiedenis maakt duidelijk, waarom de heren van een kreek spreken. Op dezelfde dag der publicatie is met het werk begonnen. De rekening 4 vermeldt de betaling van verteringen in de “Galerije” te Bergen op Zoom van “’t stoppen” van de Eendracht, welke vergadering gehouden was bij de sluis van Oud Glimes. De vertegenwoordiger van de markies van Bergen op Zoom, de heer van Eldere, Anthonis van Wissenkerke en de rentmeester Jan Janss moesten vanaf 15 juli op het werk aanwezig zijn; van de overige heren hadden zij algehele volmacht gekregen. De benodigde materialen lagen klaar. Geheel safe hebben de heren zich niet gevoeld. Blijkens hun langdurige voorbereidingen en hun publicatie op het laatste ogenblik was een grote plaats ingeruimd voor het verrassingselement, als is het pertinent onwaar, wat de stad Tholen later zei, dat de heren bij nacht en ontij met het werk begonnen zijn. Reeds in 1554 hadden de heren van Vossemeer bij enige rechtsgeleerden in Leuven, onder overlegging van de eerste uitgiftebrief, een rechtskundig advies gevraagd over het afdammen van de Eendracht. 5 Dit moet wel gunstig geluid hebben, anders hadden de heren de zaak niet doorgezet.
Volgens het bestek was de dam ontworpen op de hoek van Nieuw Kijkuit (aan de Brabantse kant), bij de sluis van Glimes en Slabbecorne. Klaarblijkelijk lag het in de bedoeling, voorlopig één dam door de Eendracht te leggen, de afgesloten rivier of zeearm verder te laten aanslibben, en daarna de bedijking af te ronden met een tweede dijk in het noorden van de heerlijkheid. Zo zouden de beide delen van het land van Vossemeer verbonden worden. Dit blijkt al langer de bedoeling van de heren te zijn geweest. In de rekening van 1545/46 is sprake van een dijk, die de heren voornemens zijn te leggen, indien zij met de prins van Oranje tot een accoord komen “buiten het gors van de Hikke”. Zij hebben daar een verbinding tussen de Hikke en het land van Steenbergen op het oog gehad.
Vanzelfsprekend zijn de voorbereidingen van dit werk niet geheim kunnen blijven. Toen de magistraat van Tholen de stapels
stortstenen zag, raadde hij eigenlijk al, wat de heren van plan waren. De stad richtte zich met een request tot de keizer: De Eendracht is zeer nuttig en vooral geschikt als toevluchtsoord voor de schepen, “van alle plaatsen nederopwaarts” komend, om er zich tijdens de stormen in veiligheid te brengen. Regelmatig wordt de Eendracht gebruikt door de schippers van Dordrecht, Gouda, Gorcum, St. Geertruidenberg, Brouwershaven, Goeree, Bergen op Zoom en Antwerpen. Bovendien is de vaarweg veel korter dan buitenom. Er wordt veel levende en verse vis vervoerd, en het is zaak, deze zo vlug mogelijk op de plaats van bestemming te hebben. De heren en alle geërfden (de landbouwers van Vossemeer waren derhalve allemaal accoord!) willen de rivier afdammen. Zij hebben bestekken gemaakt en een massa zinksteen aangekocht, die zij op een nacht of in elk geval buiten weten van die van Tholen in de rivier willen werpen. Gebeurt dit, dan betekent het de ondergang van de stad!
Tholen wist bovendien andere steden tot actie en protest over te halen: Antwerpen, Dordrecht, Delft, Amsterdam, Gouda en Gorcum. De gecommitteerden van de steden in Holland waren al op 12 juli 1555 bij het Hof te Brussel, om daar de concepten en de publicaties van de heren van Vossemeer te tonen. 6 Zo geheim is de zaak derhalve niet geweest; de wederpartij was terdege op de hoogte! Samen richtten de steden een tweede request tot de keizer, waarin zij tegen het voorgenomen werk protesteerden. Zij wezen tevens op de belangen van andere steden, doch deze hebben zich niet met de zaak ingelaten. Wel wisten de Hollandse steden in een later stadium de steun te verkrijgen van Brussel, Mechelen en Vilvoorde, zodat de heren van Vossemeer van alle kanten werden bestookt.
Op 15 juli 1555 vaardigde koningin-regentes Maria een edict uit, waarin zij stelde, dat de heren van Vossemeer aan de kerkdeuren hadden doen aanplakken, dat zij op de 21e van deze maand een begin willen maken met het leggen van een dam door de Eendracht. Voor deze dijkage hebben zij geen octrooi gevraagd of gekregen. Bovendien is de Eendracht een “gemene” (openbare) vaart en stroom, die door de Brabanders en Hollanders wordt gebruikt. Door dit voorgenomen werk zal niet alleen de scheepvaart gehinderd zijn, doch wordt ook geraakt aan de rechten en inkomsten van de keizer uit dit vaarwater. Zij verbiedt ten strengste met het werk voort te gaan, “omdat uwe voorzeide opzet nieuwigheid smaakt.....” Dit woord had in die tijd een emotioneel zwaar geladen betekenis. Ongehoorde nieuwigheid waren de politieke denkbeelden van sommigen, al of niet verweven met de nieuwigheden op godsdienstig terrein. Dat woord hoefde in Brussel maar te vallen, en het hele hof was in rep en roer! Er volgde dan ook een radicaal en gebiedend verbod, met de dijkage door te gaan; dit bevel werd niet in het minst verzacht door het slot: “Lieve besundere, God zij met u.”
Na van de eerste schrik bekomen te zijn, staken de heren van Vossemeer de koppen bij elkaar. Overtuigd van hun goed recht, besloten zij de zaak voor de keizer te brengen. Kort na het verbod van 15 juli stelden zij een request op, dat het begin werd van een merkwaardig rechtsgeding. Het gehele proces zullen wij niet op de voet volgen; dit zou teveel gevraagd zijn van het geduld van de moderne mens, die in de eindeloze items van middeleeuwse requesten, duplieken en replieken al vlug de draad verliest. Een aantal markante punten is het beschouwen waard.
De heren van Vossemeer hebben een polder van ongeveer 3600 gemeten ontworpen, die voor de landen, ten zuiden en westen van Steenbergen, en voor de landen van Bergen op Zoom een veel grotere veiligheid biedt, juist daar waar de bedreiging van het water het grootst is. Een klein deel van de dijkages, welke in het zuiden aan het land van Vossemeer raakt, hebben de heren al gemaakt, met de bedoeling het gehele werk omstreeks Bamis a.s. (1 october) te voltooien. Zij hebben niemand schade berokkend. De steden, die zich zo fel tegen het plan keren, hebben er geen directe schade of belang bij. Een repliek van de heren van Vossemeer is aan de pensionaris van Dordrecht (in Brussel aanwezig) overhandigd, doch deze zei, dat hij er zich niet mee wenste te bemoeien, omdat de zaak meer de stad Antwerpen aangaat. De magistraat van Antwerpen heeft de stukken inderdaad in ontvangst genomen en beloofd er binnenkort op te zullen antwoorden.
Inmiddels gebeurde er niets! De raad van de keizer bepaalde op 31 juli, dat de opposanten binnen 8 dagen hun repliek moesten indienen. Op een nader verzoek van de heren van Vossemeer is tevens aan de steden opgelegd, dat ieder voor zich een schriftelijk antwoord had in te zenden.
Ondertussen ligt het werk aan de dam geheel stil. De heren begrijpen wel, dat het slechts de bedoeling van de steden is, de zaak te traineren. In het najaar, dat voor de deur staat, is de tijd voor de dijkage voorbij. Als het edict van de koningin-regentes dan nog niet ingetrokken is, zal de zaak vanzelf wel op dood spoor geraken. Het is de steden alleen maar te doen om de heren tegen te werken; daarbij beroepen zij zich op een al te ver gezochte inbreuk op zogenaamde rechten. Met behoorlijke argumenten zijn zij niet voor de dag gekomen, getuige het feit, dat geen der steden een dupliek heeft geproduceerd. De heren van Vossemeer vragen met het werk te mogen doorgaan, desgewenst onder toezicht van keizerlijke commissarissen.
Door middel van deurwaardersexploten trachtten de heren van Vossemeer de steden tot het indienen van een dupliek te dwingen. Op hun verzoek reisde Francois de Knibbere, deurwaarder van de secrete raad van de keizer, naar de steden in Holland. Interessant is het relaas van zijn reis uit oogpunt van het verkeer dier dagen. Op 7 augustus vertrok hij van Brussel naar Gorcum, waar hij op de 12e met het stadsbestuur sprak; op de 13e vertrok hij naar Gouda, waar hij de 14e exploot deed. Diezelfde dag reisde hij naar Amsterdam, waar hij de 14e zijn ambtswerk deed; de 16e naar Delft, waar hij de 17e de “insinuatie” overhandigde; de 17e naar Dordrecht en daar de 19e het stadsbestuur aangesproken; de 19e naar Tholen, waar hij de 20e de dagvaarding uitbracht. Francois heeft er dus wél de tijd voor genomen. Voor deze reis van 11 dagen vroeg hij echter maar 21 gulden en 14 stuivers!
Veel hebben de exploten niet uitgewerkt. Toen de steden bemerkten, dat het de heren van Vossemeer bittere ernst was met hun verweer, namen de Staten van Holland, waarin het stedelijk element een sterke positie innam, de zaak van de steden over. Zij stelden zich eveneens partij, zodat de heren van Vossemeer in Brussel een nog hechter front tegenover zich vonden.
De Staten van Holland meenden, dat de Eendracht een open water was, dat tevens de grens tussen Holland en Brabant vormde. Het kon als zodanig niet in de koop van het jaar 1410 begrepen zijn, doch het is in die uitgiftebrief van Vossemeer kennelijk als een limiet bedoeld. Die van Vossemeer hebben altijd langs de Eendracht bedijkt. Hadden zij voorheen dit water als hun eigendom beschouwd, dan zouden zij het al lang hebben kunnen indijken. De Hikke bijvoorbeeld hebben zij opnieuw bedijkt, doch daarbij zijn de heren nauwkeurig op hun eigen domein gebleven. Ook bij de herbedijkingen van 1532 hebben zij de oude dijkstoel gehandhaafd. In deze rivier was altijd scheepvaart geweest; daaruit bleek, dat de graaf van Holland en Zeeland dit vaarwater aan zich had gehouden. Nu nog trok de keizer bakengeld uit de Eendracht. Als de rivier gesloten werd, zouden de vele steenschepen van Brussel en Vilvoorde, die regelmatig op Holland voeren, een verte omweg moeten maken. Bovendien was de Eendracht zeer geschikt als trekvaart, als de schepen niet konden zeilen.
Naast enige rimram, vooral waar de Staten van Holland zich op waterstaatkundig gebied begeven, bevat het request twee venijnige argumenten, namelijk de inkomsten van de keizer en het belang van enige Brabantse steden.
Toch zijn er in Holland ook andere stemmen opgegaan. Op 24 augustus schreef de rentmeester aan Anthonis van Wissenkerke, dat de heer van Eldere in Holland was geweest, waar de heer van Assendelft hem had gezegd niet in te zien, waarom men de heren van Vossemeer niet in het genot zou laten van hun landen en wateren. Het was echter niet mogelijk gebleken, deze uitspraak zwart op wit te krijgen (natuurlijk! Van Assendelft zat zelf in de Staten), zodat de ambachtsheerlijkheid er in het proces jammer genoeg geen gebruik van kon maken.
In de stad Utrecht, die zich niet in de zaak had gemengd, meenden de heren van Vossemeer steun te kunnen vinden. Daar hadden zij relaties met de paters van het convent van Bethlehem. Hun procurator schreef aan Pieter van Dalem, dat hij het advies gevraagd had van Mr. Joost Gheritszoon, secretaris van de stad. Zelf had hij de omstreken van Vossemeer bezocht en per schip bereisd, doch hij wist zich niet te herinneren, of het schip ergens had moeten omvaren; hij geloofde van wel, doch hij had de schipper niet “expres” horen zeggen, of dit was omdat hij niet laveren kon, “want ick alsoe veel kennisse des waeters nyet en hebbe”. De secretaris van Utrecht meende, dat de heren van Vossemeer er wellicht goed aan zouden doen, de mening van de ervaren schippers van Utrecht te vragen, die regelmatig “In Abrahams Schoot” te Antwerpen logeren. Men ziet het: de lieden uit Holland, die de heren van Vossemeer hadden kunnen helpen, hielden zich gedekt of zeer op de vlakte.
Zeer uitvoerig (in 191 artikelen) gaat de dupliek van de heren van Vossemeer in op alle argumenten pro en contra hun plan. Hun uiteenzetting moet, althans in grote lijn gegeven worden, om duidelijk te maken, op welke rechtsgrond zij zich stellen, doch ook, omdat er interessante details gegeven worden over de gesteldheid van land en water.
Zij keren zich speciaal tegen de dupliek van de Staten van Holland, die voor de bekende Hollandse steden optreden, en volgens hun zeggen ook voor Haarlem, ofschoon deze stad nooit heeft laten blijken in deze zaak geïnteresseerd te zijn. De keizer heeft alle zich partij stellende steden opgedragen, afzonderlijk en ieder voor zich een repliek in te dienen. Aan dit bevel is niet voldaan. Nu ligt er bij de rechtbank een gezamenlijk verweer, waarin practisch geen specifieke bezwaren van de steden afzonderlijk te vinden zijn. Daar er geen concrete feiten, argumenten en bezwaren naar voren zijn gebracht, krijgen de heren van Vossemeer het onbehaaglijke gevoel, dat zij in een holle ruimte praten.
Primair stellen zij hun recht om te bedijken; geen der opposanten heeft de bevoegdheid hun dit te verbieden. Hun dijkage was ontworpen binnen de grenzen van hun grondgebied. De limieten hiervan zijn bekend, duidelijk omschreven in de uitgiftebrieven van het jaar 1410 en 1415. Het voornemen was, geheel in de geest van de vroegere dijkages te werken, en geheel overeenkomstig de oude opzet de rijp geworden gorzen het ene na het andere in cultuurland om te zetten. Van welke “natuur” het water is, gaat hun niet aan. Bovendien geloven zij niet, dat alle bedijkte wateren, vlieten en kreken vóór hun bedijking “gemene stromen” waren; dit mag derhalve ook niet voor de Eendracht geponeerd worden. Zij moet gelijkgesteld worden met de Couveringse Vaart, de Vertrijse Vaart, de Kerkamer, de Vosvliet, de Ysendijk en de Hebbincx Vliet, die voorheen open en stromende wateren waren en nu geheel verdwenen zijn. (Merkwaardigerwijs spreken zij niet van de zogenaamde Striene; een bewijs temeer voor het mythologische van deze rivier!). Dit waren kreken en grachten; zij dienden voornamelijk om de as weg te varen, die afkwam van het zieden van het zout. Evenmin is aan te nemen dat de Eendracht van oudsher de grens is geweest tussen Brabant en Zeeland c.q. Holland, al wordt dit gemakshalve en simplificerend door velen aanvaard en nu met nadruk terwille van deze zaak beweerd.
Daarom ook is de stelling onjuist, dat de heren van Vossemeer aan het land van Brabant raken, waar zij niets te maken hebben. Er is beweerd, dat zij met hun bedijkingen altijd twee mijlen van de Eendracht gebleven zijn. Zou dit geschied zijn, wat trouwens niet waar is, dan was dit enkel om een waterstaatkundige noodzakelijkheid, doch het kan niet uitgelegd worden in deze zin, als zouden de heren van Vossemeer daardoor hun recht op de Eendracht in hun gebied hebben losgelaten of verspeeld. De dijk van de Hikke heeft nooit langs de Eendracht gelegen, zodat niet duidelijk is, waarom de Staten van Holland over deze dijkage spreken.
Overal, waar inpolderingen zijn gedaan, werden bevaarbare wateren afgesloten en opgeruimd. Dit is in Zeeland, maar ook in Holland geschied. Zo heeft de heer van Zevenbergen een vaart gedicht, de Ham genaamd, die tussen Holland en Brabant lag, waar de schepen regelmatig doorvoeren, en waar de stad Breda voor haar schippers bakens zette. In dezelfde heerlijkheid zijn het Lamsgat en de Donck afgesloten geworden, zodat de schippers nu ver moeten omvaren. De markies van Bergen op Zoom heeft de Valkenbergse Amere dichtgedijkt; en beide heren samen hebben een water op “ ’t Sand daarbuiten” (Standdaarbuiten) gesloten, op de grens tussen Brabant en Holland. In het land van Steenbergen heeft de graaf van Nassau bij de inpoldering van Kruisland de Wouwse Vaart gesloten. Dit alles is onlangs geschied en het ligt nog vers in het geheugen.
De heren van Vossemeer hebben altijd in de mening verkeerd – en hun bedijkingsbeleid was hierop afgestemd – dat zij het gehele gebied in eigendom verkregen hadden, waarvan de uitgiftebrieven een rondom gesloten limiet-beschrijving hebben gegeven. Zij hebben dit niet cadeau gekregen, doch zij hebben het gekocht van de graaf van Holland en Zeeland. Het kan niet waar zijn, wat de opposanten beweren, namelijk dat de graaf terwille van het luttele bakengeld zijn recht op het water heeft willen reserveren. Dan immers zou men moeten aannemen, dat de keizer om deze belachelijk kleine inkomsten de heren van Vossemeer een veel belangrijker eigendom zou willen afnemen, dat zijn voorlopers hun verkocht hadden. Aan zulk een grove insinuatie aan het adres van de graaf van Holland kan men slechts met stilzwijgen voorbijgaan.
De stad Tholen laat inderdaad wat bakens zetten; dat zijn staken, die aantonen, waar het water ondiep is. Elk schip betaalt er een stuiver per jaar voor. Of dat bakengeld verpacht wordt, raakt de heren van Vossemeer niet. Het stellen van bakens is door de pandheer van Tholen nooit bevolen; de keizer of de heren van Bergen op Zoom hebben er geen inkomsten uit genoten. Er zijn meer plaatsen aan te wijzen, waar gebakend werd en waar toch is bedijkt. Het is zo helder als glas, dat bakenen niemand eigendom geeft.
De opposanten stellen de graaf van Holland voor als de grote belanghebbende in deze zaak; zij schuiven alles op hem af. Merkwaardig is wel, dat geen enkele graaf van Holland zich ooit bekommerd heeft om het vaarwater van de Eendracht. Eer zou men mogen veronderstellen, dat zij er in plaats van water liever grond zouden zien. In Vossemeer weet men nog zeer goed, hoe blij keizer Maximiliaan was, toen hij op de jacht door de practisch droge Eendracht het wild kon blijven volgen. Vroeger was de Eendracht zeer ondiep; toen was er van varen zelfs geen sprake. Bij de stormramp van 1530 is een dijk tussen Reimerswaal en Tholen voor Bergen op Zoom doorgebroken. De daardoor ontstane vloedstroom heeft de Eendracht verbreed en verdiept. Met grote inspanning en met veel kosten moeten nu de oevers onderhouden worden. Zelfs voor de stad Tholen zou een afsluiting van de boven-Eendracht beter zijn. Met een volkomen onbegrip voor haar eigenbelang heeft zij anderen tegen de heren van Vossemeer opgestookt.
De voorgenomen dijkage zou een afdoende bescherming bieden aan een groot aantal polders; ongeveer 6000 roeden zeedijk zouden tot slaperdijk vervallen. Bij de watersnoden van 1530 en 1532 hebben die van Vossemeer aanzienlijke schade geleden. De opzet van de heren was, dergelijke calamiteiten in de toekomst te vermijden. De ontworpen dijkage omvat 3000 gemeten, plus nog ongeveer 500 gemeten in het land van Steenbergen. Berekent men slechts de gewone beden, die de keizer uit deze landen zou krijgen, dan komt men op een som van 330 gulden per jaar, dat heel wat meer is dan het geringe bakengeld.
Tenslotte gaan de heren van Vossemeer uitvoerig in op hetgeen de opposanten ten opzichte van de scheepvaart naar voren hebben gebracht. De betekenis van de Eendracht voor de scheepvaart wordt schromelijk overdreven. Bovendien zou de mogelijkheid van de scheepvaart niet geheel weggenomen worden, daar het in de bedoeling lag, een deel van het water te handhaven als afwateringskanaal en dit te beheersen door middel van sluizen. Bij een betere en vooral ruimer blikkende aanpak van de waterstaat in deze streek zullen de scheepvaartbelangen helemaal niet in het gedrang komen bij de afdamming van de Eendracht; zij zullen integendeel veel beter behartigd worden.
Het betoog heeft niet veel gebaat; in Brussel was de tegenwind te sterk. Op 20 december 1555 deed de secrete raad uitspraak, dat de opschorting van het werk gehandhaafd bleef, doch dat het de partijen vrij stond verder te procederen voor de Grote Raad te Mechelen.
Hiervan hebben de heren van Vossemeer afgezien. Dit is niet gebeurd, omdat zij minder overtuigd waren van hun goed recht, doch omdat zij toen reeds voor dezelfde instanties verwikkeld waren in een fel proces over de beden en schattingen, door het land van Vossemeer aan de keizer op te brengen. Dit rechtsgeding was een ingewikkelde zaak, door de vasthoudendheid van beide partijen tevens een langdurige affaire geworden, waarvoor de energie en de aandacht van al de actieve heren van Vossemeer gespannen bleef. De in hun ogen mindere zaak hebben zij laten vallen, om zich geheel aan de grotere te kunnen wijden.
Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Wij willen niet oordelen over de mérites van dit proces, de argumenten en de uitspraak. Toch noodt deze zaak tot enige beschouwingen.
Al is de opzet van de heren van Vossemeer niet gelukt, toch is het plan een der naaste aanleidingen geweest voor de verdere bedijkingen van het “Brabantse” deel van de heerlijkheid. Ongeveer 10 jaren later zijn deze met kracht ter hand genomen; zij leidden o.a. tot de stichting van Nieuw Vossemeer. Daar de Eendracht als een open water gehandhaafd moest blijven, kwam de scheiding tussen de beide delen van de ambachtsheerlijkheid nog scherper te liggen. Het zou in alle opzichten, zoals voor het bestuur, het verkeer, de sociaal-geografische ontwikkeling beter zijn geweest, als de twee onderscheiden gebieden aan elkaar waren vastgegroeid. Van lieverlede fixeerde zich op het midden van de rivier de grens tussen Brabant en Zeeland, ofschoon men nog lang daarna merkwaardige dingen ontmoet, die de juistheid aantonen van de bewering der heren, dat de rivier niet als de oude grens van Brabant en Zeeland mag worden opgevat. Ongetwijfeld zou de grenskwestie tóch haar kop hebben opgestoken, ook als de Eendracht was afgedamd; misschien had die kwestie zich door een andere topografische toestand daar ter plaatse ook anders ontwikkeld. In elk geval is in 1555 een der grondslagen gelegd voor het feit, dat de invloed en de bevoegdheden van de ambachtsheren in hun Brabants deel niet zo sterk stonden als in hun land van Oud Vossemeer.
Men kan zich moeilijk onttrekken aan de indruk, dat de opposanten met veel misbaar doch met weinig concrete argumenten het plan van de heren van Vossemeer hebben getorpedeerd. Waarschijnlijk moet aangenomen worden, dat de oppositie meer door kleinmenselijke motieven beheerst is dan door bezorgdheid om het algemeen belang of de baten van de keizer. De positie van de heren van Vossemeer werd immers door verschillende naburen met lede ogen gezien, vooral door de magistraat van de stad Tholen, die het vuurtje heeft aangestoken. Dat de heren op een betrekkelijk goedkope manier nóg meer land, nóg meer inkomsten, nóg meer aanzien en invloed kregen, was voor Tholen niet te verteren.
Er is een initiatief gefrustreerd, dat op zichzelf misschien niet zó groots was, doch in zijn consequenties belangrijk had kunnen worden. Wanneer de heren van Vossemeer hun voorgenomen dijkage hadden kunnen voltooien, zou het eiland Tholen aan het vasteland zijn gehecht; een simpel ding, dat belangrijke gevolgen zou hebben gehad. Het spreekt vanzelf, dat de stad Tholen bezorgd was, als de vaste verbinding met Brabant bij Vossemeer kwam te liggen! Misschien was het niet eens overdreven, dat dit een terugval van de stad tot gevolg zou hebben. Doch afgezien daarvan is het duidelijk, dat de situatie van de wateren ten noorden en noordoosten van Tholen ingrijpend zou zijn gewijzigd. Als de stroom en tegenstroom was afgedamd, zouden hieruit ongetwijfeld andere bedijkingen zijn gevolgd, die aan deze streek van Zeeland en Noord-Brabant reeds eeuwen her een ander beeld gegeven hadden.
Het plan van de heren van Vossemeer kan uiteraard niet in de schaduw staan van de huidige Deltawerken. Toch is het niet overdreven, er een kleine voorspiegeling in te zien van het voornemen, pas in onze eeuw gerealiseerd, de open zeegaten definitief af te sluiten. Het plan van 1555 is een des te opmerkelijker voorspel tot het Deltaplan, omdat beide voortgekomen zijn uit rampen, en beide geboren werden uit een door de tijdgenoten nog niet geheel begrepen visie. Vier eeuwen na 1555 is de draad opgenomen, vanzelfsprekend op grootser schaal, efficiënter en machtiger door de monstermachines, die Rijkswaterstaat van de 20e eeuw ter beschikking heeft. Had men de heren van Vossemeer laten begaan, dan hadden zij met kruiwagen en schop de Eendracht afgedamd.
Merkwaardig is, dat een dam door de Eendracht andermaal in 1865 ter sprake is gebracht. Naar aanleiding van de afdamming van de Oosterschelde in verband met de aanleg van de spoorweg schreef J.A. de Ram aan de heren van Vossemeer, dat de ingelanden aan de oostzijde van de Eendracht voor het behoud van hun polders vreesden. Hij stelde voor, de Eendracht bij Tholen af te dammen. Zodoende zouden de polders afdoende beveiligd zijn en zou de ambachtsheerlijkheid een grote landaanwinst hebben.
In hun vergadering van 1866 beslisten de heren van Vossemeer, dat de afdamming van de Eendracht voor hen van geen belang was; voor de rest moesten de polders en de gemeenten zorgen. Ditmaal reageerden zij wel erg nuchter op een plan, dat hun voorgangers in 1555 met zoveel vuur verdedigd hadden!


NIEUW VOSSEMEER
49. NIEUW KIJKUIT, 1489
Blijkens een oorkonde in het archief waren de heren van Vossemeer in october 1489 bezig aan de dijkage van een polder tussen de landen van Glymes (gem. Halsteren) en Kiecuijt. 1 De heer van Bergen op Zoom, nota bene zelf heer van Vossemeer, was niet tevreden over het werk, omdat hij meende, dat aan zijn grond was geraakt. Na veel woorden, “die hier te langhe waren te verhalen”, zegt de oorkonde, werd toch een accoord bereikt en verzette de heer van Bergen op Zoom zich niet langer tegen de bedijking. Uit andere gegevens blijkt, dat de nieuwe polder kort nadien voltooid is.
Volgens de kaart van Resen uit het jaar 1555 lag Nieuw Kijkuit in een langwerpige vorm langs de Eendracht. In het zuidoosten raakte de polder aan het land van Glymes; in het oosten aan de latere polder Voordage en het gors van Mattemburg. In 1555 was Nieuw Kijkuit 336 gemeten groot. In 1541 2 mat de polder 254 gemeten en 188 roeden. Zijn die opgaven juist, dan moet er tussen 1541 en 1555 een aanzienlijke uitbreiding aan de dijkage gegeven zijn, waarvan echter uit de stukken niets blijkt.
Bij deze eerste bedijking aan de overzijde van de Eendracht zijn de heren van Vossemeer enigszins anders te werk gegaan dan aan de westzijde. Weliswaar hadden zij reeds langer rechten op dit gebied laten gelden; ook hier hadden zij al geruime tijd gorzen verpacht en tienden geheven. Bepaalde details tonen aan, dat zij voor de definitieve bedijkingen de kat terdege uit de boom gekeken hebben. Aanvankelijk lieten zij de nieuwe polder besturen door de ingelanden; 3 de tienden verpachtten zij evenwel al in hetzelfde jaar 1492 voor 12 pond Vlaams. 4 Misschien is dit de eerste verpachting van de tienden geweest; wel blijkt, dat de heren al in 1490 tienden geheven hebben, in natura wel te verstaan, direct van de akkers genomen. In 1494 stelden de heren er een dijkgraaf, 3 gezworenen en een landmeester aan; 5 de schutter (van het vee) zou door de dijkgraaf worden benoemd. In de volgende vergadering beraadden de heren er zich over, of de nieuwe polder in het land van Vossemeer geïncorporeerd zou worden; voor dit en het volgende jaar lieten zij het nog bij de oude regeling. 6 Pas in 1497 werd de polder volledig gesteld onder de baljuw en het gerecht van Vossemeer. 7 Een en ander wordt geheel duidelijk in het licht van het proces tussen de heren van Vossemeer en de kapittels van Bergen op Zoom en van Tholen, die de tienden van nieuwbedijkte landen voor zich opeisten. Dit proces liep voor de heren zeer gunstig af. Nadat er een aanvaardbaar accoord was bereikt, hebben de heren de nieuwe polder bij het land van Vossemeer gevoegd. Misschien is hun plan geweest hem te laten schieten, als hun inkomsten door al te hoge eisen van de kapittels teveel beknibbeld werden. De vergadering van 1503 stelde Nieuw Kijkuit in alle opzichten gelijk met de overige polders van Vossemeer. 8
Tegen het einde van de 15e eeuw was het proces met de kapittels van Tholen en van Bergen op Zoom op zijn hoogtepunt; 9 de polder van Nieuw Kijkuit schijnt wel een der knelpunten te zijn geweest. Wij zullen op dit proces niet uitvoerig ingaan, doch er enige markante punten uit aanhalen, die een licht werpen op de gesteltenis van de nieuwe polder. 10
Volgens een getuige was Kijkuit (misschien bedoelde hij het land van Glymes!) al omstreeks 1450 ingedijkt; tot voor enige jaren was het door een overstroming weer verloren gegaan. Het land moet onder Brabant gerekend worden (één der vele interpretaties over de grens!). De pastoor van Halsteren genoot er de lammertiende. Neen, zegt de ander, de heren van Vossemeer hebben er altijd het land en de gorzen verpacht. Toch had het kapittel van Bergen er al tienden in 1490 geïnd, doch hierop had de rentmeester van de heren van Vossemeer prompt en effectief met een tegenactie gereageerd. Vroeger liepen er twee waterlopen door de polder, door de mensen beken genoemd; daar voeren zelfs schepen op. Vóór de inpoldering had de schaapherder er een terp, waar hij bij vloed met zijn beesten verbleef. Bij lage waterstand kon men van Zeeland uit Nieuw Kijkuit te voet bereiken. Dat land en de nieuwe polder hebben de heren van Vossemeer altijd als hun domein beschouwd. Zoals gebruikelijk in Zeeland, hebben zij de pastoor van Vossemeer het 100e gemet in het nieuwe land gegeven. Diverse getuigen waren er zeker van, dat in Nieuw Kijkuit de sacramenten bediend werden door de pastoor van Vossemeer; meermalen zelfs had de pastoor van Halsteren, een kapittelheer van Bergen op Zoom, dit geweigerd en de gelovigen naar Vossemeer verwezen. Inderdaad was het wel eens voorgekomen, dat iemand zonder laatste sacramenten overleed, omdat de pastoor van Vossemeer hem niet tijdig bereiken kon.
Andere getuigen meenden, dat de polder onder de parochie van Halsteren hoorde. Zover men wist, is er in de Eendracht geen verandering gekomen; wel in de andere waterlopen, die in de Eendracht uitmonden. De Eendracht, zegt een ander, scheidt weliswaar Brabant en Zeeland, doch dit geldt niet voor Vossemeer. Omstreeks 1470 was het gors van “Kijkuit aan Brabant” al regelmatig verpacht.
Over de kwestie van de tienden is in 1497 een accoord bereikt, dat in 1502 definitief werd geregeld. 11 Daarna treft men in het archief regelmatig de kwitanties aan van het kapittel van Bergen op Zoom voor hetgeen dit uit de tienden van Kijkuit ontving. 12
De naam van de polder is afgeleid van die van Oud Kijkuit (zie aldaar). Dat voor beide polders aan weerszijden van de Eendracht dezelfde naam is gekozen, later onderscheiden in Oud en Nieuw, zou erop kunnen wijzen, dat de heren van Vossemeer beide delen hebben willen samentrekken. Het plan tot afdamming van de Eendracht wijst ook in die richting.
Op 21 februari 1512 is Nieuw Kijkuit overstroomd en kort daarna voor de tweede maal aan het water ten prooi gevallen. In october 1515 werd de polder door de graaf van Holland bereden, d.w.z. als zijn land aanvaard en voortaan in het schot en de bede aangeslagen. Om de hoge kosten van de dijkage vroegen de ingelanden
De haven van Oud Vossemeer, ca. 1910. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

De haven van Oud Vossemeer, ca. 1910. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

voor enige tijd vrijdom van schot; bij brief van 27 augustus 1518 verleende de graaf van Holland een vrijdom voor zeven jaren, onder voorwaarde dat de polder binnen het jaar was herdijkt. 13 In de rekening van 1518/19 boekte de rentmeester een som voor het herstel van de dijk van Nieuw Kijkuit, doch de heren schrapten deze post, omdat dit volgens hen ten laste van de ingelanden moest komen. 14 Vermoedelijk heeft de herdijking in dit jaar haar beslag gekregen.
In 1512 waren de ingelanden reeds tot een voorlopig herstel van de dijk overgegaan; daarbij hadden zij niet alle rechten van de heren geëerbiedigd. 15 In 1514 haalden de ingelanden zoden uit het hele land van Vossemeer; 16 de heren gelastten hen die alleen te steken in het gors vóór hun polder. Tevens gaven zij bevel, dat de zeedijk geschouwd zou worden door de officieren van Vossemeer, zoals gebruikelijk was in de andere polders. De nieuw ingenomen grond moest aan de ambachtsheerlijkheid betaald worden. Bij het herstel is vermoedelijk een uitbreiding aan de polder te geven. Enige tekenen wijzen erop, dat de ingelanden geprobeerd hebben, zich geheel of in bepaalde opzichten aan de jurisdictie van Vossemeer te onttrekken, doch deze poging werd door de heren in de kiem gesmoord. In hun vergadering van 1516 droegen zij de baljuw op, de ingelanden van Nieuw Kijkuit te dwingen rekening te doen van de herdijking; de bewering dat de polder sinds zijn overstroming in 1512 niets had opgeleverd, accepteerden de heren pas na een eed. Een commissie uit de herenvergadering werd aangewezen om de rekening af te horen.
De herdijking van 1512 tot 1518 en de latere lotgevallen van de polder hangen ten nauwste samen met de bedijkingsplannen van de heren van Vossemeer op het gebied van Nieuw Vossemeer. Omdat de heerlijkheid ter plaatse in een gorzengebied raakte aan de heerlijkheid van Steenbergen, konden de heren van Vossemeer hun projecten niet zelfstandig ten uitvoer brengen, doch moesten zij overeenstemming zien te bereiken met de graaf van Nassau. Aan hem, of liever aan zijn raad hebben zij geen gemakkelijke partij gehad. Na eindeloze onderhandelingen is het de heren gelukt, een dijkage te doen slagen; meermalen zelfs werd een bereikt accoord doorkruist door het zoeken van nieuwe moeilijkheden. Voor de herdijking van Nieuw Kijkuit is in 1513 een paalscheiding verricht. 17
In 1583 werden de dijken van Mattemburg doorgestoken en ging vrijwel het gehele gebied van Nieuw Vossemeer verloren. De polder Nieuw Kijkuit wordt dan een lange reeks van jaren pro memorie in de rekeningen vermeld; telkens wordt gezegd, dat hij “nog drijvend” is. Vanzelfsprekend verviel ook de uitkering aan het kapittel van Bergen op Zoom, een detail dat de rentmeesters niet nagelaten hebben er elk jaar bij te schrijven. In 1688 is een klein deel van Nieuw Kijkuit met de polder van Glymes samen opnieuw bedijkt. 18 Dit staat voor het eerst vermeld in de rekening van het jaar 1691/92, doch die van het jaar tevoren is verloren gegaan; uit andere bronnen is bekend, dat Oud Glymes inderdaad in 1688 herdijkt werd. De rente aan het kapittel van Bergen op Zoom behoefde nog niet betaald te worden, omdat de herdijking als nieuwland werd beschouwd, dat de eerste zeven jaren vrij van lasten was.
Het overgrote deel van de polder is nog een tijd blijven liggen en werd in het jaar 1697 opgenomen in de nieuwe Eendrachtspolder. Van lieverlede verdwijnt dan de naam van Nieuw Kijkuit uit de stukken.

50. VOORDAGE OF SCHUDDEBEURS, ná 1497, herdijking 1516
Op 20 juli 1516 gaven de heren van Vossemeer een polder ter bedijking uit, gelegen tussen de polder Kijkuit aan Brabant, zich uitstrekkend van de noordhoek van die polder langs de zuidzijde van de kreek, genaamd Both in de Boesem, tot aan St. Ontkommerspolder van Steenbergen. 1 Dit gors was voorheen onder de naam van Voordage ingedijkt geweest. Aan de uitgifte werden deze voorwaarden verbonden: dit land zal altijd onder het gerecht van Vossemeer blijven; de voorkomende zaken zullen aan de jurisdictie van de heren van Vossemeer zijn voorbehouden; wie er land koopt zal op een boete van 10 pond niet mogen voorgeven, dat ’t geen goed land is; het zal onder het dijkrecht vallen; de heren reserveren er voor zichzelf geen vroonlanden; wel behouden zij zich alle heerlijke rechten voor, zoals de dijken, de vogelarij, de maalderij, de tienden, d.w.z. het tiende lam, de elfde schoof en de elfde maat van de vruchten, die “mits der gracien Gods helpe wassen”; er zal geen daring gegraven mogen worden; de inwoners en ingelanden zullen vallen onder de bepalingen van de uitgiftebrief van 1410; het kapittel van Tholen zal uit deze polder het 100e gemet hebben, dat is 542 roeden. Nadere bepalingen zijn vastgesteld over detailpunten van de dijkage.
In de oudste rekening van 1491/92 wordt aan de Brabantse zijde alleen Kijkuit genoemd, dat omstreeks 1488 is ingedijkt; bij de verhuring van de dijken in 1497 is de nieuwe polder evenmin genoemd. Het land van Voordage moet derhalve ná 1497 zijn ingepolderd. Zeer goed mogelijk is, dat het aanvankelijk slechts een zomerkade had; rond 1502 immers zien wij in de omschrijving der tienden van Kijkuit enige veranderingen optreden, die misschien verband houden met min of meer belangrijke nieuwe kunstwerken.
Blijkens de bewaard gebleven rekening van de rentmeester Cornelis Cornelis Pieters is de inpoldering, in dit geval een herversing, begonnen op 12 april 1514.2 Met de graaf van Nassau was overeenstemming bereikt over de aansluiting van de dijk aan die van de St. Ontkommerspolder. De desbetreffende acte werd door de secretaris van Breda als notaris opgemaakt, die zelfs zo welwillend was enige te ver gaande eisen van de rentmeester van Nassau af te slaan; 3 het moet dan wel erg geweest zijn, als een functionaris van Breda dit meende te moeten doen.
Na de dijkdoorbraak worden de gevolgen van de ramp in ogenschouw genomen. Naar de gravure uit de collectie De Atlas an Stolk te Rotterdam.

Na de dijkdoorbraak worden de gevolgen van de ramp in ogenschouw genomen. Naar de gravure uit de collectie De Atlas an Stolk te Rotterdam.

Tijdens het werk stroomde de polder driemaal vol; de eerste keer op 1 october 1514; nogmaals op 1 januari 1515 en de derde maal enkele weken later. De dijkage was derhalve moeilijk en kostbaar! Wellicht is dit er de aanleiding toe geweest, de eerste naam van Voordage te laten vallen en de nieuwe naam van Schuddebeurs te kiezen. Meermalen immers hebben de heren en de toekomstige ingelanden de beurs moeten schudden! Na de voltooiing van de bedijking zijn de twee namen enige tijd naast elkaar in gebruik gebleven, totdat die van Voordage geheel verdween.
Het opwerpen van de dijk is in 32 stukken aanbesteed; in totaal kostte hij ruim 522 pond. In diverse posten der rekening komen aardige bijzonderheden voor. Een arbeider droeg de schepenen, die het werk kwamen visiteren, op zijn rug over de nog niet geheel droge kreken. Aan het H. Kruis in de kerk van Tholen werd een offerande gegeven, teneinde “gracie” te bekomen de bedijking tot een goed einde te brengen. Vanzelfsprekend hebben de rampen extra kosten meegebracht; vier dagen moest gewaakt worden, om te behouden wat klaar was. Tijdens het werk en de inbreuken van het water veroorzaakten de ingelanden van Nieuw Kijkuit bovendien nog moeilijkheden. Tot in de week van 1 december 1515 is gewerkt. Een herbergierster, ongetwijfeld potig, en daarom vrouw Durf genoemd, kreeg 37 maaltijden betaald bij de verkaveling van de polder. In de dijk van Kijkuit was een sluis gelegd, die al tijdens de uitvoering van de dijkage vernieuwd moest worden. De gehele uitgaaf bedroeg ruim 1584 pond. De rekening werd op 27 juni afgehoord door de heren van Vossemeer en de ingelanden. Op die dag was de polder al in gebruik. Eerder trouwens was al een dijkbestuur aangesteld. In de rekening van 1516/17 worden voor het eerst de tienden verantwoord van de polder Voordage. 4 Daarna komen de tienden en de verpachting van de dijk regelmatig in de rekeningen voor, met dien verstande dat na korte tijd de naam van Schuddebeurs overheerst.
In hun vergadering van 1516 besloten de heren, dat de rentmeester de polder zou besturen. 5 Met het kapittel van Tholen sloten de heren op 3 october een overeenkomst 6 inzake 542 roeden, die het kapittel gekregen had. Pas het volgend jaar werd de oorkonde van uitgifte opgemaakt; de heren besloten daar alsnog toe, ofschoon de polder al uitgegeven en in cultuur was. 7 Van de “principael” brief, in dit geval een duidelijk post-factum, werden twee eensluidenden gemaakt: een voor de ingelanden en een voor het archief van de heerlijkheid. Ook ditmaal hebben de heren van Vossemeer, met behoud van hun heerlijke rechten, de polder geheel aan de ingelanden overgedragen.
Weer een jaar later werd een (definitief) dijkbestuur benoemd en geïnstalleerd; 8 toen werd tevens het overschot van Voordage verkaveld. De ingelanden moesten hiervoor toestemming geven. Een commissie uit de heren bracht deze verdeling tot stand in samenwerking met de landmeesters. Aan de rentmeester zijn 6 gemeten land toegewezen. De kapittelheren van Tholen noemen de nieuwe polder “Scudborse” in hun kwitantie over het jaar 1517; 9 het jaar daarna vallen zij terug op “ ’t Land Voer Daghe”. 10
In de vergadering van 1521 beslisten de heren, dat die van Voordage moesten contribueren in de kosten van de sluis en de heul van Nieuw Kijkuit, want via deze polder had Voordage zijn uitwatering. 11 De dijkgraaf zou het toezicht hebben op de nieuwe polder en er zijn functie uitoefenen als in de andere polders.
In 1529 omvat de polder 240 gemeten. In 1535 blijkt er een naverkaveling of een hermeting te hebben plaatsgevonden. 13 Het kapittel van Tholen ontving toen een nabetaling voor het land, dat de rentmeester eertijds ontvangen had. Vermoedelijk houdt dit in, dat de oppervlakte bij een gedane hermeting groter is geweest dan voorheen was opgegeven. Zeer goed mogelijk is ook, dat de polder na het herstel van de schade, veroorzaakt door de overstromingen van 1530 en 1532 , in zijn oppervlakte veranderd is, zodat een naverkaveling nodig was.
Het was in de gedachtengang van de heren van Vossemeer geheel normaal, dat zij de nieuwe polder tot hun heerlijkheid rekenden en hem onder het recht van Vossemeer stelden. Toch is nadien nog meerdere malen kwestie geweest over de jurisdictie van het zogenaamde Brabantse deel van de heerlijkheid. In 1571 beslisten de Staten van Zeeland, dat Schuddebeurs in de schoten en beden van Zeeland delen moest zoals alle andere landen in Zeeland. 14 In feite was dit een administratieve maatregel, die nog niet aan de kern van de principiële kwestie raakte. Dit standpunt heeft de provincie volgehouden tot omstreeks 1809, toen Nieuw Vossemeer met de eronder ressorterende polder definitief bij de provincie Noord Brabant zijn gevoegd.
In het jaar 1583 ging de polder verloren tengevolge van het doorsteken van de dijken van Mattemburg. Voor de heren van Vossemeer betekende dit een groot verlies, daar vrijwel het gehele gebied van Nieuw Vossemeer voor een lange tijd onrendabel werd. In 1607 is een klein deel van Schuddebeurs ingedijkt; doch de heren hadden er nog geen inkomsten uit. In 1609 is Schuddebeurs geheel hersteld; de heren van Vossemeer stonden gedurende 8 jaren de helft van de tienden aan de ingelanden af, teneinde in de kosten van de herbedijking tegemoet te komen.
Andermaal overstroomde de polder in 1682, toen ook andere polders van Nieuw Vossemeer verloren gingen. Door een geheel nieuwe opzet van herdijking ontstond in 1679 de Eendrachtspolder, waarin een klein deel van de Schuddebeurs is opgenomen. Wat overbleef, is nog lang als de polder van Schuddebeurs beschouwd; als zodanig komt de polder tot in het begin van de vorige eeuw in de rekeningen voor. Daarna is men de Schuddebeurs gaan beschouwen als een deel van de polders van Nieuw Vossemeer.

51. MATTENBURG, 1527
In een oorkonde van Cornelis, pastoor van Tholen, uit het jaar 1368 is voor de eerste maal van Mattemburg sprake. 1 De plaats wordt er genoemd als punt in de grensregeling tussen Zeeland en het gemeenschappelijk land van Breda en van Bergen op Zoom: “van den nortende van der ouder Coeveringhe op den nortwest hoec van Mattenborch, dat Goutnaghels vere hiet”. Uit de oorkonde blijkt niets over de gesteldheid ervan; toch moet aangenomen worden, dat Mattemburg reeds sterk verland was, indien het als een vast punt in de beschrijving genoemd kan worden. Rond deze tijd was het een gors, waarschijnlijk zelfs nog niet voorzien van een zomerkade.
De betekenis van de naam is niet duidelijk. In de streek is een familie Van Mattemburg bekend. Omdat het gors vermoedelijk nog niet bebouwd of bewoond was, toen deze familie al onder de naam voorkomt, mag misschien aangenomen worden, dat het gors zijn naam heeft afgeleid van een lid dier familie, die er gronden bezat. Het is moeilijk te verdedigen, dat de familie haar naam gekregen zou hebben van dit gors, al staat er dan “Van” bij.
Een volgende maal wordt het gors genoemd in de oorkonde, die naar aanleiding van de geschillen over de tweede uitgifte van Vossemeer is opgemaakt. 2 Op 8 mei 1415 werd de grens bepaald tussen Holland en het land van Bergen op Zoom. Mattemburg en de moerdijk, die er voorheen lag maar nu doorgestoken was, werd toegewezen aan de heren van Breda en Bergen op Zoom. Daaraan werd de voorwaarde verbonden, dat bij de dijkage en de verkoop van Zilverhoek (onder Steenbergen!) de lieden van Steenbergen, die de bewuste moerdijk hadden gelegd, hieruit een schadeloosstelling zouden krijgen. De mannen die op last van de graaf van Holland de dijk doorgestoken hadden, zaten in Tholen gevangen; in het accoord werd hun vrijstelling niet vergeten.
Daarna verdwijnt Mattemburg een eeuw in de duisternis. In de domeinrekening van 1513/14 komt het gors voor het eerst onder de bezittingen van de heren voor, met de aantekening, dat dit land door de graaf van Nassau (inmiddels was sinds 1458 het oude land van Breda verdeeld) aan de heren van Vossemeer was afgestaan in ruil voor het gors van de Heije, dat aan Nassau kwam.
Dit laatste gors heeft de graaf van Nassau in het jaar 1515 laten bedijken. Aanvankelijk heette het Heije; toen in 1565 de Nieuwe Heije was ontstaan, werd de eerste polder Oude Heije genoemd. Bij de ruil van enige gorzen zat bij de graaf van Nassau kennelijk de bedoeling voor, aan zijn land van Steenbergen een betere afronding te geven, die tevens belangrijk was voor een effectieve aanpak van de komende dijkages. In 1514 besloten de heren van Vossemeer, dat de graaf van Nassau grond mocht halen uit het land tegen de dijk van de St. Ontkommerspolder; tevens mocht de nieuwe polder over het land van de heren uitwateren. De heren zouden zelfs in de bedijkingskosten bijdragen, voornamelijk in het sluiten van de dijk. De “Middeldijk” zou in stand blijven. Daartegenover gedoogde de graaf van Nassau, dat de heren van Vossemeer hun dijk van Voordage of Schuddebeurs aan die van St. Ontkommerspolder aansloten. 3 Enkele jaren nadien ontstond er echter kwestie over de middeldijk. In 1515 werden deskundigen benoemd, om het geschil met Nassau te regelen; daar die in 1517 overleden waren, moesten nieuwe worden aangesteld. 4 Blijkens de resolutie van 1516 lag die Middeldijk tussen de Heije, het land van Vossemeer en het gors van Mattemburg; hij werd door de heren van Vossemeer verpacht. 5 Desondanks zijn de heren en de graaf van Nassau ten aanzien van de principiële zaak, de bedijking van de Heije, tot een accoord gekomen.
Hieraan was reeds een ander accoord voorafgegaan, dat in 1510 gesloten was. 6 Dit was bereikt na moeizame onderhandelingen sinds 1508 met de graaf van Nassau. De commissie uit de heren, die de opdracht ontvangen had de paalscheiding voor te bereiden, was er al bij voorbaat van overtuigd, dat dit een moeilijk karwei zou worden. Zij liet ter ere van St. Ontkommer (patrones van de hopeloze zaken!) een mis lezen. 7 Ditmaal riepen de heren de hulp van boven in. Vroeger, in 1492, hadden zij al eens een premie van 200 rijksdaalders uitgeloofd voor hem, die de kwestie der paalscheiding met Nassau tot een goed einde zou weten te brengen, 8 doch dit geld was in de kas gebleven.
Kort daarop in 1510 hadden de heren van Vossemeer het plan voor een bedijking klaar. Vermoedelijk is dit sterk bevorderd door het feit, dat in de watersnood van 1510 veel polders van Vossemeer verloren zijn gegaan; 9 misschien is de voortvarendheid van de heren in dit geval meer een zaak van consolidatie en beveiliging dan van landaanwinst geweest. Een bode werd uitgezonden om de landmeter Danckert Pieterszoon te halen, die tegen zijn belofte in niet verschenen was; hij vond hem pas in Vlaanderen! Een eerste zitdag voor de uitgifte van het gors was al in 1509 gehouden. In 1510 werden in geheel Zeeland biljetten van de voorgenomen dijkage aangeplakt. Jacob de Glasmaker van Reimerswaal had aangenomen de kaart van de dijkage te maken; hij verzuimde echter zo hardnekkig, dat de heren van Vossemeer beslag op zijn goederen lieten leggen. 10 Het zat de heren niet mee; van alle kanten daagden moeilijkheden op. Toch moet er iets anders dan deze betrekkelijk ondergeschikte bijkomstigheden achter hebben gezeten, dat de dijkage niet is doorgegaan.
Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968 .

In 1514 hielden de heren van Vossemeer een nieuwe zitdag voor de uitgifte van Mattemburg en andere gorzen. Ook ditmaal waren de voorbereidingen al zo ver gevorderd, dat een bode was uitgezonden, om overal de biljetten van de verkoop aan te plakken. 11 Weer is de bedijking niet doorgegaan. Het waarom wordt uit het archief niet geheel en al duidelijk, temeer daar het de graaf van Nassau gelukte, de inpoldering van de Oude Heije wel te verwezenlijken. Misschien is het te wijten geweest aan nieuwe moeilijkheden met de raad en de rekenkamer van Nassau. De graaf zelf kan men niet altijd aansprakelijk stellen. In de verhouding tussen Nassau en Vossemeer blijkt immers meermalen, dat de raad een eigen beleid voerde. Toch is de mogelijkheid zeer groot, dat ditmaal andere omstandigheden tot een uitstel van de dijkage hebben geleid. In 1516 schold de rentmeester de pachter van de lammertiende van Mattemburg twee jaren pacht kwijt. 12 Dit toont aan, dat het gors die twee jaren niet voor beweiding was gebruikt. Misschien heeft er toch een dijkage plaats gevonden, die kort nadien verloren is gegaan.
In hun vergadering van 1525 besloten de heren, 13 dat een commissie “hoe eer en hoe liever” het gors van Mattemburg zou visiteren. Zij moest meteen deskundigen meenemen, een plan van bedijking opstellen en advies uitbrengen. Dit schijnt op korte termijn gebeurd te zijn. Een kwalijke zaak was, dat de rentmeester van de graaf van Nassau in Steenbergen zich had laten ontvallen, dat de heren van Vossemeer wel aan de dijk van de Heije zouden willen aansluiten, doch dat dit hun wel langs de neus zou gaan, “of diergelijke woorden”. Hierover waren de heren zeer verbolgen, doch zij bedwongen hun wrevel teneinde de onderhandelingen niet te doen mislukken. Wel werd een commissie naar Breda gezonden, die de raad en rekenkamer aldaar moest polsen, of en in hoeverre deze zich aan de reeds gemaakte afspraken wenste te houden. 14 De domeinraad van Nassau bleek wel tot onderhandelen bereid, zodat in de loop van 1526 het gors gevisiteerd werd en besloten kon worden tot het rondbrengen van biljetten.
Het formele besluit tot de dijkage is in de vergadering van 1526 genomen. De heren droegen aan een commissie op, met de graaf van Nassau over de bedijking te confereren; tevens zou zij het gors nogmaals visiteren om te zien of het “profijtelijk” kon worden bedijkt. Als het advies gunstig uitviel, zouden de heren persoonlijk geld beschikbaar stellen; deze dijkage is niet uit de kas van de ambachtsheerlijkheid gefinancierd. Met de graaf van Nassau moest gesproken worden over het aansluiten aan de Oude Heije. Tevens zou de paalscheiding geregeld worden. 15 Op 22 augustus 1526 is hieromtrent tussen de beide partijen een accoord bereikt. 16 De graaf van Nassau gaf aan de heren van Vossemeer verlof hun gors Mattemburg en een ander gors, de Plaat genoemd, te bedijken. De dijk zou deels komen te liggen op grond van de Oude Heije en zover naar het noorden gelegd worden, als door de commissarissen was aangegeven, die de palen hadden gesteld. Nog andere details werden geregeld, o.a. dat vanuit de Oude Heije en St. Ontkommerspolder twee toegangen gemaakt mochten worden.
Daar het seizoen na augustus niet gunstig meer was, is de inpoldering in 1527 begonnen en in dat of het volgende jaar voltooid. 17 Mattemburg werd niet meer als gors verpacht, staat in de rekening. Een huurder van een ander gors kreeg over 1527 aftrek van de pachtsom, omdat op zijn stuk veel zoden gestoken waren voor de dijkage. Een groot deel van de Eijerhil was in de bedijking opgenomen. Een paar niet geheel duidelijke posten uit de rekening tonen aan, dat de heren deze gronden pas later bij de inpoldering betrokken hebben. 18 Hierdoor werd de oude kreek van Both in den Boesem geheel of gedeeltelijk gedicht; de oplevering van de dijk om de Eijershil geschiedde in het voorjaar van 1529. 19
Terstond na de inpoldering ontstond een geschil met de domeinraad van Nassau. Deze beweerde, dat de heren van Vossemeer te weinig in het voordeel van de graaf bedijkt hadden. De dijk lag niet, waar het afgesproken was; hij moest meer naar buiten liggen. In antwoord hierop boden de heren aan voor al het gors, dat buitengedijkt was, aan de graaf van Nassau een som van 20 rijnsgulden per gemet te betalen, waarschijnlijk met de bedoeling hiermede de eigendom van dat stuk grond te verkrijgen. Uit de vergadering werd een commissie benoemd. Zo dit voorstel de graaf van Nassau al bereikt heeft, dan is het niet aangenomen.
Inmiddels maakten de heren van Vossemeer een begin met het beheer van de nieuwe polder. Voor de verpachting van de korentienden werd het nieuwe land in twee delen onderscheiden; de oostzijde en de westzijde. 20 In 1529 blijkt de polder een oppervlakte te hebben van 500 gemeten. 21 Op 25 juli 1529 werd het land hermeten en herkaveld, waarvoor alle geërfden gewaarschuwd moesten worden. 22 Het is een teken, dat de dijkage definitief voltooid was.
Mattemburg ging in de St. Leonardsvloed van 1530 verloren. De ramp schijnt zó aangekomen te zijn, dat het herstel van de polder als een nieuwe dijkage werd opgevat. Dit standpunt nam de domeinraad van Nassau tenminste in, en de heren van Vossemeer hebben zich daarbij moeten neerleggen. Op 28 februari 1530 begaf de rentmeester zich naar de prins van Oranje te Brussel. Met hem moest overleg gepleegd worden, daar de dijk ongelukkigerwijs op diens grond was doorgebroken. De prins eiste een excessieve betaling voor het wederdichten. Bij een tweede conferentie werd toch een accoord bereikt. 23 Op 6 maart 1531 gaf de prins opnieuw toestemming tot de inpoldering. 24 Het was een goede gelegenheid, om enige zaken recht te zetten, die in 1527, althans volgens de Nassau Domeinraad, niet juist waren gedaan. De heren van Vossemeer stonden met de rug tegen de muur; vanzelfsprekend wilden zij de jonge polder, die nog niet veel had opgebracht, herstellen; daarom hebben zij enige zware voorwaarden moeten accepteren. Aanvankelijk was de prins van Oranje helemaal niet genegen geweest het contract van 1526 te handhaven; het was indertijd buiten hem om door zijn raad opgesteld. Bij nader inzien wilde hij de heren van Vossemeer toch niet dwarsbomen in hun voornemen tot herversing van de polder. Zij mochten hun dijk weer aan de Oude Heije aansluiten. Voor de onderdelen van het vorige contract, die de heren niet naar genoegen onderhouden hadden, eiste de prins van Oranje, meer bij wijze van boete dan als schadeloosstelling, een som van 400 rijnsgulden. Het land van Nassau, dat in de dijkages begrepen was, zou voor altijd vrij zijn van alle polderlasten. Dit stuk, niet meer dan twee percelen omvattend, is bekend als het Nassauveldeke. Op deze voorwaarden is de polder van Mattemburg hersteld; in juni 1530 is de dijk aanbesteed. 25
Diverse kleinere zaken moesten nog geregeld worden. De juiste paalscheiding werd pas in 1531 tot stand gebracht. Op 1 september hadden de heren van Vossemeer een afspraak met Mr. Raes van Liedekerke, rentmeester in Steenbergen van de prins van Oranje, die niet verscheen. Op 16 september volgde een nieuwe bespreking. De heren van Vossemeer maakten er “goede sier” met de rentmeester en het stadsbestuur. Zij waren zo verstandig, maar de helft van de “goede sier” te betalen, doch bereikten geen accoord. Nadat de heren de rentmeester een fluwelen wambuis geschonken hadden “ten eijnde dat hij hem gevoeglijk wilde hebben in ’t stellen van de palen”, was hij bereid aan de definitieve paalscheiding mee te werken. 26
In 1532 besloten de heren een molen op Mattemburg te bouwen, 27 waarvoor de werf al klaar was. Een andere molen bezaten zij in Oud Vossemeer. Daar de heren de banmolen hadden, was het verstandig ook aan de overkant van het water een molen op te richten. In hetzelfde jaar werd var de dijk van Mattemburg naar het gors van Coppen Leijs (de juiste plaats is niet bekend) een dam gelegd. Na de voltooiing van één dijkage werd terstond naar het rijpmaken van volgend land uitgezien.
De watervloeden van 1550 en 1552 doorstond de polder goed. Bij de laatste was het méér geluk dan sterkte. Toen was een partij hooi tegen de dijk gedreven, die anders zeker bezweken zou zijn.
In 1583 zijn de dijken van Mattemburg door Willem de Rovere doorgestoken, tengevolge waarvan vrijwel het gehele gebied van Nieuw Vossemeer voor lange tijd verloren ging. In 1697 kwam de nieuwe Eendrachtspolder gereed; in 1609 werd de Nieuw Vossemeerse Polder hersteld. Een klein deel van Mattemburg is in de Eendrachtspolder opgenomen; het grootste deel blijft als binnenpolder regelmatig in de rekeningen voorkomen.


52. POLDER VAN NIEUW VOSSEMEER, 1566, 1609
Nadat aan de overzijde van het water enige kleinere polders waren gewonnen, bleef tussen de Eendracht en het land van Steenbergen een uitgestrekt gorzengebied over, dat in het begin van de 16e eeuw rijp scheen voor bedijking. Een deel ervan was bekend als de Plaat of de Hoogplaat; als de polder bedijkt wordt, spreken de bronnen nog van de dijkage van de Hoogplaat. Volgens een resolutie van 1495 werd dit gebied al door turfstekers gebruikt, die er moerdijken hadden. Reeds in het jaar 1508 hadden de heren van Vossemeer het vaste voornemen, een deel van deze gorzen te bedijken. Daar dit in nauwe samenwerking met de graaf van Nassau (later de prins van Oranje) moest gebeuren, wiens raad niet gemakkelijk bij het onderhandelen en geenszins vlot in het bepalen van de juiste grensscheiding was, is van het eerste plan niets gekomen.
Op 26 juni 1544 visiteerde een commissie de gorzen tussen Mattemburg en de Heen. 1 Uit haar verslag blijkt, dat er al verschillende dammen lagen, dienend om de aanslibbing van het terrein te bevorderen. Tevens gaf zij richtlijnen en een advies voor een eventuele bedijking. In de jaren daarna vermelden de rekeningen meermalen het leggen en het onderhouden van dammen in Nieuw Vossemeer. 2
In 1550 sloten de heren van Vossemeer een overeenkomst met de prins van Oranje over de inpoldering van de gorzen. 3 De plannen zijn niet tot uitvoering gekomen. In het jaar 1553 visiteerde een commissie van beide partijen de sliklanden. 4 Voor de prins van Oranje was o.a. Andries Vierling aanwezig, rentmeester van Steenbergen en bekend expert in waterstaatszaken en bedijkingen. Hij had veel bezwaren tegen het bedijkingsplan, dat door de heren van Vossemeer en hun deskundigen was ontworpen. Enige delen van de ontworpen dijkage achtte hij niet geschikt, en op meerdere plaatsen kon volgens hem geen dijk gelegd worden, ofwel omdat de ondergrond niet deugde, ofwel omdat er geen dijkaarde aanwezig was en deze per schip zou moeten worden aangevoerd. De heren van Vossemeer wilden zoveel mogelijk land binnen de nieuwe dijk brengen. Er werd langdurig overleg gepleegd en meermalen is “oculaire inspectie” gehouden. Ondertussen gingen de heren voort met het leggen van strekdammen en “kleine dammekens”, om diverse eilandjes aaneen te koppelen. 5
Toch werd tussen Oranje en Vossemeer op 16 juni 1554 een principeaccoord bereikt. In het westen van de heerlijkheid van Steenbergen had de prins van Oranje een gors, grenzend aan de Oude Heije, de St. Ontkommerspolder en de Graaf Hendrikpolder (later wordt dit de Nieuwe Heije). Dit gors wilde hij samen met de heren van Vossemeer bedijken. Een gemeenschappelijke zeedijk was ontworpen van de hoek van Nieuw Kijkuit, noordwaarts over het gors van de Plaat tot naast het water van Beukelenberg, en in het oosten aansluitend op de dijk van de Graaf Hendrikpolder waar deze samenkwam met die van de Oude Heije. 6 Van beide gorzen zou één polder gemaakt worden; straks zouden beide partijen samen het polderbestuur aanstellen. Al heeft het nog even geduurd; toch is deze opzet later tot uitvoering gekomen. Tussen de polder van Nieuw Vossemeer en de Nieuwe Heije vindt men geen dijk, doch slechts een lage rijweg. Er is wel eens verondersteld, dat een vroegere dijk geslecht zou zijn, doch dit is niet juist, omdat op de scheiding van de twee grondgebieden nimmer een dijk gelegen heeft.
Ofschoon in technisch en bestuurlijk opzicht alles geregeld was, is de dijkage nog niet doorgegaan. Waarschijnlijk is dit hieraan te wijten, dat de bedijking van de Hoogplaat een onderdeel was van een ander en grootser plan van de heren van Vossemeer. In dezelfde tijd immers en waarschijnlijk in nauw verband met hun plannen met Nieuw Vossemeer, hadden zij een begin gemaakt met de afdamming van de Eendracht. In het zuiden en het noorden van hun heerlijkheid wilden zij de rivier afsluiten (zie het hoofdstuk: Een voortijdig Deltaplan). Toen dit van hogerhand verboden werd, hebben de heren van Vossemeer zich moeten beraden op andere plannen. De inpoldering van Nieuw Vossemeer werd weer voor jaren uitgesteld.
In 1559 maakten enige deskundigen een nieuw plan voor de dijkage op. 7 Het waren Dirck Cornelis zoon, burgemeester van Gouda, Jan de Meyer, dijkgraaf van Callo, Willem Pieters, schout van Beijerland, Jan Thonis van Middelburg, een dijker, en Cornelis Janss Crijger, schout van Polder (een nu verdwenen dorp, in het grondgebied van Halsteren gelegen). Pas in augustus 1563 volgde een nieuwe visitatie van het gors. 8 De grenspalen werden geïnspecteerd en het deel van het land onder Steenbergen werd gemeten. Het ging erom, definitief de scheiding vast te leggen tussen de grondgebieden van beide partijen. 9 Een nieuwe commissie, bestaande uit Cornelis Erckendet Lievens zoon, opperdijkgraaf van Schouwen, Cornelis Bouwens vanwege de markies van Bergen op Zoom, Jan Janss van Couwerffve en Mr. Jacob van Gelre, maakte een nieuw bestek op. Zij had nogal bedenkingen tegen het ontwerp van 1559; enige plaatsen, waar de dijk ontworpen was, werden afgekeurd De commissie vond het geen bezwaar bepaalde stukken buiten de dijkage te laten vallen, daar deze later bedijkt konden worden. Waarschijnlijk moet hieruit begrepen worden, dat de heren van Vossemeer aanvankelijk van plan zijn geweest het gehele gebied tussen de Eendracht en het land van Steenbergen te bedijken, doch dat voor en na de gronden van het latere Boerengors en de Herenpolder uitgesloten zijn.
Op 12 februari 1565 gaf Willem I, prins van Oranje, zijn deel in de ontworpen polder uit. 10 Het bedroeg 400 gemeten. Overeenkomstig een accoord, op 2 augustus 1563 met de heren van Vossemeer gesloten, 11 droeg de prins van Oranje de kopers van het land op, het gebied samen met de heren van Vossemeer te bedijken. Van de brief werden twee eensluidenden gemaakt: een zou bewaard blijven in de kom (archief) van Steenbergen, de andere in het archief van de heren van Vossemeer. Op 19 en 20 juni 1565 sloten de kopers een overeenkomst met de heren: onder andere werd bepaald, dat in de zomer van 1566 met de inpoldering begonnen zou worden. Tijdens de bedijking zouden 7 gezworenen worden aangesteld: 5 door de heren van Vossemeer, 2 door de kopers van het Heijse schor. Na een voorbereiding van bijna vijftig jaren mocht het er eindelijk van komen! De dijkage is inderdaad in 1566 begonnen en kort daarna voltooid.
De ingelanden van Mattemburg weigerden een bijdrage te geven. Ofschoon hun polder door de nieuwe dijkage een grote bescherming kreeg, wensten zij niet te betalen; zij dreigden zelfs met een proces. Het werpt een eigenaardig licht op de verhoudingen tussen de heren van Vossemeer en de ingelanden van hun onderhorige polders, dat de heren hen niet konden dwingen, doch de tussenkomst van de keizer moesten inroepen. Diens raad was van oordeel, dat de ingelanden op grond van het dijkrecht een redelijke bijdrage niet konden weigeren. 12 Van harte schijnen de ingelanden zich niet onderworpen te hebben, want de heren van Vossemeer moesten in hun vergaderingen nog enkele malen op de dijkvelling van Mattemburg terugkomen. 13
Al vlug plukten de heren vruchten van hun nieuwe polder. In 1567 werden voor de eerste maal de tienden verpacht, 14 die het volgend jaar ruim 32 pond opbrachten. 15 Daarnaast waren de dijkettingen verpacht, werden cijnsen en erfpachten uitgegeven en waren de landerijen verkocht en vercijnsd. De polder bracht zijn geld wel op. Uit de verpachting van de dijkettingen zien wij het beloop van de nieuwe dijk; van Kijkuit tot aan de kromming van de dijk; vandaar tot aan de sluis; vandaar tot de duikeldam tegenover de weg ten noorden van Both in de Boesem; vandaar tot op de grens van het goed van de heer van Treslong; vandaar tot het midden van de Wellekreek; vandaar tot op de hoek van de Hoogkade; vandaar tot de scheiding tussen de goederen van Oranje en Vossemeer; vandaar tot de weg; vandaar tot de grens van het goed van Mr. Gerard Adriaens; vandaar tot de grens van Vossemeer en het Heijse schor. In de grote lijn is dit het beloop, dat de dijk nog heeft. Uiteraard moet men in 1567 het Boerengors, de Heen en de Herenpolder wegdenken, terwijl de situatie ten opzichte van de Eendrachtspolder ook anders was. Op detailpunten blijven er nog enige vragen onbeantwoord, daar het niet zeker is, dat bij het herstel van de dijken na de rampen van 1583 en 1682 de dijk overal op zijn oude stoel is gehandhaafd. Er zijn zelfs aanwijzingen, dat dit niet het geval is geweest.
Van het begin af had het in de bedoeling van de heren gelegen, in de nieuwe polder een dorp te stichten. In Nieuw Kijkuit, Mattemburg en Schuddebeurs stonden wat boerderijen. Doch nu een groot nieuwland ontstond, was het alleszins redelijk er een bewoningscentrum te vestigen. Er was een plan gemaakt, 16 dat voorzag in de uitgifte van een aantal hofsteden, d.w.z. erven voor de bouw van de huizen. Op deze erven werd een onaflosbare grondcijns van 1/2 stuiver per roede gevestigd, onafhankelijk van de te bepalen koopsom. Binnen twee jaren na de uitgifte moest het erf betimmerd zijn; de huizen zouden stenen gevels hebben. Voor de bebouwing van de “achterstraten” was een langere termijn vastgesteld. De woningen moesten minstens 2 1/2 voet boven het maaiveld staan. De kopers van de erven en de toekomstige bewoners waren onderworpen aan het recht van Vossemeer; vanzelfsprekend moesten zij delen in de lasten der heerlijkheid.
De eerste vier erven zijn aangekocht door Mr. Gerard Adriaenss, een heer van Vossemeer.
Het eerste ontwerp van de kavels van het dorp beviel de heren niet. De rentmeester en de baljuw ontwierpen een nieuw. Ook toen kwam een uitbreidingsplan slechts moeizaam tot stand. Met dit ontwerp trokken beide naar Bergen op Zoom, om het de markies ter goedkeuring voor te leggen. Om niet meer geheel te achterhalen redenen had deze een stevige vinger in de pap bij de stichting van het dorp. Uit diverse stukken blijkt, dat hij op dat tijdstip een zeker overwicht had op de andere heren. Bovendien had hij 204 pond voorgeschoten, waarmee de heren van Vossemeer het erf van het nieuwe dorp hadden aangekocht. Zij hadden besloten die som niet af te lossen, doch de rente te blijven betalen. 17 De markies was niet aanwezig. De heer van Merode en de dochter van de markies wisten met het plan geen weg. In overleg met Jasper van der Meijen, een lid van de raad van de markies, veranderde de rentmeester nog iets, waarna het ontwerp is goedgekeurd.
In de gehele situatie van het land van Vossemeer en vooral in de verhouding tussen de beide delen ervan kwam door de inpoldering en vooral door de stichting van Nieuw Vossemeer een ingrijpende verandering. Het voornaamste centrum, doel van verkeer van beide zijden, verplaatste zich van Nieuw Kijkuit naar het noorden. Voor het veer tussen Oud en Nieuw Vossemeer moest vanuit de Kerkpolder een nieuwe weg naar de nieuwe aanlegplaats worden aangelegd. 18
Door de inpoldering van Vogelenzang, die kort daarna is uitgevoerd, was de oude haven aan de kant van Oud Vossemeer afgesloten; er was een nieuwe nodig. 19 In Mattemburg is een nieuwe verbindingsweg gelegd. Bij Nieuw Vossemeer is een nieuwe haven gesticht. Van boven was zij vier roeden, in de bodem drie roeden breed; aan onbescheidenheid ging zij zich niet te buiten.
Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968 .

De omstandigheden en de gebeurtenissen zijn de ontwikkeling van Nieuw Vossemeer niet gunstig geweest. Aanvankelijk zag het er naar uit, dat het dorp in trek zou komen; de eerste 42 erven werden vlot uitgegeven. 20 Het jaar daarna bleek er voor de overschietende geen interesse meer te zijn, terwijl verschillende weer waren prijsgegeven. 21 Van de in 1568 uitgebroken Tachtigjarige Oorlog heeft Nieuw Vossemeer veel te lijden gehad; de plaats werd meermalen door soldatenvolk overspoeld. In 1578 blijkt het dorp voor het grootste deel verbrand en verlaten te zijn; 22 de meeste erven waren niet eens uitgegeven en bebouwd.

De polder en het dorp gingen in 1583 geheel verloren, toen de dijken van Mattemburg werden doorgestoken. Nu trokken de laatste bewoners weg; 23 jarenlang bleef de polder onder water, of zoals de rentmeester het telkens met verdriet schreef: “met de zee gemeen”.

In 1601, toen de oorlog wat statischer geworden was, wilden de ingelanden opnieuw bedijken. Daartoe vroegen zij aan de heren van Vossemeer een subsidie, bestaande uit de helft van de tienden voor een periode van 10 jaar. De heren stemden hiermede in, op voorwaarde dat de bedijking inderdaad zou plaats hebben. Als de prins van Oranje aan zijn ingelanden minder gaf, zouden de heren van Vossemeer ook hun bijdrage verlagen. 24 Het volgend jaar herhaalden de heren de toezegging der subsidie, doch zij eisten wel, dat de herversing vóór St. Jan 1603 moest zijn geschied. 25 In het jaar 1605 vroegen de ingelanden wederom de subsidie,
“Klein Venetië” te Oud Vossemeer, 1906. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

“Klein Venetië” te Oud Vossemeer, 1906 . Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

onder de verzekering, dat zij nu zeker binnen twee of drie jaren de herdijking zouden volbrengen. Zij mochten de polders niet overal op de oude dijkstoel herdijken; vermoedelijk waren enige plaatsen door het leger ingenomen en tot strategisch punt verklaard. Lang hebben er de forten Maurits en Oranje gelegen. Daarom vroegen de ingelanden aan de heren, enige stukken buitendijks te mogen laten liggen, en andere voorheen onbedijkte gorzen wel in de dijkage te betrekken. Een en ander werd door de heren goedgekeurd op voorwaarde, dat de bedijking op 1 october 1608 zou zijn voltooid. 27 Daar in deze zaak de ingelanden van de Nieuw Vossemeerse Polder, Mattemburg, Schuddebeurs en Nieuw Heije betrokken waren, is het niet geheel duidelijk, in welke punten bij de herdijking van de eerste aanleg is afgeweken. Misschien zijn er slechts kleine veranderingen gemaakt; het is echter ook mogelijk, dat de eerste aanleg ingrijpend veranderd is. Het jaar daarna kregen de ingelanden uitstel tot 1 october 1609. 28
In de zomer van het jaar 1609 is de herdijking aan de gang, zoals blijkt uit de herenvergadering; de rentmeester kreeg opdracht de dijkpenningen van het herenland te betalen. 29 Tevens moest aan de ingelanden duidelijk worden gemaakt, dat de heren voor zich in het gors, dat voor de bedijking geruild was tegen het achtergebleven stuk, een oppervlakte van 17 gemeten en 95 roeden wensten te reserveren, die zij indertijd voor de stichting van het nieuwe dorp gekocht hadden. De eigendom van de dijken bleef aan de heren, zelfs als de nieuwe dijk op particuliere grond kwam te liggen. De herdijking is in de loop van 1609 voltooid. 30
Uit dit besluit krijgt men wel de sterke indruk, dat de erven in het dorp in de ramp van 1583 of bij de herdijking (toen immers bepaalde delen wegvielen) verloren zijn gegaan, en dat Nieuw Vossemeer op een andere plaats dan het eerste dorp is gesticht. In 1609 of 1610 is de plaats van het nieuwe dorp in het Boerengors “afgekield”; met 90 paaltjes werden de erven aangeduid. 31 Over deze 17 gemeten betaalden de heren terstond dijkschot.
In 1610 is de polder van Nieuw Vossemeer weer in cultuur. Van de landen waren 22 kavels uitgegeven; sommige landerijen waren nog niet bezaaid. 32 Gedurende 70 jaren heeft de polder geen bijzondere wederwaardigheden meegemaakt. Door de dijkages van de Heen in 1610, het Boerengors in 1630 en de Herenpolder in 1633 werd zijn dijk voor het grootste deel beveiligd. In het zuidwesten, waar een deel ervan zeedijk gebleven was, bleek zijn kwetsbare plek te zijn. Hier is de dijk in 1682 doorgebroken.
Bij de stormvloed van 26 januari 1682 ging vrijwel geheel Nieuw Vossemeer verloren; van de Herenpolder zijn slechts enkele kavels onbruikbaar geweest.
Veel huizen waren vernield en veel mensen vertrokken. De inkomsten van de heren uit die polders zakten geweldig. 33 Het herstel is echter vlug aangepakt. Een gors tussen de Eendracht en het Gat van Zes Pond werd geheel afgegraven voor het herstel van de dijken van Nieuw Vossemeer en de Hikke. 34 Bij deze stormramp heeft de baljuw en dijkgraaf Dallens zich zo slecht gedragen, dat hij door de heren ontslagen werd. 35 Het herstel van de dijken is vlot gegaan, want in het volgend jaar zijn de tienden van geheel Vossemeer normaal geïnd, 36 wat een zeker teken is, dat de polder volop in cultuur was.

53. HONDERD GEMETEN IN DE HEENSE POLDER, 1610
Ten noorden van de Nieuw Vossemeerse Polder hadden de heren van Vossemeer een uitgestrekt gors liggen, dat zich blijkens de uitgiftebrief van het jaar 1415 uitstrekte tot aan de wateren van Maarlo, Greveningen en Strijen. Dit gors,van de aanvang van zijn verschijning af Heen genoemd, wordt in 1496 verpacht aan Claes en Willem Cornelissen uit Steenbergen. 1 De pachters waren verplicht er een werf (terp) te maken. Vóór half maart a.s. mochten zij er niet met hun vee (schapen) komen. Wel was het hun toegestaan er te “vogelen” (jacht maken op watervogels). Waarschijnlijk is dit de eerste verpachting van het gors geweest; in de rekening van 1491/92 wordt op geen enkele manier van de Heen melding gemaakt.
Ingevolge het accoord met de prins van Oranje over de bedijking van de Oude Heije ruilden de heren van Vossemeer het gors van de Heen tegen een ander gors, vóór de Heije gelegen en later in de Nieuw Vossemeerse Polder opgenomen. Toen deze bedijkt werd, kon als gevolg van de slechte toestand van het noordelijk deel, waar een brede kreek met slappe ondergrond lag, ongeveer evenwijdig met de dijk, de nieuwe dijk niet precies op de grens van de heerlijkheid van Vossemeer gelegd worden. Een gebied van omstreeks 100 gemeten viel buiten de dijkage. Bij de inpoldering van de Heen bleef dit het eigendom van de heren van Vossemeer.
In 1565 schreef de prins van Oranje, dat zijn raadsheer Marck van Steelant en Andries Vierling, rentmeester van Steenbergen, al meermalen hadden aangedrongen op de bedijking van de Heen. 2 Pas in 1609 gaf Philips Willem, prins van Oranje, de definitieve stoot tot de inpoldering. 3 Met dit plan gingen de heren van Vossemeer van harte accoord. 4 Een der heren, Jhr. Nicolaas van Boshuijsen, confereerde met de raad van de prins. 5 Oranje mocht de dijk aan die van Vossemeer aansluiten en overigens waar nodig over de grond van de heren gaan. Op 16 october 1609 is het accoord gesloten. 6 De twee partijen zouden op gemeenschappelijke kosten, volgens de oppervlakte te verdelen, het gors bedijken. Het deel van de dijk van de Nieuw Vossemeerse Polder, dat de nieuwe polder in het zuiden afsluit, zouden de heren van Vossemeer op de hoogte van de nieuwe dijk brengen. Die van Vossemeer behielden hun waterlozing door de Heen. Het bestuur van de polder zou samengesteld worden op dezelfde wijze als in het vroeger accoord van 1565
Res. 20 juni 1633 . Besluit tot de bedijking van een gors

Res. 20 juni 1633 . Besluit tot de bedijking van een gors; vaststelling van de naam HERENPOLDER; begin van het werk in maart 1634 ; aanstelling van een dijkbestuur; bij de kaveling dienen de heren aanwezig te zijn. Archief Ambachtsheerlijkheid.

inzake de Nieuwe Heije en Nieuw Vossemeer geregeld was. De prins van Oranje verplichtte zich te zorgen voor de vrijdommen van belastingen, die bij deze ontginningen gegeven werden. In de zomer van 1610 is het land bedijkt; de herkaveling vond plaats op 8 september van dat jaar. Bij het afhoren van de eerste rekening op 28 december 1610 te Breda bleek, dat de heren van Vossemeer 109 gemeten in de nieuwe polder hadden. Geheel nauwkeurig waren het er 109 1/2, zodat sommige stukken spreken van 110 gemeten in de Heen. Na de berekening van alle kosten der bedijking bedroeg het aandeel van Vossemeer ruim 654 pond. De gecommitteerden van de heren wezen er op, dat uit het gors van de heren veel grond voor de dijk was afgegraven. De bijdrage van Vossemeer werd daarom op 600 pond gesteld. Daar kwamen nog de kosten bij van het egaliseren van het land, het maken van bermsloten, scheidsloten tussen de percelen, ploegen en inzaaien, zodat alles bij elkaar ruim 800 pond betaald moest worden. Tegen het midden van het jaar 1611 hadden de heren al tweemaal hun gronden in de Heen te koop gesteld. 7
De dijkage was de heren wel wat tegengevallen. De prins van Oranje had zijn belofte niet gehouden, dat hij bij de hogere autoriteiten voor de vrijdommen zou zorgen. De heren van Vossemeer hadden erop gerekend, voor hun gronden de veel gunstiger voorzwaarden van Holland te krijgen, doch toen puntje bij paaltje kwam, wensten de Staten van Zeeland slechts die vrijdom toe te staan, die in Zeeland voor andere nieuwe landen gegeven werd. 8 Vandaar kwam misschien de haast om het land te verkopen.
Toen dit niet direct gelukte, moesten zij het zelf in beheer nemen. Zij besloten het te bezaaien, in de overtuiging, dat de verkoop dan gunstiger lag. 9 In dit seizoen oogstten zij 323 zakken “rondzaad” dat, naar Delft vervoerd, maar heel moeilijk af te zetten was, Daarna is gerst gezaaid. Jhr. Nicolaas van Boshuijsen, die zich persoonlijk bij deze bedijking veel moeite had gegeven, kreeg een gratificatie van 25 pond. 10 Misschien hebben de andere heren hem hiermee enigszins willen paaien; in elk geval kocht hij het volgend jaar de 109 gemeten aan tegen een som van 19 pond Vlaams per gemet, in drie termijnen te betalen. 11
Nadien hebben de heren van Vossemeer niet veel bemoeienis meer gehad met hun deel in de Heense polder. Daar zij er geen dijken of andere eigendommen hadden, genoten zij er enkel de tienden, die regelmatig binnen kwamen. Wel hebben zij er altijd scherp op toegezien, soms niet zonder felheid, dat de Honderd Gemeten in de Heen als een onderdeel van hun heerlijkheid werd erkend.

54. BOERENGORS, 1609, 1631
Samen met de bedijking van de Nieuw Vossemeerse Polder is in het jaar 1609 een stuk van het Boerengors ingedijkt, dat de heren van Vossemeer geruild hadden tegen een ander stuk, dat buitengedijkt werd. Waarschijnlijk lag het verlaten stuk tussen de Kreek van ’t Gat van Zes Pond, tegenover het Nieuwveer, en strekte het zich uit tot aan het fort “Van Groten Dorst”. 1 Dit gegeven wordt gesteund door een oude kaart, die in 1575 de polder van Nieuw Vossemeer in het westen aangeeft tot aan de rivier de Eendracht, even ver als de bedijking van Nieuw Kijkuit. De ruiling van terreinen tussen de heren en de ingelanden diende om de heren een vroonland te verschaffen, waarop zij in 1609 het nieuwe dorp konden stichten. Mogelijk is derhalve, dat het eerste dorp van Nieuw Vossemeer, dat in 1583 verdween, dichter bij de oever van de Eendracht heeft gelegen.
Terstond na de herdijking van Nieuw Vossemeer inden de heren in het Boerengors de tienden. Het land is toen in cultuur genomen. Onjuist is het vrijwel overal gegeven jaartal 1630 voor de bedijking; in 1630 besloten de heren van Vossemeer een winterdijk aan te leggen, doch het land was reeds lang beschermd en in gebruik. Dat blijkt bovendien afdoende door het feit, dat in het Boerengors het nieuwe dorp is gesticht. 2
In 1623 besluiten de heren van Vossemeer een onderzoek te laten instellen naar 400 gemeten gors, die langs het Boerengors lagen, om te zien of deze bedijkt konden worden. 3 In het jaar 1630 gaven de heren opdracht tot de bedijking. Om het Boerengors en de Hoge Plaat werd een winterdijk gelegd. Dit werk moest in 1631 voltooid zijn. Met de ingelanden der polders van Halsteren zou een accoord gemaakt worden, om dit gors met hun landen onder één winterdijk te brengen. Dit deel van het plan is niet doorgegaan, doch werd pas in 1697 gerealiseerd door de Eendrachtspolder. Een commissie van de heren vroeg octrooi “van deze zijde”(Zeeland) aan; de heer van Wissenkerke nam op zich te zorgen voor het octrooi “van de andere zijde” (Holland). De dijkage is inderdaad in het jaar 1631 tot stand gekomen.


55. HERENPOLDER, 1634
Gezicht op het landschap onder Oud Vossenveer. Foto: Ad Vermeeren 1968.

Gezicht op het landschap onder Oud Vossenveer. Foto: Ad Vermeeren 1968.

In de vergadering van 1633 besloten de heren van Vossemeer een nieuwe polder te stichten, een deel van de nog overgeschoten gorzen tussen de polders van Nieuw Vossemeer en de Eendracht. 1 Aan deze polder, zo besloten zij meteen, zou de naam van de Herenpolder gegeven worden. De bedijking moest in maart 1634 beginnen. Uit de rekeningen blijkt, dat zij in 1634 is voltooid. De heren reserveerden er voor zichzelf de tienden. 2 Om ingelande met stemrecht te zijn, was een grondbezit van 25 gemeten vereist. Voor het afhoren der polderrekening zouden de comparanten 1 stuiver per gemet hebben. Uit deze details blijkt, dat de heren van Vossemeer in de regeling van diverse zaken van bestuurlijke aard voor een nieuwe polder een uitgebreide zeggenschap hadden.
In 1715 is de polder overstroomd; enige jaren genoten de heren er geen tienden uit. 4 In juni 1718 kenden de heren een subsidie toe en verschillende andere faciliteiten aan de ingelanden voor het herstel van hun dijken, 5 o.a. de verpachting van de tienden en de dijken voor de tijd van 8 jaren. 6

56. EENDRACHTSPOLDER, 1698
In 1659 werd aan de Brabantse zijde een nieuwe dam gelegd tegenover het veer van Botshoofd. 1 Blijkens de uitgebreide posten, het accoord met de markiezin van Bergen op Zoom en de schijn, dat dit werk méér verband met een voorgenomen dijkage hield dan met het veer zelf, is waarschijnlijk, dat de heren van Vossemeer toen al een inpoldering van de langs de Eendracht gelegen schorren op het oog hadden. In 1665 gaven de heren bevel, een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een bedijking bij het veer van Nieuw Vossemeer; met andere eigenaars zou overleg gepleegd worden. 2
Het land met dijken doorsneden. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Het land met dijken doorsneden. Foto: Ad Vermeeren, 1968 .

De al langer bestaande plannen kwamen in een geheel ander licht te staan, toen de watervloed van 1682 een groot deel van het gebied van Nieuw Vossemeer overstroomde. Aan verschillende polders werd grote schade toegebracht; op verschillende gorzen zelfs had het zoute water zó lang gestaan, dat het gras vernield was. 3 Een nieuwe prikkel vormde de herdijking van Oud Glymes, die in het jaar 1688 werd volbracht. 4 Aan de heer van Coppedam werd opgedragen met de ingelanden van Glymes te onderhandelen over het veer aan het Botshoofd en andere rechten van de heren. In dezelfde vergadering is besloten bij de Staten van Zeeland octrooi aan te vragen voor de nieuwe bedijking. Het volgend jaar zijn twee heren aangewezen, om de dijkage voor te bereiden en het octrooi aan te vragen. 5
Op 20 december 1690 verleenden de Staten van Zeeland dit octrooi, aangevraagd door de heren van Vossemeer en de ingelanden van alle polders onder Nieuw Vossemeer. 6 De dijkage zou aansluiten aan die van Glymes. De Staten verleenden bepaalde belastingfaciliteiten, o.a. vrijdom van schot voor de tijd van 20 jaren na de bedijking en vrijdom van accijns op de bieren voor de dijkwerkers. Toch zou de dijkage nog jaren uitblijven.
Het is niet meer na te gaan, wat de oorzaak van het uitstel is geweest. Sommige resoluties laten doorschemeren, dat er ernstige geschillen waren met de militaire overheden. Aan de kant van Nieuw Vossemeer had het leger enige forten en schansen liggen. De twee heren, aan wie de vergadering opgedragen had de nieuwe dijkage voor te bereiden, legden in de jaren na 1690 verklaringen af over hun onderhandelingen over de schans tegenover het Nieuwe Veer, 7 terwijl in 1696 nog eens met klem op de bedijking werd aangedrongen.
Tijdens de vergadering van 1697 was de inpoldering in volle gang. 8 Er was van de oorspronkelijke opzet afgeweken. Op 9 april 1697 waren de twee commissarissen met de ingelanden overeengekomen, de nieuwe dijk niet rond te maken, zoals eerst was voorgenomen, doch die te laten lopen tot aan de dijk van de Herenpolder. Een groot stuk land méér werd zo gewonnen. Op 18 juni zouden in de “heren keet” bij de werken de landerijen verkocht worden van hen, die in gebreke gebleven waren hun schot te betalen. De rentmeester kreeg de opdracht de landen, die niet afgelost werden, voor rekening van de heren te kopen. Tevens werd voor de dijkage een geldlening van 2000 pond aangegaan.
Na de voltooiing van de dijkage ontstond er een geschil met de Staten van Zeeland over ruim 80 gemeten, die niet in overeenstemming met het octrooi onder de bedijking genomen waren. 9 Naar aanleiding hiervan werd besloten, dat na hermeting van de nieuwe polder een kaveling met de ingelanden zou geschieden.
Die 80 gemeten en de ruim 94 gemeten onbeheerd land zouden publiek verkocht worden. In 1698 was men bezig met het maken van scheisloten; toen waren de landen nog niet bezaaid. De heren deden pogingen om de landerijen te verkopen. 10 Hieruit blijkt, dat de dijkage in 1697 begonnen en in 1698 voltooid is.
In 1699 is de nieuwe poldervoor de eerste maal met koolzaad bezaaid. 11 Verder was hij nog niet in cultuur, zodat de heren er nog geen tienden of verpachtingen uit konden innen. Verschillende kavels, zowel in de uitbreiding van de polder als op andere plaatsen, waar onbeheerde landerijen lagen, werden in hetzelfde dienstjaar voor ruim 2313 pond verkocht. Het volgend jaar zijn de zaadtienden verpacht. 12 Toen begon een regelmatig beheer van het nieuwe land door de heren van Vossemeer. Aanvankelijk noemde men de polder Nieuw Kijkuit; 13 daaronder verstond men de voormalige polder zelf, Schuddebeurs, Mattemburg, beoosten en bewesten het Gat van Zes Pond; het stuk tot tegen de nieuwe weg (Zeeweg) en tot het Boerengors. Spoedig werd de naam van Eendrachtspolder ingevoerd. In 1701 stelden de heren een polderbestuur aan, waarvan zij tevens de wedden regelden. 14 Nadien zijn Mattemburg en Nieuw Kijkuit als afzonderlijke polders, althans bestuurlijk, verdwenen en spreekt men alleen nog van de Eendrachtspolder. In de rekeningen zijn de polders voor de tienden, dijken en verpachtingen nog altijd gescheiden gehouden.

57. BECIUSPOLDER, 1869
Om enige schorren vóór de Eendrachtspolder en de Herenpolder had de rentmeester een zomerkade laten leggen, teneinde de weilanden te laten beschermen en de gronden des te beter te kunnen verpachten. De opzichter van de Rijkswaterstaat achtte dit ongeoorloofd, omdat er geen vergunning voor was aangevraagd. 1 De vergadering van de heren stelde zich op het standpunt, dat het slechts een zomerkade was, waarvoor geen vergunning gevraagd behoefde te worden. In 1857 liet Rijkswaterstaat door de politie proces-verbaal opmaken; na overleg met het provinciaal bestuur van Noord-Brabant vroeg de rentmeester namens de heren van Vossemeer bij de minister vergunning aan. 2 Rond dezelfde tijd waren de heren met
Kruiwagen en schop van de eerste spade van de Beciuspolder.

Kruiwagen en schop van de eerste spade van de Beciuspolder.

het domein en met Rijkswaterstaat in ernstige moeilijkheden verwikkeld inzake de eigendom van de aanwassen, de tienden en dergelijke rechten meer, waarop het rijk aanspraken meende te kunnen maken. De schorren van de Beciuspolder waren nog geen onderwerp van dispuut geworden; hier was de eigendom van de heren niet betwist. Toch wilden zij geen verdere moeilijkheden hebben, zodat zij besloten de aanleg van een kade aan te vragen, al hadden zij nog geen plannen tot een bedijking.
Aan de opzichter van Rijkswaterstaat werd verzocht een ontwerp en begroting van kosten te maken. Het aanvankelijk plan was de schorren in te dijken in twee delen, die zich natuurlijkerwijs aftekenden; later is het schor binnen één dijk gekomen. Het eerste deel werd begroot op fl. 11.500,-, in zomerkade aan te leggen, en op fl. 23.000,- in winterdijk. Het andere schor kwam respectievelijk op fl. 16.700,- en fl. 29.400,-. De heren besloten het schor niet te vlug te laten bedijken, daar het nog te mager was en het nog wel zou aangroeien, vooral omdat in dat jaar door Van Haaften tussen Steenbergen en St. Philipsland de Slaakdam was voltooid, die de aanslibbing zeker zou bevorderen. Wel oordeelden de heren het veilig, alvast de vergunning voor de dijkage aan te vragen, die op 1 november 1858 door de minister van Binnenlanse Zaken werd verleend. 3 In de concessie was de heren de verplichting opgelegd, bij gezegelde acte te verklaren, de voorwaarden aan te nemen. Tegen een van de bepalingen bestonden bezwaren, die door de opzichter van Rijkswaterstaat in Noord-Brabant tot op zekere hoogte werden aanvaard. Na de uitdrukkelijke bevestiging, dat die voorwaarden alleen sloegen op déze voorgenomen bekading en dat er voor de heren geen onaangename consequenties konden voorkomen uit een niet geheel duidelijke bewoording (bijvoorbeeld voor een latere bedijking), waren de heren gerustgesteld. 4 De raad van beheer werd gemachtigd om het volgend jaar tot de bekading over te gaan, en de daarvoor benodigde gelden te lenen. 5
Toen de zaak opnieuw aan de orde kwam, bleken de kosten aanzienlijk hoger te liggen dan eerst was geraamd. 6 Bovendien kwam men bij de hermeting niet aan de oppervlakte goede grond, waarop gerekend was. Inmiddels was de opzichter van Rijkswaterstaat verplaatst, die de kaden ontworpen had en op het leggen van de dijk toezicht zou houden. De schorren waren in feite nog niet rijp genoeg; daar de concessie tot 1 october 1863 liep, besloten de heren de bekading uit te stellen. Nadien kwam in de jaarvergadering de bedijking regelmatig aan de orde, doch werd zij telkens uitgesteld; 7 ieder jaar werden de schorren nog niet rijp genoeg bevonden. Op 27 juli 1863 verlengde de minister de concessie tot 1 october 1866; 8 daarna is nogmaals verlenging verleend tot 1 october 1869.
Schelling of 6 stuiver.

Sc helling of 6 stuiver.

In 1869 werd eindelijk besloten, tot bedijking over te gaan. 9 De kosten waren geraamd op fl. 31.000,-. De raad van beheer stelde voor, de verkregen gronden terstond na de bedijking te verkopen, daar zij, schoon van goede kwaliteit, door de ambachtsheren niet goed genoeg geoordeeld werden om ze zelf in cultuur en beheer te nemen. In dit opzicht mochten de heren kieskeurig zijn. De Hollarepolder met zijn vruchtbare gronden hadden de heren in eigen beheer gehouden; die wierp zo’n rijke vrucht af, dat zij aan meer land geen behoefte hadden.
Op 26 juni 1869 is de aanbesteding geschied. 10 J. de Jonge uit Borssele nam de dijk en de bijbehorende werken aan voor fl. 25.400,-. Bij het feestelijk steken van de eerste spade werd de nieuwe dijkage Beciuspolder genoemd, naar Mr. A.M. Becius, voorzitter van de raad van beheer. Op 1 october was de inpoldering voltooid. Na afloop van het werk diende de aannemer een verzoek om een tegemoetkoming in. 11 Klaarblijkelijk was hij er inmiddels achter gekomen, hoe hoog de anderen ingeschreven hadden, of voor hoeveel de polder was verkocht. De heren van Vossemeer waren er evenwel niet van overtuigd, dat hij er financieel aan tekort was gekomen. Het was volgens hen een “soort van gewoonte” geworden om achteraf te proberen de aannemingssom omhoog te krijgen.
Op 11 maart 1870 is de polder, met inbegrip van de zeedijk, in zijn geheel aan Heirmans uit Antwerpen verkocht voor de som van fl. 66.226,-.