DERDE HOOFDSTUK

III DE HEERLIJKE RECHTEN


10 IN HET ALGEMEEN
Onder de titel van heerlijke rechten verstaat men het geheel van bevoegdheden, privileges, eigendommen en inkomsten, die de ambachtsheren in hun ambacht hadden. Men onderscheidt deze rechten in honorabele en profitabele. De eerste zijn de bevoegdheden en plichten, die liggen op het gebied van het bestuur en de jurisdictie. Daar kan men ook de herendiensten onder rekenen, die elders behandeld zijn. Het tweede soort omvat de rechten, waaraan inkomsten verbonden waren, die profijt opleverden. In dit hoofdstuk worden de laatste behandeld.
Zij volgden eigenlijk uit het feit, dat de ambachtsheer het ambacht bezat, waaronder men de jurisdictie in haar ruimste zin moet verstaan. De graaf had aan de ambachtsheren een bepaald grondgebied te besturen gegeven, waarvan hun ook de vruchten waren toegekend. Daarom worden de zakelijke rechten ook wel “ambachtsgevolg” genoemd, een term, die in verschillende uitgiftebrieven voorkomt. De practijk van het verlenen van ambachtsheerlijkheden is in Holland en Zeeland verschillend geweest. Voor Holland gold als regel, dat alleen die rechten met het ambacht gegeven werden, die uitdrukkelijk in de leenbrief werden genoemd. In Zeeland werd het voldoende geacht, als in de uitgiftebrief het recht van jurisdictie was verleend met de toevoeging: “en verdere ambachtsgevolgen”. Deze practijk, waarschijnlijk voortgekomen uit de bewuste opzet van de graaf van Holland, om de bedijkingen en de cultivaties van Zeeland daadwerkelijk te bevorderen, heeft ertoe geleid, dat op het punt van profitabele rechten in Zeeland een gewoonterecht is ontstaan, dat een zeer ruime interpretatie gaf aan wat als ambachtsgevolg kon worden opgevat. Om deze reden en andere bijkomstige factoren waren de Zeeuwse lenen van een ander soort en voordeliger dan de Hollandse. De graaf van Holland begiftigde zijn gunstelingen bij voorkeur met Zeeuwse lenen. Duidelijk is overigens, dat hij ook om politieke redenen hem nauw verknochte vazallen wenste in het deel van zijn gebied, dat aan expansie en pretentie vanuit Vlaanderen en Brabant bloot stond.
Bij het nagaan der onderscheiden rechten van de heren van Vossemeer zou afgegaan kunnen worden op de feiten, namelijk op al hetgeen de heren de facto genoten hebben, en kan heengestapt worden over de vraag, krachtens welke titel zij dit alles bezaten. Toch kan het dienstig zijn te vermelden, welke rechten met name in de uitgiftebrieven zijn omschreven, en waar wellicht een gewoonterecht moet worden aangenomen. Op de bewering, in de vorige eeuw nogal eens gelanceerd, dat de ambachtsheren zich rechten van de graaf zouden hebben toegeëigend, behoeft niet te worden ingegaan, omdat dit in Vossemeer zeker niet het geval is geweest. De uitgiftebrief van 1410 schonk aan de heren: “het heerlijkheidsambacht en ambachtsgevolg en alle ambachtsrecht, met tienden, vogelarij, visserij, wind, brand, accijns, kerkgift en alle ander “oirbair” en profijt, dat daarvan komen zal”.
Deze formulering laat in haar slot zonder bezwaar de opvatting toe, dat de heren van Vossemeer rechtens alles kregen, wat toentertijd onder ambachtsgevolg verstaan werd. Het zou beslist strijden tegen de geest van de oorkonde alleen dát als recht te aanvaarden, wat woordelijk is genoemd. Enige passages verder geeft de graaf van Holland aan de heren en de ingezetenen tevens vrijheid op “onze” d.w.z. de Hollandse tollen. Ook wordt bepaald, dat de banmalerij (boven onder “wind” begrepen) in Tholen en Vossemeer voor beide plaatsen vice-versa geldt. Tenslotte verleent de graaf aan het nieuw te vormen land een bepaalde vrijdom van bede, schot en heervaart.
Deel kaart Zeeland 1666

Deel van een kaart van Zeeland door Frederik de Wit, 1666. Naar een kaart uit het gemeentearchief van Bergen op Zoom.

Door de tweede uitgiftebrief van 1415 is het grondgebied van Vossemeer uitgebreid. Waarschijnlijk zijn de rechten van de heren niet uitgebreid, al komen in de tweede acte een paar nieuwe elementen voor, doch ook niet verkleind, al is de opsomming in deze acte niet precies eensluidend met de eerste tekst. Deze acte noemt: heerlijkheden, rechten, tienden, visserij, vogelarij, brand, recht van moerdijken, “en met alle andere nutschap en profijt”. Alles, derhalve het nieuwe grondgebied, zal door de heren bezeten worden overeenkomstig hun reeds bestaand recht en gelijk aan het leen, dat zij al van de graaf van Holland houden. Hierdoor wordt nog eens vastgesteld, dat de rechtsgrond in de beide uitgiftebrieven geheel identiek is, al wordt die van 1415 voor een groter gebied gegeven.
Toch zijn in de acte van 1415 twee nieuwe elementen ingevoegd. “Behoudelijk”, zegt de acte – dit wijst op een nieuw punt – dat de heren van Vossemeer en hun nakomelingen altijd land zullen mogen uitgeven om te laten moeren of dit zelf te doen. Misschien was dit recht ook in de oorkonde van 1410 onder het woord “brand” begrepen, zij het niet zo duidelijk uitgesproken. De heren van Vossemeer waren gerechtigd tot de moernering, die in het begin van de 15e eeuw al streng in het oog werd gehouden en niet meer overal onbeperkt was toegelaten. Er zijn overigens geen aanwijzingen, dat de heren op grote schaal van dit verlof gebruik hebben gemaakt; zij hebben zich meer op de winning van cultuurgrond toegelegd.
De tweede bijzonderheid is de toevoeging, dat de heren het land, dat zij in cultuur zullen brengen (“tot korenland bedijken”) als hun “vrij eigen goed” zullen hebben en houden. Deze formule vindt men niet in de eerste oorkonde. Het zal wel niet in de bedoeling van de graaf gelegen hebben de heerlijkheid van Vossemeer uit het leenverband te ontslaan. Aan de andere kant mag wellicht aangenomen worden, dat de graaf van Holland aan de heren van Vossemeer méér bevoegdheden en verdergaande rechten of een vaster fundament aan hun positie als leenmannen heeft willen geven, omdat de bedijking van de uitbreiding ná 1410 als een moeilijke zaak moest worden beschouwd, wat de latere feiten overigens wel aantonen. Opgemerkt moet worden, dat de tweede brief niet over enige vrijdom van de normale lasten spreekt.
Wanneer Gillis van Wissenkerke in 1433 een deel van het uitgebreide land van Vossemeer ter bedijking uitgeeft, somt hij verschillende bepalingen op, waarvan de meeste handelen over bestuurlijke zaken, enkele meer licht werpen op de rechten van de heren. In de nieuwe bedijking zullen de heren het vierde gemet hebben als vrij land. De andere landerijen zullen “de kost en de last” dragen, dat wil zeggen: de dijkages, de onderhoudswerken en de latere belastingen moeten opbrengen. De vroonlanden zullen wel tienden geven; de andere erven zijn aan schot onderhevig nadat het land bereden is. De heren zullen alle “indijken en uitdijken” hebben (binnen- en buitendijken), de vogelarij, de malerij en overigens alle heerlijkheden, die de heren overeenkomstig hun handvest toekomen, bijvoorbeeld de tienden. Vermoedelijk zijn deze bepalingen over de vroonlanden en de dijken de toen reeds gangbare concretisering van de term “vrij eigen goed” uit de acte van 1415. Aangenomen mag dan worden, dat de eigendom van de heren op de grond in 1415 is uitgebreid, in elk geval duidelijker omschreven dan in 1410. In het land mag geen daring (moer of turf) gedolven worden, gaat Van Wissenkerke verder, na de bedijking zullen de erven niet vrijer worden dan ze nu zijn. Als de landerijen overstroomd geraken, moeten de eigenaren (strikt genomen: de erfpachters) die veertien dagen daarna weer aannemen voor herdijking; zo niet, dan vervallen de landen aan de heren. Pieter van Botlant , regent van het land van Vossemeer, voegde eraan toe, dat voor de tienden van de mede per gemet twee engelse nobels of de waarde daarvan in andere munt gegeven zou worden; deze tiende wensten de heren niet in natura te krijgen. Een en ander wijst er wel op, dat zich in 1433 over de rechten van de heren al bepaalde rechtsregels ontwikkeld hadden, die weliswaar niet met zoveel woorden in de twee uitgiftebrieven stonden, doch daarin wel besloten lagen.

In de Keur van Zeeland van 1495 werden als ambachtsgevolgen aangenomen:
jacht en vogelarij, visserij, malerij, aanwassen, dijken en veren. Deze rechten zijn door Karel V als graaf van Holland in 1515 in de ampliatie op de Zeeuwse Keur bevestigd en in zekere zin zelfs nader gedetailleerd, namelijk: vogelarij, visserij, malerij, opslag, veren, passage, aanwassen, uitgorzen, binnen- en buitendijkse ettingen. Volgens het advies van de rekenkamer van Zeeland van 24 februari 1650 behoorden tot de heerlijke rechten ook: vronen, middeldijken, werven, hofsteden, molens, erfpachten, cijnsen, herenwegen en tienden. De voornaamste bijzonderheden van alle rechten der heren van Vossemeer worden hieronder gegeven.
Tot aan het einde van de 18e eeuw zijn in Zeeland geen noemenswaardige moeilijkheden ontstaan over de uitoefening van de heerlijkheidsrechten. Wel hebben af en toe schermutselingen plaats gevonden over de vraag, op wie het grafelijk gezag in bepaalde zaken ná de afzwering van de koning van Spanje nu precies was overgegaan: op de Staten Generaal of op de gewestelijke staten, in casu die van Zeeland. Doch van deze meer speculatieve geschillen hebben de heren van Vossemeer in de uitoefening van hun rechten geen hinder gehad. Tegen het einde van de 16e eeuw schikten zij zich geheel naar de directieven van de Staten van Zeeland.
In de nieuwe rechtsorde van 1795, die in Nederland de Bataafse Republiek invoerde, was het instituut van de ambachtsheerlijkheden moeilijk te verenigen met de kreet: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap! De Staatsregeling van 1798 beoogde eens en voorgoed met de heerlijke rechten af te rekenen. De eigenlijke heerlijkheden in institutionele zin schafte zij ineens af; deze waren met één pennestreek “vernietigd”. Ook verklaarde zij de gevolgen voor onwettig. Bepaalde rechten werden met name genoemd, doch voor de veiligheid werd alles nogmaals samengevat in een formule, die naar de schijn geen enkel gaatje meer vertoonde: “mitsgaders alle andere regten en verplichtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch, vrijwillig en wettig verdrag”. Ieder mocht op zijn eigen grond jagen. De honorabele rechten werden afgeschaft zonder enige schadevergoeding. Voor de profitabele moest binnen zes maanden na datum opgave worden gedaan. Vanzelfsprekend regende het van alle kanten requesten en declaraties. Door de staat is er zelfs geen antwoord op gegeven! Al klonken de bepalingen van de Staatsregeling zeer categorisch, juridisch mankeerde er heel wat aan het artikel over de afschaffing van de ambachtsgevolgen. In de nieuwe Staatsregelingen van 1801 en 1805 is de grondgedachte van die van 1798 geheel gevolgd. Volgens de regeling van 1801 werd het leenrecht geheel afgeschaft, en alle leenroerige goederen als allodiaal beschouwd. De wet zou aan de leenheren een schadeloosstelling toekennen. Dit laatste is in de Staatsregeling van 1805 nogmaals toegezegd, doch met de uitvoering is nimmer een begin gemaakt. Deze bepalingen leidden er wel toe, dat de Hoge Raad in 1882 besliste, dat de rechten van de ambachtsheren in 1798 niet vervallen waren, doch dat zij mede door de regelingen van 1801 en 1805, van feodaal allodiaal geworden waren. In 1803 bracht de Raad van Binnenlands Bestuur het advies uit, dat een schadevergoeding voor het gemis der “eigenlijk gezegde” rechten (voortkomend uit de jurisdictie) billijk was te achten. Van de andere rechten oordeelde de Raad er vele in strijd met de burgerlijke vrijheid; zij zouden afkoopbaar gesteld moeten worden. Tot een genuanceerder advies kwamen in 1803 de landsadvocaten in hun rapport aan het Departementaal Bestuur van Holland. Volgens hen bestond er een recht op schadevergoeding, dat trouwens in de wet was vastgelegd. De financiën van de staat lieten die betalingen echter niet toe, die ongetwijfeld in de miljoenen gelopen zouden hebben. Zou men de schadevergoedingen laten doen door de ingezetenen van de heerlijkheden, bij wijze van afkoop, dan was te voorzien, dat het merendeel van hen de rechten aan de ambachtsheren zouden teruggeven. En dan – doch dat zeiden zij niet met zoveel woorden – had de regering de zaak in die hoek gedrongen, waar men haar beslist niet hebben moest; dan bestond namelijk grote kans, dat de heerlijke rechten omgebogen zouden worden tot een vrijwillige en wettige overeenkomst. Daarom stelden de landsadvocaten voor, de eigenaren in die rechten te handhaven, welke niet in strijd waren met de bestaande wetten. Deze gedachte vindt men terug in het latere Herstellingbesluit van 1814.
Op 9 juni 1806 herstelde de regering de ambachtsheren in een deel van hun oude rechten. Voordat aan de nieuwe wet uitvoering was gegeven, werd Lodewijk Napoleon koning van Holland. Deze wilde de afschaffing van alle heerlijke rechten tegen een schadevergoeding; dit ging recht tegen het ontwerp van wet in. De koning droeg de Staatsraad op een nieuw voorstel te formeren. In 1809 is een ontwerp aangeboden, dat in de grote lijn neerkwam op de afschaffing van de jurisdictie en de bevoegdheden, doch de profitabele rechten voor een groot deel wilde handhaven. Aan dit ontwerp onthield Lodewijk Napoleon zijn goedkeuring. Toen in 1810 Holland bij het Keizerrijk werd ingelijfd, besliste de Raad van Ministers het ontwerp tot regeling van de heerlijke rechten aan te houden. De wetten van het Keizerrijk, die sindsdien voor het land van toepassing waren, raakten de vroegere heerlijke rechten nergens direct; alleen voor het recht van aanwas is een Keizerlijk decreet van betekenis geweest. In 1813, toen het Koninkrijk der Nederlanden ontstond, was in feite nog niets veranderd sinds de onduidelijke Staatsregeling van 1798, die een omvangrijke en ingewikkelde materie enkel maar omver gewoeld, doch niet geregeld had.
Na de omwenteling van 1813 en de troonsbestijging van koning Willem I kregen de ambachtsheren hoop, dat hun de profitabele rechten teruggegeven zouden worden. Op een herstel van hun jurisdictie rekenden zij niet meer; deze was achterhaald door de invoering van autonome besturen in hun vroegere dorpen en door een geheel nieuwe rechterlijke organisatie over het gehele land. Op 26 maart 1814 kwam een Koninklijk Besluit af, dat de naam van Herstellingsbesluit gekregen heeft. Het zegt, dat een volledig herstel van de vroegere ambachtsheerlijkheden, gezien de tijdsomstandigheden, niet meer mogelijk is, doch dat de benadeelde eigenaren in bepaalde opzichten moet worden tegemoetgekomen. Voor de hoge functionarissen in de gemeente- en polderbesturen, die door de Koning benoemd worden, zullen de ambachtsheren de voordracht opmaken; in de lagere bedieningen kunnen zij geheel zelfstandig benoemen. De rechten van jacht, visserij, vogelarij, nakoop, pondgeld, veren en soortgelijke zullen aan de ambachtsheren blijven. Bij de grondwetsherziening van 1848 is het grootste deel van de herstelde honorabele rechten weer afgeschaft; over een schadevergoeding wordt dan met geen woord meer gesproken. In Vossemeer blijkt echter, dat de heren al geruime tijd vóór 1848 niet veel waarde meer hebben gehecht aan het recht van voordracht, dat sinds 1814 trouwens alleen voor Oud Vossemeer heeft gegolden. Voor Nieuw Vossemeer hadden Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant het al langer afgeschaft. Over de profitabele rechten zijn sinds 1814 ontelbare processen gevoerd, niet alleen door de ambachtsheren van Vossemeer, doch die van het gehele land. In de meeste gevallen ging het, al dan niet expliciet, over de vraag, of en hoe deze rechten door het KB van 1814 waren hersteld. Door de rechterlijke instanties is deze vraag op zeer verscheiden manier beantwoord. In 1919 kwam een arrest af van de Hoge Raad, dat een totale ommekeer veroorzaakte in de geldende jurisprudentie. Het komt in hoofdzaak hierop neer, dat de profitabele rechten van de ambachtsheerlijkheden door het Herstellingsbesluit van 1814 niet hersteld en daardoor zakelijke rechten geworden waren, onderhevig aan de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, doch dat zij behouden waren. Hun bestaan en hun eventueel tenietgaan kan niet door de artikelen van het Burgerlijk Wetboek worden beheerst doch moet beoordeeld worden overeenkomstig de letter en de geest van de oude wetten.
Merkwaardig is wel, dat deze alleszins juiste en overigens wijze uitspraak pas genomen is, nadat de ambachtsheerlijkheden gedurende een kleine eeuw enorme moeilijkheden hadden gehad, kapitalen aan proceskosten waren uitgegeven, en heel wat rechten waren verloren, verminderd of tegen de verdrukking in niet meer met alle stelligheid gehandhaafd. Het behoeft immers geen betoog, dat het beleid van veel ambachtsheren in de loop van de 19e eeuw geheel anders zou zijn geweest, als deze duidelijke beslissing vroeger gevallen was.

11 EIGENDOMMEN EN VRONEN
Vronen of vroonlanden noemde men die gronden of landerijen, welke de ambachtsheren gezamenlijk in bezit hadden, of de afzonderlijke deelhebbers als behorende tot hun aandeel bezaten. Onder vroonland verstond men derhalve niet de percelen, die een der heren privé in het gebied van de ambachtsheerlijkheid verwierf. De vroonlanden waren niet alle van dezelfde oorsprong. Sommige zijn voortgekomen uit de bijzondere voorwaarden, die door de landsheer bij de uitgifte waren gesteld. Andere konden volgen uit de bepalingen, die bij de dijkage van een polder werden gegeven. Weer andere zijn binnendijkse aanwassen geweest; bepaalde stukken van een ingedijkte polder bleken na de drooglegging van weinig waarde te zijn, zodat zij niet uitgegeven konden worden. Deze moesten wel aan de ambachtsheren blijven. In theorie en van oorsprong is het gehele grondgebied van Vossemeer vroonland geweest; doch als de heren na een bedijking .landerijen uitgaven, zelfs in erfpacht of tegen cijns, kwamen deze in eigendom aan de nieuwe gebruiker, zij het dat deze eigendom onder bepaalde omstandigheden naar de ambachtsheren kon terugkeren.
Daar de vroonlanden in principe van alle vreemde lasten vrij waren, werden zij ook vrijlanden genoemd; vroon of vrij betekent trouwens hetzelfde. Deze vrijdom is door het hoger gezag niet altijd aanvaard of geëerbiedigd. Oorspronkelijk waren de vronen zelfs vrij van de waterschapslasten, doch tegen het einde van de 18e eeuw werd deze vrijdom door de Staten van Zeeland voor de calamiteuze polders vervallen verklaard.
Tegen het midden van de 17e eeuw vindt men in het archief praktisch geen vermelding meer van de vronen. Dit kan als volgt verklaard worden: Tengevolge van allerlei factoren is de min of meer uitzonderlijke positie van dit grondgebied der ambachtsheren op de achtergrond geraakt. De polders waren geheel uitgegeven; gronden en erven waren tegen een cijns bij de ingelanden en de inwoners in gebruik; de rechten en inkomsten van de heerlijkheid lagen aan alle kanten dermate vast, dat de kwestie eigenlijk niet meer aan de orde kwam, of een bepaald perceel van oorsprong een vroon was. De meeste oude vronen zijn dan ook ongemerkt in de eigendommen van de ambachtsheerlijkheid opgegaan. Na 1795 hadden de vronen helemaal geen betekenis meer, althans niet in Vossemeer. Op andere plaatsen zijn wel sporen overgebleven van oude vroonlanden, die soms in de waterschapslasten volgens een andere maatstaf dan de gewone landen aangeslagen worden. Hier en daar is zelfs de term vroon nog in gebruik. Vanzelfsprekend kunnen de latere en huidige eigendommen van de ambachtsheerlijkheid niet zonder meer uit vronen worden afgeleid. Verschillende landerijen zijn door de heren eenvoudig aangekocht, misschien als oude vroonlanden teruggekocht, doch dan hadden zij hun prerogatief inmiddels verloren. Voor elk geval afzonderlijk zou moeten worden onderzocht, of een grondbezit een oud vroon is. Over het algemeen mag wel gesteld worden, dat de op percelen rustende cijnsen en erfpachten duidelijke kentekenen van een vroonland zijn. In de uitgiftebrieven van 1410 en 1415 worden de vronen niet met name genoemd als een van de heerlijke rechten, ofschoon in deze brieven wel de juridische ondergrond ervoor is gelegd. Gillis van Wissenkerke omschreef in 1433 dit recht woordelijk. 1 In zijn uitgiftebrief behielden de heren zich de eigendom voor van elk vierde gemet uit het te bedijken land. Die landerijen zouden de heren “vrij en vroon” ten eeuwigen dage bezitten. Het opeisen van het land, geheel of ten dele, hadden de heren van Vossemeer al langer gedaan. In 1431 getuigde Heyn Buse, dat de heren in het noorden en westen tegen het land van Steenbergen moerdijken hadden liggen, waar hij zelf namens de rentmeester van de heren “gevroond” had. 2 Dit betekent, dat hij er voor de rentmeester bepaalde werkzaamheden had verricht, teneinde de gronden als vronen van de heren van Vossemeer te waarmerken. Misschien zijn er palen geslagen om de juiste begrenzing aan te geven. Niet ongebruikelijk was, dat er palen met opschriften werden aangebracht, vooral in een gebied, waar zich nog al eens moeilijkheden voordeden over de juiste begrenzing, derhalve de juiste eigendom.
De erven van het dorp waren aan de inwoners in erfpacht uitgegeven. Beide dorpen zijn gesticht op stukken grond, die de heren speciaal hiervoor hadden gereserveerd. De kerk van Oud Vossemeer wordt in 1504 genoemd te liggen “op de vrone”. 3 Enige jaren later spreekt men zelfs van het dorp of “vrone” van Vossemeer.
In de oudste periode van de ambachtsheerlijkheid hebben de meeste heren van Vossemeer in de heerlijkheid zelf of in nabijgelegen plaatsen gewoond. Zodoende konden zij toen het beheer voeren over de vronen, die hun gezamenlijk of ieder afzonderlijk toebehoorden. Misschien heeft in de beginperiode elk der heren een aan zijn aandeel evenredig deel van de vroonlanden in gebruik gehad.
Groot zullen deze porties niet zijn geweest; vermoedelijk hebben de heren zich zelfs niet altijd het vierde gemet gereserveerd, doch hebben zij zoveel mogelijk land in een nieuwe polder verkocht, als zij een aantrekkelijk bod kregen. Tussen de jaren 1452 en 1469 kocht Jacob van Beiswijk, een heer van Vossemeer, vrij veel landerijen aan in de pas bedijkte Kerkpolder. 5 Dit wijst er op, dat zijn aandeel in de vroonlanden niet voldoende was voor een bedrijf. In 1518 verleenden de heren aan hun medeheer Joost van Botlant verlof, het vruchtgebruik van zijn vronen aan zijn vrouw af te staan. 6 Waarschijnlijk is hier het vruchtgebruik bedoeld na zijn overlijden; voor deze afwijking van het normale recht had hij verlof nodig. Er blijkt uit, dat de vroonlanden als een bestanddeel van de ambachtsportie werden beschouwd. Het zou echter niet behoeven te verbazen, als sommige heren van Vossemeer hun privaat bezit als vroonland hebben aangemerkt, teneinde bepaalde vrijstellingen te kunnen eisen. In 1521 wordt gesproken van het vroon of de hofstede van Claes Govertszoon, die de rentmeester aan Jan Domis zoon verkocht tegen een cijns van 6 pond per jaar. 7 In feite ging het om de overdracht van een erfpacht op een nieuwe eigenaar. In 1569 beslisten de heren, dat de vronen niet vrij waren van tienden, doch wel van polderlasten, schot en andere lasten. De bezitter van een gors, die dit van de heren gekregen had onder het beding “gelijk vrij vroon”, beweerde namelijk dat onder die vrijdom ook de tienden begrepen waren.
Anthonis van Doornik werd in 1577 als heer van Vossemeer erkend. Zijn leenbrief, afgegeven door de leenkamer, bevatte twee fouten. Ten eerste was als heergewade een paar “gewapender” handschoenen in plaats van witte genoemd. Bovendien was Anthonis verheven in de vronen, die echter geen deel uitmaakten van het leen. De heren droegen hem op, bij de leenkamer de nodige verbeteringen aan te vragen, daar zij de leenbrief gevaarlijk achtten voor een juiste opvatting van de vronen, die immers allodiaal waren. 9

Het Hof te Brussel. Gravure uit: Le Roy. 1730

Tegen het midden van de 16e eeuw had de keizer voor de oorlogen en het bestuur van het land zoveel geld nodig, dat hij de ene na de andere bede oplegde. De heren van Vossemeer hebben verscheidene acties en processen gevoerd, om zo veel mogelijk aan de volle zwaarte van de lasten te ontkomen. In 1570 geraakten zij verwikkeld in een geschil met de rentmeester van Beoosterschelde, Bruinink van Wijngaarden. 10 Hij had de twee polders van Schuddebeurs en Mattenburg, aan de oostzijde van de Eendracht gelegen, in de schotheffing laten opnemen. Die polders, omstreeks 1511 herdijkt, schenen tot voor kort aan de aandacht van de Zeeuwse rentmeesters te zijn ontsnapt. Het zal wel niet geheel en al waar zijn, wat Van Wijngaarden de heren van Vossemeer voor de voeten wierp, namelijk dat zij het schot kwaadwillig ontdoken hadden. De heren zullen wel het eeuwenoud principe gehuldigd hebben, dat men de dienst der belastingen niet met ongevraagde inlichtingen behoeft na te lopen, en zeker niet op het goede spoor te zetten, als hij een fout maakt in het voordeel van de belastingschuldige. Toch had de rekenkamer van Holland al in 1556 aan de heren van Vossemeer gevraagd, waarop de vrijdom van schot voor 1446 gemeten land in de polders Schuddebeurs en Mattemburg berustte. 11 Toen moeten de heren wel een aanvaardbaar antwoord gegeven hebben. Van Wijngaarden had de polders laten berijden, dat wil zeggen: hun oppervlakte laten meten en deze als schotbaar land in de grafelijke administratie doen opnemen. Hiertegen kwamen de heren in het geweer. Het berijden diende immers door de graaf of een door hem aangewezen ambtenaar te geschieden; eigenmachtig kon de rentmeester dit niet doen. Doch dit verweer aanvaardden de burggraaf en de leenmannen van Zeeland niet. Op 31 mei 1571 gaven zij als hun oordeel, dat de landen van de beide polders terecht schotbaar waren verklaard, omdat zij tot het territorium van Vossemeer behoorden. Bij deze beslissing van de kwestie moesten de heren zich wel neerleggen. 12 Van meet af aan hadden zij trouwens geweten, dat zij op dit punt zwak stonden. Daarom hadden zij als tegeneis gesteld, dat zij recht hadden op de vrijdom van lasten en beden voor alle vroonlanden, niet alleen in hun bewuste polders, maar in het gehele land van Vossemeer. In de uitgiftebrieven was hun het vierde gemet vrij en vroon toegestaan. Inzake dit punt gelastten burggraaf en leenmannen een nieuw onderzoek en het indienen van stukken. Tot een uitspraak zijn zij niet meer gekomen, daar in 1572 Tholen onder het gezag kwam te staan van de Prins van Oranje. De gehate belastingen voor de koning van Spanje werden in de verzetting van het bestel het eerst weggevaagd; zij werden vervangen door nieuwe, die niet minder zwaar drukten. In het archief zijn geen aanwijzingen te vinden, dat de heren van Vossemeer nadien nog enige vrijdom voor de vroonlanden opgeëist hebben. Waarschijnlijk hebben zij dit met opzet achterwege gelaten, omdat zij in het begin van de 17e eeuw niet op al te beste voet stonden met de Staten van Zeeland en zij het raadzaam vonden niet op alle kleine slakjes zout te leggen.
In 1626 eisten de ingelanden van Nieuw Vossemeer het dijkschot op voor de 17 gemeten land, waarop het dorp was gebouwd. De heren voelden hiervoor niet veel, en droegen twee van hun leden op met de ingelanden te gaan praten. 13 Deze eisten de betaling van 1618 af. De volgende jaren is een zelfde besluit genomen, 14 doch van een definitieve beslissing blijkt niets, de kwestie schijnt in het vergeetboek te zijn geraakt.
Nadien is de term vroon in onbruik geraakt. Vanaf het begin van de 17e eeuw heeft de landsregering geen vrijdom toegestaan voor de vroonlanden, zodat de rentmeesters regelmatig de verponding, contributies en dergelijke lasten betalen. Ook tegenover de ingelanden zijn de heren niet op hun stuk blijven staan. Op de duur hebben zij gedoogd, dat hun landen in het dijkschot werden aangeslagen. Vanaf het begin van de 18e eeuw betalen de heren dijkschot. Het is niet altijd met zekerheid uit te maken, of dat gold voor de oude vroonlanden dan wel voor het gewone grondbezit.
Verschillende gronden of gedeelten van percelen hebben de heren in cijns of erfpacht uitgegeven. Bij de uitgifte van kavels land in de nieuwe polders hebben zij zich geen cijns, grondrecht of erfpacht voorbehouden. Met het vorderen van cijns schijnen zij pas in het begin van de 16e eeuw begonnen te zijn. Dit verklaart wellicht het feit, dat er in Nieuw Vossemeer meer cijnsen waren en zijn dan in Oud Vossemeer. In de oudste rekening (1491/92) vindt men er geen enkele post van. In 1508 besloten de heren een erfje vroonland, waarop iemand een huis had gebouwd, in erfpacht te geven tegen ruim 2 schellingen per jaar. 15 Tegen het einde van de 16e eeuw waren de heren van plan, de cijnsen beter te doen administreren; de rentmeester legde in 1571 een cijnsboek aan, dat niet is bijgehouden. 16 Bij de verkoop van cijnsland moest de verplichting uitdrukkelijk in de acte opgenomen worden. Dit reeds oude voorschrift brachten de heren in 1705 nogmaals onder de aandacht van de schepenen; bij een eventuele verkoop zou de rentmeester een verklaring afgeven. 17 Over het algemeen heeft de ambachtsheerlijkheid niet veel moeite gehad bij het innen van de cijnsen, 18 die voor elk geval apart slechts een kleine som bedroegen.
Na het opheffen van het publiekrechtelijke statuut van de heerlijkheid zijn de cijnsen en erfpachten, als zakelijke rechten, niet aangetast. Zelfs tussen 1795 en 1815 heeft zich op dit punt geen noemenswaardige stoornis voorgedaan. In 1836 is in Nieuw Vossemeer een perceel cijnsgrond uitgegeven in overleg met de burgemeester. 19 Omstreeks 1824 bleken enkele cijnsplichtigen onwillig te zijn.
20 Op enkele uitzonderingen na erkenden allen de verplichting door middel van een acte, 21 zodat alle twijfel werd weggenomen. Tegen de afkoop van cijnsen hebben de heren zich nimmer verzet. Heden ten dage heeft de nv nog vele cijnsen en erfpachten, die in het geheel van de inkomsten slechts een bescheiden plaats innemen.

12 AANWASSEN

Aanwassen noemt men de gronden, die zich aan een reeds bestaand grondgebied vormen, ofwel door aanslibbing ofwel door verlaging van het niveau van het aangelegen water. Zij kunnen ontstaan in de bedding van een rivier waar het water een afkalving van de ene oever teweegbrengt, welke grond de stroom tegen de overliggende oever weer neerlegt. Op groter schaal en duidelijker waarneembaar groeien zij aan langs de zee of de zeearm en waar de werking is van eb en vloed. Een ouder en juister woord noemt hen “aanwerpen”. Soms staat er in de stukken: “aanwerp van de zee”, wat zeer juist uitdrukt, dat de zee nieuw land tegen reeds bestaand aanwerpt.
Van oudsher kwamen zulke nieuwe gronden aan de landsheer toe. In veel gevallen, vooral in Zeeland, heeft de graaf van Holland deze toekomstige eigendommen aan anderen overgedragen. De stichting van de meeste ambachtsheerlijkheden bevatte het octrooi tot het bedijken van buitendijkse gronden. In de Zeeuwse ambachtsheerlijkheden is het recht op de aanwassen eigenlijk een essentieel bestanddeel van de uitgifte ener jurisdictie. Het sprak welhaast vanzelf, dat de bedijkers meer op het oog hadden dan de meestal bescheiden eerste inpoldering. Verdere plannen zouden onmogelijk zijn geweest, indien niet bij voorbaat vaststond, dat de ambachtsheren de eigendom zouden verkrijgen van alle toekomstige aanwassen binnen het gebied, hun door de graaf gegeven. Strikt genomen is het recht van aanwas geen profitabel recht, al waren de aanwassen inderdaad een bron van inkomsten. Zij raken integendeel de omvang van het grondgebied ener heerlijkheid. Op het nieuwe land, eerst door aanwassen daarna door bedijkingen verkregen, rustte het volledig gezag van de ambachtsheren. Deze uitbreiding van het territorium staat op een hoger plan dan de directe profijten uit verpachtingen en andere inkomsten. De heren van Vossemeer zijn zich dit tot 1795 toe goed bewust geweest. Achter hun zorg voor de aanwassen ziet men altijd de conservering van de heerlijke rechten in de allerruimste zin. Na 1800 is de kwestie van de aanwassen teruggevallen tot een zaak van grondeigendom; daar het ambachtsheerlijk gezag niet meer bestond, zijn de aanwassen een zakelijk recht geworden.

In de uitgiftebrieven van 1410 en 1415 verleende de graaf van Holland aan de heren van Vossemeer de gorzen, slikken en “aanwerpen” in het hun toegekende gebied. Het recht van aanwas is er uitdrukkelijk vermeld. In deze oorkonden was de grens van de heerlijkheid zo omschreven, dat ze aanvankelijk een volledig waterland omvatte. Over de juiste oorsprong van het aanwasrecht heerst onder de juristen geen eenstemmigheid. De een leidt het af van de eigendom op de oever of de dijken; de ander beschouwt het als een afzonderlijk heerlijk recht. Voor ons doel doet dit onderscheid niet veel terzake, daar wij ons voornamelijk bezighouden met de feiten, die zich met betrekking tot de aanwassen hebben voorgedaan. De bijzonderheden van de vorming van het land van Vossemeer dwingen echter tot een nog verdergaand onderscheid. Na de eerste bedijkingen ten westen van de Eendracht hebben de heren een aanwas ten oosten van de rivier, voorlopig door een breed water van hun land gescheiden, als een nieuwland doen inpolderen. Deze aanwas lag niet tegen hun land aan; zijn bedijking en inbezitname door de heren van Vossemeer laat zich onder geen van beide bovenstaande juridische opvattingen rangschikken. Toch lijdt het niet de minste twijfel, dat de heren van Vossemeer in deze rechtmatig zijn opgetreden. Daar kan het aanwasrecht in geen geval van de oevereigendom worden afgeleid. Het hanteren van het begrip van een afzonderlijk recht is waarschijnlijk ook niet juist. Men zal eer mogen aannemen, dat het aanwasrecht zo essentieel en onverbrekelijk verbonden was met de ambachtsheerlijke jurisdictie, dat het een niet van de andere te scheiden is. Die jurisdictie gold voor het gehele gebied binnen de gestelde grenzen; alles binnen dit gebied was aan de heren in feodale eigendom overgedragen. Wellicht is het zelfs een denkfout, hier het recht van aanwas als een afzonderlijk recht te beschouwen, dat al dan niet werd verleend. Uiteraard valt na 1800 de ambachtsheerlijke basis weg. Indien echter de rechterlijke macht in de vorige eeuw deze opvatting over de aanwassen had gehad, zouden heel wat kwesties anders zijn verlopen.
Aanvankelijk spreken de archieven van Vossemeer niet of nauwelijks van de aanwassen. In 1491 waren twee uitgorzen verpacht, het ene van de Heije, het andere van de Plaat. 1 Enige jaren nadien kwam daar het gors van de Heen bij, dat inmiddels zodanig aangegroeid was, dat het door een herder gebruikt kon worden. 2 In 1503 wordt het gorsje “Die Cleyn Plate” voor het eerst genoemd. 3 Datzelfde heet in 1511 de “Cleine Oude Plate”. 4 In 1517 gaven de heren aan de landmeesters opdracht om na te gaan, wie de aanwassen in bezit hadden genomen, en hun namen en de oppervlakte van de gronden aan de rentmeester door te geven. 5 Deze moest het volgend jaar rapport uitbrengen, doch dan wordt van de zaak niets meer vernomen. Misschien mag uit de opdracht geconcludeerd worden, dat de aandacht van de heren op de aanwassen tevoren enigszins verslapt was. In 1519 waren de bovengenoemde gorzen verpacht, en daarenboven nog: het gors van Mattemburg, de Eierhil en Vogelenzang. 6 Op het gors van de Plaat moest de huurder een dam leggen, 7 klaarblijkelijk om de aanslibbing te bevorderen. De Oude Clein Plate werd ook wel “foppen Leijs gors” genoemd. 8 De Plaat heet in 1560 Hoogplate; 9 inmiddels was zij behoorlijk aangegroeid. Zij is kort nadien in de bedijking van Nieuw Vossemeer opgenomen. Over het algemeen trouwens zijn praktisch alle inpolderingen geschied op aanwassen, die vóór de bedijking al in gebruik waren; meer details vindt men in het overzicht van de onderscheiden polders.
De heer van Thienhoven stelde in 1623 aan de vergadering voor dat de landen, langs de dijken van de Hikke gelegen, gemeten en voortdurend in het oog gehouden zouden worden. Sedert de herdijking waren daar belangrijke aanwassen gevormd. Daarop moest het recht van de heren gehandhaafd blijven. 10 Na de herdijking van Nieuw Vossemeer waren alle aanwassen aan de oostzijde van de rivier niet in de dijkage opgenomen. Er lag nog een gors buitendijks voor de hoeve van Van Gelre tot aan de grens van de Heen; bovendien het Gellegors en enige gorzen bewesten de kreek van Zes Pond. 11 Een aanwas ten noorden van Nieuw Vossemeer is in 1638 met “cloetelingen” en zoden bestrooid, om hem beter te doen aangroeien. 12 In 1643 besloten de heren voortaan de aanwassen slechts in erfpacht uit te geven. 13
Ook binnendijks kwamen aanwassen voor. Dit waren slechte gronden, die men bij de bedijking had laten liggen, of kreken en geulen, die niet waren opgevuld en geëgaliseerd. Tengevolge van overstromingen, wilde groei van hout en planten en soms door kunstmatige bewerking konden deze gronden verbeterd worden. De “Oude Plate” werd in 1638 als een binnendijkse aanwas beschouwd en als zodanig verpacht. 14 In 1659 droegen de heren de rentmeester op, deze stukken zoveel mogelijk te laten afsteken en voor de heerlijkheid te verpachten. 15 Om de aanwas te bevorderen, lieten de heren in 1682 een tragel (strekdam) in de Eendracht aanleggen. 16
Met angst en beven werden de regelmatige overstromingen tegemoet gezien, doch dikwijls is er heimelijk op gehoopt, mits zij maar niet met al te veel geweld gepaard gingen. In 1682 had de Oude Plaat het gehele jaar onder water gestaan; de toestand in de gehele heerlijkheid was tengevolge van de watervloed zo verward, dat de visserijen niet eens verpacht werden. 17 Doch korte tijd later bleek, dat dank zij de overstroming er “merkelijke” aanwassen bij gekomen waren, vooral aan de kreken bij de Hikkepolder en ten oosten van de rivier. De heren lieten deze in 1685 meten. 18 In 1694 droegen zij de rentmeester op die jaarlijks te verhuren. 19 Geruime tijd later, in 1748, werden de aanwassen van Nieuw Vossemeer gemeten en in kaart gebracht. In 1760 is onderzocht, of zij al beplant konden worden. 20 Toen zij nog wat rijper geworden waren, trachtten de heren deze gronden aan de ingelanden te verpachten. 21 De aanwassen zijn regelmatig verpacht. 22 Tot aan het einde van de 18e eeuw is er niets schokkends in verband met de aanwassen geschied. De heren beschouwden deze gronden als hun volledig bezit, dat tot dan toe trouwens door niemand is betwist. In februari 1800 werd in de Middelburgse Courant bekend gemaakt, dat de rentmeester-generaal van de domeinen in het voormalige gewest Zeeland publiek zou verpachten; de schorren tussen de eilanden St. Philipsland en Tholen, van St. Philipsland tot St. Annaland, genaamd het Rammeschor, de Plaat, de Aanwas, het Stinkgat en de Nieuwe Aanwas.
Dit werd de ouverture tot een bijna onafzienbare rij van geschillen en processen. In hun vergadering van dat jaar meenden de heren van Vossemeer, dat door deze verpachting aan hun rechten werd getornd. De bewuste schorren waren in de condities niet helder en exact omschreven; te vrezen was, dat de domeinen er ook aanwassen van Vossemeer in hadden opgenomen. Het domeinbestuur zou wel beweren, dat de domeinschorren voldoende door de kreek en het vaarwater van de eigendommen der heren van Vossemeer gescheiden waren, doch dan bleef in het ongewisse, hoever de eigendom van de heren zich uitstrekte. Zelf kenden zij ook niet alle details, vooral door het gemis van behoorlijke kaarten. Wel waren zij van mening, dat er voorzichtig gehandeld moest worden om te voorkomen, dat hiervan een politieke kwestie zou worden gemaakt. De voorzitter liet een protest indienen bij de rentmeester-generaal. De verpachting vond doorgang en werd voor de tijd van 25 jaren aangegaan. De heren besloten, dat er ongeacht de kosten een kaart van de schorren bemachtigd moest worden. 23 De rentmeester van Vossemeer protesteerde bij de pachters. Daar deze in andere zaken van de ambachtsheerlijkheid afhankelijk waren, hebben zij de aanwassen van Vossemeer en Vrijberghe voorlopig niet in gebruik genomen. 24 De ambachtsheren van Poortvliet en St. Annaland wilden met die van Vossemeer bepaalde schorren van Vrijberghe bedijken, doch de heren van Vossemeer wilden hierin niets doen totdat de kwestie van de eigendom geregeld was. 25 Het domeinbestuur schijnt zich ook niet geheel zeker te hebben gevoeld; in 1803 en 1804 had het de schorren nog niet in gebruik genomen. 26 Ingenieur Schraven van de Rijkswaterstaat in Zeeland bezorgde de heren de gewenste kaart; zij waren er zo blij mee, dat zij hem een “zindelijk” gebonden exemplaar van alle Zeeuwse Oudheden van Ermerins aanboden. 27 Het dikste katern in de stukken over dit geschil noemen de heren; “een kort verhaal”. De pachters begonnen in 1807 van de schorren gebruik te maken; inmiddels immers was de scheiding doorgevoerd tussen de ambachtsheerlijkheid en de gemeenten.
Buitendijkse gronden bij Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren

Buitendijkse gronden bij Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Na de watersnood van 1808 verbood het polderbestuur van Oud Vossemeer, in verband met de verhoging van de dijken van Vrijberghe, het drijven van vee over de dijken, waardoor de schorren een tijdlang niet gebruikt konden worden. In 1810 verpachtten de heren van Vossemeer hun deel van de schorren aan de pachters onder de voorwaarde, dat zij zich in alles zouden richten naar de bevelen van het polderbestuur. Toen zij hierin door het domeinbestuur niet gehinderd werden, dachten de heren dat alles in orde was, tot in 1817 bleek, dat dezelfde personen bij hen én het domein gepacht hadden! Enkele malen hadden zij verlof gegeven tot het roven van schorgrond voor bedijkingswerkzaam, heden; zo gingen zij ongestoord verder met het uitoefenen van hun recht van eigendom. 28
Op 1 januari 1811 is in Brabant en Zeeland de Code Napoléon ingevoerd, die bepaalde, dat een “alluvion” van een rivier, stroom of bevaarbaar water aan de eigenaar van de oever toekomt. Op 11 januari vaardigde Napoléon een decreet uit betreffende de administratie en het onderhoud van de polders. Daarin werd bepaald, dat de schorren en slikken vóór de polders, die door de zee worden bespoeld en weer vrijgegeven, te beschouwen zijn als “lais et relais de la mer”, die tot het publiek domein behoren. De onduidelijkheid en schijnbare tegenspraak tussen de Code Napoléon en het polderreglement heeft tal van moeilijkheden veroorzaakt. Het laatste artikel is in het reglement toegelicht, dat alle aanwassen van polders eigendom van de staat waren, tenzij de oevereigenaar of een particulier binnen een jaar het bewijs leverde, dat zij zijn eigendom waren. De heren van Vossemeer hebben hierop prompt gereageerd en hun claims gesteld, doch in deze zaak is nimmer een principiële beslissing genomen, daar kort nadien het Franse regiem in Nederland in elkaar stortte, doch merkwaardigerwijs de Code Napoléon en het polderreglement gehandhaafd bleven. In 1811 was in feite de lijn voortgezet van de ordonnantie van Philips de Schone uit 1494, van het decreet van koning Philips uit 1559, 29 en de beschikking van prins Maurits uit 1591, die alle aanwassen, slikken en visserijen aan de landsheer toewezen, tenzij een ander een titel van eigendom had. Door het Souverein Besluit van 1814 is het recht van aanwas als een zakelijk recht van de voormalige ambachtsheerlijkheden erkend. Ook de wetgever van 1806 had dit als een afzonderlijk recht beschouwd; het ontwerp gaf aan de eigenaren van de ambachtsheerlijkheden het recht van aanwas terug, zelfs als zij geen eigenaren (meer) waren van de grond. Bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek van 1820 en een wijziging in 1832 heeft het inzicht in de materie der aanwassen tot verdergaande distincties geleid, doch deze raken de aanwassen van Vossemeer slechts in zoverre, dat zij later bepaalde beslissingen mede hebben beïnvloed. Die details doen hier niet ter zake.
De jurisprudentie heeft onderscheid gemaakt tussen het ambachtsheerlijk recht van aanwas en het aanwasrecht volgens het BW. Volgens het Burgerlijk Wetboek heeft de oevereigenaar eerst het beschikkingsrecht over de gronden, als deze in de striktste zin een aanwas zijn geworden, namelijk indien zij als een rijp schor boven de hoogwaterlijn uitkomen. De slikken, die bij de normale vloeden dagelijks onderlopen, horen daar niet bij. Het ambachtsheerlijk recht daarentegen is een afzonderlijk zakelijk recht op alle gronden, die aan een ambachtsheerlijkheid aanwassen en zullen aanwassen, waaronder ook de slikken begrepen zijn. In de geschillen, die rondom de aanwassen van Vossemeer zijn ontstaan, is duidelijk te zien, dat het domeinbestuur beurtelings, al naar het te pas kwam, de twee principes heeft gehanteerd.
Voor de schorren van Vrijberghe hebben de heren van Vossemeer tijdig hun claim gesteld, waarop echter geen enkele reactie is gevolgd. In 1818 richtten zij een request aan de koning, waarin zij vroegen in het bezit der schorren te worden hersteld, die zich uitstrekten van de dijken van Vrijberghe tot aan het Rammegors, oostwaarts tot aan de schorren van Oud Vossemeer en in het westen tot aan de Poortvlietse Sluis. Mocht er bij het domeinbestuur aan hun recht getwijfeld worden, dan vroegen zij de koning de zaak te verwijzen naar een rechtbank of hof. In 1819 herhaalden zij dit request. Op 13 februari 1820 beschikte koning Willem I, dat zij hun reclame bij de raad en rekenkamer van de domeinen moesten indienen. De heren maakten aanspraak op een stuk grond van 211 bunders, 58 roeden en 58 ellen; hieronder was de Krabbekreek niet begrepen. De permanente commissie van het Amortisatie Syndicaat verklaarde op 6 januari 1826, dat de schorren van Vrijberghe niet vielen onder de termen van bezit van de staat en dat zij aan de ambachtsheren van Vossemeer toebehoorden. Dezelfde uitspraak bevatte echter een voorbehoud, een bron van nieuwe moeilijkheden: “. . . . dat door deze verklaring geenszins zal kunnen worden verstaan, dat den reclamanten enig recht wordt erkend op zodanige aanwassen aan dezelve gronden, waardoor die van nu af aan eene meerdere uitgestrektheid, dan hierboven is vermeld, zouden verkregen hebben of in het vervolg zullen verkrijgen.” Het domeinbestuur restitueerde zelfs vanaf 1814 tot 1826 het deel van de pacht, waarop de heren recht hadden. 30 Het staartje van de kwestie kwam in 1843 te voorschijn bij de bedijking van de Hollarepolder (zie aldaar); dit geschil is uiteindelijk in minnelijk overleg geregeld.
In 1820 had een landmeter alle schorren en aanwassen van de heren gemeten; hij bevond onder Oud Vossemeer 31 gemeten en 161 roeden; onder Nieuw Vossemeer 326 gemeten en 129 roeden. 31 Delen hiervan zijn in latere bedijkingen opgegaan.
Nauw verwant met het aanwasrecht is de kwestie over de gronden van de voormalige forten Oranje en Maurits, op de oever van de Eendracht onder Nieuw Vossemeer gelegen. De forten waren reeds lang niet meer in gebruik; de overgebleven aarden wallen hadden de ambachtsheren sinds 1795 zonder meer in de verpachting van de dijkettingen opgenomen. Hiertegen was nooit verzet gerezen. In 1842 kondigde het bestuur van de domeinen plotseling aan, dat de gronden van de forten vanwege het domein verpacht zouden worden. De heren van Vossemeer protesteerden tegen dit voornemen en besloten een geding aan te spannen, indien de domeinen de verpachting doorzetten. 32 Hierop bond het domeinbestuur enigszins in; het schreef aan de heren, dat het niet in de bedoeling had gelegen hun rechten te schenden, doch het nam ook niet aan, dat de heren zich rijksgronden wilden toe-eigenen. Daarom stelde het voor, dat in minnelijk overleg een grensafbakening zou plaats vinden. De voorzitter van de raad van beheer schreef terug, dat het ambacht volledig recht had op de gronden, die voorheen tijdelijk en zander enige vergoeding door de staat in gebruik waren genomen en sinds lang, in elk geval al meer dan 30 jaren, door het rijk weer verlaten waren. De heren zouden slechts wijken voor klare bewijzen van de domeinen. 33 In 1848 bracht het domeinbestuur de geschiedenis van de forten ter tafel. Het fort Oranje is op 27 april 1619 publiek aanbesteed en het werd gebouwd op de plaats, waar voorheen een fort “Zes Pond” genaamd had gelegen. Het fort Maurits is in 1620 aanbesteed en in de plaats gekomen van het vroegere fort “Groten Dorst”. Tezelfdertijd zijn de gorzen rond die forten door het rijk verbeterd. De forten zijn gelijk met de versterkingen Zeeland en Nassau gebouwd. De werken hebben een aanzienlijke som van 14.111 pond gevergd. De ontvanger van de domeinen stelde hierop voor, dat de ambachtsheren de gronden tegen verkoopwaarde zouden overnemen. De heren aanvaardden alles wat het domeinbestuur aan feiten naar voren had gebracht, doch zagen er niet het minste bewijs in, dat de gronden van het rijk waren. 34 In 1850 berichtte het domeinbestuur, dat de gronden bij het kadaster op naam van de ambachtsheren waren gesteld. 35 In deze jaren was de strijd tussen het domeinbestuur en de heren van Vossemeer op alle fronten aan de gang. Het domeinbestuur maakte aanspraak op de eigendom van een grote lap grond in de Hollarepolder; het legde de hand op een plaat in de rivier en sloeg een begerig oog op alle aanwassen en schorren. De geschillen en processen vielen niet altijd in het voordeel van de heren uit. In verband met de voorgenomen omkading van het Rammegors hadden de heren een dam door het Stinkgat laten leggen, zogenaamd om een verbinding te hebben tussen de schorren van de Hollarepolder en het Rammegors, in werkelijkheid misschien eer om de schorren vóór de Hollarepolder beter te doen aanwassen. Het domeinbestuur had evenwel de eigendom van het Stinkgat en gaf in 1850 bevel, die dam weg te ruimen, volgens zijn zeggen zonder voorkennis van de bevoegde autoriteiten gelegd. Die dam was echter opgeworpen in overleg met en op advies van de Hoofdingenieur van de Waterstaat in Zeeland. Overigens waren onderhandelingen aan de gang tussen de eigenaren van het Rammegors en het domeinbestuur inzake de overname van het Stinkgat; als die een goed resultaat hadden, zou de dam geen kwestie meer vormen. De heren besloten alvast af te zien van de slikken in het Stinkgat. Inmiddels openden zij onderhandelingen met de eigenaren van de Rammegors, teneinde bij een eventuele bedijking hun rechten veilig te stellen. 36
Deel van een kaart van Nicolaes Geelkerk, ca. 1630, met de ligging der forten onder Nieuw Vossemeer

Deel van een kaart van Nicolaes Geelkerk, ca. 1630, met de ligging der forten onder Nieuw Vossemeer. Naar een kaart uit het gemeentearchief van Bergen op Zoom.

Bij vonnis van 25 februari 1851 wees de rechtbank te Zierikzee de
eis van het domeinbestuur toe. De heren tekenden appèl aan bij het Hof van Zeeland, dat evenwel het vonnis van Zierikzee bevestigde. 37 Het beroep op de Hoge Raad viel eveneens verkeerd uit; de heren moesten de dam opruimen en bijna fl. 2500,- aan proceskosten betalen. 38 Kort daarna kwam met de bedijkers van het Rammegors een accoord tot stand over de aansluiting aan de Hollarepolder, zodat de dam door het Stinkgat dubbel door de feiten is achterhaald. In dit geval heeft het domeinbestuur een vrij onbelangrijke kwestie op de spits gedreven, die zich trouwens vanzelf zou hebben opgelost.

In 1851 nam de Hoge Raad een beslissing, die de kwestie van de aanwassen in een nieuw licht stelde. Het domeinbestuur had voortdurend beweerd, dat volgens de Code Napoléon en het decreet van 1811 de eigendom van alle aanwassen en schorren, vóór de rivierpolders gelegen, aan de staat toebehoorde. De tot dusver gevoerde rechtsgedingen waren echter steeds in het nadeel van het domeinbestuur beslist. De Hoge Raad werd voor de eerste maal gevraagd over dit “gewichtige vraagstuk” een uitspraak te doen. In zijn arrest bevestigde hij de jurisprudentie van de gerechtshoven. Deze beslissing is voor veel ambachtsheerlijkheden in Zeeland van belang geweest. Na 1851 ziet men het domeinbestuur dan ook voorzichtiger en minder radicaal optreden.
Des te merkwaardiger is de zaak van de Plaat. Tegen het einde van de 18e eeuw had zich in de buurt van het fort Oranje een zandplaat gevormd, waaraan de heren van Vossemeer aanvankelijk weinig aandacht schonken, omdat zij weinig cultuurgrond bevatte. In 1850 verpachtte het domeinbestuur deze plaat, waartegen de heren protest indienden; zij gingen overigens gewoon door met het gebruik van de Plaat. Het door het domeinbestuur bij de arrondissementsrechtbank te Breda aangespannen proces viel ten nadele van de heren uit. Bij vonnis van 21 november 1854 wees de rechter de Plaat aan de domeinen toe; de heren van Vossemeer dienden zich te onthouden van elke bezitsdaad. Tegen dit vonnis gingen zij in beroep. Het Provinciaal Gerechtshof in Noord-Brabant, dat op 22 juni 1858 uitspraak deed, gaf een uitvoerige motivering van zijn beslissing. De heren van Vossemeer hadden aangevoerd, dat de plaat oorspronkelijk met de westelijke oever van de Eendracht verbonden was, doch dit kon het Hof niet aannemen, daar het door getuigen en door het voorhanden zijnde kaartenmateriaal werd tegengesproken. Zij beriepen zich op hun ambachtsheerlijk recht, dat door het domeinbestuur niet werd erkend, doch dat volgens het Hof wel degelijk in ogenschouw moest worden genomen, als aan andere voorwaarden was voldaan. De rivier de Eendracht moet beschouwd worden als een vlotbare rivier, die in eigendom aan de grafelijkheid gebleven was, zelfs als de rest van de heerlijkheid in leen werd gegeven. Een in die rivier opgeworpen eiland is derhalve aan de staat gebleven. De Plaat vormt feitelijk één geheel pet de gronden van het voormalige fort Oranje, die in 1826 als een bezit van de heren zijn erkend. Men kan zich afvragen, of de heren die gronden rechtens bezitten; zij hebben zich in het bezit ervan gesteld, wat tenslotte door het domeinbestuur maar is gedoogd. Volgens het decreet van 1811 behoort de Plaat tot de “lais et relais de la mer”, omdat zij dagelijks door de vloed wordt bespoeld. Het Hof maakte onderscheid tussen het domein van de kroon (graaf ) en het domein van de staat. De rivier zelf moet tot het domein van de staat gerekend worden. Overigens is de heren in 1555 het leggen van een dam door de Eendracht verboden, waardoor duidelijk is, dat zij reeds toen geen onvoorwaardelijke eigendom van het water van de Eendracht hadden. De Plaat was bij haar vorming door een arm van de rivier afgescheiden van de oever; zij is derhalve uit haar bedding opgekomen. Op deze motieven bevestigde het Hof het vonnis van de rechtbank. In 1860 werd over de gronden van de Plaat en fort Oranje een definitieve grensregeling getroffen tussen de heren en het domeinbestuur. 39 De heren hielden de achterdeur wijd open! In de hoop dat zij de Plaat toch nog eens zouden bemachtigen, sloten zij met de pachter van het domein een overeenkomst, teneinde te bereiken, dat het schor in hun geest en in hun belang gebruikt en onderhouden zou worden. Daarvoor betaalden zij hem zelfs enige jaren. 40 Opmerkelijk is, hoe een oude zaak, in 1555 door de heren ten onrechte verloren, een beslissing uit de 19e eeuw mede heeft bepaald. Van de oorsprong af is de Eendracht geen vlotbare rivier geweest; dat is zij pas geworden, toen door diverse bedijkingen, aan twee kanten van de heerlijkheid begonnen, de vroegere buitenwateren werden ingeperkt tot een smal restant, dat redelijkerwijs als een arm van de Schelde kon worden beschouwd. Hadden de heren van Vossemeer een ander bedijkingsplan gevolgd, bijvoorbeeld het land van Oud Vossemeer systematisch uitgebreid en niet te vroeg begonnen met de bedijkingen aan de Brabantse kant, dan was de Eendracht waarschijnlijk vanzelf, en zonder dat er spektafel over viel, tegen de hogere gronden weggedrukt. Wat de heren hadden kunnen doen, heeft als beschouwing achteraf niet veel zin. Toch mag er op geattendeerd worden, dat het argument van het Hof historisch niet sluit. Bij de uitgifte van de ambachtsheerlijkheid heeft de graaf van Holland zich de Eendracht beslist niet gereserveerd, wijl zij in haar latere vorm niet eens bestond. Het grondgebied van, de heerlijkheid, aan alle kanten gesloten, heeft hij onvoorwaardelijk aan de heren van Vossemeer gegeven.

Enige jaren na de afloop van deze zaak diende het domeinbestuur aanspraken in op de schorren ten oosten van de Hollarepolder. 41 Ten noorden van de Hollarepolder had het paaltjes laten plaatsen met het opschrift “Rijksdomein”. De raad van beheer liet er terstond andere paaltjes inslaan met het opschrift: “Ambachtsheren van Vossemeer en Vrijberghe”. Beide partijen protesteerden tegen elkaar. De heren namen echter aan, dat over die paaltjes geen apart proces gevoerd zou worden. 42 Voor de arrondissementsrechtbank te Zierikzee liep deze zaak ongunstig voor de heren af. Het Gerechtshof in Zeeland beval, met vernietiging van het vonnis der rechtbank, een getuigenverhoor. Dit vond in het begin van 1869 plaats. Door de uiteenlopende getuigenissen van beide zijden kwam de zaak van de ambachtsheren er niet beter voor te staan; zij vreesden zelfs haar geheel te zullen verliezen. 43 Het goede toeval zorgde echter voor een oplossing. In 1871 had de staat de heren nodig bij de voorgenomen (tweede) afdamming van het Slaak. De minister van financiën benoemde een commissie tot regeling van de zaken tussen het rijk en de verschillende eigenaren. Van de heren van Vossemeer had de staat de vergunning
Zicht op de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Zicht op de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

nodig, om de dam aan de dijk van de Herenpolder aan te sluiten, en de dijk als een weg te mogen gebruiken. Tevens was van de ambachtsheerlijkheid een perceel slik van omstreeks 30 hectaren nodig. Daartegenover kreeg de ambachtsheerlijkheid bepaalde voordelen door de afdamming. De gevraagde slikken wilden de heren wel afstaan; die waren toch van weinig nut. Wel grepen zij deze gelegenheid aan om over bepaalde gronden, die door het domeinbestuur nog betwist werden, eindelijk klaarheid te krijgen. In het noordwesten van de Hollarepolder wensten zij in het bezit van enige gronden te komen, dit met het oog op een volgende bedijking. Tevens wilden zij de kwestie over de schorren ten oosten van de Hollarepolder beëindigd zien. Aan Van Haaften was reeds een concessie tot bedijking verleend, doch de zaken rakende aan deze voorgenomen bedijking konden beter opgeschort worden totdat de concessie verlopen was, waarop meerderen zaten te wachten. 44 De minister nam het voorstel aan, behalve het punt, waar de heren gronden hadden gevraagd ten noorden van de Van Haaftenpolder. 45
Uit deze zaak, die zo haar beslag kreeg, is een definitieve grensregeling gevolgd tussen de gronden van het domein en die van de ambachtsheerlijkheid. Een eerste voorstel werd in 1895 opgemaakt. Beide partijen vonden het raadzaam, niet alleen de gronden tegen de Slaakdam, doch alle schorren langs de Eendracht daarin te betrekken. 46 De minister keurde het concept goed, dat in enige kleine details door de heren was verbeterd. 47 Als het ware op de valreep deed zich nog een moeilijkheid voor. De minister meende, dat het contract bij Koninklijk Besluit kon worden goedgekeurd. De raad van beheer, erg wantrouwig tegenover het domeinbestuur, gaf aan een goedkeuring bij de wet de voorkeur, 48 doch ten slotte zag hij hiervan af. Het Koninklijk Besluit is op 30 juli 1897 getekend. 49 Sindsdien zijn er over de aanwassen geen geschillen meer ontstaan.
In 1869 vroeg Mr. G.J. Pické het recht van aanwas van zijn landerijen in de Karnemelkpot te mogen afkopen. Het betrof een kreek, die tussen zijn landen lag; samen met de visserij wilde hij de aanwas kopen. De vergadering schatte de waarde ervan op 1 gulden per jaar; 50 het volgend jaar is de betreffende acte gepasseerd. 51

13. TIENDEN
Onder tienden verstaat men het tiende deel van de opbrengst der veldvruchten en der pasgeboren dieren, dat door de eigenaars oorspronkelijk aan de eredienst en diens priesters moest worden afgestaan. Reeds in het Oude Testament was aan de Joden opgedragen de tienden te geven; de Joodse wet beschouwde het tiende deel het eigendom van Jahwe. Aan deze wet voldeed men ook door de schuld af te lossen tegenover de Levieten, vreemdelingen, weduwen en wezen. Het algemene beginsel heeft zich in de christelijke kerk gehandhaafd. Aanvankelijk was het hier niet dwingend opgelegd, doch alleen sterk aanbevolen. In het westen zijn de tienden in de Karolingische periode vrijwel overal als een strikte plicht voorgeschreven; toen kwamen zij uitsluitend ten goede aan de bisschoppelijke of plaatselijke kerken. Nadien is in tal van gevallen van de oorspronkelijke bedoeling in zoverre afgeweken, dat in de Middeleeuwen de tienden niet altijd aan de kerk ten goede kwamen, doch dat de landsheer, een ondergeschikte leenman of zelfs een particulier het tiendrecht uitoefende. Een en ander is sterk in de hand gewerkt door het instituut der eigenkerken; indien een leek uit eigen middelen een kerk stichtte en een parochie onderhield, kwamen hem ook rechtens de tienden toe. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat deze betrekkelijk rijke inkomsten zeer dikwijls aanleiding hebben gegeven tot toe-eigening, diefstal en bedrog, en een oneindig gekrakeel.
De opbrengst van de veldvruchten noemde men de grove of grote tiende of zaadtiende; van andere producten de smalle tiende; van de beesten heette zij de krijtende tiende; novale (nieuwe) tienden, als het ging om pas ontgonnen land of om nieuwe producten, die voorheen nog niet vertiend waren. In Holland behoorden de tienden slechts dan tot het ambachtsgevolg, als zij door de graaf uitdrukkelijk waren verleend. In Zeeland werd over het algemeen niet alleen de jurisdictie aan de ambachtsheren gegeven, doch de volle eigendom van de grond, waaruit volgens sommigen het recht op de tienden direct werd afgeleid. In de practijk heeft het feit misschien betekenis gehad, dat een deel van Zeeland onder het bisdom van Luik ressorteerde. Waarschijnlijk was de bisschop van Luik niet tot in details op de hoogte met al hetgeen de graaf van Holland deed in het gebied, dat eeuwen lang de diaspora van het bisdom is geweest. Voor Vossemeer zijn de tienden in de uitgiftebrieven van 1410 en 1415 met name genoemd, zodat het recht van de heren in elk geval vaststaat. In de rekeningen van de ambachtsheerlijkheid vindt men elk jaar de opbrengst van de tienden gespecificeerd opgegeven. Al staat het niet met zoveel woorden in de uitgiftebrieven vermeld, toch kunnen wij het tiendrecht eerder van het kerkrecht afleiden dan van een ander heerlijk recht.
Er zijn aanwijzingen, dat de heren van Vossemeer het tiendrecht niet terstond en niet over hun hele gebied hebben uitgeoefend. Misschien heeft de graaf van Holland zich bepaalde inkomsten uit de tienden gereserveerd, al staat dit niet in de uitgiftebrieven vermeld. In de grafelijke rekening van het domein en de bede van Beoosterschelde van het jaar 1466/67 vindt men een post van ontvangst vermeld uit de tienden van Vossemeer, 1 die blijkens het opschrift van het hoofdstuk al in 1402 aan hertog Aelbrecht toebehoorden. In de voorafgaande rekeningen is deze tiende vermeld als die van de “Oestmare”. Dit wijst er op, dat voor de eerste bedijking van Vossemeer de graaf al enig profijt uit het land genoot. Vrijwel zeker heeft hij de lammertiende gehad van het vee, dat regelmatig op het gors graasde. Daar staat tegenover, dat de heren van Vossemeer lange tijd geen tienden hebben genoten in de Oud Vossemeerse Polder. Dit feit kan echter ook op een andere manier verklaard
Zicht op de molen van Tholen. Foto: F. van Rosevelt, U.S.A.,1967

Zicht op de molen van Tholen. Foto: F. van Rosevelt, U.S.A.,1967

worden. Aan de hand van de oorkonde van Gillis van Wissenkerke uit het jaar 1433 (toen de Kerkpolder nog niet bestond!) zou men weer moeten besluiten, dat de heren wél tienden in het oudland van Vossemeer hadden; bij de nieuwe bedijking reserveerden zij zich het tiende lam, de elfde schoof van de veldvruchten of de elfde maat van alles wat gedorst werd. 2 Met zekerheid is hier niets uit te maken, omdat geen nauwkeuriger gegevens bewaard zijn gebleven.
In de oudste rekening van 1491/92 staan de toen geldende korentienden beschreven. 3
Zij werden geheven: in de Kerkpolder in 6 percelen; in Slabbecorne, in het Karnemelkland; in de Onze Vrouwenpolder of de Hikke; in Kijkuit over het water. In totaal brachten zij ruim 78 pond op, meer dan het dubbele van de verpachting der dijkettingen. Later spreken sommige stukken wel van de tienden in Oud Vossemeer of in het Oostland, 4 doch dan blijkt uit details, dat toch de Kerkpolder is bedoeld, die tegenover de nieuwe landen met “oud” wordt aangeduid.
Wanneer in 1492 de eerste (bewaarde) resoluties beginnen, zijn de heren in een proces verwikkeld met het kapittel van de O.L.Vrouwekerk van Tholen, welk proces al voor de Hoge Raad van Holland had gediend en nu beslist zou worden door de abt van St. Geertrui te Leuven. Een ander proces was de heren aangedaan door het kapittel van de kerk te Bergen op Zoom, dat te Diest in behandeling was bij de fiscaal van het bisdom Luik. De heren droegen Ydo Jacobs op, in deze processen hun zaken te behartigen; hij was er al meer dan twee jaren mee bezig geweest. 5 Ondertussen gingen de heren voort met het verpachten van de tienden; die in de Hikke bracht 23 pond op; die van Kijkuit over het water 12 pond. Hier en in veel gevallen spreekt de resolutie over de ‘verkoop’ van de tienden, doch er werd verpachting bedoeld. De huurders boden een som ineens, die zij aan de rentmeester betaalden. Hiervoor hadden zij het recht voor eigen profijt de tienden te innen of te garen overeenkomstig de heersende voorschriften.
Het proces met de beide kapittels bewoog zich voornamelijk rondom de kwestie, of de heren, van Vossemeer de nieuwe tienden in de pas bedijkte landen aan zich mochten trekken. De kerken beweerden, dat zij er recht op hadden, wijl de tienden oorspronkelijk een kerkelijke inkomst was; waar nieuwe tienden ontstonden, kon nog geen vervreemding hebben plaats gehad. Vanzelfsprekend sleepte deze vraag een aantal nevenkwesties met zich mee. Zo wilde het kapittel van Tholen zijn aanspraken doen gelden op het gehele land van Vossemeer, omdat dit als een parochie onder de moederkerk van Tholen ressorteerde. Het kapittel van Bergen op Zoom meende recht te hebben op de tienden in Nieuw Kijkuit, welke polder volgens het kapittel onder de parochie Halsteren behoorde. Het proces, althans de bewaard gebleven stukken, spitste zich een tijdlang toe tot de vraag, wat nu precies onder het land van Vossemeer viel. In Zeeland was het gebruikelijk dat de pastoor van alle nieuwe landen het 100e gemet kreeg; in Vossemeer was deze regel nog niet toegepast, zodat het kapittel van Tholen ook dit verzuim wenste te doen herstellen. Wij zullen het gehele proces niet op de voet volgen, doch enkele markante punten eruit vermelden. 6 Het kapittel van Bergen op Zoom had al eigenmachtig gepoogd de tienden in Kijkuit te garen, doch de rentmeester van Vossemeer had dit tijdig weten te verhinderen. Misschien was het hier en daar gelukt op de landerijen van sommige ingelanden, doch op de 100 gemeten van de heren waren de gaarders van het kapittel met harde hand verdreven. 7 Hierbij had Helmich van Doornik, een heer van Vossemeer, zich bijzonder verdienstelijk gemaakt. 8 Achteraf gaf het kapittel toe, dat het dit niet had mogen doen, doch het stelde dit voor als een demonstratie van zijn recht. Voor de kerk van Bergen op Zoom kwam Johannes Lachart op, toentertijd pastoor van Halsteren, die persoonlijk belang bij de zaak had.
Sommige getuigen gaven toe, dat de pastoor van Halsteren inderdaad lammertiende van Kijkuit genoten had, doch dit zegt in feite niets bij een zo beweeglijk object als een kudde schapen; de herders waren mensen van Halsteren, die vóór de bedijking hun kudden wel eens op het gors van Kijkuit dreven, doch misschien in Halsteren de lammertiende voldeden. 9
Op de vraag of Kijkuit onder Brabant of onder Zeeland hoorde, wisten de meeste getuigen geen duidelijk antwoord te geven. In plaats van de tienden hadden de heren van Vossemeer voor de pastoor het 100e gemet gereserveerd; 10 volgens het gebruik in Zeeland hadden de heren wel degelijk het recht van de kerk geëerbiedigd. Waarschijnlijk hebben zij dit pas ter elfder ure gedaan. Door de Grote Raad van Mechelen was het geschil ten aanzien van de grafelijke lenen verwezen naar het Hof van Holland, ten aanzien van de novale tienden naar de officiaal van Luik. 11 Dit laatste proces begon in februari 1493.
Het lijkt er op, dat de beide kapittels de hoofden bij elkaar hebben gestoken; bij slot van rekening gaven zij de voorkeur aan een accoord met de heren van Vossemeer, liever dan te wachten op de onzekere uitslag van het proces. Op 7 october 1493 sloten de heren een overeenkomst met het kapittel van Tholen; het proces zou echter voortgang vinden. 12
Voor het gemis van de tienden wilden de heren jaarlijks 12 pond aan het kapittel betalen; dit erkende geen verdere rechten te hebben of eisen te stellen. Deze afstand van verdere aanspraken moest door de paus bekrachtigd worden. Bij een nieuwe bedijking zou het kapittel wel het 100e gemet krijgen. Vanzelfsprekend hield de kwestie nauw verband met de gehele verhouding tussen de heren en het kapittel inzake de verzorging van kerken parochie. In de loop van 1494 kreeg het geschil een enigszins vreemde wending, toen Ydo Jacobs, de gemachtigde van de heren, overleed en diens weduwe en kinderen, die nergens van wisten, door de officiaal van Luik voor zijn rechtbank werden opgeroepen. Door een nieuwe volmacht kon dit rechtgetrokken worden. 13
In 1497 gaven de beide kapittels te kennen, dat zij het geschil wensten te beëindigen. 14 De aangewezen arbiters hebben op 15 juli van dat jaar uitspraak gedaan. 15 Uit het nader accoord, dat met het kapittel van Tholen op 21 juni 1500 werd gesloten, blijkt dat de heren voet bij stuk gehouden hebben; zij waren niet ongenegen de kerk en de pastoor mede te onderhouden, doch meer heeft het kapittel niet bereikt. 16 Blijkens de rekening van 1492/93 hadden de partijen scherp tegenover elkaar gestaan. In dat jaar waren de heren van Vossemeer zelfs in de
Naar een gravure uit de collectie van het gemeentearchief te Bergen op Zoom

Naar een gravure uit de collectie van het gemeentearchief te Bergen op Zoom

kerkelijke ban gedaan, waarschijnlijk niet door een persoonlijke excommunicatie, doch was een interdict op het land van Vossemeer gelegd. Dit hield in, dat er geen godsdienstoefeningen meer gehouden mochten worden. Heer Willibrord, een priester van Vossemeer, had toch de mis voor de heren gedaan. Hiervoor moest hij aan de fiscaal van het bisdom Luik een boete betalen, omdat deze hem niet in Rome had aangebracht, wat hij eigenlijk had moeten doen. De heren restitueerden hem de boete.
Het kapittel van Bergen op Zoom was nadien niet geheel tevreden met het resultaat en sloot op 27 juni 1502 een nieuw accoord met de heren, dat zijn baten op ruim 2 pond per jaar bracht. 17 Voor de tienden van Kijkuit kreeg het een jaarrente van enige ponden. Vermoedelijk hebben de heren van Vossemeer in deze zaak terdege gebruik gemaakt van de “verdeel-en-heerstactiek”. De heren hebben nog jaren gewacht op de pauselijke bevestiging van het accoord met de kerk van Tholen. 18 Deze is blijkbaar niet gekomen; in 1513 wordt er in de vergadering voor de laatste maal over gesproken. 19
Na de herdijking van de Hikkepolder, in 1561 voltooid, sloot het kapittel van Tholen over de tienden in deze polder een aanvullend accoord met de heren. 20 Boven de 3 kronen voor elk 100e gemet, die voorheen golden als afkoopsom van de tienden, zouden de heren aan het kapittel nog 3 pond als erfpacht geven voor alle gemeten in de nieuwe polder als tienden en voor het parochierecht. Deze som is slechts een korte tijd betaald. Na de bedijking van Nieuw Vossemeer verpachtte de rentmeester er in 1567 de tienden in 14 percelen. 21 van een verrekening met het kapittel blijkt niets. Toen in Tholen de kerkorde was verzet, staakten de heren terstond de betaling aan het kapittel onder het motief, dat op 2 october 1578 de kerk van Tholen teniet gegaan, het kapittel verdreven en zijn goederen voor de gemene zaak in beslag genomen waren. Zodoende was het doel van deze betaling verdwenen, namelijk het onderhoud van de pastoor van Vossemeer. 22 Doch het volgend jaar werden de heren door de Staten van Zeeland gesommeerd en met gijzeling bedreigd, zodat zij de bijdrage weer gaven. 23 In 1581 besloten de heren het kapittel van Bergen op Zoom de 12e penning te korten op de betaling voor de tienden. 24 De reden hiervan is uit de resolutie niet op te maken; waarschijnlijk oordeelden de heren het billijk de hoge lasten evenredig te verdelen. Tegen het einde van de 16e eeuw zijn de uitkeringen aan de kerken stopgezet of vanwege de woelingen in het vergeetboek geraakt.
In 1602 eiste de rentmeester van de geestelijke goederen in het kwartier van Bergen op Zoom de betaling voor de rente van 13 ksg. per jaar voor de tienden van Kijkuit, die sedert 1581 niet meer was betaald. Dat de heren sedert de overstroming van de polders in 1581 geen profijt meer hadden gehad van Nieuw Vossemeer, vonden zij reden genoeg om de betaling te weigeren. 25 In 1615 en 1616 kwam de rentmeester op de zaak terug. De heren verzochten hem de oorspronkelijke oorkonde over te leggen, doch dat kon hij niet, omdat de roomse geestelijken indertijd alle stukken meegenomen hadden. Op zijn dringend betoog erkenden de heren van Vossemeer toch de verplichting; zij droegen de rentmeester op, de rente vanaf de tijd der troebelen te betalen, doch daaraan te korten wat van die som redelijkerwijs voor de herdijking kon worden afgetrokken. 26 In 1624 is voor de betalingen aan het voormalig kapittel van Tholen een nieuw accoord gesloten, dat in 1627 en 1631 door de Staten van Zeeland bekrachtigd is. 27
In 1706 trachtte de rentmeester van de geestelijke goederen nog een afzonderlijke betaling te verkrijgen voor de nieuwe Eendrachtspolder; 28 enige tijd komt een zodanige memoriepost in de rekeningen voor met de aantekening, dat de rentmeester er niet meer over aangesproken wordt. 29 De betalingen voor het voormalig kapittel van Bergen op Zoom zijn in de loop van de 18e eeuw toch weer hervat. In 1806 werden de beide geestelijke renten door de ambachtsheerlijkheid afgekocht. 30
In 1509 ontstond er een geschil tussen de heren en Jacob van Domburch als man en voogd van Agnes van den Werve over een 1/12 aandeel in de heerlijkheid. 31 Volgens de bewoordingen van de stukken ging het eveneens over een gelijk deel in de tienden. Hoe het afgelopen is, vermeldt het archief niet. In elk geval fungeert Jacob in de zomervergadering van dat jaar als heer van Vossemeer. In hetzelfde jaar is sprake van de kaveling der tienden, 32 die door enige heren moest geschieden. Te oordelen naar de details, die hierover in 1510 gegeven worden, 33 werden de tiendblokken aan de heren toegewezen, waarbij ieder in zijn kavel de opbrengst kreeg; men spreekt er dan ook over, dat ieder zelf moest boekhouden. In 1519 stuurden de heren een medeheer en de rentmeester naar den Haag, om daar bij de leen- en rekenkamer de bevestiging te vragen van het tiendrecht, dat zij eertijds van de graaf hadden gekocht. 34 Van een bijzondere aanleiding blijkt niets; wel dat de heren zich wensten te wapenen tegen nieuwe moeilijkheden.
Sinds het begin van de 16e eeuw heeft de leen- en rekenkamer van Holland de verheffing van het leen van Vossemeer, dat immers een gemeenschappelijk bezit van meerderen was, opgevat en uitgegeven als een belening met de tienden. Voor de leenmannen van de grafelijkheid in Tholen deed Jacob Willemszoon van Scengen in 1525 afstand van een 1/12 deel van de tienden van Oud en Nieuw Vossemeer. 35 Hij droeg deze over aan Gillis van Borre, klerk van de rentmeester van Beoosterschelde. Volgens de letter van de wet en oorkonde gaf Jacob het leen terug aan de graaf, die er Gillis mee beleende. Enige maanden later maakte de leenkamer de leenbrief voor Gillis op. Hij moest zijn leen verheergewaden 36 met een paar witte handschoenen. In zijn naam accepteerde Willem de Buyk Janszoon het leen, doch Gillis zou het binnen het jaar persoonlijk moeten verheffen. 37 In dit geval is het vrijwel zeker, dat de leenverheffing betrekking had op een normaal aandeel in de ambachtsheerlijkheid, ofschoon in de leenbrief alleen de tienden zijn genoemd. Merkwaardig is wel, dat Gillis van Borre en zijn neef Jeronimus van Borre, die hem in 1553 in dit deel opvolgde, 38 in andere stukken van het archief niet als heren van Vossemeer voorkomen. Het is bekend, dat sommige heren zich tevreden stelden met het incasseren van hun aandeel in het batig slot, en dat zij verder geen contact met de ambachtsheerlijkheid hadden. De zoon van Jeronimus van Borre heeft vanaf 1596 meer belangstelling getoond.
In 1529 waren de tienden verhuurd in: Kerkpolder, Hikke, Oud Kijkuit, Slabbecorn, Leguit, Karnemelkland, Nieuw Kijkuit en Mattemburg. 40 Kort na de inpoldering werden de nieuwe landen in de tienden-adminstratie opgenomen, zodat deze opgaven een zeer goed beeld geven van de achtereenvolgende bedijkingen. Als een polder door het water verloren ging, kwam er een stagnatie in de opbrengst van de tienden; hij werd pro memorie in de rekeningen vermeld. Overigens konden de tiendplichtigen zich niet gemakkelijk aan het tiendrecht onttrekken. Zelfs ingeval van een overstroming, als toch duidelijk was dat er geen vruchten en derhalve ook geen tienden waren, stelden de heren er toch prijs op de ontheffing zelf te verlenen. 41
De heren van Vossemeer mochten geen tienden pachten; aldus is in 1534 besloten. Zelfs zijdelings zouden zij aan de verhuring geen deel mogen hebben. Wel mochten zij na de verpachting een of meer hoeken van een pachter overnemen 42 Dit was bepaald om te voorkomen, dat het persoonlijk voordeel van één heer een nadeel voor de gemeenschappelijke kas opleverde.
Het eerste duidelijke geval van vervreemding heeft zich in 1537 voorgedaan. 43 Wellicht is dit te verklaren uit de bijzondere omstandigheden van dat tijdstip. Het gehele land ging gebukt onder zware beden van de keizer. De ambachtsheerlijkheid van Vossemeer was in een proces verwikkeld over deze lasten, waarin zij op een bepaalde vrijdom aanspraak maakte. Anthonie van Doornik verkocht aan Mr. Jacob Croeser de volgende percelen tienden in de polder van Oud Vossemeer; een perceel van 13 gemeten, gelegen tegen de dijk van het Roland; een perceel van 13 1/2 gemet, gelegen ten oosten van het land van het klooster van Hildernisse; een perceel van 13 gemeten en 74 roeden; een perceel van 29 gemeten en 77 roeden; een perceel van 6 gemeten en 64 roeden, gelegen in de “Negen Lange Meen”. Deze percelen maakten in de gehele tienden van Oud Vossemeer een 1/13 deel uit, min 4 gemeten en 138 roeden. Anthonis van Wissenkerke, baljuw van Vossemeer, Cornelis Adriaanszoon en Pieter van Dalem, leenmannen van de graaf van Vossemeer, hebben de acte op verzoek van de verkoper mede bezegeld. De leenkamer van Holland bevestigde Mr. Jacob Croeser in het verkochte deel van het 1/12 deel van de heerlijkheid, dat Anthonis van Doornik van de graaf van Holland had.
Het lijdt weinig twijfel, dat hier een vervreemding van tienden heeft plaats gevonden. Anthonis van Doornik heeft tussen 1534 en 1562 zitting gehad als heer van Vossemeer, terwijl Jacob Croeser niet als heer bekend is. De eerste verkocht de tienden uit zijn aandeel, doch heeft de andere rechten van zijn portie in de ambachtsheerlijkheid behouden. In het begin van de 17e eeuw hebben de heren van Vossemeer deze tienden teruggekocht, die een tijdlang zijn verantwoord als de
Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

“Croesers-tienden”. Ook dan blijkt dat deze familie, waarin de tienden al minstens driemaal van eigenaar waren veranderd, 44 niet als een gewoon aandeelhouder in de heerlijkheid beschouwd mag worden.
In 1547 komt een ander deel van de tienden min of meer uit de lucht vallen. Voor de leenkamer van Holland verklaarde Elisabeth Blocx, dat zij aan Eeuwout Eeuwoutszoon Geldersman de volgende percelen tienden overdroeg: 1/10 deel van een 1/36 deel in het land van Vossemeer; 1/10 deel van de helft van een 1/31 deel; 1/10 deel van eenzelfde helft van een 1/31 deel; de tienden van de helft van een 1/24 deel; de tienden van de helft van twee 1/31 delen en een 1/54 deel “of daaromtrent”, zoals Elisabeth deze in vijf percelen van de graaf hield. Voor Eeuwout, die nog onmondig was, deed zijn oom Pieters Goris van Reimerswaal de verheffing; elk perceel moest verheergewaad worden met een paar witte handschoenen. In het jaar 1568 heeft Eeuwout Eeuwoutszoon zelf hulde gedaan. 45 Van deze personen is in de administratie der aandelen van de ambachtsheerlijkheid niets te vinden, zodat de mogelijkheid bestaat, dat deze tienden al langer vervreemd waren. De onderverdelingen, die haast niet meer te volgen zijn, tonen aan dat sommige aandelen tienden zeer versnipperd waren.
In het begin van de 17e eeuw waren al heel wat tiendblokken in particuliere handen. In 1614 vroeg de rentmeester Dallens aan de heren, evenals zijn voorgangers benoemd te worden tot rentmeester van deze tienden. De heren stemden hiermede in; zij gaven hem voor dit beheer de gebruikelijke emolumenten op voorwaarde, dat hij aan de tiendheren rekening zou afleggen. Blijkens de bewoordingen van het besluit waren deze tiendheren geheel of voor het grootste deel heren van Vossemeer; er bestond derhalve een onderscheid tussen de gemeenschappelijke tienden en die, welke sommige heren privé bezaten. Deze tienden moest de rentmeester verhuren op dezelfde voet en tegen dezelfde condities als de gemeenschappelijke tienden. 46
De Croesers-tienden besloten de heren in 1617 terug te kopen; de benodigde gelden werden geleend. 47 De rekening van dat jaar en de volgende jaren ontbreken, doch in 1625 wordt een ontvangst van aangekochte tienden ter grootte van 3/8 deel in de acht hoeken tienden van Oud Vossemeer ter somma van ruim 23 pond verantwoord, 48 terwijl de Oud Vossemeerse Polder in de rekeningen nog altijd bij de gewone posten der tienden ontbreekt. In de marge staat aangetekend, dat de rentmeester deze tienden moet laten verheffen bij het overlijden van de rentmeester Putter, die blijkbaar een ander deel ervan in bezit had. In 1628 is dit deel op naam gesteld van Huijbrecht de Putter. 49
Dat er nog diverse particuliere tienden waren, zagen de heren met lede ogen. In 1623 besloten zij, al deze partijen voor en na aan te kopen als een gemeenschappelijk bezit; de benodigde gelden zouden door de heren in overeenstemming met de grootte van hun aandeel gefourneerd worden. 50 Dit besluit had al direct succes, toen zij de hand konden leggen op een 3/8 deel tienden in de acht hoeken van Oud Vossemeer, in bezit bij de weduwe en erven van Cornelis Geerts Plancke, voor de som van 391 pond. 51 In 1632 werd op last van de Staten van Zeeland de ambachtsportie van Jhr. Gillis van Wissenkerke verkocht, die uit een 1/6 en een 1/36 deel bestond. Het daaraan vastzittende (?) 1/12 deel van de tienden inde acht hoeken van Oud Vossemeer kochten de heren voor gemeenschappelijke rekening aan. In dezelfde vergadering is aan de rentmeester opdracht gegeven, de tienden van Bartholomeus Gelijns Geldersman op de naam van Jhr. Van Boshuijsen te verheffen. 52 Het 1/36 gewone aandeel en de delen der tienden van Van Wissenkerke hebben de heren in 1633 aangekocht. 53 In 1634 namen zij het besluit, alle particuliere tienden aan te kopen, indien zich daartoe een gelegenheid
De kerk van Halsteren.

De kerk van Halsteren. Foto: A. Delahaye, 1968

voordeed. 54 Een gelijkluidend besluit van 1636 zegt, dat deze van de heerlijkheid “gedimembreerd” waren; de heren wisten derhalve nog zeer goed, dat zij voorheen vervreemd waren. 55 In 1654 moest de rentmeester informeren naar de opbrengst van zeven hoeken tienden, die Marinus Struijbe te koop had aangeboden; 56 in 1656 kreeg hij opdracht te proberen deze tegen een civiele prijs te kopen. 57 Kort nadien lukte dit; zij zijn op naam van de heer van Stavenisse gesteld. 58Terwille van de leenverheffing moesten deze nieuwe porties op één naam worden gesteld; de leenkamer nam geen genoegen met een inschrijving op de ambachtsheerlijkheid of de gezamenlijke heren. Tegen het midden van de 17e eeuw begint de tenaamstelling op bepaalde heren van delen der tienden. Dit was slechts een formaliteit. De delen tienden konden (doch dit was niet altijd het geval) evenredig zijn aan een normaal aandeel in de ambachtsheerlijkheid. Het is herhaalde malen gebeurd, dat een heer zijn vader in een ambachtsportie opvolgde, doch van een andere heer de tienden overnam. Aanvankelijk zagen de heren in deze tenaamstelling niet het minste gevaar. Doch in 1640 beslisten zij, dat wie gemeenschappelijke aandelen op zijn naam kreeg, hiervan een afstandsverklaring moest geven, die bij de andere leenbrieven bewaard zou blijven. 59 Zo verklaarde barones van Spangen in 1698, dat de tienden afkomstig van haar moeder en op haar overgeschreven geen werkelijk bezit van haarzelf waren, maar gemeenschappelijk eigendom van de heren van Vossemeer. 60 Voorheen hadden de heren een gerechtelijke acte verlangd, waarin de nieuwe leennemer zich verbond slechts zijn eigen portie uit deze tienden te vorderen. 61 Met dat alles hebben de heren en de rentmeesters van de aandelen en de tienden een onontwarbaar kluwen gemaakt. Aandelen en tienden waren aan elkaar verbonden, en ook weer niet. De porties zijn zelden gelijk. In verreweg de meeste gevallen hebben de rentmeesters vergeten te vermelden, wat gewoon deel en wat deel der tienden was. In 1743 blijken de heren eindelijk verstandig te zijn geworden, toen zij de rentmeester opdroegen, de tienden in een afzonderlijk register in te schrijven en nauwkeurig boek te houden, op wiens naam zij gesteld waren. 62 Dit vonden zij nodig voor het accuraat en tijdig verheffen van de lenen. Er zijn nog meer voorgenomen en gerealiseerde terugkopen van tienden geweest; het heeft niet veel zin deze in detail te vermelden, daar de besluiten alleen de namen van de eigenaars bevatten en nooit nauwkeurige gegevens. Wel lagen al deze tienden in de Oud Vossemeerse Polder. In de overige delen van de heerlijkheid hebben de heren de vervreemding weten tegen te houden. Blijkbaar hebben zelfs de tijdgenoten niet alle details over de tienden beheerst. In 1693 was er voor het Hof van Holland een proces gaande tussen de heren en de weduwe van Ds. Johan Snell over een 1/12 deel in de 12 hoeken tienden in de helft van 7 hoeken tienden in Oud Vossemeer. Deze hadden de heren gekocht van Geldersman. 63 Nadien wordt van dit proces niets meer vernomen, zodat aangenomen mag worden, dat de eigendom van de heren onaangetast is gebleven. Een nieuwe figuur trad in 1695 op. De heer van Coppendamme, heer van Vossemeer, wilde een 1/12 deel in de 12 hoeken en een 1/8 deel in de 8 hoeken van Oud Vossemeer, in zijn particulier bezit, ruilen tegen de erfpacht van enige stukken dijk. 64 Nadat de rentmeester nauwkeurig de opbrengsten van de beide partijen had berekend, stemden de heren in de ruil toe. 65 In de oude tijden werden de tienden direct geheven. De tiendheffer stuurde een gaarder naar de landerijen om samen met de landbouwer de schoven te tellen en elke tiende of elfde schoof op de tiendwagen te laden. Deze schoven werden naar de tiendschuur gebracht om gedorst te worden; het graan werd ten bate van de tiendheffer verkocht. Doch in de meeste gevallen voelde de tiendheffer meer voor het verpachten van de tienden. De tiendplichtigen op hun beurt wilden hun graan zelf houden en betaalden de pachter de dagprijs van de tienden. In 1619 werden twee heren van Vossemeer aangewezen om elk seizoen de velden na te gaan en te taxeren hoeveel de verpachting van de tienden kon en moest opbrengen. 66 Het bleek een verstandige maatregel te zijn. Het volgend jaar gaf de vergadering aan Jhr. Boshuijsen een gratificatie van 50 gulden, omdat hij de tienden tot de hoogste waarde had opgevoerd. 67 In 1724 besloten de heren de tienden niet meer tegen opbod te verpachten, doch vooraf te doen taxeren en op een minimumprijs te zetten. 68 Eens had de rentmeester enige hoeken tienden gepacht. Enige uren na de gunning werden de veldvruchten in zijn kavel door hagel vernield. Van de heren kreeg hij een tegemoetkoming van 20 Zeeuwse rijksdaalders. 69 In 1794 had een landbouwer in een stuk mede bonen geplant. Die werden weggevoerd zonder dat zij vertiend waren. De rentmeester protesteerde en het gerecht stelde hem in het gelijk. Doch de heren namen een ander standpunt in. Vruchten van een dubbele cultuur waren niet in de verpachting der tienden begrepen, doch de heren behielden zich het recht voor deze in natura te doen innen. 70 Delen van tienden, in het bezit van de raadsheer Turcq, waren in 1738 nog niet naar de ambachtsheerlijkheid teruggekeerd. De rentmeester kreeg opdracht te trachten deze aan te kopen. 71 In 1752 kochten de heren van Vossemeer zes hoeken tienden aan in de Oud Vossemeerse Polder, in het bezit van de heren van Vrijberghe, voor de som van 1000 pond. 72 In 1760 was een nieuwe kaart van Oud Vossemeer gemaakt, die bij de vergadering van 1761 in de rechtkamer prijkte. De rentmeester kreeg opdracht, in het vervolg de tienden te administreren volgens deze kaart, zodat er geen verwarring en vervreemding meer zou geschieden. 73 Hierop afgaande zou men zeggen, dat de heren alle tienden weer in hun bezit hadden. De latere gegevens wijzen trouwens uit, dat er toen en nadien geen particuliere tienden meer in Vossemeer bestonden.
Na de omwenteling van 1795 heeft de ambachtsheerlijkheid meermalen op haar grondvesten geschud, doch merkwaardigerwijs is er over de tienden geen enkel rumoer ontstaan. Wel vervielen de leenverheffingen van de lenen en derhalve die van de tienden, zodat er tenslotte in de loop van de 19e eeuw ook meer klaarheid komt in de aandelen der heerlijkheid. Keizer Napoléon bepaalde in 1811, dat op de tiendheffing een deel gekort zou worden, teneinde de gebruikers tegemoet te komen in de grondlasten. 74 De heren hadden hier geen bezwaar tegen; in overleg met een groot aantal tiendheffers in Zeeland stelden zij nieuwe richtlijnen vast. In het vervolg wilden zij de tienden zonder inzet en verhoging verpachten; 75 dat wil zeggen, dat zij de verpachtingen bij afslag dachten te doen. De tienden betekenden nog altijd een flinke bron van inkomsten. In 1817 brachten zij op: in Oud Vossemeer fl. 3682,-; in Nieuw Vossemeer fl. 4450,-; in de Eendrachtpolder fl. 1441,-. 76 Het tiendrecht werd nog strikt onderhouden. In 1831 gaf de rentmeester aan de heren kennis, dat hij een weitje had gekocht, hetwelk voorheen altijd tiendvrij was geweest. Nu had hij het gescheurd en zou het als bouwland normaal onder het tiendrecht vallen; hieromtrent vroeg hij het gevoelen van de heren. 77 Zij oordeelden het aan tiendrecht onderhevig, tenzij de rentmeester het bewijs van de vrijdom kon leveren. 78 In 1848 kochten de ambachtsheren van Vossemeer enige partijen tienden aan op Walcheren en in Zuid Beveland. 79 Die van Walcheren deden zij in 1870 van de hand; 80 die van Zuid Beveland hebben zij tot aan de opheffing van de tienden in bezit gehad. 81 Deze aankopen waren bedoeld als geldbelegging; uiteraard hadden deze tienden niets te maken met hun heerlijke rechten van Vossemeer.
Indien de verpachtingen niet genoeg opbrachten, besloten de heren in 1850, zouden zij de tienden zelf doen garen. 82 Overeenkomstig dit besluit zijn enige tijd nadien gaarders benoemd. 83 Vanaf omstreeks 1870 tot 1907 zijn de tienden echter regelmatig verpacht op een voorafgaande taxatie, die niet altijd werk bereikt. 84 Mr. C.J. Pické, zelf heer van Vossemeer, kocht in 1865 de tienden af op de landerijen van zijn moeder. 85 De afkoopsom werd vastgesteld op de penning 20, wat voor Pické ruim fl. 20.000,- betekende. 86 Hij heeft dit in de vergadering doorgedreven, teneinde ook voor anderen de mogelijkheid van afkoop gemakkelijker te maken.
Nadat de Hollarepolder gereedgekomen was, die de heren aanvankelijk in eigen beheer hielden, vorderde het bestuur van de domeinen in deze polder de novale tienden. De raad van beheer was van oordeel, dat de ambachtsheerlijkheid door de vroegere accoorden met de kapittels van Tholen en Bergen op Zoom de volle eigendom van alle tienden in Vossemeer bezat; hij bood aan de domeinen 12 schellingen op het 100e gemet te betalen overeenkomstig die oude regeling. 87 Het domeinbestuur nam dit niet en stelde een rechtelijke vordering in. De arrondissementsrechtbank van Zierikzee gaf het domeinbestuur ongelijk; tegen dit vonnis werd beroep aangetekend. 88 Het Provinciaal Gerechtshof van Zeeland besliste eveneens ten gunste van de heren van Vossemeer. De domeinen zagen van verdere actie af. 89 De heer van Visvliet, archivaris van de provincie Zeeland, had de heren belangrijk geholpen met het produceren van stukken; daarom meenden zij hem te moeten vereren met een geschenk van 3 à 400 gulden. 90 Het bestond uit een zilveren “gedenkstuk” op een zwart marmeren pendule; 91 een waardig geschenk voor de archivaris, die de dag wist te plukken!
Als het ware bij het scheiden van de markt deed zich de vraag voor, of karwij als grote of als smalle tienden beschouwd moest worden, en of ajuin en suikerbieten, nieuwe producten in deze streek, ook aan tiendrecht onderhevig was. Deze kwestie speelde al in 1872, doch stak opnieuw in 1902 de kop op. Heel wat landbouwers hebben pertinent geweigerd “peeëntienden” te betalen. De heren hebben deze zaak niet op de spits gedreven. Sinds het midden van de 19e eeuw tot in 1907 is van de tienden een overzichtelijke administratie gehouden. 93 Daarin staan de afzonderlijke blokken en alle percelen genoemd; tevens de opbrengsten, die over het algemeen hoog waren. De sommen, die in de loop der jaren nogal schommelden, wijzen waarschijnlijk vrij nauwkeurig de economische toestand van de landbouw aan in deze jaren. Werden er tienden afgekocht, dan werd de koopsom bepaald naar het gemiddelde van de laatste 15 jaren.
Een wet van 1872 verruimde de mogelijkheid tot afkoop van tienden. 94 In Vossemeer is hiervan niet veel gebruik gemaakt, omdat de meeste eigenaren en landbouwers, die kapitaalkrachtig genoeg waren, reeds menig perceel hadden vrijgekocht. Door de Tiendwet van 1907 zijn alle tienden ineens afgeschaft. Aan afkoopsommen en rijkspremies ontving de ambachtsheerlijkheid voor Oud Vossemeer en Vrijberghe de som van ruim fl. 47.000,-; voor Nieuw Vossemeer ruim fl. 40.000,-. 96

LAMERTIENDE
Voor de zogenaamde krijtende tiende, namelijk het tiende deel van het vee, dat in Vossemeer geboren werd, hebben de heren alleen de heffing op de schapenkudden toegepast. In het archief blijkt niets van enige vertiending van rundvee, pluimvee of varkens; evenmin van enige betaling op dit punt. Aan de heren kwam het tiende lam toe, wel te verstaan uit de kudde van een en dezelfde eigenaar. Daar het restant niet werd meegeteld, ook als dat negen bedroeg, is over het geheel zeker minder dan het tiende lam voor de heren geweest.
Blijkens de oudste rekening van 1491/92 hadden de heren deze tiende reeds verpacht. 97 Daar van tevoren niet te schatten was hoeveel lammeren geworpen zouden worden (later is men de drachtige schapen gaan tellen!), werd een prijs per stuk bepaald. De pachter kon de lammeren houden of verkopen. In dit jaar zijn 56 lammeren opgehaald. Toch was er al kwestie over op welke plaatsen de heren tot de lammertiende bevoegd waren. In 1493 verklaarden enige getuigen, dat in Nieuw Kijkuit de lammertiende aan de pastoor van Halsteren behoorde; anderen waren daarentegen van mening, dat zij aan de heren toekwam. 98 Ter oplossing van de geschillen over de tienden besloten de heren in 1508, dat het kapittel van Tholen naast andere voorrechten en betalingen, die tevens dienden voor het onderhoud van kerk en pastoor, ook nog 10 lammeren per jaar zou hebben. 99
De lammeren werden gewoonlijk op de avond vóór 1 mei opgehaald. Zogende dieren (speenlammeren) moesten bij de moeder gelaten worden. In 1505 zijn er 44 gegaard. 100 Op de buitendijkse gronden waren ook lammeren “gevallen” (d.i. geboren), zoals de rekeningen laconiek vermelden, doch deze waren niet gegaard, omdat de controle er op haast niet uitvoerbaar was. Toen de heren in 1510 het gors van de Plaat verpachtten, lieten zij de lammertiende aan de huurder, vermoedelijk om een intensief gebruik van de gronden voor hem aantrekkelijk te maken. De meeste bedijkers zagen graag kudden schapen komen. Deze dieren zijn niet kieskeurig wat hun voedsel betreft. Zij houden planten en gras kort, zodat deze niet iel opschieten doch gedwongen worden goed uit te stoelen. Losse grond trappelen zij vast. In tegenstelling tot rundvee, dat het voedsel aftrekt, bijten zij het gras af.
De huurders waren niet altijd vlot bij het betalen van de pacht. In 1524 moest de weduwe van Jacob Witte gemaand worden om de huur van de lammer tiende over 1521 te voldoen. 101 Om de lammertiende zoveel mogelijk te ontduiken, hadden de inwoners van Vossemeer een aardig foefje bedacht.
Een deel van de schapen was van vader, de volgende negen van moeder, de volgende van de kinderen zolang er kinderen en schapen waren, telkens in parten van negen, zodat er niets te vertienden viel. De heren besloten in 1580, dat zij dit niet meer konden tolereren en dat de schapen van één gezin bij elkander geteld moesten worden. 102 Het volgend jaar namen zij deze bepaling in de keur op. 103 Desondanks ging de opbrengst achteruit. In 1587 werden slechts 27 lammeren genoteerd. 104 Toen iemand in 1599 het gors van de Hoge Plaat huurde, werd hem ook de Jammertiende voor 5 pond per jaar verpacht. 105 Deze man kon er het beste toezicht op houden. Bij het tellen van de lammeren, dat vanwege de heen geschiedde, werden de verteringen ten laste van de pachters gebracht. In 1610 bepaalden de heren, dat de rentmeester deze tractaties niet hoger dan 2 pond en 10 schellingen mocht laten oplopen. 106
Ofschoon er geen hoge bedragen mee gemoeid waren, bleven de inwoners de tiende ontduiken. Het was gebruik geworden, dat de schapen in de winter (zogenaamd) werden verkocht en buiten de heerlijkheid gevoerd. In 1613 maakten de heren hieraan een eind door voor te schrijven, dat in een geval van werkelijke verkoop de rentmeester verwittigd moest worden, hoeveel beesten werden verkocht; die dieren zouden trouwens toch in de tiende meetellen. Het scheen ook voor te komen, dat de lammeren werden verdonkeremaand. Daarom bepaalden de heren, dat in het vervolg niet meer de lammeren, doch de drachtige schapen geteld zouden worden. 107 Deze voorschriften schijnen wel geholpen te hebben; in de loop van de 17e eeuw stijgen de opbrengsten. In 1617 bracht het oostelijk deel van de heerlijkheid 48, het westelijk deel 32 lammeren op. 108 De heer van Boshuijsen mocht zijn lammeren zelf houden, als hij aan de pachter de bedongen prijs betaalde. 109 Hij was heer van Vossemeer. In de praktijk zal dit tussen de pachter en de ingelanden of schapenhouders wel meermalen op gelijke wijze geregeld zijn. “De fraudes blijven doorgaan”, zeiden de heren in 1629. 110 Nu zou de tiendenaar alle lammeren in de kooien tellen en zich niets meer aantrekken van de bewering, dat de kudde niet van één doch van meerdere eigenaars was, en zonder pardon mocht hij elk tiende lam nemen.Teneinde te voorkomen, dat de tiendenaar eenzijdig de beste lammeren kon uitzoeken, bepaalden de heren, dat de eigenaar de eerste drie mocht kiezen; dan de tiendenaar één; dan de eigenaar twee; de tiendenaar één; dan de eigenaar één. Uit het overschot had de eigenaar geen keus meer. De beneden het getal tien overschietende lammeren moesten gemerkt worden, die zouden het volgend jaar meetellen. Deze bepalingen blijken nog niet afdoende te zijn geweest. In 1630 droegen de heren aan de baljuw op, een maand vóór vastenavond op alle hoeven en in alle kooien de lammeren op te nemen. 111
Enige jaren later bracht de tiende 87 lammeren op; 112 het jaar daarna 78 stuks, die voor de heren ruim 35 pond betekenden. 113 Tegen het einde van de 17e eeuw zakten die getallen aanzienlijk. In 1683 werden 30 lammeren geteld. 114 Deze achteruitgang is niet volledig te wijten aan de ontduiking, doch aan de betere economische toestand van de beide dorpen. Het schaap, de koe van de kleine boer, geraakte minder in tel. In 1705 was de tiende tot op 6 lammeren teruggelopen. 115 Enige tijd later kwamen de onkosten er zelfs niet meer uit; toen lieten de heren haar aan de rentmeester of de schepenen. 116 Vanaf 1758 is de lammertiende weer verpacht; zij bracht slechts enkele guldens op. 117 In 1836 stond zij voor Oud Vossemeer op 3 gulden, voor Nieuw Vossemeer op nul. 118 Tegen het einde van de 19e eeuw is zij jarenlang in de beide delen van de voormalige heerlijkheid voor 1 gulden elk deel verpacht, wat meer op een formaliteit dan op een serieuze verpachting lijkt. 119 De lammerentiende is haar eigen dood gestorven. Toen in 1907 de tienden werden opgeheven, betekende zij al geruime tijd niets meer, zodat er toen zelfs niet meer over gesproken is.

14. PLANTRECHT
Volgens Canter de Munck zou het plantrecht pas in 1627 door een plakkaat van de Staten van Zeeland als een ambachtsgevolg zijn erkend. 1 Onder plantrecht verstaat men het exclusieve recht om langs dijken en wegen bomen te plaatsen en van deze aanplanting de profijten te trekken. Voor de heerlijkheid Vossemeer lijdt het niet de minste twijfel, dat de heren al lang vóór 1627 het plantrecht hebben uitgeoefend, al komen de bewijzen van dat recht weinig in de oudste stukken voor. In de brief van Gillis van Wissenkerke uit het jaar 1433 vindt men de bepaling, dat de heren zich bij de uitgifte van de gronden aan de ingelanden uitdrukkelijk de eigendom van de dijken voorbehouden. 2 Dit standpunt, nimmer aangevochten, had als noodwendig gevolg, dat de heren van Vossemeer alle opbrengsten van de dijken aan zich trokken, zoals de verpachting van het grasgewas op de glooiingen (dijkettingen), de verhuur van cultivabele stukken dijk of bermen en vanzelfsprekend de beplanting van de dijken met bomen. Als een polder gereedgekomen en uitgegeven was, behoorde het onderhoud van de dijken als waterkering aan de ingelanden. Hierin hebben de heren van Vossemeer wel verscheidene malen gesubsidieerd, doch hun beleid is er altijd op gericht geweest, dat de ingelanden zelf hun polder in stand hielden. Dit komt bijzonder duidelijk tot uiting in een request van de ingelanden uit het jaar 1535, waarin zij zich beklaagden over de op te brengen lasten aan de landsregering. Als een motief voor de door hen gewenste vermindering van de lasten stelden zij, dat zij bijzonder zware kosten hadden in het onderhoud van de dijken, die na de overstromingen van 1530 en 1532 de voortdurende aandacht en veel geld gevorderd hadden. 3 Deze stelregel, namelijk dat de dijken eigendom waren van de ambachtsheerlijkheid, is tot op de dag van vandaag van kracht gebleven. In enkele gevallen heeft de NV bepaalde dijken verkocht, zoals in 1955 de zeewaterkerende dijken van Nieuw Vossemeer aan het hoogheemraadschap van de Brabantse Bandijk. 4
Het plantrecht komt als zodanig pas betrekkelijk laat in de stukken tot uitdrukking. In 1575 kreeg de toenmalige rentmeester Jacob van Gelre van de heren verlof, de bermen van de dijken van Vogelenzang en Oud Kijkuit, die tegen zijn landerijen lagen, te mogen beplanten. 5 Het is niet bekend of de heren op dit tijdstip zelf al beplantingen hadden, doch de resolutie is er wel een duidelijk bewijs voor, dat zij het planten van bomen en heesters langs de dijken als een van hun heerlijke rechten beschouwden. In 1598 richtte Melchior Huijbrechtse de Bonte zich met een request tot de heren. 6
Hij wilde tot verfraaiing van de heerlijkheid de berm van de dijk beplanten, gelegen langs zijn boomgaard, weide en huis, mede om voor zijn bezittingen een “mantel” te verkrijgen. Om een gunstige beschikking te hebben, ging Melchior zelfs zeer ver; indien voor het herstel van de dijk ter plaatse hout nodig was, zo bood hij aan, mochten de dijkgraaf en de gezworenen dit van zijn bomen laten kappen. Op deze voorwaarde verleenden de heren hem de vergunning. Zijn bomen waren derhalve geen volledig vrij eigendom. In 1604 had de baljuw van Tholen een dijk beplant, waardoor de rijbaan van de weg smaller was geworden. De baljuw van Vossemeer kreeg opdracht het recht van de heren niet te laten schenden. 7
Pas in de 17e eeuw hebben de heren van Vossemeer het planten van bomen enigszins systematisch aangevat. In 1655 gaven zij de rentmeester opdracht overal aan de dijken, waar dit te doen was, iepen en wilgen “in verband” te planten; als er goede loten in het hout van de heren te vinden waren, moest hij die gebruiken; anders zouden nieuwe planten worden aangekocht. 8 In de volgende jaren kwamen de heren op deze opdracht terug; zowel in Oud als in Nieuw Vossemeer wilden zij de lege plekken laten beplanten. 9 Toen in 1665 iemand vroeg een stuk dijk in erfpacht te mogen hebben, sloegen de heren dit af. Weer besloten zij de dijken te doen beplanten; vooral aan de noordzijde van de wegen wensten zij bomen te hebben, waar dit maar enigszins kon. Sommige ingelanden hadden zelf gepoot; de rentmeester kreeg opdracht dit te verbieden. 10
Willem en Jan van Vrijberghe, die wederrechtelijk een stuk dijk beplant hadden, kregen in 1670 “om merkelijke redenen” van de heren verlof die bomen te laten staan tot zij kaprijp waren; daarna zou het perceel dijk aan de heren terugkomen. 11 Toen de termijn verstreken was, interpreteerden de heren het plantrecht strikter. In 1679 beslisten zij, dat de bomen, die gekapt lagen bij de hoeve van pensionaris Van Vrijberghe, ten voordele van de ambachtsheerlijkheid verkocht zouden worden, tenzij Van Vrijberghe bewijzen kon, dat zij hem toebehoorden. 12 Voor alle veiligheid en duidelijkheid hebben de heren nadien regelmatig laten publiceren, dat niemand beoosten of bewesten de Eendracht langs de wegen of dijken mocht planten. 13 Blijkens de verwijzing naar de keur beschouwden de heren de overtreding van dit voorschrift als van “hooveerdigen wille”. In 1742 droegen zij de baljuw op, de onrechtmatige beplantingen weg te doen ruimen. 14 De latere feiten tonen echter aan, dat het plantrecht niet altijd goed gehandhaafd is. De rentmeesters lieten regelmatig kappen en nieuwe bomen planten; de meesten van hen hadden veel belangstelling voor de houtopstand, die tegen een geringe investering zeer goede vruchten afwierp.
In 1703 stapten de heren enigszins van hun streng standpunt af. Zij gaven aan Jacob ‘t Gebraet verlof een weg langs zijn landerijen te beplanten, tegen een recognitie van 5 gulden per jaar. 15 In 1742 kreeg de rentmeester opdracht een goed stukje land te kopen, om daarop een kwekerij van iepen aan te leggen. 16

Tegen het midden van de 18e eeuw was het plantrecht door de ingelanden massaal overtreden. In 1758 gaven de heren bevel, streng op te treilen tegen de schuldigen. 17 In het begin van 1759 herhaalden zij de publicatie. 18 In de afgelopen winter hadden de heren al het gekapte hout langs de dijken en wegen, dat door de ingelanden als hun eigendom werd beschouwd, laten wegvoeren. Het valt te begrijpen, dat deze hoogst verbolgen waren. Op 13 september 1759 besloten de ingelanden van Nieuw Vossemeer rechtskundig advies te vragen en zonodig tegen de heren te procederen. De rentmeester, die ambtshalve de vergadering bijwoonde, stelde een conferentie voor met de heren, om de zaak in der minne te schikken. Dit werd door de ingelanden in principe aangenomen; zouden de partijen niet tot overeenstemming komen, dan vond het proces doorgang. Een viertal ingelanden, waarschijnlijk onschuldigen, was het met dit besluit niet eens en protesteerde al bij voorbaat tegen de kosten. Als vertegenwoordigers van de ingelanden waren aangewezen Pieter Andries van Mattemburg, raad en rekenmeester van de markies van Bergen op Zoom, en Anthony Berkmans, auditeur-militair van Tholen. De bedoeling was, dat de ingelanden van Oud Vossemeer zich bij de actie zouden aansluiten, doch na veel goede woorden bleken slechts enkelen hiertoe bereid te zijn; zij vertegenwoordigden wel het grootste deel van de gemeten. De voorgestelde conferentie is op 10 october 1759 gehouden. Hier kwamen de partijen niet tot een accoord. De advocaat van de heren had hun er op gewezen, dat zij een fout hadden gemaakt door zonder rechterlijk bevel het hout in beslag te doen nemen; bij een eventueel proces kon dit een kwade noot worden. Daarom stelden de heren aan de ingelanden voor, dat geen van de beide partijen nog iets zou doen, doch dat de ambachtsheerlijkheid de zaak ter beslissing zou voorleggen aan het Hof van Holland. 19
Voor wat betreft de dijken en de bermen van de dijken, die de heren van Vossemeer al eeuwenlang beheerd hadden, getuige de regelmatige verpachtingen van het gras, zagen de ingelanden wel in, dat zij geen voet aan de grond zouden krijgen. In hun stukken hamerden zij derhalve er op, dat het plantrecht langs de wegen, ook als die langs de berm van de dijk en zeker als zij zonder dijk in een polder lagen, vrij was voor de belendende eigenaars. Volgens hen behoorden de bermen en wegen niet tot het ambachtsgevolg. Een artikel van de ampliatie-keur van Zeeland van het jaar 1495 zou aan de ingelanden het plantrecht langs de wegen gegeven hebben. De ingelanden hadden al 20 of 30 jaren het pootrecht uitgeoefend; als er geen andere rechtsgrond aanwezig was, kon in elk geval verjaring bepleit

Stoere getuigen van het plantrecht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

worden. Dit zijn de hoofdpunten uit het verweer van de ingelanden. In het proces, dat een pak en een bundel archiefstukken heeft opgeleverd, werd heel wat meer opgerakeld. Het geschil heeft in het gemoed van deze of gene hevige beroering verwekt. In hun vergadering van 1763 bespreken de heren, dat de bomen op de Molendijk tot aan de polder van Slabbecorne door een vreemde oorzaak afstierven; zij dachten aan moedwil en loofden een premie van 50 pond vlaams uit voor de aanwijzing van de daders. 20
Het Hof van Holland deed op 11 october 1762 uitspraak: het bevestigde het plantrecht op de dijken, de bermen en langs de wegen door de heren van Vossemeer en het verbood de ingelanden daarop zonder verlof inbreuk te doen. Op 11 november 1763 besloten de ingelanden van Nieuw Vossemeer in het vonnis te berusten. In april 1764 gaf het gerecht een verklaring af, dat het bij de schouw der wegen in Nieuw Vossemeer geconstateerd had, dat de ingelanden alle beplantingen hadden opgeruimd. De ingelanden van Oud Vossemeer volgden het goede voorbeeld. De heren van Vossemeer sloten de zaak af met het uitspreken van dank aan Van Rosevelt, die zich zoveel moeite had gegeven voor het handhaven van dit “oud en notabel” recht. 21
Teneinde altijd voldoende pootgoed te hebben, legden de heren in 1843 een eigen kwekerij aan. Daartoe kochten zij van de Wezen-Armen een perceel grond aan. 22 De opgroeiende bomen werden regelmatig gesnoeid; daar het eerste schot vóór St. Jan (24 juni) moest zijn gesnoeid, werd dit met een opmerkelijke naam St. Jansschot genoemd. 23 In 1878 verkreeg de ambachtsheerlijkheid van de Polders van Nieuw Vossemeer verlof de voormalige buitendijk van de Herenpolder die door de indijking van de Beciuspolder binnendijk was geworden, met bomen te beplanten. Ingevolge het Noord Brabantse reglement op het beheer van de dijken van 1874 was het beplanten van dijken voortaan van een vergunning afhankelijk. 24
De dijk bij het dorp Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

De dijk bij het dorp Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968 .

Het waterschap de Polders van Nieuw Vossemeer was in het geheel niet vlot met het verlenen van de vergunningen. 25 Toen de bomen op de Oude Zeedijk en de Korte Dijk, slaperdijken, gekapt waren en de rentmeester in 1914 nieuwe wilde laten planten, weigerde het polderbestuur dit toe te staan. Na een beroep op het provinciaal bestuur van Noord Brabant beschikte dit op 20 juli 1914, dat de weigering door het polderbestuur terecht was gedaan. Inmiddels had de rentmeester nieuwe bomen laten planten; in een brief merkte de voorzitter van de raad van beheer op, dat zij ondanks het geschil lustig groeiden. Het waterschap liet van het beplanten proces-verbaal opmaken; de rentmeester werd door de kantonrechter tot een boete van 1 gulden veroordeeld. In september 1914 gelastte het polderbestuur de geplante bomen binnen de tijd van één maand te verwijderen en de putten behoorlijk te dichten. De raad van beheer heeft in deze van verdere actie afgezien. 26 Toen het waterschap in 1932 iets van de ambachtsheerlijkheid gedaan wilde hebben, was het wél vlot met het afgeven van een plantvergunning!
In de oorlog ging een groot deel van de houtopstand verloren, vooral in Nieuw Vossemeer. Sinds 1948 heeft de ambachtsheerlijkheid getracht deze te vervangen. Het bestuur van de Polders van Nieuw Vossemeer weigerde echter categorisch de gevraagde vergunningen af te geven. Voor sommige percelen had Staatsbosbeheer de beplanting verplicht gesteld; in het kader van de schaderegeling zou pas betaald worden, nadat de herbeplanting was geschied. De directeur van Staatsbosbeheer vroeg en verkreeg in 1948 van de Kroon de vernietiging van een besluit der Polders van Vossemeer. Nadat GS van Noord-Brabant een ander besluit van het waterschap hadden vernietigd, heeft de NV toch nog een vergunning gekregen tot het doen uitvoeren van enige beplantingen.

15. VISSERIJ
De visvangst in alle wateren van de heerlijkheid was volgens de uitgiftebrieven van 1410 en 1415 een van de rechten van de ambachtsheren. 1
Blijkens getuigenverklaringen oefenden de heren dit recht in 1431 al uit op Beukelenberg, een gors op de uiterste grenzen van Vossemeer en Steenbergen. 2 Het spreekt vanzelf, dat Gillis van Wissenkerke in 1433 de visserij met name noemt als een van de herenrechten. 3
Deze visserij zou men op het eerste gezicht als een minder belangrijk en weinig profitabel recht kunnen beschouwen. Deze opvatting is echter niet juist, daar de visserij ten gevolge van enige bijzondere factoren zeer belangrijk was. Vanaf 1462 komen in de rekeningen der rentmeesters van de graaf van Holland de reeds oudere visserijen onder Vossemeer voor. 4 Daar worden zij trouw elk jaar opgesomd, zij het pro memorie, omdat er geen inkomsten meer uit getrokken werden. Tevens zegt de memoriepost, dat de graaf van Holland deze visserijen in 1415 aan de heren van Vossemeer had geschonken, daar zij alle lagen in het gebied van de door de graaf verkochte heerlijkheid. De man, die de tekst concipieerde, heeft zeer subtiel geformuleerd: de grond was verkocht, doch de heerlijke rechten waren geschonken. Reeds lang voor de inpolderingen heeft het latere gebied van Vossemeer vruchten afgeworpen; dit toont nogmaals aan, dat het land, niet meer bedolven was onder woeste en onvruchtbare wateren, doch dat het al een zekere toegankelijkheid had, zij het overwegend voor de visser. Het werpt een licht op de oude inpolderingen, die door de natuur zelf werden voorbereid. De mens greep pas in, als een bepaald gebied zo was aangewassen, dat het met de betrekkelijk primitieve middelen van die tijd beheerst kon worden.
Blijkens deze rekeningen verpachtte de graaf van Holland vóór 1414 deze gronden en wateren. Zij waren bekend onder namen, die voor het merendeel verloren zijn gegaan; desondanks moeten zij vermeld worden, omdat zij de oudste gegevens bevatten over het gebied van Vossemeer. Zij bestonden uit: De Quarenvliet is identiek met de Steenbergse Vliet. Dan moet de Hengstvliet ten westen of zuidwesten van de andeze plaatsbepaling worden gezocht, daar het gebied van de heren van Vossemeer zeker niet aan de overkant van de Steenbergse Vliet lag. Uit de omschrijving van deze visserij blijkt wel, dat het gebied van de heren van Vossemeer oorspronkelijk de gehele Heen heeft omvat, en dat deze eveneens bij de latere ruiling van gronden is ingezet.
Opmerkelijk is wel, dat de namen van de gorzen en visserijen niet voorkomen in de uitgiftebrief van 1415, waarin toch de gehele begrenzing van het land van Vossemeer werd gegeven. Tussen de beide vermeldingen komen practisch geen aanknopingspunten voor, zodat zij elkander niet nader toelichten.
De visserij was tevens belangrijk, omdat zij in de ambachtsheerlijkheden een teken, een bewijs en een de facto uitgeoefende toepassing was van het recht op het water en de ondergrond. In verband met de in het nabije of verre verschiet liggende inpolderingen was het handhaven van het visrecht derhalve van kapitaal belang. Dat is dan ook de reden, waarom de heren van Vossemeer altijd zeer nauwgezet over hun visserijen hebben gewaakt. De eerste kwestie hieromtrent deed zich voor met de heer van Bergen op Zoom, die de heren de visserij betwistte in “Both in den Boesem” en zelfs op Beukelenberg. Hij was in zijn beweringen al zeer ver gegaan en had de heren de uitoefening van hun recht onmogelijk gemaakt. Zijn usurpatie (want dat was het duidelijk) valt op een al te markante manier met een ander feit samen, waarmede het vrijwel zeker verband heeft gehouden. In hetzelfde jaar 1458 immers werd de scheiding doorgevoerd van het oude land van Breda, reeds vroeger uiteengevallen in het land van Breda en dat van Bergen op Zoom, waarbij sinds 1290 bepaalde gebieden, o.a. Steenbergen, in gemeenschappelijk bezit van Breda en Bergen op Zoom gebleven waren. Toen het land van Steenbergen geheel en uitsluitend aan de graaf van Nassau kwam, zag de heer van Bergen op Zoom wel in, dat hij nooit meer de kans zou krijgen zijn land naar het noorden uit te breiden, als de heren van Vossemeer eenmaal aan het bedijken sloegen en aan het land van Steenbergen aansloten, wat wel te voorzien was. Met zijn claim, op een merkwaardige doch tevens brutale manier van zuid naar het uiterste noorden langs de volle grens van Steenbergen tot Beukelenberg toe, deed de heer van Bergen op Zoom een poging om de visserij te bemachtigen.
Had hij dit recht erkend gekregen, dan was het een kleine stap om de ondergrond op te eisen. Op 15 juli 1458 kwamen de arbiters, door beide partijen aanvaard, samen in de heer Boudewijnpolder (tussen Tholen en Halsteren, oost van de Eendracht gelegen). De heren van Vossemeer konden hun recht gemakkelijk bewijzen; zij werden op alle punten in het gelijk gesteld. Teneinde de heer van Bergen op Zoom niet geheel voor schut te zetten, spraken de arbiters zijn recht uit op Hazershil, dat overigens door de heren van Vossemeer niet was betwist. 5 Kort daarna hebben de heren van Vossemeer de heer van
Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

Bergen op Zoom als een van hun medeheren aanvaard; waarschijnlijk zag hij in, dat dit de enige manier was, om van Vossemeer althans enig profijt te trekken. De heren hebben met zijn toelating ongetwijfeld andere pretenties de pas afgesneden.
In 1492 besloten de heren de visserij in de Hikke voor dezelfde tijd en op dezelfde voorwaarden als de andere visserijen te verpachten. 6 Deze polder was nog pas kort bedijkt; misschien is dit de eerste verhuur van zijn visserij geweest. Over het gehele land van Vossemeer werd de visserij bedreven in de overgebleven kreken, de sloten, de sluisvlieten en watergangen van de polders. Buitendijks verpachtten de heren de visserij op al het zoute water, dat binnen de grenzen van hun heerlijkheid lag. Volgens de rekening van 1491/92 onderscheidde men haar in de volgende percelen:
De Gemene Weide, in de latere polders van Nieuw Vossemeer gelegen.
De Hellinc Vliet, waarschijnlijk identiek met de elders genoemde Hebbinge.
Lijsendijk en Kackars, de laatste toponiem komt een tijdlang in Steenbergen voor en wees daar op een water- en gorzenland, oorspronkelijk onder Steenbergen behorend, dat in 1605 echter onder Dinteloord en Prinsenland is ingedijkt.

Het is niet goed aan te nemen, dat de heerlijkheid van Vossemeer zich zó ver zou hebben uitgestrekt. Dit zou trouwens moeilijk te rijmen zijn met de begrenzing, die in 1415 van de (nog te bedijken!) heerlijkheid is gegeven. De mogelijkheid bestaat, dat Kackars een streek ten westen van de Steenbergse Ruberepolder aanduidt. Overigens moet men in polderstreken rekening houden met grotere of kleinere verschuivingen van toponiemen, terwijl het geen zeldzaamheid is, als in één kleine streek twee of drie gelijkluidende toponiemen voorkomen. (Frappante voorbeelden hiervan zijn in de gemeente Zevenbergen te vinden, wat het niet altijd gemakkelijk maakt, de juiste plaats in de juiste tijd van de toponiem aan te wijzen.)
Kerkamer met hetgeen van het “landeken” (verm. het voormalige gors) buiten de bedijking is gebleven. Dit is een onderdeel van de Kerkpolder, waarvan de bedijking omstreeks 1450 is voltooid. De Sluisvliet in het Oudeland, d.i. de Oud Vossemeerse Polder en die van de Hikke waren de toenmaals bekende binnendijkse visserijen. In 1493 besloten de heren, dat de rentmeester samen met twee heren de visserij en andere zaken zou verpachten. 8
De visserij buitendijks heeft aanvankelijk veel betekenden bracht goed op. In de oudste rekening van 1491/92 wordt gesproken van een schuld, die de vissers van Oordamme nog hadden. 9 In 1495 verleenden de heren aan de huurders van de visserij buitendijks vermindering van de pacht, omdat zij tengevolge van de oorlog verlies geleden hadden. 10 Meestal werd deze visserij genoemd: “in het zoute”, en is er geen nadere omschrijving van gegeven. 11 De visserij op de Eendracht komt expliciet vrijwel nooit in de stukken voor; zij was begrepen onder de visserij buitendijks. Af en toe is het gebruikelijk geweest, dat een vak van de rivier begrepen was in de visserij van een polder.
In 1497 was de visserij in de Gemene Weide verpacht voor 55 gulden van 14 stuivers het stuk; Hellink Vliet met de Kerkamen met toebehoren voor 52 schilden; in het Oudland voor 23 schellingen; in de Hikke voor 14 schellingen en 8 groten. 12
In de verhouding tussen Vossemeer en Steenbergen bleek de visserij meermalen een wrijfpunt te zijn. Tegen Steenbergen aan had iemand op de grond van Vossemeer de visserij van de heren gepacht. De graaf van Nassau berokkende de man moeilijkheden. De heren geboden hem in 1500 de visserij uit te oefenen, zoals hij het altijd gedaan had, en hen terstond te verwittigen als hij last ondervond. 13 Enige jaren later werd de visser zo ernstig door de graaf van Nassau tegengewerkt en gehinderd, dat de heren hem een deel van zijn pacht terugbetaalden. 14 Het volgend jaar gaven zij de huurders verlof degene die onrechtmatig viste gevangen te nemen en hem met zijn netten en vis voor de baljuw te brengen. Dit voorschrift diende in de keur te worden opgenomen. 15 Via pretenties op de visserij wilde de graaf van Nassau zijn gebied zo groot mogelijk maken; ook in dit geval ging het in hoofdzaak niet om de visserij of de betrekkelijk geringe pachtsommen, doch om het recht van de ondergrond. In 1513 kwamen de graaf van Nassau en de heren van Vossemeer tot een accoord; toen werden de grenzen van de visserij vastgelegd. 16 Nu droegen de heren de rentmeester op de visserij in het zoute water en op de Heije als van ouds te verpachten; hij moest er echter de voorwaarde aan verbinden, dat de pacht pas zou ingaan als de eerste bedijking was geschied. 17 Blijkbaar wilden de heren geen nieuwe moeilijkheden met de graaf van Nassau.
Meermalen zoals in 1506, 18 gebeurde het dat de visserijen binnendijks niet werden verpacht, als er geen gegadigde kwam. In 1511 duikt een nieuwe omschrijving op. Naast de andere bekende visserijen wordt dan genoemd: “alles wat buiten het nieuwe land van Kijkuit aan Brabant ligt”. 19 Waarschijnlijk was dit perceel voorheen onder een ander begrepen en kon het nu duidelijker omschreven worden. Volgens dezelfde rekening was een kwart van de opbrengst der visserij van de Hikke voor de heren van Vrijberghe. Meestal werd enige jaren na een nieuwe inpoldering, als de watergangen en vlieten van enige vis waren voorzien, de visserij in die polder aan de andere toegevoegd, zoals in 1519 met Voordage gebeurde. 20
Die van Both in den Boesem werd in 1521 verpacht vanaf de Heije tot de Roekreke toe, zoals die vroeger al gegolden had. 21 In de heren-visserij mocht geen vlas geroot worden. 22Volgens de rekening van 1571 besloeg de buitendijkse visserij al het water van de Sluis van Kijkuit tot de hoek van het Plaatse Gors met de kreken, daarin gelegen, zoals: Botken, het Heijse Diep en de Wellekreek. Vandaar liep zij noordwaarts tot achter het “Plaatse Gors van Merlo” zover als de grond van Vossemeer aan Steenbergen raakte. Zij gold eveneens op twee “stellen” van Beukelenberg tot aan het noordeinde van de Wellekreek. 23
In deze tijd konden de huurders tengevolge van de militaire bezetting geen gebruik van de visserijen meer maken, weshalve de heren hun een deel van de pachtsom kwijtscholden. 24 De pachters aan de oostzijde van de rivier kwamen nog ongelukkiger terecht. Toen in 1583 het land van Nieuw Vossemeer verloren was gegaan en zij toch nog probeerden te vissen, waren zij door de soldaten gevangen genomen en naar Steenbergen gevoerd; zij hadden belangrijke sommen voor hun vrijlating moesten betalen. Schraal was de troost, die zij van de heren van Vossemeer ontvingen; deze antwoordden op hun geklaag, dat zij maar hun best moesten doen om met vissen hun pacht, hun verlies en hun verdiensten eruit te halen; 25 het volgend jaar zouden zij dan verder zien. “Ex gratie” verleenden zij hun toen toch kwijtschelding van de pachtpenningen. 26 Toen de oorlog tot rust was gekomen, werden de visserijen weer normaal verpacht. Dan blijkt de visserij in de Eendracht langs het gehele grondgebied van Vossemeer onder die van Nieuw Vossemeer te zijn begrepen. 27In 1654 verkreeg de huurder van de zesde visserij onder Nieuw Vossemeer verlenging van de pacht op voorwaarde, dat hij allerhande riviervis zou poten. 28 Hier schijnt niet veel van gekomen te zijn; een tijd later bevalen de heren, dat het poten van vis voortaan in aanwezigheid van de rentmeester diende te geschieden. 29 De visserij buitendijks werd nog wel verpacht, doch er kwamen veel klachten binnen over overtredingen. De heren van Vossemeer besloten bij de Staten van Zeeland om een voorziening te vragen. 30 In 1670 werd aan Laurens Boudiins een deel van de visserij onder Nieuw Vossemeer, bij zijn hoeve gelegen, voor 40 jaar verpacht; hij moest per jaar het gemiddelde van de laatste 15 jaren betalen. 31 Waarschijnlijk heeft de man nooit gevist, doch was het hem enkel te doen om de vissers van zijn land te houden. Strenge straffen bepaalden de heren in 1675 voor hen, die onrechtmatig buitendijks visten. De baljuw kreeg opdracht hun schuiten en zeilen in beslag te nemen en hen te beboeten: 20 gulden voor de eerste maal, 30 gulden voor de tweede en 50 gulden voor de derde betrapping. 32 In 1685 verhoogden de heren deze boeten nog en stelden zij een premie op het aanbrengen van de “baatzoekende mensen”, die de visserijen bedierven. 33 Het heeft niet veel geholpen, de buitendijkse visserij was in feite al kapot. Enkele jaren terug had de rentmeester al gemeld, dat de buitendijkse visserij niet meer te verhuren was, omdat niemand er meer op af kwam, daar iedereen viste en het ondoenlijk was de onrechtmatigen te weren. 34 De kwade practijk het open buitenwater als vrij visterrein te beschouwen, werd zelfs voortgezet als delen van Vossemeer door een stormvloed overstroomden. In 1722 viste een ieder vrolijk in de uitgeslagen kreken van Oud Kijkuit, Leguit en Slabbecorn, doch de heren maakten daaraan een einde door een strenge publicatie. 35 Het is dan ook zeker, dat heel wat vissen van Vossemeer onrechtmatig de pan in zijn geraakt!
In 1811 verhuurde het domeinbestuur zonder enige waarschuwing de visserij onder Nieuw Vossemeer. De heren protesteerden bij de onderprefect van Breda. 36 Toen zij geen antwoord kregen, verpachtten zij de visserij het volgend jaar zelf. 37 In 1813 was het domeinbestuur weer van plan de visserij te verpachten, doch door de ineenstorting van het Franse Keizerrijk kwam aan dit touwtrekken vanzelf een einde. 38 In 1818 is de visserij buitendijks onder Nieuw Vossemeer voor 8 gulden per jaar verpacht. 39
Daarna is er geen noemenswaardige stoornis in het visrecht meer opgetreden. financieel betekenden de visserijen niet veel meer. Die van Oud Vossemeer werden onderscheiden in zes percelen: Met uitzondering van een enkel goed perceel brachten zij per jaar slechts enkele guldens op. 40 Een perceel onder Oud Vossemeer is in 1869 door Mr. C.J. Pické, heer van Vossemeer, afgekocht. 41 De visserij in de Hollarepolder is tussen 1685 en 1870 voor fl. 2,50 per jaar verpacht, doch in 1875 samen met de polder verkocht. 42
Onder Nieuw Vossemeer waren zeven percelen bekend: Het eerste perceel bracht 15 tot 23 gulden op; de overige lagen tussen enige guldens en 25 cent. 43 In verband met de herverkaveling van Tholen, die in 1962 een begin van uitvoering kreeg, is de eigendom van de watergangen van Oud Vossemeer op het waterschap Tholen overgegaan. Naar aanleiding hiervan rees de vraag, of het visrecht samen met het water, op het waterschap was overgegaan, dan wel of het als een oud heerlijk recht ten voordele van de NV ambachtsheerlijkheid was blijven bestaan. Daar kwam nog de moeilijkheid bij, dat de NV niet tijdig aangifte had gedaan van dit recht. Deze formele fout heeft nadien geen belang meer gehad. De Raad van Beroep ingevolge de Herverkavelingswet kon deze nalatigheid achteraf niet herstellen, doch gaf wat de principiële kant van de zaak betreft een uitspraak die het visrecht van de NV niet aantastte. De raad van beheer bleef de visserij verpachten. In 1966 is de visserij in Oud Vossemeer door het waterschap Tholen voor fl. 500, afgekocht.

16. VOGELARIJ EN BIJENVLUCHT
In de eerste uitgiftebrief van 1410 staat de vogelarij onder de ambachtsgevolgen opgenomen. 1 Zij is eveneens vermeld in de oorkonde van 1415 2 en in de oorkonde van Gillis van Wissenkerke uit het jaar 1433. 3 Volgens een getuigenverklaring oefenden de heren dit recht in 1433 al uit. 4 Omstreeks 1580 schreven zij over de aanwassen van de Heije, de Heen, Kackars, Lijsendijck, de Berck, Both in den Boesem, die nog niet bedijkt waren. Als bewijs van hun eigendom voerden zij o.m. aan, dat zij er al lang de visserij en de vogelarij hadden uitgeoefend. 5 Op zich zelf was dit recht niet zó belangrijk; financieel heeft het nooit veel zoden aan de dijk gezet. Doch om zijn consequenties, eventueel als bewijs van eigendom, hebben de heren van Vossemeer er toch wel waarde aan gehecht.
De vogelarij bestond in de jacht op de vogels. Er werd onderscheid gemaakt tussen schadelijke vogels, die een ieder verplicht was uit te roeien, en edele vogels, waarvan de vangst geheel verboden was of slechts aan bepaalde personen voorbehouden. Onder de edele vogels rekende men: zwanen, fazanten, patrijzen, eenden, wilde duiven, leeuweriken en nachtegalen. Zwanen, die wel tot de edele vogels gerekend werden, doch dikwijls schadelijk waren voor de landbouw, mochten volgens de Zeeuwse Keur van 1495 slechts door ambachtsheren gehouden worden, die minstens 100 gemeten in één heerlijkheid hadden. 6 Werden zij rechtens gehouden, dan waren zij zeer streng beschermd. Het nut van deze dieren was zeer problematisch; in de meeste gevallen zullen zij als statussymbool gehouden zijn.
In 1514 kreeg de rentmeester opdracht twee paar ganzen voor de heren te kopen en die in het land van Vossemeer te “leggen”. 7 De rentmeester van St. Maartensdijk had een paar oude ganzen gekregen van de heer van IJsselstein. In 1525 vroeg hij aan de heren verlof die in Vossemeer te mogen houden. Hij beloofde deze binnen een jaar door een jong koppel te vervangen, dat aan de heren zou toebehoren en dat hij “buiten kost van de heren” zou laten paren. Op deze voorwaarden gaven de heren het gevraagde verlof. 8 Nauwelijks duidelijker kon uitgesproken worden, dat het houden van ganzen een exclusief recht van de heren was. In 1529 kreeg Mr. Roeland de Rover verlof in de polder van Mattemburg in de kreek van Both in den Boesem een paar zwanen te houden; de heren zegden hem de bescherming van de baljuw toe, als iemand de dieren “beschadigde”. 9 Uit het besluit van 1534 blijkt, dat het bij allen, die verlof kregen zwanen te houden, gebruikelijk was de heren elk jaar een paar jonge of oude zwanen te geven. 10
Na dat jaar is het houden van zwanen niet meer in het archief vermeld.
Eenzelfde verlof van de heren was nodig voor het houden van duiven. Symon Anthonis, een heer van Vossemeer, mocht in 1521 in Oud Kijkuit een duivenkeet zetten. 11 In 1535 kreeg hij verlof die te verplaatsen naar Mattemburg. 12 Pieter Tijssen verzocht in 1593 duiven op zijn huis te mogen zetten; hem werd toegestaan 8 of 10 koppels te houden. 13 In 1617 verleenden de heren aan iemand verlof een duivenkeet te bouwen; 14 met een soortgelijk verlof eindigt de bemoeienis van de heren met de duiven. Daarna hebben de heren van Vossemeer blijkbaar geen prijs meer gesteld op het toezicht; er kan immers moeilijk worden aangenomen, dat daarna in Vossemeer geen duivenmelker meer is geweest.
De eigenlijke vogelarij bestond in het recht van de heren op de jachtvogels in het grondgebied van de heerlijkheid. Het steunde op het rechtsbeginsel, dat aan de ambachtsheren alles toebehoorde in hun gebied, dat er vanzelf ontstond. In de eerste eeuw hebben de heren de vogelarij vermoedelijk persoonlijk uitgeoefend. In 1493 wordt voor het eerst gesproken van de verpachting. 16 Wanneer in 1496 het gors van de Heen wordt verhuurd, krijgen de huurders tevens toestemming om te “vogelen” en garanderen de heren hun, dat zij hieromtrent niet in overtreding worden geacht. 17 Deze bepaling wijst er wel op, dat de heren over het algemeen streng de hand hielden aan de uitoefening van de vogelarij. De verpachting geschiedde in 1514 voor 2 schellingen. 18 In de rekening van 1524/25 wordt gezegd, dat zij niet meer was verpacht, omdat niemand er zin in had. 19
In Oud Vossemeer is de vogelarij daarna niet meer verpacht; in Nieuw Vossemeer hebben de heren na de herdijking van 1609 dit oude recht weer opgenomen. In 1650 bracht zij er 6 stuivers op. 20 Enkele decennia lang is zij nog pro memorie in de rekeningen vermeld, doch tenslotte verdween zij ook daaruit. Het recht van de vogelarij is evenwel niet verloren gegaan of in onbruik geraakt, doch van lieverlee opgegaan in het jachtrecht. Sinds het midden van de 17e eeuw begreep men alle lopend en vliegend wild onder de jacht.
Onder de vogelarij viel in de ambachtsheerlijkheden ook de bijenvlucht. Deze rangschikking, die ons vreemd voorkomt, is misschien geïnspireerd door het simpele motief, dat ook bijen vliegen. Bijen mochten slechts met verlof van de heren gehouden worden; bijenkorven mochten slechts na goedkeuring in de heerlijkheid worden gebracht, als de imkers de bijen op de bloesem of zaad wilden zetten. Voor dit verlof werd een recognitie gevraagd; in sommige plaatsen werd een deel van de honing als betaling afgedragen. Het was voor de rentmeester niet te doen, de eigen en vreemde bijenvolken in de heerlijkheid op te sporen. Daarom werd de bijenvlucht aan een particulier verpacht, meestal een beroeps- of amateur-imker, die van een en ander op de hoogte was en zijn pachtsom wel wist te verhalen. Betrekkelijk laat hebben de heren van Vossemeer een belasting op het bijenhouden gelegd. In 1654 besloten zij de bijenvlucht in Nieuw Vossemeer te verpachten. 21 Dit schijnt niet direct gelukt te zijn; het volgend jaar bepaalden zij, dat de bijenvlucht publiek verpacht zou worden. 22 In 1657 pachtte Geert Bastiaans haar voor het gebied ten oosten van de rivier tegen bijna 8 pond per jaar. 23 Daarna, bijvoorbeeld in 1680, werd zij ook in Oud Vossemeer verpacht; daar bracht zij ruim 2 pond op; in Nieuw Vossemeer ruim 1 pond. 24 Tegen het einde van de 18e eeuw stond zij in Nieuw Vossemeer op 6 pond. 25 In het begin van de vorige eeuw is dit recht een tijdlang in onbruik geraakt, omdat niemand er een bod op deed en de rentmeester geen mogelijkheid zag de bijenhouders tot enige betaling te dwingen. Omstreeks 1840 is de bijenvlucht weer verpacht; in Oud Vossemeer voor de kapitale som van 11 1/2 cent; in Nieuw Vossemeer voor 25 cent; in Vrijberghe voor 12 cent. 26 Op deze voet is doorgegaan tot 1870, met dien verstande, dat in verscheidene jaren geen pachters zijn komen opdagen. 27 De bijenvlucht is in 1870 voor de laatste maal vermeld, toen zij in Oud Vossemeer 10 cent opbracht. 28

17. MOLENS EN WINDRECHT
Als een van de heerlijke rechten hadden de heren van Vossemeer in het jaar 1410 van hertog Willem van Beieren de “wind” gekregen. 1 Dit hield de bevoegdheid in, eigen molens op te richten, geen vreemde molens of molenaars toe te laten, en de inwoners te verplichten op de herenmolens te laten malen. Het geheel noemde men de banmaalderij; daarnaar werden de heerlijke molens dwang- of banmolens genoemd.
Pas in 1492 spreken de stukken voor het eerst over de molen. Deze was in huur bij Gillis van den Berg. 2 Het volgend jaar bleek de molen een reparatiebeurt nodig te hebben; er moesten nieuwe kruishouten aangebracht worden. 3
De molen in Oud Vossemeer, afgebroken in 1915

De molen in Oud Vossemeer, afgebroken in 1915. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

Hieruit mogen wij concluderen, dat het een houten standaardmolen geweest is, die vermoedelijk al langer bestond, omdat een belangrijk onderdeel ervan blijkbaar aan vernieuwing toe was. Het is niet duidelijk, wat de resolutie van 1500 bedoelt. Pieter Ydozoon zegt daar als oud-rentmeester, dat hij verplicht is de molen van Vossemeer gedurende 5 jaren “uten loop” te houden, ingaande met het jaar 1507. 4 Misschien is er bedoeld, dat de molen tijdelijk niet gebruikt werd; mogelijk was er kwestie ontstaan over het windrecht. Het kan echter ook betekenen, dat de huurder gedurende 5 jaren verplicht was de normale onderhoudswerken op zich te nemen. Op dit laatste wijst wel het feit, dat de molen in 1502 is hersteld, 5 en dat in 1504 de inwoners nogmaals de verplichting werd opgelegd op de eigen molen te laten malen. 6
De molen stond op of aan de dijk van de Oud Vossemeerse Polder op de plaats, die nog het Moleneind of “Onder de Molen” heet. In 1510 kochten de heren er een huis aan, dat op een vroonland van de heerlijkheid stond tegen de dijk aan, dat dienen moest als het huis van de molenaar. 7 In het vervolg is het samen met de molen verhuurd. Het jaar daarna besloten de heren, dat de molen elk jaar verpacht zou worden op de eerste rechtsdag na Pinksteren. 8 Dit wil niet zeggen, dat elk jaar een nieuwe molenaar kwam; de molenaars pachtten bij voorkeur voor zeven jaren. In 1511 huurde Adriaan Eeuwouts zoon voor ruim 11 pond. 9 Het jaar daarna lieten de heren de molenaar voor een langere termijn pachten, doch bepaalden wel, dat de heren en de rentmeester elk jaar de normale lijfkopen 10 zouden houden. 11 In 1513 onderging de molen een grondig herstel. 12 Enige jaren later moest de rentmeester “hoe eer hoe liever” een boom kopen voor een nieuwe standaard. 13 Toen in 1517 Adriaan de Molenaar overleden was, mocht diens weduwe de huur voortzetten; zij zorgde voor een molenaar; die de gunst van de heren verwierf; omdat hij zijn werk goed deed. 14
Merten Boluijt, die in 1545 de molen had gehuurd, was een slechte betaler; de rentmeester moest voor de pacht beslag leggen. 15 In 1557 is de molen door een nieuwe vervangen. 16 Jan Janss Coninck uit Dordrecht leverde het hout. Twee timmerlieden uit Haastrecht bouwden de molen. Het was een standaardmolen op een gemetselde voet. 17 In hetzelfde jaar lieten de heren door Ysbrant van Doren een rosmolen met een woonhuis bouwen. Hiervan hebben zij niet veel profijt gehad; deze molen verkochten zij in 1573. 18
In 1567 beklaagde de molenaar zich over zijn geringe verdiensten. 19 Er was een slechte tijd aangebroken, die zich voorheen merkwaardigerwijs het eerst bij de molenaars manifesteerde. Als deze begonnen te klagen, was er een economische depressie op komst of aan de gang! In 1567 werd weinig gemalen, omdat de gemeente voor het grootste deel ontvolkt was. 20 Het blijft een open vraag, of de molenaar zelf geen schuld had. Gezien de strenge bepalingen van de heren over de invoering van nieuwe (en ditmaal juiste!) strijkmaten op de molen, 21 moet de molenaar bij het nemen van zijn loon, dat in natura werd betaald, af en toe wel een loopje met de nauwkeurigheid genomen hebben. Het gebruik was immers, dat hij een deel van het graan of meel voor zichzelf mocht houden. In 1589 is bepaald, dat de molenaar recht had op het 16e vat of op het 16e brood, dat van buitenaf werd ingevoerd. 22 Blijkens een andere mededeling was dit ook het tarief op het malen in de heerlijkheid zelf. 23 In 1699 bleken er op de molen te lichte gewichten te zijn; de molenaar werd hierover streng onderhouden. 24 Men zou kunnen denken, dat hij zich hiermede zelf schade deed, wat natuurlijk niet de bedoeling was. Het graan werd gewogen als het de molen binnenkwam. Ook voor de heren gingen de inkomsten uit de molen zienderogen achteruit, en stegen de onderhoudskosten. Daarom bevalen zij in 1578 en 1579, dat in het vervolg bij de verpachting van de molen een afzonderlijke taxatie gemaakt zou worden van de slijtage der molenstenen; dit moest door de molenaar betaald worden. 25 Daarna vindt men regelmatig de metingen van de stenen. In 1631 werd hiervoor een aparte maat aangeschaft. 26 In dit jaar waren de loper en de ligger een en een kwart duim afgesleten. 27
De molen van 1557 heeft niet lang bestaan. In 1579 werd besloten een nieuwe te doen bouwen. Het werk werd opgedragen aan de timmerman Paes Janszoon. In Dordrecht werden twee molenstenen gehaald. 28 De oude molen is in 1581 afgebroken en het materiaal ervan verkocht. 29 Toen de molen klaar was, bleek hij niet te voldoen. De molenberg moest afgegraven worden, om de wieken te kunnen verlengen. Een nieuw stel molenstenen, waarschijnlijk een tweede maalwerk, werd uit Tholen gehaald. Een steen rolde van de kar de gracht in; volgens de rentmeester is het een heidens karwei geweest hem weer boven te halen. 30 Afdoende verbeterd was de molen nog niet; in 1582 moesten vier teerlingen worden gemaakt. 31
De heren trokken niet alleen de profijten van de molen, doch zij zorgden er ook voor, dat hij rendabel bleef, wat eigenlijk weer in hun belang was. In 1594 werden de inwoners van Tholen door de magistraat belet op de molen van Vossemeer te laten malen. 32 Daar het nieuwe voorschrift tegen een oud gebruik inging, zelfs tegen het handvest, verzetten de heren zich met kracht. De inkomsten uit de molen waren overigens wel van dien aard, dat zij de heren bleven interesseren.
In 1642 bracht de molen van Oud Vossemeer 46 pond op. 33 In 1676 is hij voor 425 gulden verpacht; 34 enige jaren later voor 80 pond per jaar. 35 Nogmaals in 1681 veroorzaakte de stad Tholen moeilijkheden; de rentmeester kreeg opdracht alle stukken over de molens en het windrecht op te zoeken. 36 Deze tegenwerking leidde ertoe, dat de molen achteruit ging. In 1684 klaagde de molenaar steen en been. Na de overstroming van 1682 waren veel mensen weggetrokken. Bovendien was in de winter van ‘83/84 de Eendracht dichtgevroren, zodat veel inwoners in Brabant lieten malen. Daar moeten de tarieven wel aanzienlijk lager gelegen hebben. De heren verleenden hem kwijtschelding van een deel van de pacht. 37 Het volgend jaar is de molen naar een nieuwe eigenaar voor 400 gulden verpacht, welke som toch niet veel lager dan de normale was. 38
Huibrecht Vincke uit Zierikzee bouwde in 1690 een nieuwe molen van goed Vlaams of Brabants eikenhout, zoals het bestek zegt; zij kostte 330 pond. 39 De oude molen is afgebroken. Voor het tijdelijk stilstaan kreeg de molenaar korting op zijn pachtprijs. 40 Uit deze tijd is een pachtcontract bewaard gebleven. 41 De huur is er summier in beschreven; er staan geen details in over het molenwerk
Een boerderij onder Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

Een boerderij onder Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968

en de inventaris, die men meestal in dit soort contracten vindt. De pacht werd aangegaan voor één jaar, doch kon verlengd worden. De molenaar moest goede gewichten houden, die hij elk jaar op zijn kosten moest laten ijken. Voor het slijten van de stenen moest hij 1 pond en 10 stuivers extra betalen. Aan de molenaars die op de publieke verpachting kwamen, moest de huurder twee zilveren rijksdaalders betalen; nog eens twee aan de inzetter. De latere contracten zijn vrijwel eensluidend; af en toe staat er een bepaling in over het betalen van het gereedschap van een overleden molenaar.
Daar aan het onderhoud zoveel ten koste moest worden gelegd, dat het nauwelijks door de inkomsten werden gedekt, droegen de heren in 1715 hun rentmeester op dat hij moest trachten de molen te verkopen; 42 het windrecht wilden zij zich reserveren. In deze tijd bracht de molen 51 pond per jaar op. 43
Er bleek geen koper te vinden. In 1726 pachtte Pieter Boluijt voor 55 pond. 44 Vanaf 1731 tot 1750 heeft Jan Boluijt voor 50 pond per jaar gehuurd. 45 Na een voorgenomen herstel in 1751, 46 een voorgenomen verkoop in 1752, 47 en weer een voorgenomen herstel in 1756 48 is de molen in 1757 verkocht aan Gillis van der Leck en Dignis van der Linde. 49 Als voorwaarden voor deze koop waren gesteld: de kopers en hun opvolgers zullen voor het windrecht 100 ksg. per jaar aan de heren betalen. De heren zullen inspectie houden op het herstel en op het goede onderhoud. Er zal op gelet worden, dat de ingezetenen van de heerlijkheid goed worden bediend, en dat de molenaar hen niet “vexeert”. Als koopsom hadden de heren 100 pond Vlaams bedongen; dit zeer lage bedrag is wel een bewijs, dat de molen hen zwaar op de maag lag. De twee nieuwe eigenaars verkochten de molen in 1791 aan Arij Slagboom voor 1556 pond, onder beding van het aan de heren toekomende windrecht. In 1808 werd Dirk Slagboom eigenaar. 50 De recognitie voor het windrecht is door de opeenvolgende molenaars regelmatig betaald. Toch gaf in 1842 de vergadering opdracht deze betaling veilig te stellen. 51 De toenmalige eigenaar Marinus Cornelis Stoutjesdijk gaf een verklaring af, waarin hij dit recht van de heren erkende. 52
In 1850 is in de Hollarepolder een tweede molen opgericht. Voor deze molen, door een particulier gesticht, hebben de heren geen recognitie voor het windrecht geëist. Waarschijnlijk zal dit zelfs niet in overweging zijn genomen, daar de heren een proces over het windrecht tot in hoogste instantie verloren hadden. De nieuwe molen heette “De Jager”. De oude molen werd “De Vos” genoemd. Volgens de volksmond is de naam van de “Jager” welbewust gekozen om uit te drukken, dat de jager de vos wel krijgen zou. De twee molens waren uit de aard der zaak felle concurrenten. De molenaar van “De Jager” schafte terstond een molenkar aan, zodat hij zijn klanten thuis kon bedienen. De molenaar van “De Vos” was zodoende wel verplicht hetzelfde te doen, hoewel hij zich de uitgaven voor kar en knecht eigenlijk niet kon permitteren. Hij beklaagde zich in 1854 dan ook bitter bij de heren; 53 hij vroeg vermindering van het windrecht en klandizie uit de Hollarepolder. De heren wezen het eerste deel van zijn verzoek af, doch zegden hem wel toe te bevorderen, dat de ingelanden van de Hollarepolder bij hem zouden laten malen, als hij dezelfde diensten verleende als de molenaar van “De Jager”. Noodgewongen nam molenaar Stoutjesdijk hiermede genoegen. 54
In 1871 kwam C. de Wilde in het bezit van de molen “De Vos”. Nadat hij tot 1884 regelmatig voor het windrecht had betaald, weigerde hij dit in 1885 plotseling. 55 De heren handhaafden hun recht; 56 het volgend jaar stelden zij een vordering tegen de molenaar in. 57 In 1874 had de Wilde de grondcijns op het huis en erf afgekocht. Toen de inkomsten uit de molen achteruitliepen, voelde hij er weinig voor het windrecht nog te betalen. Deze zaak lag niet eenvoudig. In 1821 hadden de heren een soortgelijk proces over de molen van Nieuw Vossemeer verloren. Door diverse rechtbanken en hoven was over deze zaak verschillend geoordeeld. Naargelang zij het windrecht als een zakelijk recht, door overeenkomsten geregeld, ofwel als een van het leenrecht afgeleid servituut opvatten, verklaarden zij het al dan niet rechtmatig. Op 13 juli 1888 wees de arrondissementsrechtbank te Zierikzee vonnis: de recognitie werd rechtmatig verklaard. In het vonnis ging de rechtbank de hele voorgeschiedenis na. In een vroeger request aan de heren om vermindering van het windrecht had de molenaar zelf dit een erfpacht genoemd; als zodanig was het ook in 1842 door Stoutjesdijk erkend. Dit gaf bij de rechtbank de doorslag, dat het windrecht als een zakelijk recht moest worden beschouwd. Op magistrale wijze omzeilde zij de vraag, of het windrecht rechtstreeks of zijdelings zijn oorsprong had in het leenrecht. De molenaar werd veroordeeld tot betaling van de recognitie en de gerechtskosten van ruim 400 gulden.
Hij berustte in het vonnis. 57
In 1906 vroeg De Wilde, toen 82 jaar oud, om vermindering van het windrecht, daar zijn bedrijf ernstig schade had geleden door de overstroming van Oud Vossemeer. 58 In 1928 kocht de toenmalige molenaar, Dignus George de Wilde, tegen een som van 1000 gulden het windrecht af. Kort daarna is de molen afgebroken.

NIEUW VOSSEMEER
Nadat ten oosten van de Eendracht land was ingepolderd, besloten de heren in 1532 in Mattemburg een molen te stichten, waarvoor de werf al bij de dijkage gereed was gemaakt. 59 Twee jaar later lieten zij voor Jan Spronck de Jonge, molenaar van Mattemburg, een huisje bouwen. 60 In 1571 is de molen voor 36 pond per jaar verpacht. 61 Deze molen is tijdens het oorlogsbedrijf op 26 augustus 1583 in brand gestoken. De polders onder Nieuw Vossemeer gingen voor lange tijd verloren, zodat het te begrijpen is, dat de molen niet terstond is herbouwd.
In opdracht van de heren van Vossemeer bouwde Cornelis Jacobs Smijtegelt in 1609 een nieuwe molen op de dijk van Mattemburg. 62 In 1611 waren al verschillende herstellingen nodig. 63 De molen is bij het beleg van Bergen op Zoom in 1622 onherstelbaar vernield en kort daarna geheel afgebroken. 64 Nog vele jaren daarna verkochten de heren de oude materialen ervan. 65 Meerdere malen bespraken de heren wel de stichting van een nieuwe molen, 66 doch in 1627 waren zij de overtuiging toegedaan, dat er nog geen “apparentie” voor de bouw was. 67 In 1628 bouwde Clays Adriaens ‘t Hof voor eigen rekening een molen aan de Prinseweg, op dezelfde plaats, waar heden nog de Heense Molen staat. 68 Hiertoe had hij overleg gepleegd met de heren van Vossemeer, speciaal met Jhr. Van Boshuijsen, die zich de zaken van Nieuw Vossemeer bijzonder had aangetrokken. Voor het windrecht vroegen de heren een jaarlijkse recognitie van 12 pond, in 1661 opgetrokken tot 16 pond. 69 Daartegenover gaven de heren aan de molenaar een zekere bescherming, al kon in dit geval de molen niet als een banmolen worden beschouwd. Toen hij zich in 1671 beklaagde, dat de inwoners in St. Philipsland lieten malen, droegen de heren de baljuw op dit te verbieden en te verhinderen. 70 De kwade gebruiken bleven echter voortduren; de ingelanden gingen zelfs naar Steenbergen en Halsteren. In 1675 en 1679 hernieuwden de heren hun bevel. 71 De herhalingen van het voorschrift tonen wel aan, dat de inwoners van Nieuw Vossemeer er moeite mee hadden deze molen als een banmolen te aanvaarden. In 1684 was Jacobus van der Hoeven eigenaar van de molen; hij betaalde zonder tegenspraak het gevorderde windrecht. 72
In 1701 werd de wind weer verhuurd, zoals de resolutie laconiek zegt; de heren vonden het bedrag wel erg laag en droegen de rentmeester op te trachten dit omhoog te krijgen. 73 In februari 1714 waaide de molen omver; ter tegemoetkoming in de rampschade voor de molenaar Hendrik van Boxtel ontsloegen de heren hem voor twee jaren van het windrecht. 74 Nadien is het windrecht regelmatig verpacht, telkens voor een tijd van zeven jaren. 75
De Heense molen werd in 1756 door de weduwe van Arij van Boxtel aan de molenaar Adriaan van Eggermond verpacht. Tussen 1799 en 1808 was Fransus Sprangers molenaar. Een latere molenaar, Jan de Bruijn, weigerde vanaf 1809 het windrecht te betalen. Nadat hij enige malen gemaand was zijn achterstand af te doen, maakte hij er in 1812 een principiële zaak van; hij wilde niet meer betalen, omdat het volgens hem een onrechtmatige vordering was. 76 De heren besloten hem tot betaling te dwingen. Daarna deed een van de heren de suggestie, het windrecht te laten vervallen en om te zetten in een grondcijns, daar de molen op grond van de heerlijkheid was gebouwd, doch daar voelden de andere heren niet voor 78 In 1818 en 1819 besloten zij tegen de molenaar in rechte op te treden. 79 De rechtbank in eerste aanleg te Breda beschouwde in haar vonnis van 23 augustus 1829 het gevorderde windrecht als een duidelijk en direct overblijfsel uit het leenstelsel en verklaarde de vordering van de heren ongegrond. Tegen dit vonnis gingen zij in beroep. 80 Op 1 november 1821 deed het Hooggerechtshof in den Haag uitspraak. De heren hadden hun pleidooi voornamelijk gegrond op de overweging, dat het windrecht niet zozeer voor de wind geheven werd, doch als een recognitie of cijns voor de grond, waarop de molen in 1628 was gesticht; de tegenpartij bleef hameren op het aambeeld van het feodalisme. Het Hooggerechtshof verwierp het beroep en bevestigde het vonnis der rechtbank van Breda. De proceskosten van De Bruijn ten bedrage van 334 gulden kwamen bovendien nog ten laste van de ambachtsheerlijkheid; met de eigen kosten was het proces een dure zaak geworden. En met dit kwade geld hield de band met de molen van Nieuw Vossemeer definitief op.

18. JACHTRECHT

Ermerins, zelf heer van Vossemeer, heeft als zijn vaste overtuiging uitgesproken, dat de heren het jachtrecht niet bezaten. 1 Anderen, waaronder Johan Canter de Munck in zijn bekende Deductie, 2 beschouwden het wel degelijk als een onderdeel van de heerlijke rechten. Woordelijk komt het in de uitgiftebrieven niet voor; daar zijn wel de visserij en de vogelarij in genoemd. De tegenstanders vatten dit gemis op als een aanwijzing, dat de graaf van Holland zichzelf de jacht gereserveerd had, die in het feodale tijdperk vrij algemeen als een regaal (voorrecht van de vorst) werd opgevat. Dit argument sluit echter niet geheel. Indien het inderdaad de bedoeling van de graaf was geweest, zou zijn kanselarij wel zo formeel gewerkt hebben, dat zij de reserve expliciet in de oorkonden tot uitdrukking bracht. Bovendien blijkt nergens, dat de rentmeesters van de graaf in Zeeland, die over het algemeen zeer fel waren op het handhaven van de grafelijke rechten en vooral op het uitbuiten van alle financiële consequenties hiervan (van de totaalopbrengst hing immers hun salaris af!), zich met de jacht hebben bemoeid. In Zeeland gold trouwens, dat alles ambachtsgevolg was, wat niet uitdrukkelijk voorbehouden was. De Staten van Zeeland beslisten in 1785, dat het jachtrecht tot het ambachtsheerlijk recht behoorde. Het blijkt, dat ten tijde van Ermerins het principe zelf in discussie was.
Uit de stukken komt het jachtrecht niet sterk naar voren. Met de handhaving en de toepassing er van hebben de heren niet altijd dezelfde lijn gevolgd. In 1495 verboden zij reigers, lepelaars en ander wild gevogelte te schieten. 3 Wellicht was dit een maatregel ter bescherming van bepaalde vogelsoorten; misschien zou men eruit kunnen afleiden, dat de jacht op ander gevogelte vrij was, temeer daar wij de vogelarij voor het eerst pas in 1511 verpacht zien. Dit zegt weer niet veel, daar er uit de 15e eeuw maar weinig stukken bewaard zijn gebleven. In 1517 besloten de heren, dat de patrijzen gevangen en verkocht zouden worden; wie van de heren er hebben wilde, kon die van de rentmeester kopen. 4 Iets duidelijker wordt hier de pretentie gesteld, dat dit wild van de heren was; wel zorgden zij er voor, dat de opbrengst in de gemeenschappelijke kas terecht kwam. Het volgend jaar namen zij het besluit, dat zij zelf mochten jagen, of iemand anders met een briefje de jacht laten doen. Iedere jager mocht slechts twee hazen per week schieten. 5 Geheel duidelijk is de resolutie van 1529; het jagen en “vliegen” (d.i. jagen met de valk) is eenieder buiten de heren verboden. Gegadigden voor de jacht krijgen een briefje van een der heren, dat zij aan de baljuw moeten tonen. 6 Dan vernemen wij lange tijd niets meer van de jacht. In 1618 lieten de heren aan de militaire gouverneurs van Steenbergen en Bergen op Zoom en aan de commandeur van Tholen weten, dat in Vossemeer de jacht hun privilege was, dat zij onvoorwaardelijk door de officieren en soldaten geëerbiedigd wensten te zien. 7
De Staten van Zeeland hebben meerdere plakkaten over de jacht uitgevaardigd. 8 Het eerste dateert van 1623 , het laatste van 1768. Zij bevatten bepalingen over de wijze van jagen, de open en gesloten tijden, en de toeten ingeval van overtredingen. Deze plakkaten, die eveneens voor het land van Vossemeer golden, lieten het recht van de heren onaangetast. In hun voorschriften schikten de heren zich naar deze plakkaten.
In 1637 werd nogmaals gepubliceerd, dat aan ieder in Vossemeer de jacht verboden was. In de heerlijkheid mochten geen windhonden, patrijshonden of andere “lange” honden gehouden worden. 9 Bij een verpachting van het veer in 1650 werd de bepaling toegevoegd, dat de veerman geen jagers uit Brabant mocht overzetten. De jacht was verpacht aan Cornelis de Jager; hij moest tevens toezicht er op houden, dat niemand anders jaagde. Ongeblokte honden moesten geweerd worden. 10 In 1652 kreeg de rentmeester opdracht de jacht weer te verpachten; de heren bleven evenwel het recht houden met hun “broodknechten” te jagen. 11 Dit viel niet altijd tot hun genoegen uit. In 1652 wilde Marinus Corvincx, heer van Vossemeer, zich na de studie wat verpozen. Samen met de zoon van de predikant ging hij op jacht. De baljuw en de secretaris trokken hem met hun honden achterna. Toen Corvincx’ hond een haas gevangen had, namen de andere honden hem die af, die hierop klaarblijkelijk gedresseerd waren. Vol verontwaardiging schreef de jonge Corvincx een brief aan zijn medeheren, waarin hij een zware straf eiste voor de baljuw en de secretaris. De heren hebben zich echter om die ene haas niet druk gemaakt!
Toen in 1672 de jacht en de vogelarij uit de pacht waren, werden deze aan de rentmeester toegestaan, die er niets voor behoefde te betalen. 12 Over het algemeen waren de heren van Vossemeer niet scheutig met dergelijke gratificaties, zodat men met grond concluderen mag, dat de jacht geen noemenswaardige som vertegenwoordigde. In 1679 besloten zij de jacht “voor eigen plezier” te houden, doch spoedig daarna slopen er misbruiken in. Daar de meeste heren ver van Vossemeer af woonden, konden zij zelden van hun jachtrecht gebruik maken. De heren droegen de baljuw op, streng tegen de stropers op te treden. 13 Het volgend jaar werd er een gegrepen. In naam van de heren spande de rentmeester een proces tegen hem aan. Op een kwalijke manier bleek de baljuw Dallens hierin betrokken te zijn; ook op ander terrein had hij de heren een hoop moeilijkheden berokkend. Getuigen verklaarden namelijk, dat hij de stropers verlof gaf tot jagen, mits zij bij tijd en wijle een deel van de buit aan zijn huis afleverden! Nu de zaken zo lagen, kwam van een vervolging niet veel terecht. In 1687 werd de jacht aan de rentmeester en de secretaris verpacht. 14 Bij de verpachting van 1699 staat, dat zij voor hazen en patrijzen gold; dit is een aanwijzing, dat de vogelarij en de jacht in elkaar zijn overgelopen, en misschien van de oorsprong af als één zijn beschouwd.
Pas ná half september gaat de jacht open, beslisten de heren in 1714. 16 Wegens de overstroming, waardoor de wildstand veel geleden had, besloten de heren in 1715 de jacht voor twee jaren geheel stop te zetten. 17 In 1717 werd nogmaals opdracht gegeven elke onbevoegde met kracht te weren; speciaal moest gelet worden op de overste La Rocque, die ondanks zijn hoge militaire rang een geduchte stroper was. 18 De heren besloten in 1721 de jacht te verpachten, die minstens 60 gulden per jaar moest opbrengen. Als een van de heren haar wilde hebben, zou hij
Resolutie van de heren over de jacht, 1681.

Resolutie van de heren over de jacht, 1681.

voorkeur genieten. De rentmeester, baljuw en secretaris mochten blijven jagen, 19 Enige jaren later hielden de heren de jacht weer aan zichzelf, doch de drie officieren mochten nog meedoen, 20 als zij anderen niet met een briefje het land in lieten gaan. 21 In 1730 lieten de heren de jacht weer geheel aan de officieren, die zes koppel patrijzen aan de heren moesten leveren. 22 Zij zouden zelf jagen en mochten geen jager aanstellen. 23 In 1751 is de jacht voor zeven jaren verpacht; 24 in 1762 voor veertien jaren. 25
Op de goede orde van het jachtterrein bleven de heren regelmatig toezien. In 1742 hadden zij het houden van alle jachthonden verboden; toen kreeg de baljuw opdracht deze door zijn dienders zonder pardon te doen doodschieten. De arbeiders mochten geen hond mee naar het veld nemen, tenzij die een blok of knuppel meesleepte. 26 Dit voorschrift is nadien meerdere malen herhaald, 27 waarschijnlijk omdat het regelmatig werd overtreden. Uit 1780 is een pachtcontract bewaard gebleven. 28 De jacht was open van half september tot half februari. Buiten de heren, de rentmeester en de secretaris mochten ook gekwalificeerden van de Staten van Zeeland in Vossemeer jagen. De huurder kon de jacht aan niemand overdragen; hij mocht zich slechts door één persoon laten vergezellen. Met nadruk werd hem voorgeschreven, de jacht niet te ruïneren, d.w.z. hij had er voor te zorgen, dat er ook het volgende seizoen nog wildstand was. In Vossemeer mocht hij niet bij deze of gene een hond achterlaten. De heren wilden beslist niet hebben, dat deze in afwezigheid van zijn baas de jacht bijhield.
Tot zover heeft de jachthoorn van Vossemeer heel rustig en sereen geklonken; het staccato valt in het begin van de 19e eeuw in. Na de omwenteling van 1795, die een einde had gemaakt aan het feodale stelsel, wisten de heren van Vossemeer in meerdere opzichten niet meer precies waar zij aan toe waren. Verschillende van hun oude voorrechten waren zonder meer opzij geschoven; wat niet was weggevaagd probeerden zij met beleid en tact door een moeilijke periode heen te loodsen. Over het jachtrecht zelf is direct na 1795 geen kwestie ontstaan; de bewoners van Vossemeer zijn dit blijven eerbiedigen. Toen koning Willem I in 1814 enkele voorrechten van de vroegere ambachtsheerlijkheden herstelde, was daarbij ook het jachtrecht. In dat jaar gunden de heren de uitoefening ervan aan de rentmeester en zijn broer. 29
In 1826 liet Jan Baptist Ongenade uit Antwerpen, die een hofstede en landerijen onder Nieuw Vossemeer had aangekocht, zijn landerijen afpalen; hij plaatste opschriften, behelzende dat op zijn gronden de jacht aan hemzelf voorbehouden was. 30 De heren besloten hun recht te handhaven en, toen Ongenade niet toegaf, een proces tegen hem te beginnen. 31 Ongelukkigerwijs had de Opperhoutvester aan Ongenade verlof verleend, zijn private jacht te mogen afpalen. Deze functionaris kende de situatie in Vossemeer niet; achteraf betreurde hij zijn beslissing. Wel zegde hij toe geen nieuwe aanvragen in behandeling te zullen nemen voordat de zaak van het jachtrecht tot klaarheid was gebracht. Naar aanleiding hiervan schreef de voorzitter te hopen, dat men op deze manier “genadiglijk” van Ongenade zou afkomen. “Die Bas geeft wanklinkende tonen en het is te wensen, dat wij lange van zulken muzijk zullen verschoond blijven” Het was een schone droom! De zaak diende in eerste instantie voor de rechtbank te Breda, die op 23 augustus 1830 uitspraak deed. 32 Volgens haar hadden de heren van Vossemeer niet voldoende bewezen, dat zij vóór 1795 en later wettig in het bezit waren geweest van het jachtrecht. Het aanbod om dit door getuigenverklaringen aan te tonen, kon niet worden aanvaard, daar de wettigheid van het beweerde recht geen zaak van getuigenis kon zijn. De rechtbank wees de eis van de heren af. Van deze beslissing gingen zij in beroep bij het Hooggerechtshof in Den Haag. 34 Aanvankelijk leek het erop, dat de zaak er hier gunstiger voorstond. Het Hof ging dieper op de voorgeschiedenis in; het vroeg diverse stukken op, tot en met de uitgiftebrieven van 1410 en 1415. De conclusie van het Openbaar Ministerie was zonder enig voorbehoud voor de erkenning van het jachtrecht. Doch Noiret de Bruijn, de procureur van de heren van Vossemeer, waarschuwde niet te vroeg hoera te roepen! Op 5 juli 1833 gaf het Hof zijn arrest, dat in hoofdzaken hier op neerkwam: Volgens het KB van februari 1815 moet worden bewezen, dat het recht op en het bezit van de jacht tot 1794 toe of later heeft bestaan. In feite is het jachtrecht een erfdienstbaarheid op andermans gronden. Zulke erfdienstbaarheid is van een strikte interpretatie, en kan niet uit iets anders worden afgeleid, bijvoorbeeld uit de vogelarij van de uitgiftebrieven van 1410 en 1415, die het woord jacht zelfs niet bevatten. Aangenomen mag worden, dat de graven van Holland zich dit recht hebben voorbehouden. Zo de ambachtsheren van Vossemeer het al hebben uitgeoefend, dan bewijst dit nog niet, dat zij het wettig bezaten. Het besluit van 1815 moet vanzelfsprekend aldus worden opgevat, dat het de herstelling beoogde van wettig bezeten rechten. Op deze gronden verwierp het Hof het beroep; het bevestigde het vonnis van de rechtbank. Noiret de Bruijn schreef, dat de beslissing hem hartelijk leed deed. Hij ontveinsde zich niet, dat bij het Hof een sterke vooringenomenheid bestond tegen alles wat ambachtsheerlijkheid was. Zelf was hij van het recht en de wetmatigheid ten volle overtuigd. “Doch hetgeen de heren wijzen, moeten wij prijzen.” Een uitspraak lijnrecht tegen de conclusie van de advocaat generaal had hij niet verwacht. 35 De historische terugblik van het Hof valt allerminst te prijzen; die was in zijn ongenuanceerdheid zelfs vals.
Ondanks de ongunstige uitslag van het eerste proces bleven de heren van Vossemeer het jachtrecht handhaven op alle andere gronden van Oud en Nieuw Vossemeer. Nog meerdere gerechtelijke acties hebben zij doen instellen tegen lieden, die het jachtrecht overtraden. In 1829 pretendeerde P.J. de Caters, een bankier uit Antwerpen, de eigen jacht op zijn gronden in Nieuw Vossemeer. 36 Tijdens de hangende procedure tegen Ongenade had hij zich rustig gehouden, doch terstond na de uitspraak deelde hij mede, dat hij zijn gronden voor zichzelf wilde afpalen. 37 De heren gaven hiervoor geen toestemming. Toen De Caters zijn zin toch doorzette, stelden zij in 1844 een procedure tegen hem in. Bij de rechterlijke instanties manifesteerde zich in deze tijd een ommezwaai op het punt van het jachtrecht; in 1839 had het Hof van Holland in een vrijwel analoog geval het jachtrecht als een ambachtsgevolg erkend. Ongeveer gelijktijdig gingen de heren een rechtsgeding aan met Le Grêle, die eveneens in overtreding was. 38 Na een eerste vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zierikzee van 22 februari 1848, dat voor de heren gunstig was, werd de zaak tot in hoogste instantie doorgezet. In 1850, terwijl de zaak diende voor de Hoge Raad, stelde De Caters een schikking voor, doch de heren besloten het arrest af te wachten. 39 De naar aanleiding hiervan toegelaten getuigen spraken in het voordeel van de ambachtsheren. 40 Voor Nieuw Vossemeer deed het Provinciaal Gerechtshof in Noord Brabant op 16 januari 1855 uitspraak; het erkende het recht van de heren. De Hoge Raad verwierp op 29 juni 1855 het beroep van De Caters. Hiermede was de zaak geheel beslist. In principe hadden de heren al besloten afkoop van het jachtrecht door particulieren in overweging te nemen; de raad van beheer zou dit in voorkomende gevallen kunnen afhandelen. 41
De jacht werd nu als voorheen verpacht; niemand anders dan de huurders zou toestemming krijgen om te jagen. 42 Nadien is de jacht regelmatig verpacht, met uitzondering van de gronden van Ongenade, die zich in een gunstige tijd vrij had gemaakt. 43 Er hebben zich geen moeilijkheden meer voorgedaan. Wel werd daarna het jachtrecht op verschillende landerijen afgekocht, doch dit geschiedde in overleg tussen beide partijen. De kaart van het jachtgebied van Vossemeer ziet er tenslotte als een lappedeken uit. 44 De procedures hadden een hoop geld verslonden; in één jaar staan fl. 3440,- aan proceskosten genoteerd. 45
Bij de invoering van de Jachtwet 1923 , die alle oude jachtrechten wegvaagde, werd het oude recht weer geheel opgerakeld, toen enige bewoners van Nieuw Vossemeer het bezit van de ambachtsheren betwistten. In 1924 had de raad van beheer aangifte gedaan. In 1932 erkende de jachtcommissie dan eindelijk het recht van de ambachtsheren. Voor Oud Vossemeer werd een schadeloosstelling van fl. 6284,- toegekend, voor Nieuw Vossemeer van fl. 7236,- welke sommen in 1934 aan de aandeelhouders naar rato van hun aandelen zijn uitgekeerd. 46 Daarna heeft de ambachtsheerlijkheid enkel het jachtrecht op haar eigen gronden behouden.

19. VEREN
In de eerste uitgiftebrief is het recht van veer en passage aan de heren toegekend. 1 De rechtshistorici hebben met dit recht niet goed raad geweten. Het was niet duidelijk, waarom het in veel gevallen als een ambachtsgevolg werd verleend, terwijl de graaf van Holland zich bij voorkeur de veren zelf voorbehield. Het feit van dit heerlijke recht is nooit betwist of tegengesproken. De zaak ligt vrij eenvoudig, als men zich realiseert, dat de meeste ambachtsheerlijkheden in Zeeland gesticht zijn in een tijd, dat de reeds ingedijkte landen nog lang geen aaneengesloten grondgebied vormden. In deze situatie was het wel noodzakelijk, die nieuw te vormen heerlijkheden een mogelijkheid tot communicatie te geven. De graaf van Holland zou er niets aan hebben gehad zich deze kleine veren voor te behouden; de mogelijke inkomsten daaruit zouden nooit volstaan hebben voor een lonende exploitatie. Het aanleggen en onderhouden van de plaatselijke veren, die slechts een beperkt belang hadden, liet hij dan ook van harte aan de ambachtsheren over.
Deze van hun kant hadden niet de minste ambitie in concurrentie te treden met de grote grafelijke veren. Als bij stilzwijgende afspraak hebben de ambachtsheren het veerrecht enkel voor het locale verkeer gekregen; die van Vossemeer hebben het althans zo opgevat.
Uit de eerste tijd van de heerlijkheid vinden wij niets over het veer. In 1493 bespraken de heren het plan om aan de Hikke een veer te leggen; de baljuw en de rentmeester werd opgedragen dit voor te bereiden en iemand te zoeken, die het zou willen aannemen. Als die gevonden was, zouden enige heren samenkomen om te beslissen, wat er aan gedaan moest worden. 2 Het volgend jaar behandelden de heren het veer tussen Vossemeer en Kijkuit aan de andere zijde van de Eendracht. 3 Over dat veer was een proces gaande in Den Haag met de stad Tholen. Zij besloten het voor twee jaar te verpachten aan Hugo de Dinel en stelden het tarief vast. Van de mensen, die aan de overzijde woonden, werd minder veergeld gevraagd; de heren en hun dienaars waren geheel vrij. Uit deze vrij duistere gegevens krijgt men de indruk, dat het veer nog niet lang bestond.
Misschien heeft de verbinding te land aanvankelijk over het land van Tholen gelopen. Toen de heren het veer in werking stelden, stootten zij op verzet van de stad Tholen. Hun recht was echter voldoende duidelijk in de uitgiftebrief vastgelegd. Dat het veer rond deze tijd in gebruik is genomen, blijkt indirect uit de oudste rekening van 1491/92, waarin niet de minste vermelding van een veer voorkomt. De Zeeuwse Keur van 1495 erkende het veerrecht als een ambachtsgevolg, tenzij er van een andere zijde tegenstrijdige titels aanwezig waren. Het heeft er de schijn van, dat de stad Tholen pas is opgetreden nadat de heren een veer hadden ingesteld.
Het eerste veer is in werking geweest tussen Oud Vossemeer en Kijkuit aan de Brabantse kant; wel lag het in de bedoeling aan de Hikke een tweede veer te stichten. In 1495 was dit laatste plan nog geen stap verder gekomen. 4 Het volgend jaar bestond het; toen is het aan Pieter de Heerde verhuurd op dezelfde voorwaarden als met hem gesloten waren over de bediening van het andere veer, o.a. dat hij de schuit in goede staat moest houden; als zij door zijn schuld verloren ging, moest hij een nieuwe leveren. Voor de Hikke moest de veerman een nieuwe boot leveren, de oude bleef aan de heren. Dezelfde schipper pachtte het veer aan Kijkuit. Het geschil met de stad Tholen was nog niet opgelost. 5 In 1497 is het veer aan Kijkuit verpacht voor ruim 6 rijnsgulden; na drie jaren zou de schuit van de veerman zijn. Van elk huis in Kijkuit kreeg hij een vaste bijdrage per jaar; de bewoners waren dan verder vrij van veergeld. 6 Misschien hebben de heren zich met de stichting van het tweede veer, verder naar het noorden gelegen, willen voorbereiden op het geval, dat de stad Tholen het proces won. Voor een veer dicht bij de stad konden gemakkelijker pretenties gesteld worden en drogredenen gevonden dan voor een veer hogerop, waar de stad de verbinding met de andere oever niet kon en mocht verzorgen. In 1499 werd het veer aan de Hikke weer verpacht. 7 Het veer aan Kijkuit is in 1500 voor vier jaren verpacht; blijkbaar voelden de heren zich al veiliger. Die van buiten de heerlijkheid moesten voor het overzetten 6 mijten geven, die van binnen 4 mijten; die van Kijkuit hadden een lager tarief. 8 Wellicht hebben de ambachtsheren met opzet de nadruk er op gelegd, dat het veer aan Kijkuit thuishoorde en dat het voornamelijk gericht was op de belangen van de bewoners van de overkant, waar de stad Tholen zeker niets te vertellen had. Blijkens de resolutie van 1503 was het veer aan de Hikke in onbruik; de heren zochten wel een gegadigde. Het proces met de stad Tholen was nog niet afgelopen, doch het besluit deelt er geen details over mede. 9 Voor de laatste maal wordt dit proces in 1504 vermeld, zodat het wel zeker is, dat het kort nadien tot een uitspraak of oplossing is gekomen. 10 De uitslag moet voor de heren wel gunstig geweest zijn; nadien immers zijn zij het veerrecht blijven uitoefenen en heeft de
Botshoofd onder Nieuw Vossemeer, waar achter de dijk het eerste veer van de heren lag. Foto: A. Delahaye, 1968.

Botshoofd onder Nieuw Vossemeer, waar achter de dijk het eerste veer van de heren lag. Foto: A. Delahaye, 1968.



stad Tholen hun op dit punt geen moeilijkheden meer berokkend. Wanneer in 1505 de aanlegdam wordt verhoogd, 11 kan dit wellicht als een teken worden opgevat, dat de heren nu in het ongestoord bezit van het veer waren. In 1510 werd besloten het veer volgens “oude costume” voor vier jaren te verhuren. 12 Van dat aan de Hikke wordt niets meer vernomen.
Naast het gewone veergeld hieven de heren in 1511 nog een damgeld. Aan beide zijden van het water waren dammen gelegd, zodat men bij de wisselende waterstanden toch de boot op de juiste hoogte kon vastleggen voor het laden en lossen. Voor paarden en wagens, die van de veerdam gebruik maakten, werd zes mijten gevorderd, waarvan de helft aan de heren, de andere helft aan de veerman kwam. Op hun kosten plaatsten de heren draaibomen. De inwoners van Vossemeer waren vrij van betaling van het damgeld, doch zij moesten de veerdam aan beide zijden van het water onderhouden. Hieromtrent was een contract gesloten met de ingelanden. 13 Nu werd het veer naar Oud Kijkuit genoemd, de polder vóór de Oud Vossemeerse Polder. Later is het damgeld samen met het veer verpacht. Op Vogelenzang, toen nog een schor, werd in 1512 een vlot gelegd, zodat de schepen beter konden aanleggen; het moest door de ingelanden bekostigd worden. 14 In de rekening van dat jaar wordt slechts één veer verantwoord.
Dit wordt in 1538 het veer aan Leguit genoemd; in dat jaar bevalen de heren, dat de ingelanden van deze polder het moesten onderhouden. Tussen hen en die van Kijkuit “an Brabant” waren felle geschillen ontstaan over het onderhoud van de beide hoofden. De kwestie schijnt zo hoog opgelopen te zijn, dat een commissie uit de heren, waaronder de heer van Bergen op Zoom, haar te beslissen kreeg. Voor het veer werd een nieuwe pont aangeschaft. 16 In 1540 is een nieuw tarief vastgesteld; de buurlieden ten oosten van het water konden 4 stuivers per jaar geven of 3 mijten per keer, naar hun eigen keus; maar met wagens en paarden moesten zij hetzelfde als de anderen betalen. 17 In 1544 beslisten de heren het geschil tussen de beide partijen van ingelanden over het onderhoud van de veerdammen. 18
Tengevolge van de bedijking van Vogelenzang in 1570 was de haven en aanlegplaats van het veer verloren gegaan. Het verkeer en de aanvoer van goederen waren zeer moeilijk geworden. Voor het veer was niet terstond een nieuwe voorziening getroffen. De mensen van Nieuw Vossemeer hadden de hele winter niet naar de kerk kunnen gaan. Naar aanleiding van deze toestand dienden de magistraat en ingezetenen van Vossemeer een request in bij de heren. 19 In dit stuk is sprake van het Nieuw Veer, dat kort na de inpoldering van Nieuw Vossemeer is gesticht, en dat in de stukken lang onder deze naam blijft voorkomen. Het is in 1567 voor het eerst verpacht. 20 De rekening vermeldt: van Gijsbrecht de Veerman van het Nieuwe Veer bij de nieuwe sluis aan Nieuw Vossemeer. De rentmeester kon niet nalaten met nadruk te verzekeren, hoe nieuw alles was! Dit veer verbond de dorpen Oud en Nieuw Vossemeer; het lag enkele kilometers noordelijker dan het oude veer. Enkele jaren nadien hebben soldaten de schuiten van het veer geroofd en naar Tholen gesleept. 21 Wat deze stad eenmaal had, liet zij niet graag weer los. In 1575 en 1578 wilden die van Tholen wel over de betaling in onderhandeling treden, 22 doch een en ander schijnt zo moeizaam te zijn verlopen, dat de heren in 1579 maar van restitutie of betaling afzagen. 23
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog zijn de veren lang door de soldaten in beslag genomen. In 1575 wilde de veerman het veer aan het Botshoofd al opgeven, daar hij veel last van de soldaten had en vrijwel geen inkomsten. De heren hebben hem echter overgehaald nog te blijven. 24 In 1580 gelastten de heren, dat de veerlieden aan de westzijde van de Eendracht moesten wonen. 25 Dit was voorgeschreven om hen en de schuiten aan de wal te houden, als er van Brabant uit onraad dreigde. In 1581 beval Jhr. Alexander de Haultain, gouverneur van Walcheren, dat het veerhuis aan het Botshoofd zo vlug mogelijk moest worden afgebroken anders zou hij het door de soldaten in brand laten steken. Om er nog iets aan te hebben, verkocht de rentmeester het terstond. 26 De veren zelf bleven nog in werking; in 1582 lieten de heren een paardenschuit maken aan het Botshoofd en aan het Nieuwe Veer een nieuw hoofd leggen. 27 Kort nadien zijn de veren geheel door de soldaten overgenomen en bediend. 28
Enige malen nog beraamden de heren plannen voor onderhoudswerken, doch deze konden zij niet uitvoeren. In 1583 ging Nieuw Vossemeer verloren, zodat er tussen de Hikke en het dorp vrijwel geen verkeer meer was. Andere details wijzen er op, dat de veren enkel nog door de militairen werden gebruikt. In 1597 is de gemeente ontlast van het onderhoud van het hoofd aan het Nieuwe Veer, 29 doch in 1623 en 1630 wezen de heren deze last weer aan de dorpen toe. 30
In 1609 is het veer aan het Botshoofd weer door de heren verpacht; 31 toen was het door de militairen vrijgegeven. In 1613 is het voor 36 pond per jaar verhuurd. 32 Het herstel is maar kort geweest. Bij het begin van het Twaalfjarig Bestand is dit veer volledig stopgezet en pas in 1630 weer heropend. 33 Dit zegt de resolutie van 1630. Toch blijkt uit die van 1621, dat het veer toen wel verhuurd was; de veerman kreeg vermindering van de pacht, omdat hij in de strenge winter veel verlies had gehad. 34 In 1628 was het voor 6 pond verpacht. Toen werd door de Staten van Zeeland uitdrukkelijk verboden er katholieken mee over te zetten naar Brabant, waar het veer voornamelijk van bestond. De heren verleenden de veerman daarom een afslag op zijn pachtsom. 35 In 1630 bepaalden zij, dat de veerlieden geen bedelaars en landlopers uit Brabant mochten overzetten. 36 In 1638 was het veer voor 8 pond per jaar verpacht, doch als zich een pastoor in Halsteren vestigde, zou de klandizie aanzienlijk oplopen, en dan, meende de heren moest de veerman 15 pond betalen. 37 Het verbod op het overzetten van landlopers was geen loze bepaling. In 1654 en de volgende jaren kreeg de veerman van het Botshoofd grote moeilijkheden met de baljuw en de dienders van Tholen, omdat hij zulke lieden had overgezet, die in Tholen in de val liepen. Toen kwamen de heren voor de veerman op. 38 Zij moesten weliswaar toegeven, dat hij niet juist gehandeld had, doch toen de baljuw van Tholen hem een boete oplegde en zijn boot in beslag nam, kwam hij op het terrein van de eigen jurisdictie van Vossemeer, waartegen de heren krachtig stelling namen. 39
In 1657 droegen de heren de rentmeester op het veer over het Slaak naar St. Philipsland te verpachten. 40 Later blijkt van dit veer niets meer. Waarschijnlijk is dit van de kant van de heren een poging geweest hier een veer in te stellen, en is er niemand op af gekomen om het te verzorgen en te pachten. In de verbindingen met St. Philipsland was genoegzaam door de bestaande beurtvaarten of scheepsdiensten voorzien. Aan een rechtstreeks veer tussen de beide dorpen schijnt geen behoefte te zijn geweest.
Het veer van het Botshoofd werd in 1659 geschikt gemaakt voor wagens en karren. 41 Inmiddels was de dienst zo uitgegroeid, dat aan de veerman hij de verpachting in 1660 een nauwkeurige instructie werd gegeven. 42 Hij moest de beide veerdammen onderhouden, een goede en “stijve” veerpont hebben en een boogaard of kleine veerschuit. De passanten moest hij zo kort mogelijk laten wachten; de schuiten dienden altijd vaarklaar te zijn. Tevens moest hij een kloeke knecht hebben, zodat zij elkaar konden aflossen. Op de goede naleving hiervan was een boete van 6 karolusguldens voor de armen gesteld. Daartegenover verbonden de heren zich er voor te zullen zorgen, dat niemand anders mensen en goederen overzette. Marinus Lodewijcx pachtte voor 80 pond. Tezelfdertijd is het Nieuwe Veer voor 20 pond verpacht. 43 Het veer aan het Botshoofd beleefde toen zijn bloei. In 1683 werd het voor 66 pond verpacht. Het Nieuwe Veer bracht in dat jaar slechts 4 pond op. 44 Men strenge bepalingen verboden de heren in 1683, dat ongekwalificeerden iemand overzetten; boeten werden vastgesteld voor schippers en passagiers. 45 De daarna voorgevallen feiten wijzen uit, dat dit voor het grootste deel een loos besluit was. Toen Appolonia Reiinouts, die het Nieuwe Veer had gepacht, in 1693 een overtreder liet vervolgen, veroordeelden de schepenen hem niet tot de boete van 4 pond, zoals in 1683 was bepaald, doch slechts tot een betaling van 10 schellingen, terwijl zij zelf tot de proceskosten van meer dan 5 pond veroordeeld werd. De heren gaven haar die som wel terug (zonder in consequentie te trekken!) uit het goede slot van de huisschatting, derhalve uit de kas der gemeente, doch eigenlijk was met het veerrecht een loopje genomen. 46 Het werd nog erger, toen in 1694 de bode van Nieuw Vossemeer een gezelschap overzette, waaronder de predikant van St. Philipsland. Appolonia betrapte hen op heterdaad en eiste haar veergeld op. Volgens haar zeggen had zij discreet en beleefd haar recht bepleit, doch de woordenwisseling ontglipte haar, zodat zij in een proces wegens belediging verwikkeld raakte en een boete van 5 pond kreeg. De heren van Vossemeer betaalden haar wel de boete, doch schrokken er blijkbaar voor terug het veerrecht strikter te doen handhaven. 47 De afwikkeling van de eerste zaak werd ook gesaboteerd. In 1695 had de secretaris haar nog altijd niet de eerste 5 pond betaald; het werd hem nogmaals gelast. 48
Geen wonder, dat bij deze slappe handhaving van het veerrecht de inkomsten sterk terugliepen. In 1696 was het veer aan het Botshoofd voor 36 pond verpacht, het Nieuwe Veer voor 4 pond. Het volgend jaar kreeg Appolonia voor 6 jaren het veer gratis, doch dan moest zij wel een nieuwe pont laten maken. 50 Overwogen werd het veer aan het Botshoofd naar de hoek van de polder Slabbecorn te verplaatsen, doch het liep regelmatig terug, zodat de heren tenslotte van dit plan hebben afgezien. 51 In 1706 bracht het 30 pond op; het Nieuwe Veer 20 pond. 52 Enkele jaren later, in 1713 , was het verschil nog minder: dat van Botshoofd stond toen op 21 pond, het Nieuwe Veer op 18 pond. 53 In 1715 heeft het Nieuwe Veer definitief gewonnen: het bracht 18 pond op, het veer aan het Botshoofd 10 pond. 54 Nadien is het Nieuwe Veer blijven stijgen en zakte dat van het Botshoofd nog verder af.
In 1741 stelden de heren een nieuw reglement op de veren vast, dat in feite niets anders was dan een tarieflijst met een zeer algemene instructie voor de veerman. 55 De veerlieden hadden er een handje van in de middaguren met hun schuit te verdwijnen, waarschijnlijk om ergens een dutje te doen, zodat de passagiers dan een hele tijd moesten wachten. De heren verboden dit zeer streng. De schepen moesten in de vaart zijn of aan de trossen liggen. 56
In 1784 bracht het Nieuwe Veer 25 pond op; dat van het Botshoofd 17 pond; 57 in 1805 was dit respectievelijk 40 en 10 pond. 58 De omwenteling van 1795 had het veerrecht aanvankelijk onaangetast gelaten. Doch in 1810, toen een deel van Nederland bij het Franse Keizerrijk was ingelijfd, nam de ontvanger der verenigde rechten in Tholen de veren in beslag. De heren zonden een request aan de prefect van het parlement, doch deze zette er de aantekening op, dat hij er niet eens over behoefde te beraadslagen, daar de wet zich tegen dit soort van vrijheden verzette. De heren besloten bij de minister te protesteren.
Bij besluit van 6 augustus 1815 gaf de gouverneur van Zeeland de beide veren aan de ambachtsheerlijkheid terug. 60 Wel werd bepaald, dat het beheer ervan voortaan zou geschieden overeenkomstig de voorwaarden, die tijdens het Franse bewind, toen zij door de domeinen waren beheerd, hadden gegolden. Hierdoor werd weliswaar op het oude veerrecht beknibbeld; aan de andere kant was het niet onbillijk, dat van overheidswege werd toegezien op een tot de publieke dienst bestemde zaak. Het Nieuwe Veer is in 1817 voor fl. 240,- verpacht; het veer aan het Botshoofd betekende vrijwel niets meer en bracht slechts fl. 3,- op. 61
Het nog bestaande veer van de ambachtsheerlijkheid.

Het nog bestaande veer van de ambachtsheerlijkheid.

Tegen het midden van de 19e eeuw heeft het veer aan het Botshoofd nog een kleine opleving gekend. Tussen 1843 en 1871 bracht het 20 gulden per jaar op; 62 daarna is het niet meer boven de 5 gulden uitgekomen. In 1883 is het voor de laatste maal verpacht en bevaren; in 1886 kwamen er nog enkele aspirant-pachters op af, doch geen van hen heeft het veer aangenomen. 63 Waarom een van hen het veer “Aan Persoord” noemde, is niet duidelijk. Dit veer is nadien niet meer in werking geweest.
In 1822 stelde de Provincie Zeeland een nieuw reglement op de veren vast, waaraan ook die van de heren van Vossemeer onderworpen waren. 64 Met het Nieuwe Veer deed zich de situatie voor, dat het aan de Brabantse oever onder het toezicht stond van het provinciaal bestuur van Noord-Brabant. Dit heeft niet tot bijzondere moeilijkheden geleid. De beide provincies traden regelmatig in contact en overleg over de reglementen en tarieven. In 1824 mochten de katholieken van Oud Vossemeer een eigen kerk stichten; voorheen gingen zij in Nieuw Vossemeer ter kerk. Dit had een gevoelige terugslag op het veer. De veerman vroeg vermindering van de pachtsom, doch de heren vonden de pacht toch al te laag. Mocht hij werkelijk aanzienlijk minder beuren, dan zou een nadere beslissing genomen worden. 65
In 1848 is met de ambachtsvrouw van St. Philipsland overleg gepleegd over de stichting van een veer tussen dat eiland en de Hollarepolder, 66 doch het volgend jaar bleek dit plan geheel van de baan te zijn. 67 Het nieuwe Veer is regelmatig verpacht: in 1901 voor fl. 700,-, in 1946 voor fl. 1500,- per jaar. 68 Het is nog altijd in werking en brengt nu aan pacht een som van fl. 1800,- op. 69 De mogelijkheid bestaat, dat het te zijner tijd vervangen zal worden door een vaste oeververbinding, wanneer de werken in verband met het Schelde-Rijnkanaal voortgang vinden.

20. ACCIJNS
De heffing van de accijns, een belasting op het verbruik of de uitvoer van wijn en bier, is van oudsher een ambachtsgevolg, dat nimmer werd betwist. In andere ambachtsheerlijkheden werd die belasting geheven op dranken, azijn, haring, fruit, stalling, huiden, eieren en vlees, 1 doch in Vossemeer zijn alleen wijn en bier belast geweest. Een andere gelijksoortige belasting, dorps- of parochieaccijns genoemd, kwam het dorp of de gemeente ten goede; in sommige perioden hebben de Staten van Zeeland hiertoe octrooi verleend. 2 Onder accijns zou men ook het recht van exue mogen verstaan, dat als een 20e penning geheven werd op de waarde van de roerende goederen, die bij hot vertrek van een inwoner buiten de heerlijkheid werden gebracht. De rekeningen vatten de accijns en het exue-geld meestal onder een post, zelfs in één som samen. Voor het gebruik van de waag werd een waaggeld geheven, dat meermalen de accijns van de waag werd genoemd. In de uitgiftebrief van 1410 is het recht van het heffen van een accijns aan de heren toegekend. 3 In de oorkonde van 1415 is de accijns niet met name genoemd, wat in dit geval niet tegen de rechtmatigheid van de accijns pleit, daar de oorkonde de in 1410 verleende rechten en profijten van de heren bevestigde. Aanvankelijk schijnen de heren van dit recht geen gebruik te hebben gemaakt; in de oudste rekening vindt men geen accijns vermeld. 4 In 1502 droegen de heren de rentmeester op rekening af te leggen van de accijns over het afgelopen dienstjaar; het komend jaar zou de accijns verpacht worden. 5 Het lijkt erop, dat de heren pas kort vóór 1500 met het heffen van een accijns begonnen zijn. Enige jaren nadien bestemden zij de opbrengst van de belasting voor de aanleg en de verbetering van de straten. 6 In 1511 rees een geschil tussen de heren en de weduwe van een pachter van de accijns; voor de schepenen van Tholen sloten de partijen een accoord tot oplossing van de kwestie. 7 Daar de boeken van de pachter inmiddels verloren waren gegaan, was een nauwkeurige afrekening niet meer mogelijk. De nieuwe pachter verzocht in 1512 aan de heren om bij Vogelenzang een vlot (aanlegsteiger) te laten maken, zodat de schepen er beter konden aanleggen, waardoor volgens hem de invoer van bier zou worden bevorderd. Voor alles wat de inkomsten omhoog kon voeren, hadden de heren oren. Zij droegen de rentmeester op de steiger te laten maken. De kosten ervan zouden door de landmeesters in naam van de ingelanden betaald worden. Als deze hierin weigerachtig waren, moest de rentmeester de penningen korten op dat deel van de accijns, dat voor de gemeente was bestemd. 8 Een deel van de herenaccijns hadden de heren reeds voor de gemeente afgestaan, vermoedelijk voor andere doeleinden bestemd dan het onderhoud van de straten. In 1518 is de accijns voor 4 jaren verpacht. 9 Van de verpachting zijn de heren niet meer afgestapt; in de practijk was het trouwens vrijwel onmogelijk de accijns zelf te laten innen.
In 1575 pretendeerde de stad Tholen een octrooi te hebben voor de omslag van een accijns over het gehele eiland. De heren van Vossemeer droegen de rentmeester op de ingezetenen te vrijwaren, doch eerst moest worden afgewacht, of Tholen uitvoering aan de pretentie durfde te geven. Dit schijnt niet gebeurd te zijn. De inwoners van Vossemeer, die in dat jaar onder zware lasten gebukt gingen, kregen van de heren tot wederopzeggens de accijns toegewezen; desgewenst mocht de magistraat hem verzwaren. 10 In 1577 vernieuwden de heren deze overdracht, 11 doch het volgend jaar trokken zij haar in. 12 Voortaan zou de accijns weer verpacht worden. Als er geen huurder te vinden was, moest de rentmeester een collecteur aanstellen. Dit jaar zou de gehele opbrengst voor de gemeente zijn. De inning bracht wel moeilijkheden met zich mee. In 1582 haalden de inwoners bier bij de zoetelaars (marketensters) van de troepen, die in en rondom Vossemeer lagen, wier dranken niet aan de herenaccijns onderhevig waren. De schepenbank vaardigde tegen dit kwade gebruik een ordonnantie uit, die zij aan de heren ter rectificatie voorlegde. 13 Lange tijd is de herenaccijns aan de gemeente afgestaan. Toen in 1632 bleek, dat de gemeente een schuld had van 204 pond en aan jaarlijkse lasten 48 pond moest opbrengen, wat voor haar bezwaarlijk was en ten leste toch uit de kas van de heerlijkheid moest komen, brachten de heren het salaris van de vroedvrouw en het onderhoud van het uurwerk op hun eigen rekening. Daartegenover trokken zij de herenaccijns weer geheel aan zich. De dorpsimpost werd weer als voorheen verhuurd. Die van Nieuw Vossemeer vroegen en kregen voor enkele jaren vrijstelling van de accijns. 14
De bepalingen op de richtige heffing moesten de heren in 1675 aanzienlijk verscherpen. De opbrengst van de accijns was zeer teruggelopen; toch werd er beslist niet minder gedronken. Er werd dan ook ernstig gefraudeerd. Onder bedreiging met hoge boeten werd bepaald, dat alle bieren moesten aangegeven worden, de kleine, de halve en de dubbele bieren, aldus genoemd volgens de sterkte. Bierstekers konden niet als pachters van de accijns worden aanvaard. 15 Het volgend jaar is aan de baljuw opgedragen de pachters zo nodig met de sterke arm bij te staan. 16
Uit het jaar 1784 is een ordonnantie op de accijns bewaard gebleven. 17 Van elk half vat bier, ongeacht de soort of prijs, werd 4 groten betaald; van ieder anker wijn 3 schellingen. De “plakke” of “bodemgeld” werd geheven op alle bieren, die de heerlijkheid in transito passeerden of van buiten werden ingevoerd; dit bedroeg een oortje per vat. Deze, ook brouwersplak genoemd, is in 1595 ingevoerd. 18 De tappers betaalden voor elk ingeslagen half vat bier 6 groten. Voor de opslag van wijn en bier moest een biljet bij de pachter worden gehaald. Hetzelfde gold voor de bierstekers; deze kregen nog afzonderlijk voorgeschreven, dat zij de officieren ten allen tijde tot hun voorraad moesten toelaten. Van de boeten, die niet mals waren, kreeg de aanbrenger een derde deel.
Tegen het einde van de 18e eeuw bracht de accijns tussen 5 en 22 ponden per jaar op. 19 Voor de laatste maal is hij in de rekening van 1798/99 verantwoord. In september 1798 heeft de magistraat van Vossemeer de accijns aan zich getrokken. Bij het accoord van scheiding der dorpsinkomsten van die der heerlijkheid, op 15 augustus 1806 tussen de heren en de gemeente gesloten, stonden de heren de accijns voorgoed aan de gemeente af.

21. NAASTING
Van hun recht tot naasting van ambachtsporties of aandelen, als deze dreigden in een niet-toegelaten lijn terecht te komen of aan vreemden verkocht te worden, hebben de heren van Vossemeer meermalen gebruik gemaakt. Daarnaast hadden zij het recht goederen van particulieren in beslag te nemen en tot zich te trekken. Ofschoon dit recht in de uitgiftebrieven niet met name is genoemd, lijdt het geen twijfel dat de heren het hebben uitgeoefend. Vermoedelijk mag het niet als een afzonderlijk heerlijkheidsrecht worden beschouwd. De toepassing ervan is wellicht een uitvloeisel van het beginsel, dat de heren de eigendom hadden van de bovengrond, die in bepaalde gevallen door hen kon worden teruggenomen. In andere gevallen was het recht van naasting gebaseerd op het onbeheerd zijn van goederen.
In 1569 besloten de heren een huis te naasten, dat ten westen, ten zuiden en ten noorden van de herenkamer lag; het was aangekocht door Marinus Reijns. Van dit huis wilden zij het nieuwe ambachtsherenhuis maken. 1 Deze naasting is wel doorgegaan, 2 doch kort nadien zijn andere plannen voor de bouw van een nieuwe herenkamer ter tafel gekomen. In 1591 naastten de heren een gemet land aan de Molenweg, dat zij voor woningbouw hadden bestemd. De koper kreeg zijn geld terug; de heren lieten hem zelfs de lopende pacht. 3 In 1662 besloten de heren de landerijen te naasten, die beneden de waarde werden verkocht. 4 Dit konden zij moeilijk onder het gewone recht van naasting rangschikken, weshalve zij er een apart besluit voor maakten. Overigens blijkt nergens, dat het ten uitvoer is gelegd. De naasting van eigendommen van particulieren hebben de heren omstreeks deze tijd en later niet meer toegepast. Een gelijksoortige naasting werd uitgeoefend op de goederen van bastaarden. De onwettigheid van hun geboorte werd zover doorgetrokken, dat hun eigendommen als onwettig of onrechtmatig verkregen werden beschouwd. Tijdens hun leven werden zij meestal ongemoeid gelaten, doch bij het overlijden van een bastaard eisten de heren de goederen op. Daar de bastaard tenminste langs één lijn bekende familie en verwanten had, werd inzake de naasting meestal een compromis tussen de heren en de familie gesloten. In 1504 beslisten de heren, dat ingeval van overlijden van een bastaard goederen aan de heren vervielen, de baljuw verplicht was hiervan kennis te geven aan de rentmeester, zodat deze ze tot profijt van de heren kon opeisen. In de marge van de resolutie staat de aantekening, dat dit punt elk jaar opnieuw onder de aandacht moet worden gebracht. 5 In de rekening van dat jaar zijn 3 pond verantwoord, door de erfgenamen van Lem Lems zoon betaald voor zijn bastaardkind, dat gestorven was. 6 Jasper Cornelis werd in 1519 aangeslagen in de erfenis van heer Hendrik van Musen, kanunnik van St. Maartensdijk, die een bastaard was. 7 De heren wensten niet het onderste uit de kan te hebben, doch zij sloten een billijke overeenkomst met de erven. 8
Niet altijd werd gewacht tot de bastaard overleden was. In de Kerkpolder lag een perceel land, dat toebehoorde aan de bastaard van wijlen Jan van der Puijt. Wegens diens lange afwezigheid is dat land in 1532 door de heren genaast en als hun eigen goed verpacht. 9 Toen de man overleden was, verzetten de erfgenamen zich tegen de naasting. De aangewezen arbiters stelden de heren in het ongelijk, zodat zij in 1539 het land aan de erven teruggaven. 10 In 1608 had de baljuw uit een boedelverkoop het deel van een inmiddels overleden bastaardkind in beslag genomen, dat ruim 14 pond bedroeg, waarvan volgens de gewoonte de baljuw 1/3 deel en de heren 2/3 deel kregen. Het hoofd van het gedupeerde gezin meende, dat hier ten onrechte naasting was toegepast, omdat de wettige kinderen van hun moeder hadden geërfd en niet van hun onwettige halfzuster. Hierop gelastten de heren de naasting ongedaan te maken. 11 Van de bastaard Marinus Lodewijcx, die in 1661 overleed, was de vader niet bekend. Bij de verkoop van zijn goederen kregen de erfgenamen van zijn moeder de helft van de opbrengst; de andere helft was voor de heren. 12 Hierna schijnen de heren de naasting van bastaardgoederen niet meer te hebben toegepast.
Catharina Meertens overleed, in 1657 zonder kinderen na te laten en zonder erfgenamen van haar vader. Bij de verkoop van haar boedel ging de helft naar de erven van haar moeder, de andere helft als onbeheerd goed naar de heren. Het betrof hier een kleine som van ruim 6 pond. 13
Over de strandvonderij, in de oude stukken zeedrift genoemd, die in wezen een naasting is van onbeheerde goederen, hebben de heren van Vossemeer zich niet druk gemaakt. In 1537 eiste de baljuw van Tholen, die tevens als grafelijk rentmeester van het eiland fungeerde, dit recht voor de graaf van Holland op. De heren benoemden een commissie uit hun midden, om hierover rapport uit te brengen. Dezelfde commissie kreeg opdracht verslag uit te brengen over de zaak van de bastaard Jan van der Puijt. 14 De kwestie van de zeedrift werd aan de markies van Bergen op Zoom voorgelegd, die in deze jaren een sterke positie in de ambachtsheerlijkheid had. 15 In 1541 besloten de heren, dat zij zich voortaan met de zeedrift niet zouden inlaten, mits deze volgens de rechten van Vossemeer en het handvest van 1410 afgehandeld zou worden door de baljuw van Tholen. 16 De zin van dat “mits” is niet duidelijk. Feit is evenwel, dat de heren nadien geen enkele bemoeienis met de strandvonderij meer hebben gehad. Uit 1456 is bekend, dat Gillis Piers, dijkgraaf van Vossemeer, de zeedrift wel uitoefende, doch dat hij hieromtrent afrekende met de rentmeester van Beoosterschelde. 17 Hieruit zou men mogen afleiden, dat de strandvonderij van oudsher een regaal is geweest en gebleven. Lang vóór het einde van de ambachtsheerlijkheid is het recht van naasting in onbruik geraakt. Ermerins verstaat onder naasting alleen de inbeslagname van ambachtsporties; de andere vormen vermeldt hij niet. 18 In zijn tijd (einde 18e eeuw) waren deze niet meer bekend.

22. MOERRECHT
Het recht van moernering, in de eerste uitgiftebrief van 1410 met het simpele woord “brand” aangeduid, is in de oorkonde van 1415 breder omschreven. Volgens deze brief hadden de heren het recht: “alzulke moeren of een deel daarvan als binnen de grenzen van de heerlijkheid gelegen, tot moerdijken te bedijken, of onder moerdijken met opdracht 1 of anderszins uit te moeren door het delven van brandstof, en alles wat tot het recht van moerdijken behoort”. Dat de heren van Vossemeer dit recht gekregen hebben, vormt een grote uitzondering. In geheel Zeeland schijnt het alleen aan hen verleend te zijn. Het moeren achter de eerste zeewering hadden de graven van Holland reeds lang verboden. Waarschijnlijk hebben zij het in Vossemeer toegestaan, om de uitgifte van de moeilijk te bedijken gronden enigszins aantrekkelijk te maken.
In 1431 getuigden verschillende personen over de gesteltenis van de heerlijkheid. 2
Uit hun verklaringen blijkt, dat op Coudenoirt verscheidene moerdijken lagen. Hieronder moet men omkadingen (meestal rond) verstaan, binnen welke moer of turf gestoken werd. Andere moervelden bevonden zich op de Hikke, ten zuiden van de Hikkevliet, op Dayrops Keen, Dobbelaars Hil, Lijsendijk, Beukelenberg en de Heije. Als Gillis van Wissenkerke in 1433 een nieuwe polder ter bedijking uitgeeft (het begin van de Kerkpolder, al is die niet terstond gerealiseerd), wordt het delven van daring nadrukkelijk verboden. 3 Tussen het ene en het andere bestaat geen tegenspraak. Het steken van turf, als brandstof te gebruiken of voor het bereiden van zout, werd door de heren slechts toegestaan op de buitendijkse gorzen, wier inpoldering nog niet in zicht was. In een bedijkte polder lieten zij geen moernering toe. Hoogstens werden er nog veengronden afgestoken en geëgaliseerd, als dit voor de veiligheid en de waterbeheersing geen enkel gevaar met zich bracht. Toen de graaf van Holland een plakkaat uitgaf, dat niemand in Zeeland nog daring mocht delven, tenzij hij daarvoor een uitdrukkelijke titel had, legden de heren van Vossemeer in 1470 de uitgiftebrief van 1415 over. Hierin bevestigde het Hof van Holland hun recht. 4 Meer voor de goede orde hebben de heren dit recht laten bevestigen; zij waren niet van plan het op grote schaal toe te passen.
Met de hantering ervan waren zij inmiddels al zeer voorzichtig geworden. De moernering op de buitengorzen werd tegen het einde van de 15e eeuw nog wel verpacht, doch het was kennelijk een aflopende zaak. Af en toe moesten de heren tussenbeide komen, als de vissers en de moerlieden onenigheid hadden. 5 In 1494 en latere jaren is er in de besluiten sprake van een moerdijk op het gors aan de hoek van Kijkuit. 6 Waarschijnlijk hebben wij hier te doen met een geval, waar moerdijk in een andere betekenis moet worden opgevat. Moerdijk kan namelijk ook “moederdijk” betekenen, een eerste dijk om een aanstaande dijkage voor te bereiden, waartegen andere dijken of kaden zouden aansluiten. Zulk een dijk werd meestal dwars of schuin in de stroming gelegd, om de gronden aan beide zijden beter te doen aanslibben. Was dit de opzet, dan spreekt het vanzelf, dat het steken van moer niet meer werd toegelaten; dit zou immers geheel averechts werken. Op de Hikke was in 1498 nog moernering mogelijk, doch blijkens de resolutie viel het niet mee er een gegadigde voor te vinden. 7 In 1503 lieten de heren het aan de rentmeester over te onderhandelen, als er iemand om de moeren kwam. 8 Het is duidelijk, dat de moernering toen niet veel meer betekende.
Kort daarna hebben de heren een einde aan het moeren gemaakt. In 1511 werd een pachter vervolgd, omdat hij daring gestoken had op het gors van de Plaat. Dit was reeds lang verboden, meenden de heren, minstens al vanaf 1500; een besluit van die aard is echter niet te vinden. De schuldige werd door de schepenen berecht. Deze lieten hem zweren, dat hij van het verbod geen kennis had gehad. De man voegde er nog aan toe, dat het een oud gebruik was om op de gorzen daring te steken, die men nodig had voor de bermen of kaden van de “stellen” (schutplaatsen van het vee). 9 Hij kreeg geen straf of boete, doch zijn geval was het definitieve einde van de moernering in Vossemeer.
Op een merkwaardige manier is het moerrecht tegen het einde van de 18e eeuw, toen het al lang geen betekenis meer had, een van de voornaamste argumenten geweest, waarmede de heren de processen over het plantrecht wonnen. De ingelanden, die dit plantrecht als een heerlijk recht bestreden, hadden namelijk aangevoerd, dat zij bij het planten van heesters en bomen langs de wegen en op verloren hoeken geenszins de bedoeling hadden gehad, zich op deze manier grond toe te eigenen, doch dat zij daartoe gerechtigd meenden te zijn door de Keur van Zeeland uit 1495 en de aanvulling daarvan door keizer Karel V uit 1515. Deze keuren immers hadden aan de ingezetenen toegestaan naast hun gronden hout voor brand te planten. Het Hof van Holland, dat dit geschil berechtte, legde een verband tussen het verbod van moernering en deze faciliteit, die juist gegeven was voor de plaatsen, waar het delven van turf verboden was. Derhalve kon zij niet gelden voor Vossemeer, waar het steken van moer een heerlijk recht was, waarvan het planten van brandhout moest worden afgeleid.
De heren van Vossemeer, zegt Ermerins, 10 hebben van het begin af ingezien, dat de moernering gevaarlijk en onvoordelig voor hun heerlijkheid was. Zij vergenoegen zich ermee, gaat hij snaaks verder, een heerlijk recht te bezitten, dat niets oplevert, een hersenschim, gelijk zoveel titels zonder betekenis, waarmede de dwazen zich verheugen.

23. TOLVRIJHEID
Willem van Beieren, graaf van Holland, heeft in 1410 aan de inwoners van het nieuwe land van Vossemeer vrijdom verleend op alle grafelijke tollen. Dit privilege, dat primair niet aan de heren ten goede kwam, heeft in de eerste tijd van de heerlijkheid misschien enig belang gehad. Het archief bevat buiten de uitgiftebrief geen enkele vermelding van de tolvrijheid. Wel besloten de heren in 1545 met de inwoners samen te werken in de zaak van de Brabantse tol te Antwerpen, waaraan de ingezetenen meenden niet onderworpen te zijn. 1 Nadien wordt van deze kwestie niets meer vernomen.
Ermerins meent, dat de vrijdom van tol in de Tachtigjarige Oorlog verloren is gegaan. 2 Na de Vrede van Munster hebben de Staten van Holland dit recht niet meer erkend; toen genoten de inwoners het alleen in Zeeland. Daar de heren noch de inwoners hiertegen in verweer zijn gekomen, mag wel geconcludeerd worden, dat zij er geen waarde aan hechtten.


24. VRIJDOM VAN LASTEN
In de uitgiftebrief van 1410 staat deze bepaling: “Voorts zal dit nieuwe land vrij zijn van alle bede, schot, heervaart en dienst, die gelegd worden op ons land van Zeeland, gedurende zeven jaren, nadat het ’t eerste koren draagt. Daarna wij en onze nakomelingen daarvan hebben het derdedeel van alle schot, bede en heervaart als andere polders bij Tholen geven, als deze van het gehele land van Zeeland geheven worden. Dit is te weten: wanneer wij van elk gemet land van de voorzegde polders van Tholen drie groten krijgen, zullen wij van elk gemet land uit het voorzegde land één grote hebben en zo voorts naar het geheel gelijk het behoort. Dit zal niet eerder gelden dan nadat wij het voorzegde land bereden hebben.” De woorden en de strekking van deze passage lijken eenvoudig en klaar. Toch is over deze vrijdom veel te doen geweest.
In 1473 merkte de rentmeester van Tholen in zijn rekening op, 1 dat die van Vossemeer vrijgesteld waren van de grafelijke accijnsen wegens hun bewering, dat zij uit kracht vin een privilege vrij waren van beden en lasten totdat hun land bereden was; daarna zouden zij slechts een derdedeel van andere landen behoeven te geven. Het vorig jaar hadden zij eveneens geweigerd te betalen, doch het jaar daarvoor hadden zij wel betaald. Nu beweerden zij, dat het hun toen afgedwongen was. Op deze tijd was voor de Grote Raad van Mechelen een proces hierover gaande, waarvan de afloop niet bekend is. Waarschijnlijk hebben die van Vossemeer gewonnen, want later blijkt niet, dat zij aan de grafelijke accijns hebben betaald.
De onedele ingezetenen van het platteland en de burgers van de steden werden naar hun vermogen geschat en moesten schot betalen, dat in wezen een belasting was op de personen, goederen en inkomsten. Wat de landsheer voor zijn huishouding en het bestuur nodig had, werd door hem gevraagd; daarnaar heette deze bijdrage bede. Het vragen was er vlug af; de bede werd zonder meer opgelegd. Op de beden, die van jaar tot jaar konden verschillen, werd het schot berekend. De edelen, die vrij waren van de gewone lasten, hadden de verplichting hun leenheer met enige mannen te volgen en te dienen; dit noemde men heervaart. In nieuw ontgonnen landen was het gebruik, dat een polder door de graaf bereden werd, wat men letterlijk moet opvatten. Na de gebruikelijke termijn van vrijstelling ter tegemoetkoming in de eerste moeilijke jaren na een inpoldering, reed de graaf te paard de nieuwe polder rond om uit te drukken, dat dit land van hem was, schoon in leen uitgegeven, doch tevens dat het van nu af aan als volwaardig land werd erkend en derhalve schotplichtig was. Dit berijden schijnt door de graaf in persoon te zijn gedaan.
Het land van Vossemeer is op 18 januari 1485 door de graaf van Holland bereden. Tot op die dag is het vrij van schot geweest. Merkwaardig is, dat de Oud Vossemeerse Polder, die toch al langer bestond, ook pas in 1485 als schotplichtig land is erkend. Binnen de “ring” van de dijk werd het land 1800 gemeten groot bevonden. Hiervan werd het 25e gemet afgetrokken als klerkenloon (d.w.z. voor de klerk van de heren van Vossemeer, als betaling voor de inning van het schot), wat over het geheel 72 gemeten en 12 roeden uitmaakte. Als schotbaar land bleven over 1729 gemeten min 12 roeden. Dit werd aangeslagen tot een zesde deel van het schot, volgens de privileges. 2 De vroonlanden van de heren waren daaronder niet begrepen; volgens de rentmeester van Tholen betaalden die in Zeeland gewoonlijk geen schot. Blijkens het totaal aantal gemeten moeten daar de volgende polders zijn opgenomen: Oud en Nieuw Vossemeer (onder Oud verstond men de Oud Vossemeerse Polder; onder Nieuw de Kerkpolder). 3 Bovendien: Leguit, Slabbecorn, Oud Kijkuit en het Karnemelkland. De magistraat van Tholen verklaarde, dat de landmeter Jan Heinricx zoon de grootte juist gemeten en opgegeven had. 4 De rekenkamer van Holland droeg Ydo Jacobs zoon op, rentmeester van de heren van Vossemeer, het schot volgens de aangegeven grootte van het land aan de rentmeester van Tholen af te dragen. 5
Blijkens het bovenstaande betaalde Vossemeer het zesde deel van het normale schot. Voor hetzelfde aandeel is de heerlijkheid tussen 1523 en 1528 aangeslagen. 6 Daar de post van de rekening naar het privilege verwijst, zal dat zesde deel wel gelijk staan met het in de oorkonde vermelde derde deel. Misschien is in het onderhavige geval het schot in twee termijnen geïnd. Van de betalingen van het schot zijn in de rekeningen van de heerlijkheid practisch geen gegevens te vinden. Deze last moest door de ingelanden worden opgebracht. Wel was de rentmeester van Vossemeer er verantwoordelijk voor, dat de belasting op tijd en tot het juiste bedrag bij de grafelijke rentmeester binnenkwam. De inning er van was opgedragen aan de klerk, later de secretaris.
Toen keizer Karel V zijn ambities verwezenlijkte tot de eenmaking van de Nederlandse gewesten, waren er ontzaglijke sommen nodig voor het centrale bestuur, niet in het minst om de oorlogen te financieren. Aan de onderscheiden gewesten werden zware beden opgelegd, die zeer treffend de naam kregen van kapitale zettingen, en die bij wijze van buitengewoon schot, als accijns of impost over de steden en dorpen werden omgeslagen. De keizer had een eerste bede uitgeschreven, die in Zeeland niet vlot werd opgebracht, zodat hij in 1534 in krasse bewoordingen het restant opvroeg. 7 Naar aanleiding hiervan richtten de markies van Bergen op Zoom en de overige heren van Vossemeer zich per request tot de keizer. Diens raad van financiën gaf op 18 juni 1535 aan Hendrik van Werve, rentmeester van Beoosterschelde, de opdracht die van Vossemeer aan te slaan overeenkomstig hun privilege van 1410. De belangrijkheid van deze beslissing kan men enigszins afwegen aan het feit, dat er van het betreffende stuk een twintigtal afschriften in het dossier zitten. Deze beschikking werd door de koningin-regentes Maria bekrachtigd.
De nieuwe rentmeester Jeronimus van Serooskerke, die kort daarna in Beoosterschelde optrad, beweerde van geen vrijdom te weten en gaf de heren en de inwoners te kennen, dat hij de achterstand of het tekort desnoods met geweld zou invorderen. Voor de oorlog met Frankrijk vroeg de koningin-regentes op 10 mei 1537 van Zeeland een kapitale zetting van 25.000 karolusguldens. De heren en de magistraat gingen fel tegen de rentmeester van Beoosterschelde in. Doch op diens instigatie namen de Staten van Zeeland de spitsvondige beslissing, dat het privilege van Vossemeer wel gold voor de gewone beden van de graaf, doch niet in geval van oorlog, als het ging om het behoud van het land of van het gewest Zeeland. Zij droegen de rentmeester op, de bede in te vorderen en geen vrijstelling toe te staan.
Hierop gingen de heren van Vossemeer in beroep bij de Grote Raad van Mechelen. Het proces, dat wij niet in details kunnen volgen, heeft jaren in beslag genomen. Ondertussen ging de rentmeester voort met het heffen van de oude en de telkens nieuwe belastingen. De heren en de inwoners bemoeilijkten de inning zoveel zij konden en durfden. Bij het verschijnen van de ambtenaren beriepen zij zich elke keer op hun privilege. Op 5 juli 1547 beschikte de koningin-regentes, dat de privileges van Vossemeer onvoldoende waren; in de lopende accoorden met de Staten van Zeeland moesten die van Vossemeer het volle deel betalen. Het lijdelijk verzet baatte ook niet veel meer, toen de keizer in 1555 aan Jeronimus van Serooskerke bevel gaf de belastingen desnoods bij executie te innen, ongeacht de protesten en de hangende appèlzaken. Met het proces tegen de Staten van Zeeland was in dat jaar nauwelijks een begin gemaakt. Bij het afscheid van de koningin-regentes hadden de heren en de magistraat van Vossemeer zich na veel moeite laten overhalen, voorlopig en zonder daarmee hun rechten prijs te geven het volle pond te betalen. Koning Philips II gelastte in 1555, dat de zaak tussen de heren en de Staten van Zeeland normaal voortgang moest vinden. In 1556 begint een wisseling van stukken, waarschijnlijk van beide zijden vertraagd.
In deze zaak is de Grote Raad van Mechelen niet tot een uitspraak gekomen. De advocaten van de heren van Vossemeer waren van mening, dat hun eis slechts een “klein fundament” had. 8 De stukken eindigen met een laconieke verklaring uit 1562, dat bij een bepaalde heffing de heren en de schepenen van Vossemeer “naar oude costume” tegen de impost geprotesteerd hadden! Wat Ermerins over de afloop mededeelt, zal wel juist zijn, 9 al wordt het niet met zoveel woorden in het archief bevestigd. Hij meent, dat de voortzetting van het geding door de kort daarop volgende beroerten onmogelijk is geworden. De vrijdom van Vossemeer is de dood door uitputting gestorven. Waarschijnlijk hebben de heren van Vossemeer de kwestie verder laten rusten, om zich niet onbemind en verdacht te maken in de vrijheidsstrijd van de Nederlandse gewesten, waarbij de belastingen een even kapitale rol speelden. Dan immers schijnen zij hun vrijdom geheel vergeten te zijn. In hun vergadering van 1578 regelden zij de inning van de landslasten, doch daar is geen sprake van enige vrijdom. 10
In 1675 besloten de heren om bij de Staten van Zeeland pogingen te doen, om het oude privilege weer erkend te krijgen. 11 Er blijkt niet, dat er naar aanleiding van dit besluit iets is gedaan. Feit is in elk geval, dat er van overheidswege niet meer op een erkenning van het voorrecht is teruggekomen. Op dit tijdstip was het oude privilege al lang achterhaald. Waarschijnlijk heeft het de heren niet sterk aangesproken, daar het voor hen persoonlijk toch weinig betekende.
Ter illustratie kunnen enige voorbeelden gegeven worden,wat de heerlijkheid zelf aan lasten op te brengen had. In 1634 betaalde zij ruim 493 pond aan het land of het gewest. 12 In 1727 bedroegen de lasten ruim 733 pond; 13 in 1764 ruim 687 pond; 14 in 1790 ruim 1113 pond. 15