VIERDE HOOFDSTUK

IV HET BESTUUR VAN DE DORPEN


25 IN HET ALGEMEEN
De heren van Vossemeer hebben zich daadwerkelijk en zeer intensief beziggehouden met het besturen van de beide dorpen, die op hun grondgebied zijn ontstaan. Oud Vossemeer bestaat bewijsbaar sinds het jaar 1433, als wij afgaan op het feit, dat in dit jaar schepenen van Vossemeer worden genoemd. Daar het dorp in de Kerkpolder ligt, die vermoedelijk pas omstreeks 1450 is bedijkt, moet het ontstaan van het dorp omstreeks die tijd worden gesteld. Dit behoeft niet in tegenspraak te zijn met het bestaan van een schepenbank in 1433; elders hebben wij gezien, dat Vrijberghe ook een schepenbank heeft gehad, waar zelfs geen dorp is ontstaan. Nieuw Vossemeer is in 1567 gesticht; de eerste huizen zijn er in 1569 gebouwd. In de tijd van Ermerins (1764 of 1784) 1 had Oud Vossemeer 150 huizen, een molen en twee meestoven; het telde 564 personen boven de drie jaren.
Gezicht in het dorp Oud Vossemeer, 18e eeuw. Naar een tekening van A. Schoenmaker.

Gezicht in het dorp Oud Vossemeer, 18e eeuw. Naar een tekening van A. Schoenmaker. Collectie: Zelandia Illustrata


Nieuw Vossemeer, ongeveer anderhalve eeuw later gesticht, had toen 84 huizen en een molen; daar woonden 401 personen. Relatief gezien, hebben de ontwikkelingskansen in Nieuw Vossemeer gunstiger gelegen.
Uit de eerste eeuw is er weinig bekend over het dorp en zijn inwoners. Tegen het midden van de 15e eeuw had Vossemeer zich reeds ontwikkeld tot een dorp, waaronder verscheidene in de polders verspreide huizen en hoeven ressorteerden. De voortdurende zorg van de heren was een goede gang van zaken in hun heerlijkheid te bevorderen, er orde en welvaart te doen heersen; anderzijds verloren zij hun eigen belangen niet uit het oog. Vanzelfsprekend konden zij zich niet het gehele jaar door inzetten voor het dagelijks bestuur; volgens hun uitgiftebrief moesten zij in het land een bestuur instellen, overeenkomend met de gangbare besturen en schepenbanken in het gehele land.

Steeds hebben de heren er op bedacht moeten zijn, dat de door hen aangestelde officieren en beambten hun bevoegdheden niet overschreden; zij moesten juist genoeg en niet te veel doen. Dikwijls kwam het voor, dat zij op hun plicht gewezen moesten worden, als zij te laks waren. Doch talrijker zijn de gevallen, dat de magistraat in zijn geheel of de afzonderlijke functionarissen ingetoomd moesten worden, als zij volgens de mening van de heren hun boekje te buiten gingen.
Het dagelijks bestuur van de dorpen bestond uit de baljuw, een burgemeester (zo werd sinds 1699 de oudste schepen genoemd), 2 zeven of acht schepenen, een secretaris en twee of drie boden. Van de schepenen waren er vijf uit Oud en drie uit Nieuw Vossemeer afkomstig. Zij werden elk jaar benoemd of herbenoemd. 3 De baljuw en de secretaris werden vanaf de 17e eeuw voor het leven benoemd. Deze functionarissen worden elders uitvoeriger behandeld.
In het begin hebben de landmeesters een voorname plaats in het dorpsbestuur ingenomen. Deze functie is later vervallen, daar zij opgegaan is in het bestuur van de polders. Aanvankelijk was er immers geen onderscheid merkbaar tussen dorps- en polderbestuur. De landmeesters hadden het beheer over het land en over de werken, die nodig waren om dit te behouden en tegen het water te beschermen. Voor deze werken stelden zij de bestekken op; zij voerden het toezicht op het onderhoud ervan. Anderzijds was hun functie ook van financiële aard, daar zij de lasten moesten omslaan over de ingelanden van de afzonderlijke polders.
Er werd onderscheid gemaakt tussen gezamenlijke lasten, waarin allen bij te dragen hadden – de feitelijke gemeente – en de lasten, die elke polder afzonderlijk betroffen. Ingevolge een besluit van de heren werden in het jaar 1510 twee landmeesters aangesteld. 4 Zij kregen het beheer over alle uitgaven ten behoeve van het dorp. 5 Zij werden uit de schepenen gekozen en moesten alle gewone en buitengewone werken van dijkage samen met de dijkgraaf opnemen en doen uitvoeren. 6 Tussen 1505 en 1515 zijn enige rekeningen van hen bewaard gebleven. 7 Daarin vermelden zij de inkomsten en uitgaven van het land. Onder de uitgaven zijn de totale financiën van het dorp verantwoord; het “kaproenlaken” (de ambtskleding van de schepenen, meestal bestaande uit een kap d.i. kaproen); het stellen van de klok; het loon van de schutter (van het vee); een steenglooiing aan de dijk; het ruimen van de sluisvliet; het ruimen van de sluis in de Kerkpolder; het verhogen van de dam aan het veer; het opmaken van de landsrekening. Al deze posten werden over de verschillende polders verdeeld; naar gelang zijn schotbare grootte betaalde elke polder zijn deel in de gemeenschappelijke lasten. De rekeningen van de landmeesters werden afgehoord door de baljuw, de schepenen en de gezamenlijke ingelanden. Het financiële beheer, hiermede gepaard gaande, raakte alleen de polders of de ingezetenen en ging geheel aan de heerlijkheid voorbij. Een enkele maal, zoals in het jaar 1509, geschiedde de afhoring van de rekening in tegenwoordigheid van de heren. 8 De landmeesters worden in 1496 voor de eerste maal vermeld. 9 Als in 1510 twee landmeesters worden aangesteld, wordt tevens gesproken van twee “hevenmeesters”. 10 Hun functie wordt uit de stukken niet geheel duidelijk. Vermoedelijk hadden zij tot taak bij een inpoldering de onderscheiden kavels en percelen af te bakenen en na dijkage op de eenmaal vastgestelde maat te houden. Zij fungeerden als een verre en min of meer primitieve voorloper van het kadaster. Af en toe komt in de stukken het werkwoord “hevenen” voor.
Omstreeks het jaar 1530 begon men onderscheid te maken tussen de landmeesters ten westen en ten oosten van de rivier; deze laatsten werden meestal die “over ’t water” genoemd. 11 Nog in 1587 werd het schot gezet (vastgesteld) door de baljuw, de schepenen en de landmeesters. Tegen het einde van de 16e eeuw ging hun functie ongemerkt op de gezworenen over; dan is zij van zuiver waterstaatkundige aard geworden.
Het dorpsbestuur, uitgeoefend door de baljuw en schepenen heeft vrijwel geen veranderingen ondergaan.
In 1735 werd het gevormd door de baljuw, een burgemeester, acht schepenen, drie gezworenen voor Oud en drie gezworenen voor Nieuw Vossemeer, twee keurmeesters voor de mede en een armenmeester voor de beide dorpen. 14 Dit eigen en slechts aan de heren van Vossemeer verantwoordelijke bestuur was het zichtbare teken van een zelfstandigheid, die de heren van Vossemeer altijd als het hoogste goed hebben beschouwd. Als de rentmeester de uitergorzen verpacht, moet hij in de voorwaarden zetten, dat de huurders hun “Sacrament” moeten halen in Vossemeer, beslisten zij in het jaar 1500. 15 Sacrament halen betekent: de Pasen houden; dit moest in de eigen parochiekerk geschieden. Het wijst er op, dat de heren bij voorkeur de gorzen aan de eigen inwoners wilden verpachten. Misschien lag er eveneens de opzet in, een precedent te scheppen voor sommige omstreden gebieden. Onlangs hadden de heren immers een lang en kostbaar proces moeten voeren over de kwestie, of sommige landen ten oosten van de Eendracht onder hun jurisdictie vielen. Daarbij had de vraag een belangrijke rol gespeeld, of die landerijen en gorzen onder de parochie van Halsteren of van Vossemeer ressorteerden. In zoverre men in de eerste tijd van de ambachtsheerlijkheid van een gemeentebestuur spreken kan, was dit in de handen van de baljuw en de schepenen. Hun voornaamste taak echter bestond in het toezicht op de naleving van de keur en in het uitoefenen van de rechtspraak. Beide taken verrichtten zij op bevel en als gedelegeerden van de heren. Tegen de heren mochten zij geen zaak aanspannen, noch een arrest opleggen, noch anderszins hen persoonlijk doen aantasten. Zou er tussen de magistraat of de inwoners en de heren verschil van mening ontstaan, dan diende dit op de naaste vergadering van de heren behandeld te worden, waar zij met de schepenen recht zouden spreken. 16 Ogenschijnlijk duidt deze bepaling op een bedenkelijke exemptie ten eigen bate, die de kans in zich sloot, dat de heren zich gezamenlijk of afzonderlijk aan het recht konden onttrekken. In dit opzicht hebben de heren van Vossemeer nooit misbruik gemaakt van deze voorschriften, ofschoon er wel zaken aan te wijzen zijn, waar zij een voor hen gunstige beslissing verkregen hebben door hun al te eenzijdig overwicht op de magistraten en de ingelanden. De bepaling was er voornamelijk op gericht, dat een conflict inzake het bestuur niet tegen hun persoon of goederen uitgespeeld kon worden.
Voor en na stelden de heren de bevoegdheden van de magistraat vast. Tussen 1574 en 1577 hoorden de baljuw en het gerecht de rekeningen af van de kerkmeesters en H. Geestmeesters. 17 De heren gaven daartoe zelf opdracht. In deze tijd hadden verschillende van oudsher kerkelijke en roomse instellingen onder heftige beroeringen te lijden. Het lijkt er op, dat de heren zich van dat gekrakeel gedistantieerd hebben. Toen de omstandigheden rustiger waren geworden, hebben zij de bevoegdheden weer teruggenomen. In 1618 bepaalden zij, dat de magistraat de rekeningen van kerk- en armbestuur moest afhoren in aanwezigheid van de rentmeester; gebeurde dit niet, dan was de vaststelling van geen waarde. 18 Het kwam wel eens voor dat een bepaald voorschrift in vergetelheid raakte. In 1702 had de magistraat clandestien de rekening afgehoord; de heren eisten geen nieuwe afhoring, doch wel een afschrift van de rekeningen. 19 Over de som van de exue (betaling bij vertrek uit het dorp) mocht de magistraat met niemand een accoord of schikking maken dan in het bijzijn van de rentmeester. De dorpsrekening moest elk jaar met St. Jan door de heren worden afgehoord. 20 Met het vragen van een octrooi of een verlof van het hoger gezag mocht de magistraat zich niet inlaten; dit ging alleen de heren aan en slechts in uitzonderingsgevallen droegen zij dit aan de magistraat en de ingezetenen op. 21 In hetzelfde jaar bepaalden zij, dat als er landerijen beneden de waarde gekocht of verkocht werden, de rentmeester deze voor de heren mocht naasten. Hierdoor wilden zij de waarde van de heerlijkheid op peil houden; in ongunstige omstandigheden konden zij ingrijpen, als er een hun onwelgevallige grondspeculatie dreigde. Veelzijdig, men kan zelfs zeggen allesomvattend waren de bevoegdheden van de heren. Bij het verzetten van de kerkeraad wilden zij erkend worden. Daar de classis hiervan niet altijd gediend was, droegen zij de baljuw op tijdens hun afwezigheid met twee leden van de magistraat daarbij tegenwoordig te zijn; hetzelfde gold voor het afhoren van de armenrekening. 22 Meestal werden de magistraat, de schepenen en andere ambtsdragers voor één jaar aangesteld. Dat geschiedde op de herenvergadering omstreeks St. Jan. In 1717 is bepaald dat zij wel op St. Jan benoemd werden, doch dat hun zittingsjaar inging op St. Jacob (24 juli) 23 Waarschijnlijk is deze maatregel genomen, omdat de dag van St. Jacob vlak voor het zomerreces viel, als in de oogstperiode geen zittingen van de schepenbank werden gehouden. Van eventuele vacatures moest de rentmeester twee maanden vóór de vergadering aan alle heren kennis geven. 24 Ondanks hun jaarlijkse benoeming zaten de meeste schepenen toch lange tijd. Die jaarlijkse benoeming was echter een zwaard van Damocles; bij de minste misstap bleef de verlenging achterwege. Met argusogen hebben de heren van Vossemeer toegezien op de inkomende personen. De baljuw en de schepenen hadden de plicht te letten op alle vreemdelingen, vooral wanneer deze aanstalten maakten zich in de heerlijkheid te vestigen. Zij konden zelf geen toestemming voor het verblijf geven, doch de rentmeester moest van elk geval aan de heren melding maken. 25 Er zijn tijden geweest, dat de heren dit toezicht hebben laten verslappen. Doch in een periode van malaise, zoals tegen het midden van de 18e eeuw; werden categorisch alle onvermogenden geweigerd, als men vreesde dat zij ten laste van de armenzorg zouden vallen. Aan de andere kant hebben de heren maatregelen genomen om hun schaapjes bijeen te houden. Reeds in 1545 stelden zij een exue-geld vast. 26 Dit was een twintigste penning over de meubilaire goederen, die bij het vertrek van een inwoner werd geheven. Het vertrek van een ingezetene met zijn boedel werd als een waardeverlies beschouwd, dat met een belasting enigszins werd goedgemaakt. Van deze exue-gelden kregen de heren 1/3 en de gemeente 2/3 deel. 27 Deze belasting is zeer impopulair geweest; zij werd talloze malen ontdoken en kon practisch niet meer ingevorderd worden als de schuldenaar eenmaal vertrokken was. In 1759, bepaalden de heren dat wie voor de kerkeraad als lidmaat was opgegeven en buiten Vossemeer woonde, een boete van 10 schellingen kreeg, die aan de diaconiearmen verviel. 28 Een der voornaamste taken van de heren was het handhaven van de orde en rust in de dorpen. In de keur waren hieromtrent vele en gedetailleerde voorschriften vastgelegd, doch af en toe deed zich de noodzaak gevoelen, dat bijzondere maatregelen moesten worden genomen. Omstreeks 1550 was Vossemeer in rep en roer. 29 Groepen vagebonden, die toen door het land trokken, hadden gedreigd het dorp in brand te steken. De buurlieden van de “omloop” van Vossemeer (de kom van het dorp) klaagden hun nood bij de heren. Het “gewone popel” van de “omcingel” van het dorp bestond volgens hen uit kleine werklieden, die aan de ene kant bij een onverhoopte ramp alles zouden verliezen, anderzijds niet bij machte waren om zich te verdedigen. Weliswaar was een jaar tevoren een bewaking ingesteld, doch de kosten daarvan waren per hoofd omgeslagen. Nu vroegen de buurlieden, dat die kosten op de accijns (van de dranken) geheven zouden worden. De heren beslisten, dat voor de wacht een halve last turf ter beschikking kon worden gesteld, te betalen uit de gelden van de gemeente. Verder beriepen zij zich op het adagium (misschien voor deze gelegenheid uitgevonden): “Wie wake begeert, zal wake betalen”. Desgewenst mochten de buurlieden zelf de wacht houden. Wel werd een ordonnantie op de nachtwacht ingesteld. Elk uur zou geroepen worden: “Wacht uw vuur. . . uw licht.” De wakers moesten elk uur omgaan, ook als het vroor, eens buiten het dorp en eens om de ring. Waar zij licht zagen, moesten zij aanroepen. Kregen zij geen antwoord, dan moest het gerecht gewaarschuwd worden en konden de bewakers zich met een gerechtsbode toegang tot het huis verschaffen. In 1559 werden zeerovers gevangen genomen. Dit feit is met een tractatie op bier gevierd. 29a
In 1578 is een wapenschouw gehouden van alle strijdbare mannen, die zich van een wapen moesten voorzien. 30 Aan de magistraat werd opgedragen een verordening op de wacht vast te stellen. Uit latere gegevens blijkt, dat er vrij regelmatig een nachtwacht in het leven is gehouden. 31 De regenten van de stad Tholen hadden octrooi gekregen voor het organiseren van een “landwacht”, waartoe de heerlijkheden van het eiland financieel bijdroegen. Omstreeks 1685 heeft deze opgehouden te bestaan. 32 In 1675 werd voor de eerste maal een “diender” aangesteld, een veldwachter of politieagent. 33 Als men de betreffende resolutie leest, blijkt dat het in de dorpen toch niet zó rustig was. De molenaar van Nieuw Vossemeer had er zich over beklaagd, dat heel wat van zijn klanten zijn dwangmolen meden en elders lieten malen. De dorpsaccijns was de laatste jaren sterk afgenomen; de heren waren er zeker van dat hier en daar ernstig gefraudeerd werd. Bovendien werden de eigendommen van de heren vaak geschonden; de jacht werd overtreden; ruiten werden ingegooid, vee mishandeld en andere “godlosigheden” werden bedreven. Te oordelen naar de opsomming, waren het waarschijnlijk meer baldadigheden van de jeugd dan ernstige misdrijven. Om die tegen te gaan werd de diender aangesteld. Hij zou tevens de baljuw moeten helpen bij het uitoefenen van de rechtsmacht. Weliswaar was dit het werk van de boden, doch omwille van hun kleine tractement kon men van hen niet te veel vragen! De diender kreeg een jaarsalaris van 100 gulden, waar de baljuw en de rentmeester 50 gulden uit eigen zak bij moesten passen, “waarmede hij genoegzaam zal kunnen leven”. De eerste diender was Jan Compere. Deze vertrok kort daarna naar Goes, waar hij een betere positie kon krijgen. Toen is Nicolaas van Boxel aangesteld. 34 De diender kreeg een grauwe rok met een degen en een “portespee” (degendrager). 35 In 1771 waren twee herendienaars in functie; zij droegen een hoed, met goudgalon omboord. 36 De dienders werd in 1747 opgedragen ’s zaterdags rond te gaan om te zien, of ieder zijn straat had geveegd. 37Af en toe treft men merkwaardige bepalingen aan. Koeien mochten op straat niet gemolken worden, wel op de mestvaalt. 38 Deze bepaling werd gegeven omdat de koeien onder het melken de bast van de bomen afknaagden. Door de heren werden “schutters” aangesteld, die tot taak hadden het losgebroken en verdwaald vee op te vangen, te bewaren (in een schutbocht) en tegen betaling van de kosten aan de rechtmatige eigenaars terug te geven. In 1502 werden er twee benoemd. 39 Van de heren kregen zij een tabberd; op de mouw werd een vos afgebeeld met een “mare” in de mond, zoals van ouds gebruikelijk was. Uit dit laatste blijkt wel, dat deze functie al langer bestond. In een latere periode werd de schutter door de ingelanden aangesteld, doch door de heren bevestigd. Zijn salaris kwam geheel ten laste van de ingelanden. 40 Toen een schutter door de ingelanden werd afgezet, kwamen de heren tussenbeide en handhaafden hem. 41 De rentmeester en de baljuw moesten toezien, dat hij niet verder gehinderd werd. Het volgend jaar verzetten de ingelanden zich tegen de aanstelling van een schutter door de baljuw, doch de heren beschouwden de benoeming als een herenrecht. 42 De schutter moest twee- of driemaal per week rondgaan en patrouilleren, de landlopers weren en zoveel mogelijk de klachten van de ingelanden voorkomen: De oorspronkelijke functie van het toezicht op het vee was toen al uitgegroeid tot die van veldwachter. Als een maatregel van orde kan men eveneens de zorg voor de straten en wegen beschouwen en de verkeersvoorschriften. Aan de wegen buiten de dorpen hebben de heren en de magistraat vrijwel nooit aandacht geschonken; in het archief komen er althans geen gegevens over voor. Daar de meeste buitenwegen over de dijken liepen, is het overigens zeer waarschijnlijk, dat die bij de polders in beheer en onderhoud waren. De steenstraat door Oud Vossemeer, van de molen tot aan de dijk van Vogelenzang, is lange tijd de enige geweest, die Vossemeer rijk was. In 1504 bepaalden de heren dat de rentmeester geld zou reserveren voor de straten. De ingezetenen zouden de stenen en het zand aanvoeren bij de kerk op “de vrone”. Voor zijn huis moest ieder zelf meehelpen bij het bestraten. Wie een straatje tot aan het kerkhof wilde hebben, moest dat zelf aanleggen of bekostigen. Uit latere gegevens blijkt, dat de Molenstraat door de inwoners zelf was bekostigd. De heren van Vossemeer hadden hierin wel bijgedragen, onder andere door een groter deel van de dorpsaccijns af te staan en door het verlenen van andere faciliteiten. 44 In 1605 bepaalden de heren, dat de straat in de ring van het dorp uit het inkomen van de gemeente onderhouden moest worden. 45 In het jaar 1708 verwierf de magistraat van de Staten van Zeeland octrooi, om voor de tijd van zeven jaar een stuiver per gemet te mogen heffen voor het onderhoud van de steenstraten ter lengte van circa 600 roeden. 46 Inmiddels hadden de heren het onderhoud van de straten vrijwel geheel op de gemeente geschoven. De moderne mens van de 20e eeuw gelooft zijn ogen niet, als hij na naarstig speuren in een archief, dat ruim vijf eeuwen beslaat, welgeteld één verkeersvoorschrift vindt. In 1783 is bepaald, 47 dat het rijden met paarden in de dorpen slechts met “gaans paard en modestelijk” was toegestaan. Sloeg een paard op hol en werd iemand gekwetst, dan viel er een boete van 10 schellingen. Was er “smerte” toegebracht, dan werd de boete tot 33 schellingen verhoogd. Bij een dodelijk ongeval waren paard en wagen verbeurd verklaard en werd de voerman of eigenaar strafrechtelijk vervolgd. Opmerkelijk is het toezicht van de heren op de bewoning en de bebouwing. Enigszins te begrijpen is dit wel, omdat zij de meeste erven in de dorpen in erfpacht of erfcijns hadden uitgegeven. Nu leverden die cijnsen en pachten wel geen kapitale bedragen op, doch alles bij elkaar waren zij niet te versmaden. Hadden de heren een erf eenmaal uitgegeven, dan wensten zij er ook de cijns van te trekken. Doch het veiligstellen van hun inkomsten is niet hun enige zorg geweest. Als een huis door brand of door een andere oorzaak in verval geraakte, zaten zij er achterheen, dat het zo snel mogelijk weer werd herbouwd. De heren wilden het dorp intact en bewoond houden; zij handhaafden er een zeker welvaartspeil en konden in tijden van regressie een eventueel verloop enigszins afremmen. Het huis van Crijn Jansse de Bode was omstreeks 1619 afgebrand; hij kreeg enige malen de aanzegging, dat hij herbouwen moest, anders zou zijn erf aan een ander gegeven worden. 48 Andries Mauriques kreeg verlof een huis af te breken op voorwaarde, dat hij in het dorp of op het platteland een nieuw zou stichten. 49 Digna Hartsens had een deel van haar huis afgebroken; toen zij onwillig was het in zijn vorige staat te brengen, ontboden de heren een timmerman, die de opdracht kreeg het vóór de volgende vergadering te herbouwen, vanzelfsprekend op kosten van Digna. 50 De uitgegeven erven moesten binnen een zekere tijd bebouwd zijn; de rentmeester ontving het bevel de kwaadwillenden gerechtelijk te doen vervolgen. 51 Door een brand waren in 1735 twee huizen vernield. Joris Pieterse wilde herbouwen en kreeg voor 20 jaren vrijdom van de huisschatting. Cornelis de Min was niet zo vlug tot herbouw bereid. Hem werd gelast ook te herbouwen, anders was hij de grond en de stenen kwijt. 52 Aan Jan Verkuijl werd voor zes jaren vrijdom van huisschatting verleend voor de wederopbouw van zijn schuur in de Achterstraat van Oud Vossemeer. 53 Met kwesties van erfscheidingen en belendingen wensten de heren zich niet in te laten; deze lieten zij aan de magistraat ter beslissing over, die zich door een timmerman moest doen assisteren. 54 Toen de heren voor twee erven vrijdom van huisschatting gegeven hadden, maakten de herbouwers geen haast; de heren lieten hen aanzeggen te beginnen met de bouw, of zij zouden de erven aan anderen in cijns uitgeven. 55 Voortaan, zo beslisten de heren in 1787, zou voor nieuwe huizen 12 jaren vrijdom van huisschatting gegeven worden. 56 Stonden die huizen er eenmaal, dan was het zaak die in stand te houden. Vroeger was brand het grootste probleem en de grote schrik van de huiseigenaren. Vossemeer kon er trouwens van meepraten. Op 7 october 1576 is het dorp van Oud Vossemeer vrijwel geheel in de as gelegd. 57 Ditmaal was het de schuld van de soldaten. In 1591 verboden de heren, vlas te zwingelen of graan te dorsen bij open licht; op de strodaken moest toezicht gehouden worden. 58 Doch veel effectieve verdediging tegen het brandgevaar kende men nog niet. In 1638 bleek het dorp 34 brandemmers te hebben, 59 die nog eens werden opgeschilderd. Lang nadien was de brandweer alleen met emmers uitgerust. Het onderhoud van deze emmers werd bekostigd uit een toeslag op de accijns van het bier. 60 Men is geneigd te vragen, welke grapjas dit uitgedacht heeft. Stromijten moesten op minstens 20 roeden buiten het dorp staan. 61 In 1725 is voor Oud Vossemeer de eerste brandspuit aangeschaft. De inwoners hadden daartoe aan de heren het verzoek gedaan; deze besloten de helft in de kosten bij te dragen. 62 Seigneur Stephanus Vilaan leverde de spuit, die ruim 24 pond kostte. 63 Kort nadien is een uitvoerig brandreglement vastgesteld, dat naast enige algemene bepalingen deze merkwaardigheden bevatte. 64 Men mag geen brandstoffen naast de schoorsteen leggen. In geval van brand moet de bewoner terstond de straat oplopen en “brand” roepen. De buren moeten direct opstaan en meedoen aan het “brand” roepen. Als er brand is en de klok luidt, moet eenieder een ladder en een ton met water op zijn stoep zetten; als het nacht is, tevens een licht. Het aanwezige water in tonnen of regenbakken moet op het eerste aanzeggen beschikbaar worden gesteld. Niemand mag zijn meubels wegbrengen, als het vuur nog niet tot aan het vijfde huis genaderd is. Wie in geval van brand van de spuit gebruik maakt, moet ruim 4 pond betalen, als hij in de koop ervan niet heeft meebetaald. In het jaar 1727 bepaalden de heren, dat de huizen en de schuren in de ring van het dorp niet meer met stro doch enkel met pannen gedekt mochten worden. 65 Tien jaren later bleek met dit voorschrift de hand te zijn gelicht; toen moesten de heren het vernieuwen en verscherpen. Het werd eveneens van toepassing verklaard op de Molenstraat. 66 Kort tevoren had een brand gewoed, die weliswaar niet tot een ramp was uitgegroeid, doch allen weer eens wakker had geschud. De oude daken mocht men nog laten bestaan, doch de nieuwe moesten van pannen zijn. Zelfs bij reparatie mocht geen stro meer gebruikt worden. De magistraat kreeg opdracht Molenstraat te Oud Vossemeer, ca. 1910.
Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

hieraan streng de hand te houden. Het vroeger ingestelde brandreglement was niet doeltreffend; indertijd had men vergeten boeten te bepalen op de overtredingen. Dit verzuim werd alsnog hersteld. 67 Later werd toegestaan schuren en stallen nog met stro te dekken, doch de woonhuizen beslist niet 68 Toen in 1766 de brandspuit herstel nodig had, betaalden de heren de helft in de kosten. 69 Een nieuw herstel was in 1778 noodzakelijk; ditmaal betaalden de heren alles. Na de reparatie is de brandspuit in de kerk geplaatst; tegen eventuele beschadiging werd er een hek omheen gezet. 70 Dit hebben de kerkgangers niet lang getolereerd. Het volgend jaar lieten de heren een brandspuithuisje bouwen, dat tevens als waag diende. Het mat ongeveer 5 x 3 meter. Een deel van 3 x 3 meter was bestemd voor de waag; de rest voor de brandspuit. Aan de voorkant had het twee deuren; aan de zijkanten een ovaal raam. Door een tussenschot was het in twee ruimten verdeeld. Het werd uitgevoerd in grauwe mopsteen. Voor de dakgoten en de regenpijpen werd blik genomen. De timmerman, die het bestek maakte, oordeelde loden goten en pijpen wel beter, doch vreesde, dat die “somtijds” gestolen werden, wat hier en elders regelmatig gebeurde. Dit huisje is vlak bij de kerk opgetrokken. In de nacht van 11 op 12 juni 1781 woedde een felle brand in Oud Vossemeer. Zeven huizen en twaalf grote en kleine schuren gingen volledig in vlammen op. Enige gedupeerden vroegen aan de heren een subsidie in de herbouw of een korting op de tienden, doch beide verzoeken werden afgeslagen. Wel stonden zij een korting op de cijns en de huisschatting toe voor 14 jaren. Voor de ergste noodgevallen stelden zij 53 pond ter beschikking. De vroegere minder strenge besluiten in verband met het brandweerreglement werden ingetrokken; voortaan zouden de schuren niet meer met riet of stro gedekt mogen zijn. De asbakken moesten verplaatst worden. Voor ieder dorp zouden 12 lederen emmers worden aangeschaft. 71 Aan de economische belangen van de heerlijkheid en de beide dorpen hebben de heren van Vossemeer voortdurend aandacht geschonken; op handel en nering hielden zij een scherp toezicht. In 1532 bepaalden zij, dat de tappers de eed moesten afleggen over de prijs van wijn en bier, zodat de magistraat de prijzen kon vaststellen. 72 De tappers en herbergiers moesten zich aan de vastgestelde prijs houden, of aanpassen aan de prijs, die in de dorpen gold. 73 Deze maatregelen beoogden enerzijds de opbrengst van de accijns op de dranken op een behoorlijk niveau te houden, doch waren evenzeer gericht op de belangen van de consumenten. In 1576 heerste er in de beide dorpen een grote duurte, daar er geen graan meer te krijgen was. Die van Vossemeer kochten voorheen altijd in de stad Tholen, doch daar was nu ook niets meer te halen. Op aandringen van pastoor Heijnrick van Bergeijck kwamen die van Vossemeer “onder Sacramente”; zij beloofden elkaar te helpen. Op de eerstvolgende vergadering schreven de heren voor, dat elke dinsdag markt gehouden zou worden, zodat de armen en de hulpbehoevenden iets konden kopen. 74 In 1593 stelden de heren de prijs van het bier vast; 75 nadien droegen zij dit aan de baljuw en de rentmeester op. 76 Toen in 1704 enige tappers klaagden over clandestiene herbergen, schreven de heren voor, dat de herbergiers een krans aan hun deur moesten hangen en dat zij de jaarlijkse tapperslasten moesten betalen. 77 In huizen zonder dit merkteken mocht geen drank verkocht worden. De herbergiers moesten een jaarlijkse recognitie van ruim 2 pond betalen, 78 doch deze belasting is in 1752 afgeschaft, waarschijnlijk omdat er toch niet de hand aan werd gehouden. 79 Een tijd tevoren hadden de heren bepaald, dat er in elk dorp slechts één herberg toegelaten zou worden. 80 Jacob Linthout werd voor Oud Vossemeer en Jan Blankenbergh voor Nieuw Vossemeer erkend. Toen Eduard Dronken in 1740 vroeg tapnering te mogen uitoefenen, werd zijn verzoek afgewezen, niet vanwege zijn naam, doch omdat er al een herberg was. Het volgend jaar nam hij de zaak van Blankenbergh over. In 1747 werd opgetreden tegen Paulus Smits, die tussen Tholen en Vossemeer herberg hield, waar onordentelijkheden voorvielen. In meerdere opzichten hadden de heren moeilijkheden met de herbergen; in 1752 wilden zij er niets meer mee te doen hebben en verklaarden zij de nering open voor iedereen. 82 In 1765 werd Dirk Stapel toegelaten als biersteker. 83 Deze functie was semi-officieel, daar zij nauw verband hield met de accijns. Landerijen in Vossemeer mochten niet bezwaard worden dan met verlof van de heren. 84 Hun politiek was er op gericht bepaalde gronden in privé-eigendom te verkrijgen, als zich daartoe een gunstige gelegenheid voordeed. De gewichten op de stoof van het Nieuwe Veer, waar toen de dorpswaag gevestigd was, waren van Antwerpens gewicht; in 1613 zijn die vervangen door Tholens gewicht; er was tevens een nieuwe balans gemaakt. 85 Later is de waag een tijdlang in het ambachtsherenhuis gevestigd geweest; in de rechtskamer hing de weegschaal, waarvoor in 1754 gewichten tot 300 pond werden aangeschaft; vóór 1671 waren er gewichten tot 1600 pond. 86 Enige tijd nadien is een afzonderlijk waaghuisje gebouwd. De weekmarkt, in de nood van de Tachtigjarige Oorlog ingesteld, bleek in 1628 geheel verlopen te zijn; hij werd in dit jaar hersteld. Aan de inwoners werd verboden “etelijke” waren naar buiten te brengen, die niet op de markt waren geweest. De marktdag werd op vrijdag gehouden. 87 In 1630 is aan de rentmeester, de baljuw en de secretaris opgedragen het brood te wegen. 88 Voor Oud Vossemeer moesten zij de keur van Tholen volgen, voor Nieuw Vossemeer die van Bergen op Zoom. In 1763 is in Oud Vossemeer een nieuwe meestoof opgericht, waarvoor de heren vermindering van de huisschatting verleenden, onder voorwaarde echter, dat die stoof zich in de prijszetting geheel op de reeds bestaande te richten had. 89 Onderlinge concurrentie van de beide meestoven werd door de heren niet gewenst. Nog in 1851 verleenden de heren medewerking aan de totstandkoming van een nieuwe meestoof in Oud Vossemeer. 90
Het ambacht en de nering hebben van de heren een duidelijke bescherming genoten. In 1689 verleenden zij de ambachtslieden preferentie in de insolvente boedels over vorderingen, die niet ouder waren dan twee jaren. 91 Enige jaren nadien
Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

vroegen enige personen verlof, om een brouwerij op te richten. 92 Toen de smid van Oud Vossemeer vroeg om zijn verblijf te mogen verplaatsen, werd zijn verzoek in handen gesteld van de baljuw en de schepenen, die tot afwijzing adviseerden. De heren stonden het toch toe, op voorwaarde dat de inrichting geen gevaar zou opleveren. 93 De directe bemoeienis van de heren met de toelating van nieuwe ambachtslieden begon pas later. In 1722 bepaalden zij, dat buiten de chirurgijn niemand mocht scheren. 94 In 1731 werd Cornelis Schijven als smid toegelaten, met uitsluiting van anderen. Tevoren waren er twee smeden geweest, waarvan er een overleden was; de heren waren van oordeel dat er voor twee geen redelijk bestaan was. Cornelis kreeg opdracht, de ingezetenen trouw, naarstig en “civiel” (d.w.z. niet te duur) te bedienen. 95 Het volgend jaar ontstond in Nieuw Vossemeer een hevige ruzie tussen de wagenmaker en de timmerman, met als pijnlijke aanleiding dat de eerste ook doodkisten maakte. De heren gelastten hen zich aan hun ambacht te houden. De wagenmaker mocht geen nieuw werk maken, derhalve geen doodkisten.
In 1761 verboden de heren de magistraat, eigenmachtig ambachtslieden of neringdoenden toe te laten; dit kon slechts op admissie van de heren geschieden. 96 De nieuwe ambachtslieden vinden wij daarna in de resoluties. Jacobus van Zimonsberge werd in 1672 als schilder en glasmaker in Oud Vossemeer toegelaten. 97 Het jaar daarna vestigde Jan van der Leck zich als timmermansbaas. 98 In Nieuw Vossemeer begon Marinus Quist in 1768 als timmerman. 99 Hij werd in 1781 door Frans de Later opgevolgd. 100 Salomon Laserus, een jood, kreeg in 1787 toestemming om te blijven en zijn nering uit te oefenen. 101 In 1793 vestigde de jood Manuel Abrahams zich als koopman in Oud Vossemeer; hem werd wel de verplichting opgelegd een bewijs van goed gedrag over te leggen. 102 In 1787 verzochten de winkeliers van Oud Vossemeer een gilde te mogen oprichten, doch de heren wilden hier niet van horen. 103 Allerwegen werden krampachtige pogingen gedaan, om door het herstel van de middeleeuwse gilden een monopolie te verkrijgen, doch bij de meeste bestuurders waren inmiddels opvattingen over handelsvrijheid ontstaan, zodat zij een herleving van de oude gilden niet wensten. Nog nauwlettender hebben de heren toegezien op de schippers en de beurtschippers, omdat het bedrijf van deze zeer na aan het veer raakte, een oud recht van de heerlijkheid. In 1580 gaven zij een bepaling, die duidelijk de bescherming van de schippers van Vossemeer op het oog had. 104 Zij moesten van goede schepen voorzien zijn en de goederen tegen een redelijke prijs vervoeren. De baljuw had er op toe te zien, dat geen vreemde schippers vrachten van Vossemeer vervoerden. Deze uitsluiting van vreemde schippers is in 1689 nog eens met nadruk herhaald. 105 De vrachtprijzen werden door de heren vastgesteld; 106 de goederen van de heren werden gratis vervoerd. 107 In 1733 bleek, dat de schippers in afwachting van méér vracht te lang bleven liggen, zodat het tij soms verlopen was; dan waren de inwoners wel genoodzaakt bij anderen te bevrachten. De heren geboden de schippers, ’s zaterdags bij het eerste gunstige tij af te varen. 108 In het begin van de 18e eeuw zijn vaste beurtschippers aangesteld, aanvankelijk één voor de gehele heerlijkheid; 109 later een voor Oud en een voor Nieuw Vossemeer. 110 Zij moesten een recognitie van ruim 2 pond per jaar betalen. In Nieuw Vossemeer is in 1744 een tweede beurtschipper toegelaten. 111 Merkwaardig genoeg, behielden de heren in de beurtschipperij nog veel zeggingsmacht, toen de heerlijkheid en de gemeente gescheiden waren. In 1824 requestreerden de ingezetenen van Oud Vossemeer voor een tweede beurtschipper, doch de heren wezen dit verzoek af. 112 In 1831 werden de onderhandelingen met de gemeente heropend. De financiële verhouding tussen de ambachtsheerlijkheid en de gemeente is voor de meeste perioden verre van duidelijk. Het blijkt zelfs, dat op dit punt weinig of geen expliciete voorschriften zijn vastgelegd, doch dat een en ander incidenteel geregeld werd al naar gelang het uitkwam of nodig was. Zoals met betrekking tot verschillende andere zaken zal ook in de financiën aanvankelijk geen onderscheid tussen heerlijkheid en gemeente zijn gemaakt. In de materie van de waterstaat is al vroeg een splitsing ontstaan; van de zuivere polderaangelegenheden hebben de heren zich waarschijnlijk van meet af aan gedistantieerd. In 1503 bepaalden zij, dat de rentmeester het geld van de accijns op het bier zou bewaren, om er te zijner tijd een straat mee aan te leggen. 113 Hieruit blijkt wel, dat toentertijd nog geen strikte scheiding bestond tussen de geldmiddelen van de heerlijkheid en die der gemeente. In het begin van de 16e eeuw zijn enige afspraken gemaakt; de accijns op de dranken kwam voor 1/3 aan het land en de schutterij, voor 2/3 aan de heren. 114 Tegen het einde van de 16e eeuw werd een accijns, ook wel de “brouwersplakke” genoemd, verpacht; hij werd geheven op alle bieren, die op de bodem van Vossemeer aan land werden gezet. 115 Daarnaast bleef een accijns op het tappen als verbruiksbelasting bestaan. De magistraat had de bevoegdheid afzonderlijke lasten te heffen. In 1603 stelde hij, met verlof van de heren, een heffing van zes groten per gemet in, ter afdoening van de schulden der gemeente. 116 In 1632 trokken de heren de dorpsaccijns weer geheel aan zich, doch zij verplichtten zich daarentegen tot het onderhoud van het uurwerk en tot het vaste salaris van de vroedvrouw. 117 De dorpsaccijns werd met St. Jan verpacht, samen met de andere goederen van de heren. Uit latere gegevens blijkt, dat in 1632 de dorpen met zoveel financiële moeilijkheden zaten, dat zij er niet meer uitkwamen. De heren van Vossemeer hebben de dorpslasten geheel op zich genomen; vanzelfsprekend trokken zij ook de inkomsten naar zich toe. Op de huizen werd een huisschatting gelegd. Meestal gingen de inkomsten volledig aan de lasten op. In 1777 leverde de huisschatting een batig saldo op; de rentmeester kreeg opdracht dit in de domeinrekening op te nemen. Ondanks de voortdurende zorg en waakzaamheid van de heren in het bevorderen van de welvaart, kwamen er in Vossemeer, naar het woord van de Bijbel altijd armen voor; sukkelaars, wie het lot niet welgevallig was, of zieken, die zich geen redelijk bestaan verwerven konden. Van oudsher bestond er een instituut van de H. Geest, dat de armenzorg aan zich had getrokken. Van oorsprong was dit een kerkelijke instelling, genoemd naar en gesteld onder het patronaat van de H. Geest, in de middeleeuwse liturgie de “Vader der Armen” genoemd. Dit armbestuur heeft waarschijnlijk vanaf de stichting van de parochie bestaan, al zijn er uit de eerste tijd geen gegevens bewaard gebleven. De eerst bekende feiten stammen uit het jaar 1504, toen de heren de H. Geest-meesters benoemden, 119 en uit het jaar 1506, toen zij bepaalden, dat de H. Geest mede-erfgenaam was van hen, die bij hun leven waren ondersteund. 120 Als de overledene kinderen had, kreeg de H. Geest een kindsdeel. De H. Geest-meesters werden voor één jaar aangesteld; hun benoemingen vindt men bij die der andere functionarissen.
In het archief van de heerlijkheid is een serie armenrekeningen bewaard die enige aardige bijzonderheden bevatten over de armenzorg in Vossemeer. 121 De H. Geest bezat aanvankelijk één, later meer huisjes, waar armlastigen gratis mochten wonen. 122 Het was maar een povere huisvesting; toen Zwarte Hendrik er woonde, was de bedstede met stro gevuld. 123 Blijkens de rekening van 1569/70 had de H. Geest verscheidene huisjes; 124 in dat jaar zijn zij opgeknapt. Zij lagen in Oud Vossemeer onder de molen. Als er geen arme in woonde, werden zij tegen een gewone huur verpacht. 125 Aan de andere kant van de dijk lag eenzelfde armenhuisje. 126 Toch werd er zorg aan de behuizingen besteed; er stonden 25 bomen omheen, zodat het er riant wonen was. 127 Nadien vermaakte Jacomijntje Jacobs, weduwe van Jan Piers Verlucht, een huisje aan de armen, dat eveneens onder de molen stond. 128 Enige jaren later lieten de armenmeesters aan het einde van de Molenweg een nieuw huis bouwen; het had een dubbele schouw en twee deuren; vermoedelijk bestond het uit slechts twee woonvertrekken. 129 Op dat tijdstip sprak men niet meer van de H. Geest, maar van de armen, doch de volksmond bleek ook hier vasthoudend te zijn, zodat het nieuwe huis de naam van Geesthuisken kreeg. 130 In het jaar 1757 zijn deze armenhuizen verkocht; voor Het Moleneind te Oud Vossemeer, met de reeds lang verdwenen molen, ca. 1910. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer. de opbrengst ervan werden Provinciale Zeeuwse obligaties genomen voor de algemene armen. 131
Tegen het einde van de 16e eeuw is de benaming van de H. Geest afgeschaft; het instituut van de armenzorg werd van de kerk losgemaakt en door de armmeesters beheerd. Dit is in 1595 geheel doorgevoerd. 132 Doch reeds vanaf 1570 had de instelling zich van de heerlijkheid en het directe toezicht van de heren gedistantieerd. Voorheen werden de rekeningen van de H. Geest-meesters door de heren afgehoord, maar met ingang van 1570 geschiedde dit door de pastoor, de baljuw en de schepenen, al was er aanvankelijk nog een vertegenwoordiger van de heren bij, 133 die in 1573 al niet meer verscheen. 134 Het volgend jaar bekrachtigden de heren van Vossemeer dit trouwens met het besluit, dat, voortaan de baljuw en de schepenen de rekeningen van de H. Geest zouden afhoren. 135 Hun laatste directief hadden zij in het jaar 1571 gegeven, toen nog eens nadrukkelijk werd bepaald, dat de H. Geest-meesters “oost en west” (d.w.z. zowel in Oud als in Nieuw Vossemeer) de uitdeling van de aalmoezen moesten doen. 136 Aan de andere kant was er een streven, de armenzorg geheel aan de leken toe te vertrouwen; nog eenmaal kwam er iemand vanwege het kapittel van Tholen aan te pas; 137 daarna valt de armenzorg geheel onder het beleid van de magistraat. De heren van Vossemeer staakten hun bemoeienis met de H. Geest voorgoed door in 1575 te bepalen, dat in het vervolg de H. Geest-meesters door de baljuw en het gerecht benoemd zouden worden.’ 138 De H. Geest of de Armen hadden vaste inkomsten. De instelling bezat verschillende percelen land, die werden verpacht. 139 Andere ontvangsten bestonden uit de opbrengst van de collecten, die op de grote feestdagen in de kerk werden gehouden.
Hieraan kwam door de hervorming een einde, toen er naast de algemene armen een diaconie werd gesticht, die eigen fondsen vormde. In 1591 werden vier collectebussen gemaakt, die op verschillende plaatsen in het dorp hingen, waarin de bezoekers hun bijdragen voor de armenzorg konden storten. 140 Een van die bussen hing in de herenkamer; in één jaar bracht zij ruim 26 schellingen op. 141 Een tijd later waren zeven bussen geplaatst. 142 Het was tevens gebruik, dat bij bepaalde verkopen een gods- en armenpenning gegeven werd. Van sommige inkomsten van de ambachtsheerlijkheid kregen de armen bepaalde percenten, zoals van de rantsoenpenningen op de tienden, de accijns, de brouwersplak, het exue-geld, de lammertiende, het veer aan het Botshoofd, dijken en gorzen, de visserij en de vogelarij. Dit bracht bijvoorbeeld in 1631 ruim 18, in 1632 ruim 12 en in 1755 ruim 43 pond op. 143 In 1710 beslisten de heren, dat de inkomsten van de armen gelijk verdeeld zouden worden tussen In Vossemeer kwam volgens de stukken melaatsheid voor, of wat men daarvoor aanzag.
De H. Geest had voor deze zieken een apart huisje, dat verhuurd werd, als er geen melaatse te verplegen was. 150 In 1571 was het meisje Truije Kate Jonghe melaats bevonden; 151 zij was in Haarlem op onderzoek gegaan, waar de van melaatsheid verdachten van Tholen werden onderzocht. 152 Was hun melaatsheid vastgesteld, dan waren zij verplicht zich van de andere mensen af te zonderen, en aan andere regels van een overigens zeer summiere hygiëne te voldoen. De melaatse was een paria, uitgestoten door de normale gemeenschap. In hetzelfde jaar was er een melaatse jongen, die de troostende naam van Engel droeg. Hij stierf kort daarna en werd van de arme begraven, nadat het gerecht een onderzoek van het lijk had laten doen. De armmeester betaalde eveneens het “slaaplaken”, dat is het doodskleed. 153 De melaatsen gingen gekleed in een kleed en een mantel van grauw laken. Zulk een gewaad werd in 1574 aangeschaft voor de dochter van Lopende Aechte. Een inwoner van het dorp gaf dit kind een jaar lang de kost voor de som van 1 pond, 18 schellingen en 2 groten. 154 Het lazerus-huisje had een hele en twee halve deuren; voor het dekken van het dak waren 23 schoven stro nodig. 155 Keijser, wiens vrouw wij al ontmoet hebben, werd in Haarlem op melaatsheid onderzocht. 156 Enige jaren later spreken de archiefstukken voor het laatst over melaatsheid, als Crijn de Bode het kamertje schoonmaakte, waar een melaats meisje gestorven was. 157 Broeder Lenert, vermoedelijk uit Bergen op Zoom, kwam in 1573 een schamele vrouw visiteren en begraven, die aan de pest gestorven was. 158 Deze ziekte heeft meermalen in onze streek gewoed. In 1581 werd Adriaen Jaspers Rooseboom uit Turnhout als pestmeester in dienst genomen. Zulk een “pestmeester” moest de zieken verzorgen, de doden begraven en alle besmetting weren. Deze ziekte werd ook de “gau” genoemd, omdat zij plotseling verscheen en in korte tijd fataal was. Tegen het einde van de 18e eeuw is in Vossemeer het zwaartepunt van de armenzorg verlegd naar het verplegen en opvoeden van weeskinderen. Het oude instituut van de H. Geest en van de Grote Armen werd sindsdien de Armen-Wezen genoemd. 159 Na het verhaal van ellende en ziekte wordt in de behoefte van een vrolijke noot voorzien door de schutterijen. Bij het horen van dit woord denkt men eer aan de sport van het schieten met de hand- of voetboog. Dat beeld van een portie onschuldige folklore met een groter portie (minder onschuldige!) drank is echter niet geheel juist. Vóór de 17e eeuw was de schutterij wel degelijk het apparaat der weerbaarheid van de burgerij; op vele plaatsen had zij een belangrijke politieke invloed. Het gilde van Vossemeer was aan St. Sebastianus toegewijd. Zelfs in de hervormde periode is men aan deze traditionele patroon blijven vasthouden. In 1497 kreeg de schutterij uit de verhuur van de molen 3 achtendeel tarwe, en van de heerlijkheid twee tonnen bier. 160 Zes tonnen gaven de heren, als de schutters op de vogel schoten, die men de papagaai noemde. 161 Dit gebeurde op de zondag vóór St. Jan, als in Vossemeer kermis werd gehouden, en de meeste heren aanwezig waren voor hun komende vergadering. 162 In 1520 werd door de heren bepaald, dat de schutters niet meer op de molen mochten schieten. 163 De vogel of papagaai werd op een wiek geplaatst, die dan in zijn hoogste stand werd gedraaid. Dat de heren dit niet meer toelieten, betekent in feite, dat er nogal wat slechte schutters waren, die de molen raakten. Een vaste bijdrage kreeg de schutterij in 1534 voor het “opwaarts” schieten, dat is het jaarlijkse vogelschieten. 164 Tevoren had zij al een bepaalde gage ontvangen. 165 In 1536 is een nieuwe keur voor de schutterij vastgesteld, waarvan geen bijzonderheden bekend zijn gebleven. 166 Het zilver van het gilde werd het “juweel” genoemd. In 1564 droegen de heren bij tot het inlossen ervan. 167 De schutter, die zich driemaal achtereen koning schoot, werd keizer; dan had hij het zilver verworven, dat de schutterij van hem kon terugkopen. Kort daarna is de schutterij tenietgegaan. In 1594 vroegen enige inwoners een schutterij van de handboog te mogen oprichten op een stuk land, aan de Molenweg gelegen, en daar doelen te zetten. Ook vroegen zij privileges te verkrijgen, die vanouds voor de schutterij gebruikelijk waren geweest. Het staat wel niet met zoveel woorden te lezen, doch het is wel zeer waarschijnlijk, dat het vroegere gilde niet meer bestond. Het nieuwe gilde wilde tevens van de voetboog op de handboog overstappen. De heren droegen de baljuw, de rentmeester en de schepenen op met de requestranten te spreken. De rentmeester moest tevens de boeken en de herenkist nazien, of hij nog stukken van het gilde vinden kon. 168 Het volgende jaar beslisten de heren, dat zij het verzoek vanwege de “harde tijden” nog in beraad hielden. 169 Pas in 1615 is het gilde van St. Sebastiaan heropgericht. 170 Het oude charter werd uit de kist gehaald en aan het gilde teruggegeven. De schutterij mocht nieuwe doelen inrichten. Zij kreeg ook het zilver, de keur en de ordonnantie terug, die de heren in bewaring hadden genomen. 171 Een nieuwe ordonnantie stelden de heren in 1637 vast. 172 De bepalingen ervan maken duidelijk, dat het gilde geen folkloristisch spel doch bittere ernst was. De baljuw moest 33 goede en eerlijke mannen kiezen, die beëdigd zouden worden om met hun wapenen de heerlijkheid en haar inwoners te beschermen. De baljuw was overdeken; verder waren er een deken en twee gezworenen, die ieder een rot van 10 man commandeerden. Uit de gezellen werden een vaandrig en twee hellebaardiers gekozen. Elke schutter moest twee bogen hebben, een dozijn pijlen, een handschoen, een schietlap, een kwispel en een palveer of belteken. Tevens een geweer met 2 pond buskruit en een pond gegoten lood. Bij het vogelschieten, eens per jaar, mocht de schutterij van elke biersteker een ton bier eisen. Wie tot schutter gekozen werd, was verplicht deze aanwijzing aan te nemen. Allen moesten verschijnen als zij door de baljuw en de schepenen werden opgeroepen. Elke maand oefenden zij één zondag op de doelen. Stierf een gildebroeder, dan vervielen zijn boog en pijlen aan de schutterij. Dan kozen de koning, hoofdman en dekens een nieuwe schutter, die door de baljuw en de schepenen moest worden toegelaten. Deze ordonnantie werd in 1651 bevestigd; 173 het octrooi werd vernieuwd; de accijns op het bier werd voor de doelen opgeheven; de keizer zou als premie de schilden van het span krijgen of de waarde daarvan. Dit gilde heeft zich vermoedelijk niet goed gedragen, of een politiek gevoerd, die de heren niet welgevallig was. In 1658 is het met één pennestreek opgeruimd. 174 De rentmeester kreeg opdracht, het gilde uit de eed te ontslaan en een nieuwe schutterij op te richten. Kort daarna is in Nieuw Vossemeer een gilde van de “bus” (met het geweer) opgericht. 175 Het is niet bekend hoe lang dit bestaan heeft. In 1718 was dit nog het geval; toen kreeg het een verbod in de school te vergaderen, omdat de schutters de banken en ruiten vernield hadden. 176 Het St. Sebastiaansgilde van Oud Vossemeer had omstreeks 1710 opgehouden te bestaan. De baljuw en de secretaris hadden een deel van het zilver en van het archief verduisterd. 177 Daarna treft men in Oud Vossemeer geen sporen meer aan van een schutterij. In 1737 vroegen de ingezetenen de rest van het zilver te mogen verkopen, om daarvan een koperen kroon voor de kerk aan te schaffen. Dit stonden de heren toe; het zilver was in bewaring bij de baljuw Ferleman. 178 De kroon prijkt nog in de kerk.
Het enige blijk van cultureel leven bestaat in de rederijkerskamer of “Kamer van Rhetorica”, die in 1609 met verlof van de heren is opgericht. Volgens het besluit hadden de leden van deze vereniging zich te onthouden van “smadige, schimpige, vuile en oneerlijke woorden”. De spelen die zij wilden opvoeren, moesten eerst aan de magistraat ter lezing worden gegeven. In het ambachtsherenhuis bevindt zich een schilderstuk uit het jaar 1612, dat waarschijnlijk het blazoen is van de rederijkerskamer. Het bevat een afbeelding van St. Jan, de patroon van Vossemeer, en het devies: “Christus ’s mensch voedsel”. Deze kamer zou de naam gedragen hebben van: ’t Coren Bloyt, 178a wat juist kan zijn, daar op het blazoen St. Jan afgebeeld is tussen bloeiende korenaren.
Blazoen van de rederijkerskamer. Naar een schilderij in het ambachtsherenhuis.

Blazoen van de rederijkerskamer. Naar een schilderij in het ambachtsherenhuis.

De gezondheidszorg was in handen van een chirurgijn en een vroedvrouw. Mr. Jasper de Hondt is de eerst bekende chirurgijn van Oud Vossemeer, die in 1639 een gage van 2 pond kreeg voor het cureren van de schamele lieden. 179 In 1644 is zijn gage tot 4 pond verhoogd. 180 Mr. Joost Heijns volgde hem in 1646 tegen dezelfde gage op. 181 Uit het jaar 1650 is Pieter de Vos bekend, die hetzelfde salaris ontving op voorwaarde dat hij de armen gratis bediende. 182 Enige jaren daarna waren twee chirurgijns aanwezig, vermoedelijk een in Oud en een in Nieuw Vossemeer. 183 Uit het jaar 1654 is Geeraerts Wielmaker bekend. 184 Mr. Dirck Blankenburg kreeg in 1682 continuatie voor Oud Vossemeer; hij was derhalve al langer gevestigd. 185 In 1688 is Claude Duplessé in Nieuw Vossemeer aangesteld, de heren waren niet scheutig en verdeelden het oude tractement van 4 pond tussen de beide Kerk te Oud Vossemeer, ca. 1900. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.
chirurgijns. Duplessé is vermoedelijk opgevolgd door Mr. Paulus Ferson, die in 1698 in dienst was. 185a Blankenburg kreeg “uit gunst” bovendien een kwart last turf per jaar. 186 In 1694 berichtte hij de heren, dat de chirurgijn van Nieuw Vossemeer geen dienst meer deed en eerstdaags zou vertrekken; hij vroeg diens practijk met de gage te mogen overnemen, hetgeen werd toegestaan. 187 Na het overlijden van Dirk van Blankenburg is in 1707 Pieter Mortier aangesteld. 188 In hetzelfde jaar vestigde Jacobus van Bakelgem zich in Nieuw Vossemeer. Dat men zich van deze chirurgijns niet veel hoeft voor te stellen, blijkt uit de resolutie van de heren uit het jaar 1714. 189 Niemand mocht het ambt uitoefenen dan die kon aantonen, dat hij voor een dokter en een chirurgijn examen had gedaan. Beide chirurgijnen waren ongediplomeerd; de heren legden hen op, binnen drie maanden het vereiste examen af te leggen. De rentmeester kreeg strikte opdracht, het gebruikelijke salaris aan de bekwaamste te geven. In 1719 is Jacobus Maurial op het gewone tractement benoemd. 190 Deze schijnt na korte tijd vertrokken of overleden te zijn; in 1720 is Pieter Servaas voor Oud en Nieuw Vossemeer aangesteld. 191 Mr. Michel Middelhoven is in 1722 voor beide dorpen toegelaten; tevens werd ieder ander verboden te scheren, op straffe van de inbeslagname van het scheergerei en een boete. 192 Hieruit blijkt wel, dat de chirurgijn niets meer was dan de dorpsbarbier, die misschien met kruiden en zalfjes experimenteerde. In 1732 bleek er geen chirurgijn te zijn; de heren besloten naar een bekwaam persoon om te zien. 193
Nieuw Vossemeer kreeg in 1735 het eerst een nieuwe chirurgijn in de persoon van Jacob Reiffer; 194 het volgend jaar werd hij ook voor Oud Vossemeer benoemd. 195 De rentmeester stelde in 1750 Jean Rimors d’Apa aan, hetgeen door de heren is goedgekeurd. 196 In dat jaar fungeerde Reiffer nog in de beide dorpen; hij werd in 1776 opgevolgd voor Oud Vossemeer door Cornelis Henricus Engelen, die in Nieuw Vossemeer gevestigd was. 197 C. de Neve was in 1762 erkend; verder blijkt niet, waar en hoe lang hij fungeerde. 198 Engelen was in 1771 voorlopig aangesteld; 199 in 1772 werd hij tevens tot vroedmeester benoemd voor de tijd dat er geen vroedvrouw was. 200 Na de omwenteling van 1795 hebben de heren van Vossemeer geen bemoeienis meer gehad met de chirurgijns. “Om ongelukken te voorkomen”, besloten de heren in 1663, moet de baljuw eerstdaags de eed afnemen van de vroedvrouw Antonette Spilgaarts. 201 Haar salaris was vastgesteld op 8 pond per jaar; zij kreeg dus meer dan de chirurgijns. De eed werd niet vereist voor de richtige en medisch-verantwoorde uitoefening van haar functie, doch voor het geval dat een ongehuwde moeder in de kraam kwam. In die tijd beschouwde men het als een halszaak, dat de vader bekend werd. De vroedvrouw had scherp bevel, de kraamvrouw het eventuele geheim te ontfutselen. Antonette Spilgaarts, ook Blankers genoemd, diende nog in 1686. 202 De weduwe van Marcus Noode volgde haar op; na haar overlijden werd in 1693 Sara de Ronde aangesteld. 203 Voor Nieuw Vossemeer is in 1705 Anna Jans benoemd, huisvrouw van Pieter Vroegop. 204 Na haar overlijden is Agnieta Meertens toegelaten; zij moest alsnog voor een dokter en een chirurgijn examen afleggen. 205 Waarschijnlijk is zij niet geslaagd; in 1724 werd Antonette Crols benoemd. 206 Deze bleef tot omstreeks 1732 in functie; toen en in 1762 werd voor Nieuw Vossemeer een nieuwe vroedvrouw gezocht. 207 Een vroedvrouw van Oud Vossemeer heette Janneke Teuter, die tot 1736 in functie was. 208 Na haar overlijden is Daatje Cornelis aangesteld, de vrouw van Cornelis Roggeband, die nog een attestatie van bekwaamheid moest inleveren. De vroedvrouw Susanna van Dijke overleed in 1793; in haar plaats werd Catarina Oostdijk gesteld, vrouw van Adriaan van Dijke. 209
De verhouding tussen de heerlijkheid en de stad Tholen is niet altijd even hartelijk geweest. Min of meer onweerstaanbaar dringt zich zelfs de woordspeling op, dat de eendracht tussen de beide plaatsen dikwijls ver te zoeken was, al zijn zij door de Eendracht aan elkaar verbonden. In het begin van de 16e eeuw voerde de stad een proces tegen de heren over de veerrechten. 210 Ofschoon hierover in concreto weinig bekend is, kan wel vermoed worden, dat de stad Tholen het overzetveer aan het Botshoofd met lede ogen heeft aangezien. De stad bezat inderdaad het veerrecht met Brabant. De heren van Vossemeer gevoelden zich echter door hun uitgiftebrief zo sterk in hun veerrecht gesteund, dat zij de pretenties van de stad op dit punt met vastberadenheid hebben weerstaan. Enige decennia later lagen de verhoudingen nog scherper. In 1536 bleek de baljuw van Tholen lastig te zijn voor de inwoners van Vossemeer over de invoer van bonen, die volgens hem geen graan waren. De heren namen het besluit, dat als hij voortging zo formeel en onhebbelijk te zijn, de wet volgens de letter en niet volgens de geest toe te passen, zij de inwoners zouden verbieden graan naar de markt van Tholen te brengen. 211 Dit schijnt geholpen te hebben. Doch hoogst verontwaardigd waren de heren, toen zij in 1555 het plan hadden opgevat de Eendracht af te dammen, en het vooral aan de stad Tholen te danken was, dat zij dit moesten laten vallen. 212 Het is lang in het geheugen van de heren van Vossemeer blijven hangen, al hebben zij er nadien niet meer over gesproken.
Een directe conflictsituatie is overigens zelden ontstaan. Af en toe zelfs hadden de tegenstellingen meer de schijn van een operette. In 1572 hebben soldaten in Vossemeer een pomp ontvreemd, die zij naar Tholen sleepten, waar zij ze weer opstelden en gebruiksklaar maakten. Nadat de soldaten afgetrokken waren, beschouwde de stad de pomp als een aardig cadeautje van het leger! De heren van Vossemeer vroegen de pomp terug; toen Tholen daarop niet reageerde, eisten zij de betaling ervan. Na ongeveer zeven jaren vergeefs hierom gevraagd te hebben, lieten de heren in 1579 die van Tholen met hun pomp naar de pomp lopen. 213 In 1574 had de stad een arrest op de gemeente Vossemeer laten leggen. De aanleiding of de motieven zijn niet bekend. De heren van Vossemeer namen het voor de gemeente op; zij zegden de stad aan het arrest op te heffen, of zij zouden de zaak voor de Grote Raad te Mechelen brengen. 214 In 1575 beweerde
Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.

de stad, dat haar de accijns over het gehele eiland toekwam. 215 In verband met de oorlog en de daaruit volgende kosten van inkwartiering, leverancies en contributies, wilde de stad zich min of meer garant stellen voor het gehele eiland. Er was wel iets voor te zeggen, omdat in deze zaken de stad het eerst en het zwaarst werd aangesproken. Bij de Staten van Zeeland had zij inzake deze accijns al een bepaald octrooi verkregen. Doch de heren van Vossemeer en de baljuw gingen hier fel tegenin.
Haatdragend waren de heren niet. Die van Tholen vroegen in 1619 om de dijk van Slabbecorne voor het trekken van de schepen te mogen gebruiken, die vanuit het noorden naar Tholen kwamen. Dit werd hen toegestaan. 216 Voor het bevorderen van een goede verstandhouding besloten de heren in 1622, dat de magistraat en de commandeur van de stad eenmaal per jaar in Vossemeer genood en getracteerd zouden worden. 217 Volledigheidshalve moet worden opgemerkt, dat daar in de practijk niet veel van gekomen is.
In 1631 verbood de magistraat van Tholen de timmerlieden van Vossemeer om in de stad te werken. De heren riposteerden prompt met eenzelfde verbod voor de timmerlieden van Tholen. 218 Dit zou van kracht blijven zolang Tholen zijn verbod handhaafde. Nu was het lange tijd mis. In 1656 ging de baljuw van Tholen zijn boekje te buiten door te trachten een vonnis, door schepenen van Tholen gewezen, in Vossemeer te laten uitvoeren; de heren gaven strenge orders voor het handhaven van de eigen jurisdictie. 219 Lange tijd hadden alle dorpen van het eiland twee stuivers per gemet aan de stad betaald, die in naam bestemd waren voor het onderhoud van de landwegen. In 1657 vroegen de heren van Vossemeer dat hiervan rekening zou worden afgelegd; 220 zij wilden wel eens weten, waar die penningen gebleven waren. Toen zij geen bevredigend antwoord kregen, verboden zij de magistraat van Vossemeer die gelden nog langer te betalen. Nadere maatregelen werden genomen, dat de inwoners zelf door Tholen niet aangesproken konden worden. Tevens zou men de andere dorpen tot eenzelfde houding aansporen. Tegen het midden van de 18e eeuw blijkt deze bijdrage toch weer geheven en betaald te zijn.
In 1674 ontstond er een hevige ruzie tussen Johan en Lieven van Vrijberghe met de pensionaris van Vrijberghe, figuren uit de magistraat van de stad Tholen. Zij geraakten zelfs op de vuist. Daar de “veldslag” op Vossemeers grondgebied had plaats gehad, opende de baljuw van Vossemeer een onderzoek, met de bedoeling tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. Men kan zich voorstellen, dat hij van deze zaak genoten heeft! De gerechtsboden van Vossemeer werden naar Tholen gezonden, om Johan en Lieven van Vrijberghe de dagvaarding over te reiken, doch zij werden gegrepen en gevangen gezet. De Staten van Zeeland verboden het proces. De heren van Vossemeer protesteerden tegen deze ongehoorde inmenging in hun jurisdictie. 221 De rentmeester vond het ’t toppunt, dat de ambachtsheerlijkheid ook nog de kosten der gijzeling van de boden moest betalen. 222 De heren van Vrijberghe hadden uitgebreide en belangrijke relaties. Kort nadien gelastte de prins van Oranje het proces stop te zetten en de stukken erover te vernietigen. 223 Dit laatste is niet volledig gebeurd. Er zijn nog getuigenverklaringen bewaard gebleven, die een boeiend relaas geven van het gevecht.
In 1681 verbood de magistraat van Tholen de ingezetenen, die buiten de stad woonden, in Vossemeer te laten malen; hij zette een oud gebruik opzij. De maatregel was duidelijk tegen de molens van Vossemeer gericht. De rentmeester kreeg van de heren opdracht bij het Hof van Holland een request in te dienen. 224 De afloop van deze zaak is niet bekend. In 1710 herhaalden de heren van Vossemeer het verbod voor vreemde timmerlieden in de heerlijkheid te werken; nog altijd werden die van Vossemeer in Tholen geweerd. Van deze regel mocht alleen bij publieke aanbestedingen worden afgeweken. 225 In 1742 hadden de werkbazen van de stad Tholen, timmerlieden, metselaars en strodekkers, zich in een gilde verenigd; het bewerkte, dat de ambachtslieden van Vossemeer niet in de stad mochten werken. De heren herhaalden de uitsluiting voor die van de stad Tholen. 226
In 1751 kwamen de heren van Vossemeer weer terug op het gemetgeld, dat nu vier stuivers per gemet bedroeg en dat voor het onderhoud van de landwegen was bestemd. Daar was evenwel al heel lang geen stuiver aan ten koste gelegd. De heren wilden eindelijk wel eens weten hoe het hiermee stond, en een request aan de Staten van Zeeland verzenden, als zij zich met de motivering van de heffing niet konden verenigen. Doch ook van deze zaak wordt niets meer vernomen. Tegen het einde van de 18e eeuw trouwens leidde de stad Tholen en de ambachtsheerlijkheid ieder voor zich zo’n gezapig leventje, dat zij het nog teveel moeite vonden een eventueel meningsverschil uit te vechten.

OUD VOSSEMEER
Met enige trots beschrijft Ermerins het dorp Oud Vossemeer aldus: 227 “Het gehele dorp, met cingel, een achterstraat en zijstraten, is geheel bestraat. Er loopt een steenstraat van de molen tot aan het veer, die goed wordt onderhouden en aan weerszijden met bomen is beplant.”Blijkens een kohier van de 10e penning uit het jaar 1543 telde het dorp toen slechts 16 huizen. 228 Van de oorsprong af heeft de kerk het middelpunt van het dorp gevormd; rond de kerk lag het kerkhof. Het geheel was omgeven door een gracht, die men de kerkgracht noemde. De eerste huizen werden rondom de kerk gegroepeerd, zodat vanzelf een ringstraat ontstond, nog de Ring genoemd. Deze straat diende door de ingezetenen onderhouden te worden. In 1605 weigerden de bewoners van het platteland hieraan mede te werken; toen gelastten de heren, dat het werk uit het inkomen van het dorp betaald zou worden, waaraan alle inwoners
Ring te Oud Vossemeer, ca. 1910. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

Ring te Oud Vossemeer, ca. 1910. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

toch bijdroegen. 229 De kerkgracht was door een kade beschermd, die diende om bij een eventuele overstroming de kerk vrij van water te houden. In 1655 is deze kade vernieuwd; de kosten hiervan zijn door de gemeente en ambachtsheren betaald. 230 Enige jaren nadien is in de kerkgracht een stenen “drenk” gemaakt, een plaats waar de beesten dronken. 231 Het is een teken, dat het dorp overwegend agrarisch was ingesteld; in het dorp zelf lagen verschillende kleine boerderijen.
De bewoning heeft zich geconcentreerd op het dorp en op enige daar dichtbij gelegen buurten, zoals de Kalisbuurt, het veer aan Vogelenzang en het Botshoofd. De twee eerste zijn van lieverlede min of meer aan het dorp vastgegroeid. Sommige van deze dateren al uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog en hebben misschien hun ontstaan te danken aan het feit, dat er lang kwartieren van soldaten gelegen hebben, die de Eendracht en het eiland Tholen te bewaken hadden. Een kwartier lag aan het Botshoofd; een ander in de Leguitpolder. Dit heette de Papenmuts. Een derde bevond zich bij het Nieuwe Veer; de plaats heet heden ten dage nog “Het Kwartier”. De gemeente werd van oudsher onderscheiden in hoeken: Zandhoek, Welhoek; Molenhoek; Stelhoek; Bonenblok en Mare. Deze namen zijn zo oud als de landen zelf; zij werden al in de 15e eeuw gebruikt.
Buiten het dorp, verspreid over de polders van Oud Vossemeer, liggen de boerderijen. Opmerkelijk is, dat er wel grote hoeven bij zijn, doch dat men er geen kapitale boerenbedrijven vindt. De grootste hadden een areaal van 120 tot 130 gemeten land, de meeste waren middelgrote bedrijven. De juiste redenen of oorzaken hiervan zijn niet moeilijk te gissen. Aanvankelijk hebben de heren van Vossemeer er wel naar gestreefd hofsteden en landgoederen in hun heerlijkheid te stichten of te bezitten, doch na de 16e eeuw verlegden de meesten van hen hun interesse en hun investeringen in een andere richting. Zij hadden nu functies en bezittingen in andere streken van Zeeland. Op een enkele uitzondering na heeft geen van hen in Vossemeer gewoond. Het land hebben zij vrijwel geheel aan vreemden uitgegeven. Van deze is niemand zo kapitaalkrachtig geweest, dat er grote hofsteden konden ontstaan. Men ziet integendeel meermalen gebeuren, dat een vrij groot bedrijf in de loop van de tijden in meerdere kleine is uiteengevallen. Wel licht is het beleid van de ambachtsheren er op gericht geweest (al kan dit in concreto niet uit het archief bewezen worden), dat er geen grote concentratie van land in één hand zou voorkomen; zij mochten terecht vrezen, dat een grootgrond bezitter teveel noten op zijn zang zou hebben. Wat van de hoeven van Oud Vossemeer bekend is, wordt in het kort samengevat: 232
De laatste stuiver. In 1598 zijn de landerijen van deze boerderij in een acte beschreven, evenwel nog niet onder deze naam. Michiel van Oorlo, sergeant-majoor van het eiland Tholen, verzocht in Oud Vossemeer een huis te mogen zetten, dat vermoedelijk het begin is geweest van de hofstede. De naam komt in 1709 voor het eerst op. Uit een acte van 1674 blijkt, dat er al een boerderij stond. De naam kan misschien hieruit verklaard worden, dat ter plaatse een herberg heeft gestaan; “de laatste stuiver” was een geliefde naam voor herbergen. In 1929 is uit deze hoeve een nieuwe voortgekomen, aan de Langeweg gelegen, die geen naam draagt.
Welgelegen. Deze hoeve wordt al in 1668 genoemd. De hofstede zelf is vermoedelijk enige jaren later gesticht door Jaques Dallens, kleinzoon van een rentmeester der heerlijkheid. Bij de stichting kwam zij voort uit een bedrijf, dat toentertijd door Sempel was bewoond. De naam is van jonge datum.
Dijkzicht. De hofstede is voor het eerst in de notulen der ambachtsheerlijkheid van 1598 genoemd. De eigenaar en bewoner Melchior Huijbrechtse de Bonte verzocht toen een belendende dijk te mogen beplanten. De naam is van jonge datum.
Torenhoeve. Reeds in 1577 wordt een hofstede vermeld, die onder de naam ’t Hof is verpacht; de acte zegt, dat er een toren bij stond. In 1775 is de toren gedeeltelijk afgebroken; het materiaal werd door de rentmeester aan de veerdammen gebruikt. De toren was voor 15 pond door de ambachtsheren gekocht. 233 Het volgend jaar is hij verder afgebroken en zijn de fundamenten uitgegraven. 234 Van deze toren en zijn juiste betekenis is niets bekend; mogelijk is hij een onderdeel geweest van een ridderhofstede.
Hoogkamer. Deze boerderij, waarvan alleen een gedeelte van een oude schuur is overgebleven, wordt voor het eerst in 1580 genoemd, wanneer Lam Geerts borg is voor Aert Dielen voor de pacht van een hoeve, die in het bezit was van de weduwe van Joachim Jacobs van Couwerve. Zij was meer dan een boerderij; in 1707 kocht Dallens het “herenhuis” met boerenhuis en schuren.
Kouwenberg. In 1813 was deze hoeve in het bezit van P.C. du Bois Couwenbergh. De naam van de boerderij is kennelijk van hem afgeleid. De hoeve zelf is ouder.
De Kleine Puit. Aan de overzijde van de dijk ligt het poldertje de
Het huis Hoogkamer te Oud Vossemeer, 18e eeuw.

Het huis Hoogkamer te Oud Vossemeer, 18e eeuw. Naar een tekening van A. Schoenmaker. Collectie: Zelandia Illustrata in het Zeeuws Museum te Middelburg.

Puit met een boerderij van dezelfde naam op het gebied van de gemeente Tholen. Voorheen heette deze hofstede “De Verbrande Hoeve”. De brand moet vóór 1598 hebben plaats gehad, want in dat jaar komt deze naam al in een acte voor. Op een kaart uit 1766 komt de boerderij nog onder de naam van “Verbrande Hoeve” voor.
Molenzicht is waarschijnlijk al in 1594 in de archieven beschreven als eigendom van Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke. In 1706 was deze hoeve in pacht bij Leendert van Rosevelt. De naam is duidelijk als men weet, dat vlak vóór de hoeve op de dijk de molen van Oud Vossemeer stond.
Lapperskot. Tussen de voorgaande hoeve en de dijk staat een klein bedrijfje, van vóór 1614 bestaande, dat bij enkele oude inwoners nog bekend is onder de naam Lapperskot. De naam is oud. In 1782 wordt het huis beschreven als “van ouds genaamd het Lapperskot”. Waarschijnlijk is het een overblijfsel van de oude H. Geestof armenhuisjes, die ter plaatse onder de molen stonden.
Splitshoeve. Van deze boerderij worden de gronden in 1632 genoemd. De naam dateert pas van omstreeks 1870, toen de bewoner Maris het bedrijf overgaf aan twee zoons, een tweede huis aan de westzijde bijbouwde en de hoeve gesplitst werd. Mogelijk heeft de boerderij vroeger “Landzicht” geheten.
Duivekeet. De hofstede is voor het eerst in 1631 beschreven, toen Jan Marinus Leuter pachter was. In 1658 verbond Jhr. Dierik van den Werve zijn land, gelegen in de Oud Vossemeerse polder, “waar de Duivekeet in staat”. De heren van Vossemeer hebben echter aan meerdere personen verlof gegeven, om duiveketen of kotten te zetten, zodat het niet zeker is, of de vermeldingen in de bronnen op deze hoeve slaan. Vrijwel zeker stamt de hoeve uit de 16e eeuw.
De Wouter is pas in 1855 gesticht. De naam is afgeleid van een blok land, de Wouter genaamd. Andere blokken heten de Grote en de Kleine Wouter.
De Boschhoeve vindt men in 1731 beschreven onder de naam van “De Tonge”. Zij lag op een blok percelen, dat tongvormig was; de toponiem is oud. In 1512 werd Adriaan van de Tonge door de baljuw gelast een sloot te maken aan de weg achter zijn hoeve. Op te merken is, dat de bewoner of eigenaar zijn naam van de hoeve heeft afgeleid. De naam van Tonge is in onbruik geraakt en vervangen door die van Boschhoeve, toen veel geboomte het erf ging overheersen.
Luizeknip. De hoeve is in de eerste helft van de 18e eeuw ontstaan door samenvoeging van twee kleine hoefjes tot één, waarna de gebouwen van het eerste boerderijtje verdwenen. De naam schijnt pas in het begin van de vorige eeuw te zijn ingevoerd.
Zwaanhoeve of Zwanenkot. Deze hofstede komt al in 1594 voor. Het houden van zwanen was slechts aan de ambachtsheren toegestaan, of kon met hun verlof door een particulier geschieden. In 1525 kreeg de rentmeester van St. Maartensdijk van de heren verlof, een paar zwanen te houden. Misschien is deze hoeve door hem bewoond.
Begijnhoeve. In 1578 worden landerijen van deze hoeve vermeld als afkomstig van het St. Margrietenklooster van Bergen op Zoom. In 1582 deden de zusters pogingen dit bezit van de hand te doen; zij verkochten het aan Pauwel Janss, die het niet in gebruik wilde nemen als hij er niet zeker van was, dat hij het ongestoord kon houden. In 1633 werd gesproken van landerijen, genaamd de Begijnhoeve. In die tijd heeft er misschien geen hofstede meer bestaan. De boerderij zelf is vermoedelijk gesticht door Mr. Daniël Ockerse, raad en schepen van Zierikzee.
Kraaienkot. Deze hoeve wordt al in 1592 beschreven, doch de naam treffen wij voor het eerst aan in een acte van 1761: “van ouds genaamd het Kraaienkot”. Het achtervoegsel -kot duidt aan, dat het toentertijd slechts een kleine bedoening was.
Boerderij te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Boerderij te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

De Mare. Op 25 maart 1586 zijn huis, schuur en pachtland van deze hofstede verkocht; zij heeft derhalve al enige tijd vóór dit jaar bestaan. De H. Geest en later de Grote Armen hebben lang gronden op de Mare gehad. Het huis van de hofstede dateert van 1737.
Welgelegen. Deze hofstede is vroeger en nu “Het Speelhuis” genoemd. In 1696 wordt de laatste naam al aangetroffen. Hoewel beschrijvingen van 1569 al duiden op een boerderij, is de hoeve misschien als buitenverblijf of speelhuis gebruikt door de Van Vrijberghe’s, die eigenaar werden in 1647.
Onverwacht. De landerijen van deze hoeve zijn al vermeld in de domeinrekening van 1749/50. De schuur met rieten dak dateert van 1799, in welk jaar het bedrijf nieuw is gesticht en de naam aangenomen schijnt te zijn.
De Hikke. De hofstede is genoemd naar de polder, waarin zij ligt. Zij is vermoedelijk omstreeks 1796 gesticht; een bijgebouwtje draagt het jaartal 1799 in muurankers. De plaats, waar de hoeve aan de dijk ligt, wordt “De Batterij” genoemd. Daar is de kruin van de dijk onregelmatig afgegraven. Men vertelt, dat ter plaatse ten tijde van de slag op het Slaak (1631) een batterij heeft gestaan.
Vrijberghe. Deze boerderij genoemd naar de voormalige heerlijkheid van Vrijberghe, ligt in de Hikkepolder. Mogelijk is, dat de hofstede op oorspronkelijk gebied van Vrijberghe is gesticht, dat bij een latere limietscheiding onder Vossemeer kwam.
West-Leguit. De hofstede wordt al in 1581 genoemd als eigendom van Anna van Couwerve, weduwe van Mr. Jacob van Gelre.
Oost-Leguit. Deze boerderij is in 1615 in een acte beschreven.
De Juffer. De hofstede is in 1911 gesticht door Mej. de Wed. A. van Tilburgh. De naam is door de volksmond gegeven en van de stichtster afgeleid.
Karnemelkpot. De boerderij is in 1618 vermeld en in 1624 onder deze naam bekend. De naam is afgeleid van het voormalige Karnemelksland, een polder, die omstreeks 1475 werd bedijkt, in 1570 overstroomde, en nadien in Oud Kijkuit werd opgenomen.
Westhoef, Middelhoef en Oosthoef zijn drie hofsteden, na de bedijking van de Hollarepolder door de heren van Vossemeer gesticht. Aanvankelijk hebben zij deze hoeven in eigen beheer gehouden, doch in 1875 met de polder verkocht.
Mariahoeve. In de Van Haaftenpolder is na de bedijking een hoeve gesticht, die tussen 1903 en 1914, toen A.A. van Nieuwenhuijzen haar bewoonde, de naam kreeg van diens vrouw.
De Enige Dochter. In dezelfde polder is op 10 mei 1858 voor deze hofstede de eerste steen gelegd door Pieternelle Jacobs Kramer, enige dochter van B.A. Kramer, die met Van Haaften verschillende bedijkingen ontwierp en voltooide.

NIEUW VOSSEMEER
Op 6 october 1567 zijn de eerste erven van het nieuwe dorp, meteen Nieuw Vossemeer geheten, door de heren uitgegeven. 235 Als eeuwige en erfelijke grondcijns werd een halve stuiver per roede vastgesteld, welke cijns na de bouw van een huis of hofstede op het huis overging. Voor het plan van het dorp gaven de heren voorschriften, o.a. voor de termijnen van het bouwen, de rooilijnen en het afbakenen van de erven. 236 De cijnzen zijn voor de eerste maal vervallen op Bamis (1 october) 1569 en in de rekening verantwoord. Er waren 17 kavels ingenomen; zes waren wel verkocht, doch de candidaten verschenen niet. 237 Hieruit blijkt wel, dat de 17 huizen in het jaar 1568 zijn gezet. De grond voor het dorp hadden de heren gekocht van Jan Jansse van Couwerve, de dijkgraaf. 238 Enige tijd later waren de meeste kavels verkocht; in totaal waren er 42 erven uitgegeven. In 1583 brandde het nieuwe dorp voor het grootste deel af; door een direct daarop volgende overstroming ging alles verloren. 239 Een lange tijd verantwoordden de rentmeesters geen ontvangsten meer van de cijnzen op de erven van Nieuw Vossemeer.
Bij de herdijking van het jaar 1609 is de grond van het voormalige dorp buiten de dijkage gevallen. 240 In dat jaar besloten de heren bij de sluis in het Boerengors een nieuw dorp te stichten; daarvoor werd dezelfde oppervlakte van 17 gemeten gereserveerd. In 1610 waren er nog geen erven uitgegeven. 241 De landerijen van Vossemeer waren toen weer volop in gebruik. Het volgend jaar werd de rentmeester aangespoord om te trachten de erven uit te geven. 242 Een deel van ruim 6 gemeten kon in 1612 aan de man worden gebracht; waarschijnlijk zijn er kort na de uitgifte huizen gebouwd; het restant werd voorlopig als bouwland verpacht. 243 Een tiental jaren later blijken 25 kavels van verschillende grootte ingenomen te zijn; 244 weer een andere tijd later 29 kavels uitgegeven. 245 Zelfs toen had men de oorspronkelijk gereserveerde 17 gemeten niet nodig.
Met de bewoners van de hofsteden in de onderscheiden polders was de bevolking in 1612 al zo zelfbewust, dat zij aan de heren een subsidie vroeg voor het aantrekken van een schoolmeester. 246
Als erfpacht of cijns hadden de heren een grote per roede bedongen. Voor de meeste inwoners was dit luttele bedrag nog een te zware last. In 1615 vroegen
Plan van verkaveling van het dorp Nieuw Vossemeer (1567).

Plan van verkaveling van het dorp Nieuw Vossemeer (1567). Archief Ambachtsheerlijkheid.

zij kwijtschelding of vermindering, wat de heren voor één jaar toestonden. 247 Enige jaren later deden zich nieuwe moeilijkheden voor. Verschillende inwoners waren reeds vertrokken, mede omdat volgens hun zeggen enige ambachtsheren toezeggingen hadden gedaan, die niet in vervulling waren gegaan. De vervolging van de onwillige betalers was niet gemakkelijk. In 1617 hernieuwden die van Nieuw Vossemeer het vroegere verzoek om kwijtschelding; de heren stelden hen voor één jaar vrij, doch voegden er aan toe, dat zij het volgend jaar wel moesten betalen. 248 De herstichting van het dorp en vooral de economische ontwikkeling van de bevolking zijn zeer moeilijk van de grond gekomen. Nieuw Vossemeer ressorteerde weliswaar onder Zeeland, doch het was in feite Brabants grondgebied, dat voortdurend blootstond aan de dreiging van de Spaanse troepen. De Zeeuwen dachten er niet aan daar enige investering te doen. Bij de heren van Vossemeer was Jhr. Nicolaas van Boshuijse vrijwel de enige, die iets in Nieuw Vossemeer zag. Zijn medeheren hebben hem in veel opzichten de vrije hand gelaten. Hij zorgde voor sauvegardes van beide zijden en liet daarin de namen opnemen van de heren en de officieren, zodat het bestuur ongehinderd toegang had tot het dorp. 249 Ook in ander opzicht heeft Van Boshuijse zich voor Nieuw Vossemeer en de Heen verdienstelijk gemaakt; de cultivatie van de nieuwe polders heeft hij voortdurend energiek aangemoedigd.
Toch is de ontwikkeling van het dorp niet gunstig geweest. In 1622 verklaarde de magistraat, dat de polders van Nieuw Vossemeer, Mattemburg, Schuddebeurs en Boerengors onder de heerlijkheid hoorden. Er was een “klein dorpke” ontstaan, met 6 of 7 huizen en enige keten. Alles was er van “kleine importantie”. Uit een lijst van 1626 blijkt, dat er 19 hoeven waren, waarin evenzoveel gezinnen woonden. In het dorp waren 11 huisgezinnen, die ongeveer 40 arbeiders telden. In totaal had Nieuw Vossemeer ongeveer 200 inwoners. 250 Tegen het einde van de 18e eeuw telde het dorp 401 inwoners boven de 3 jaren. 251 Inzonderheid onder Nieuw Vossemeer, zegt Ermerins, worden de landerijen goed bebouwd; “daar blinkt de kiesheid der landslieden in het zuiver houden van hun akkers bijzonder uit”.
De verhouding tussen de heren en de dorpsbewoners is altijd goed geweest. Toch waren die van Nieuw Vossemeer geen makke schapen. In 1699 ontstond er in het dorp een waar oproer over de invordering van de landsbelastingen. De Staten van Zeeland moesten zelfs door een afzonderlijk plakkaat orde op zaken stellen; zij loofden een premie uit voor het ontdekken en aanbrengen van de schuldigen. 252 In het archief van de ambachtsheerlijkheid is hierover niets te vinden.
Waarschijnlijk hebben de heren het als een zaak opgevat, die geen afbreuk deed aan hun autoriteit.
Meer last hebben de ambachtsheren gehad met de ingelanden van Nieuw Vossemeer. Deze accepteerden de heren wel als hun overheid, doch als het op geld aankwam,
Zicht op Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

Zicht op Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

of wanneer het zaken betrof met directe financiële consequenties, waren zij op en top boer. In 1626 wilden zij de 17 gemeten van het dorp in de polderlasten aanslaan, doch de heren wezen dit af omdat het vroonland was. 253 De ingelanden bleven er echter over bezig. Wel stonden de heren achter hen, toen zij door de Generaliteit benadeeld werden, omdat zij moesten bijdragen aan de nieuwe dijk van het Westland van Steenbergen, een werk dat door de Raad van State nodig was geacht voor de verdediging van Steenbergen en Bergen op Zoom. 254 Doch in 1631 moesten de heren met kracht hun recht opeisen tot het benoemen van een penningmeester voor de polders; de ingelanden wilden dit zelf doen. 255 Een hoogtepunt bereikte de wrijving tussen de ingelanden en de heren tegen het midden van de 18e eeuw, toen de kwestie van de eigendom der dijken en het plantrecht vooral door Nieuw Vossemeer op de spits werd gedreven. Bij de bedijking van de Eendrachtspolder deden zich nieuwe moeilijkheden met de ingelanden voor; zij tastten zelfs het recht van de ambachtsheren op de ambachtsgevolgen in de wortel aan. Doch de Staten van Zeeland deden op 24 mei 1698 uitspraak, dat de pretenties van de heren met recht waren gesteld. 256 Tegen het midden van de 18e eeuw wordt in de kohieren van de huisschatting 257 Nieuw Vossemeer onderscheiden in de volgende delen. Het Dorp, Onder de Molen, Pelsendijk, Rollaff, Achter de Wip. Toen telde het 27 hofsteden, die in de polders verspreid lagen.

26. KEUR: “Waer men in Vosmaer recht houden sal naer twee mael de clocke geluyt”
Keur noemt men de verordening of het samenstel van de rechtsregels, die aan het bestaan van een gemeenschap te gronde ligt. Het octrooi van een gilde, de stichting en het daarbij gegeven reglement, vormde de keur. De grondwet van de steden bestond uit de stedelijke keur. Vanaf het eerste begin der heerlijkheid heeft een keur voor Vossemeer bestaan. Daar de uitgiftebrieven de heren van Vossemeer opdroegen een bestuur in het nieuwe land in te stellen, spreekt het vanzelf, dat dit niet willekeurig geschiedde, doch volgens de regels, die in de streek van kracht waren. Die eerste keur, waarvan de inhoud niet bekend is geworden, kan zeer eenvoudig zijn geweest. Waarschijnlijk werden de in het overige Zeeland geldende regels toegepast, zonder dat deze in een voor Vossemeer eigen vorm gegoten waren. Tegen het einde van de 15e eeuw kan er reeds een geschreven keur hebben bestaan. In 1496 besloten de heren, dat de keur aangevuld moest worden. Alle heren zouden er een afschrift van krijgen, om dat met de algemene keur van Zeeland te vergelijken. 1 Zeer goed mogelijk is overigens, dat pas rond deze tijd de keur, een samenstel van regels uit het gewoonterecht, voor het eerst is neergeschreven. Hierop wijst ook het feit, dat reeds kort nadien, in 1501, de behoefte werd gevoeld, deze keur te verbeteren en aan te vullen. Tot dat doel werd een commissie uit de heren benoemd. 2 De commissie is tot een resultaat gekomen; in 1505 schreef Pieter de Scoelmeester de “nieuwe” keur in een perkamenten boek. 3
De keur werd opgesteld, aangevuld of nader verklaard door de heren van Vossemeer. Er zijn verschillende gevallen bekend, dat zij een aanvulling maakten, of een interpretatie gaven, hoe een bepaald artikel diende te worden opgevat. 4 Die bevoegdheid was hun uitdrukkelijk in de eerste uitgiftebrief van 1410 verleend: “keuren en geboden daarin te leggen, en rechten daarin te maken met toestemming van de ambachtsheren of het merendeel van hen, om- er de heerlijkheid en de lieden, daarin wonend, mee te besturen en te berechten over alles wat er geschied: die te “minderen” of te “meerderen” zoals het hen nuttig of passend zal voorkomen, zonder van ons (de graaf van Holland) of van iemand van onzentwege op enigerlei wijs te bevelen of richtlijnen te krijgen.” De originele tekst drukt de autonomie eigenlijk sterker uit: “in eeniger wijs des te bewinden”. Het betekent, dat de heren van Vossemeer zich in deze door niemand iets behoeven te laten influisteren.
In 1537 besloten zij een nieuwe keur te doen schrijven. Waarschijnlijk zijn bij deze gelegenheid geen nieuwe bepalingen toegevoegd, doch werd er alleen een nieuw net exemplaar gemaakt. Men wilde de keur niet in vreemde handen laten komen. Daarom moest Aert de Sanger uit Bergen op Zoom zich naar Vossemeer begeven, teneinde het werk ter plaatse te doen. 5 Van deze keuren zijn geen afschriften bewaard gebleven. Haar substantiële inhoud vinden wij zonder twijfel in de latere keur terug.
In 1569 vroeg de hertog van Alva van alle steden en dorpen de privileges en keuren op. Deze maatregel werd algemeen met het grootste wantrouwen begroet. Volgens Alva was het nodig, in de al te grote verscheidenheid van bestuur orde op zaken te stellen; tevens vond hij, dat de keuren de koninklijke goedkeuring nodig hadden. In werkelijkheid zijn de meeste op korte termijn geretourneerd met het koninklijk “non obstat”. Aanvankelijk hadden de meeste bestuurders gevreesd, dat de oude privileges ingetrokken zouden worden. De heren van Vossemeer protesteerden bij de rentmeester van Beoosterschelde, die in december terugschreef, dat hij er ook niets aan kon doen, doch dat het een bevel van de hertog van Alva was. Nu droegen zij hun rentmeester Jacob van Gelre op, de keuren te schrijven en in te leveren. In november 1570 droeg hij persoonlijk een afschrift af bij de Secrete Raad van de koning te Brussel. 6 Deze keur is in diverse afschriften bewaard gebleven en in extenso door Ermerins uitgegeven. 7
Het werk van Jacob van Gelre is geen simpel afschrift van een in 1569 geldende keur, welke min of meer identiek zou moeten zijn aan die van 1537. Hij heeft integendeel de keur aangevuld met de rechtsregels en de gebruiken, die in zijn tijd bestonden, wat hij trouwens aan het einde van zijn relaas met zoveel woorden zegt. Bij zeer nauwkeurig onderzoek kan men er zelfs drie min of meer gescheiden delen in aanwijzen, die het waarschijnlijk maken, dat Van Gelre een compilatie heeft gegeven van enige oudere keuren, aangevuld met regels, die tot dan toe misschien niet eens in extenso neergeschreven waren. Het geheel is verdeeld in 168 artikelen, waarin niet veel logische volgorde te onderscheiden is. Juister zou men moeten zeggen, dat er wel enige volgorde in de materie te onderscheiden is, doch dat deze zich enkele malen herhaalt, wat er weer op wijst, dat de keur van 1570 een compilatie is van oudere keuren en voorschriften.
De keur was voor de heren en de dorpen een belangrijk stuk; er werd dan ook bepaald, dat zij bij de archieven van de ambachtsheerlijkheid bewaard moest worden, terwijl de baljuw en de schepenen een afschrift kregen, om daarop het recht te handhaven. 8 Na 1570 zijn er betrekkelijk weinig aanvullingen en interpretaties op gegeven; tot aan het einde van de 18e eeuw werden het bestuur en de rechtspraak volgens deze keur toegepast. Dit toont aan, dat er in bestuurlijk opzicht geen ingrijpende veranderingen zijn voorgevallen.
Hier een daar draagt de keur een christelijke en katholieke signatuur. Als zij over de zondagsheiliging spreekt, gebruikt zij de term “hoogmis”; in een artikel over de tappers staat echter “predicatie”. Enkele malen wordt de pastoor genoemd. Dit toont aan, dat de heren en de officieren op het punt van de religie geen scherpslijperij hebben gepleegd, anders waren in de loop van de eeuwen deze “roomse” termen wel weggewerkt. Het heeft zin de voornaamste inhoud van de keur in het kort te geven, niet zozeer om de belangrijkheid van de voorschriften zelf, doch eer omdat de keur een vrij goed inzicht geeft in het dagelijks leven van de inwoners. Ter wille van de overzichtelijkheid volgen wij de artikelen niet op de voet, doch worden de onderscheiden onderwerpen samengevat.
Zij bevat vanzelfsprekend veel voorschriften over de rechtspraak zelf. De rechter en de schepenen moesten vastgestelde rechtsdegen houden, tevens vijf jaargedingen. ’s Zondags wordt door de rechter (d.i. de baljuw) en de schepenen beslist, op welke dag in de komende week zitting is. Op de morgen van die dag wordt tweemaal een “redelijke poos” de klok geluid; na het tweede luiden is de bank gespannen. De gehele dag door wordt rechtsdag gehouden zolang er partijen verschijnen, hetzij om te procederen in civiele zaken, hetzij om acten van koop, hypotheek, geldlening, enz. af te sluiten. De schepenen zijn verplicht te verschijnen, als het hun beurt is. Rechter en schepen kan eenieder uit het land van Vossemeer worden, mits hij van wettige geboorte is en van goede naam en faam. De schepenen leggen een eed af op de keur. Bij de beslissing over processen moeten drie en minstens twee schepenen aanwezig zijn. Uit meerdere bepalingen valt te lezen, dat alléén schepenen vonnis velden; zij hadden het recht uit te spreken, dat evenwel door anderen werd uitgevoerd.
Buiten de gewone rechtsdagen behoeven de schepenen niet te verschijnen dan in enkele nader omschreven gevallen. Is een zaak volledig toegelicht en behandeld, dan moeten zij binnen zes weken uitspraak doen of vonnis wijzen. Zijn zij binnen die termijn niet klaar gekomen, dan kan de rechter hen op een rechtsdag citeren en hen opleggen vonnis te geven. Zijn zij vóór de middag niet tot een oordeel gekomen, dan mag de rechter hen in een herberg in gijzeling zetten en hen daar niet uit laten gaan tot zij vonnis hebben gegeven. Na de tijd van zes weken kunnen zij zich tot de heren van Vossemeer wenden, die een uitstel van twee weken mogen verlenen; voor zaken van dijkage en ander algemeen belang zal slechts een
De oude smidse met het “smidsklokje”, ca. 1900. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

De oude smidse met het “smidsklokje”, ca. 1900 . Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.

week uitstel gegeven worden. Overigens kan alle schade, die door hun tekort aan besluitvaardigheid ontstaan zou, op hun persoon verhaald worden. Een schepen mag niet beraadslagen of vonnissen in zaken, waarin hij zelf “winnen of verliezen” kan, of waarin iemand van zijn familie betrokken is.
De verplichtingen van de schepenen zijn in de keur uitvoerig omschreven; aan de andere kant werden zij goed beschermd. Een zware boete stond op het in twijfel trekken van het oordeel en de onpartijdigheid van de schepenen in het algemeen of van een met name genoemde. Het maakte geen verschil, of dit gebeurde in de gespannen vierschaar of daarbuiten. Minder zwaar werd gestraft het betwijfelen van een afgelegde eed van een getuige. Ook de mindere functionarissen, zoals de landmeesters, de knechten en de boden, waren in hun functie beschermd. Wie de rechtbank stoorde liep een boete op; eveneens wie schimpte op een schepenvonnis. Zonder verlof van de rechter mocht niemand in de vierschaar spreken. Het is een blijk van de niet geheel logische opbouw van de keur, dat vlak hierna een artikel volgt over kijvende vrouwen.
Of is het misschien een weldoordachte opzet van Jacob van Gelre geweest, dat artikel juist hier te plaatsen?
Wie de baljuw bij het uitoefenen van zijn taak slaat, zal 25 pond verbeuren of zijn hand. Als de baljuw bloedt, wordt zonder pardon de hand van de dader afgeslagen. Wie de heren of hun officieren bedreigt, verbeurt 40 pond. Met stokken en wapens mag men niet binnen twee roeden afstand van de gespannen vierschaar komen.

Meerdere regels zijn gegeven voor de verkoop van landerijen en huizen; die verkopen geschiedden voor schepenen. Wie huizen of erven verkopen wil, moet daarvan eerst drie zondagen afkondiging laten doen. Op de eerstvolgende rechtsdag daarna moet hij zweren, dat het te verkopen goed zijn eigendom is. Hierna dient hij een behoorlijke omschrijving van het goed te geven, zonodig wat de maten betreft door een landmeter bevestigd. Dan zal de rechter de verkoper en de koper een stokje in de hand geven, en wordt de daartoe opgestelde formule van de overdracht luidop uitgesproken. Alle opdrachten (overdrachten) moeten door de schepenbank van Vossemeer geregistreerd worden; voor het opmaken van de acten zullen de schepenen en de secretaris legesgelden ontvangen.
Een ander merkwaardig rechtsgebruik is uit een rekening bekend. Toen Corstiaen Thoniszoon in 1577 heel arm gestorven was, legde zijn weduwe bij de begrafenis de sleutels van haar huis op het graf. Hierdoor verklaarde zij zich insolvent. Doch dit gebruik heeft nog een diepere symbolische betekenis. Zij erkende daarmede wel de schulden van haar man en nam die op zich, doch wie haar nu, na het overlijden van de kostwinner, daarvoor wilde aanspreken, moest dan ook maar haar huis, haarzelf en de kinderen op zich nemen.
Alle goederen in Vossemeer vallen onder het heersende buurrecht; zij zullen alle lasten dragen, die de buurlieden van de heerlijkheid hebben. Dit artikel wordt nader toegelicht door andere details over de buurman. Wat de burger in de stad was, dat was de buurman in het dorp. Buurman is een ieder, die in Vossemeer geboren is, of die zich zes weken nadat hij er gekomen is, voor rechter en schepenen vertoont en verzoekt buurman te worden. Hij belooft de buurrechten en privileges van de heerlijkheid te onderhouden en alle zaken van de keur in acht te nemen. Bij zijn aanneming geeft hij drie schellingen aan de armen, daarna zal de secretaris hem in het kerkboek inschrijven. Enkele malen vinden wij deze posten in de armenrekeningen vermeld: “Simon Ingelss, toen hij zijn buurrecht ontving” 10 Van juni 1593 tot juni 1595 zijn 27 personen buurman geworden. 11 Als een man buurman geworden is, wordt zijn vrouw vanzelf als buurvrouw beschouwd; als zij weduwe wordt, behoudt zij deze titel zolang zij in de heerlijkheid woont. Een vreemde vrouw, die zich alleen in Vossemeer vestigt, kan het buurrecht op dezelfde manier als een man verkrijgen. Kinderen, geboren vóórdat de ouders of een der ouders het buurrecht verwierven, kunnen het recht op dezelfde manier krijgen; werden zij na het buurrecht geboren, dan bezaten zij het vanzelf. Wie het merendeel van het jaar in Vossemeer slaapt, eet en drinkt, wordt als een inwoner beschouwd. Wie om zijn brood te winnen langer dan een half jaar afwezig is, zal toch zijn buurrecht niet verliezen. Dit is bepaald, zegt de keur met nadruk, om te bereiken, dat de inwoners zich niet te licht elders verbinden. Een schepen, die buiten de heerlijkheid woont, wordt toch als buurman beschouwd. Wie zich in een der dorpen vestigt, moet binnen zes weken het buurrecht aanvragen. De buurlieden van Vossemeer mogen elkander buiten Vossemeer niet in rechten aanspreken. De niet-inwoners van Vossemeer worden in dit verband “buitenlingen” genoemd. Als een buurman uit de heerlijkheid vertrekt of overlijdt, en zijn roerende goederen naar elders vervoerd worden, moet van deze de 20e penning worden betaald. Dit noemde men het recht van exue (weggang of uitgang).
De keur bevat zelfs bepalingen over het arbeidsrecht. De arbeider heeft elke zondag recht op zijn loon; dit kan zonodig verhaald worden op het werk, dat hij heeft gedaan, of op de “lijfelijke” goederen van zijn meester. Daarentegen is de arbeider verplicht te komen werken voor het loon, dat werd bedongen. Blijft hij in gebreke, dan mag de meester of baas het werk op zijn kosten laten doen. Als de meester zijn knechts niet laat werken of hun geen werk aanwijst, zal hij het loon toch moeten betalen. Knechten en meiden moeten hun taak aannemen en vervullen, als zij eenmaal accoord hebben gemaakt; doen zij dit niet, dan mogen zij nergens anders in de heerlijkheid werken.
Over het handhaven van de orde in de breedste zin van het woord bevat de keur veel bepalingen. Toch kunnen zij moeilijk,vergeleken worden met de moderne politieverordeningen. Naast ons Wetboek van Strafrecht gesteld, doen zij slechts aan als een summier ontwerp. Toch heeft een practijk van enige eeuwen uitgewezen, dat de primitieve wetten afdoende waren.
Een “kwade eed”, een meineed, was heel erg; hij werd bestraft met een boete van 25 pond. Kon of wilde de dader niet betalen, dan verloor hij de twee voorste vingers van de rechterhand. Het recht huldigde in veel gevallen het beginsel van “idem per idem”, d.w.z. men werd bestraft in het lid, waarmede het misdrijf was gepleegd. Een diefstal beneden de waarde van een pond werd door de schepenen bestraft; boven een pond tot drie pond toe met het verlies van een oor: boven vier pond of meermalen gepleegd met verlies van lijf en goed. Overtredingen en misdrijven, gepleegd tussen zonsondergang en- opgang, konden dubbel bestraft worden. Wie goederen onder panding, arrest of beslag verduisterde, werd als rover beschouwd en als zodanig berecht. Kijvende vrouwen zullen 6 groten vlaams betalen, tenzij zij elkander ernstige blamage toeschreeuwen. In het laatste geval zullen de schepenen naar bevinding en overeenkomstig de ernst van de beledigingen vonnissen. Doen zij elkaar smart aan of dienen zij “bolslagen” uit, dan wijst de keur de straf aan. Wie spreekt: “die lust, die plukt”, de gewone uitdagingskreet van een vechtersbaas, die met getrokken mes gereed stond, werd in hechtenis genomen, op water en brood gezet en overeenkomstig de ernst van de zaak gestraft. Wie een ander met de vuist, een stuk hout of ander “ongemaakte” ruwe dingen slaat zonder een wonde toe te brengen, krijgt een boete. Erger is het slaan met een stok of een ongeslepen wapen, als er “gekante” wonden ontstonden. Ongehoord was het vechten met “geslepen” wapens. Wie met een ongespannen boog of een ongeladen geweer slaat, verbeurt 10 pond; kwetst hij tot bloedens toe, dan is de boete van 20 pond. Zijn de wapens gespannen of geladen, dan gaat de boete omhoog tot 40 pond en eist het feit strafrechtelijke vervolging.
Wie van buiten de heerlijkheid in Vossemeer komt bedelen en lediggang plegen en toch gezond van lijf en leden is, wordt gevat en met de oren aan de kaak gespijkerd; daarna “strengelijk” gegeseld en voor eeuwig uit de heerlijkheid verbannen op straffe van verlies van zijn lijf. Alle dorpelingen hebben de bevoegdheid “rabauwen, spekhalers en bedelaars” te pakken en aan de officier over te leveren, die de plicht heeft hen in scherp examen te verhoren. De veerlieden van het Botshoofd en het Nieuwe Veer mogen geen bedelaars en landlopers uit Brabant overzetten.
De kinderen moeten in Vossemeer gedoopt worden en de doden moeten in het dorp begraven worden. Hiervan kan de pastoor dispensatie verlenen. Wie zonder verlof tegen de bepaling ingaat, loopt een boete op van 5 pond en zal toch het normale kerkrecht moeten betalen.
Herberg mag alleen in de beide dorpen gehouden worden en bij de beide veren. ’s Zondags of op heilige dagen mag onder de predikatie niet getapt worden. Het sluitingsuur viel in de zomer om negen, in de winter om zeven uur. Daar drank door middel van de daarop geheven accijns de belangrijkste post van inkomsten was voor de gemeente, bevat de keur uitgebreide bepalingen over de heffing en inning van deze belasting.
Het spreekt vanzelf, dat in een polderland aandacht moest worden geschonken aan het maken en onderhouden van de kunstwerken en de waterstaat. De keur bevat over deze stof veel bepalingen, waarvan de details hier niet belangrijk zijn. Enkele ervan zijn wel een memorie waard. Het was verboden bij de sluis of in de sluisvlieten met netten en kuilen te vissen. Varkens, de eeuwige wroeters, mochten niet op de zeedijk lopen. In de uitergorzen mocht niemand kreken of geulen graven.
Op de laatste dag van april moest elke eigenaar of pachter van land de kraaien- en eksternesten uitsteken en de beesten verhinderen opnieuw te nestelen. Mest, gemaakt binnen het land van Vossemeer, mocht niet uitgevoerd worden; uitgezonderd was de afval van de schapen, die buitendijks grazen.
De keur eindigt met enige algemene bepalingen. Niemand van de heren, van de onderdanen of iemand anders mag nieuwe opvattingen huldigen of regels uitdenken of trachten in te voeren, die tegen de keur ingaan. Veel concrete voorschriften zijn gegeven; mochten de schepenen desondanks op zaken stoten, die niet helder of expliciet in de keur omschreven zijn, en waarover de heren geen uitspraak hebben gedaan, dan zullen zij zich in deze zaken richten naar de keur van Zeeland. En wat niet in de keur van Zeeland staat, dat zullen zij beslissen naar hun beste wetenschap. Krachtens hun uitgiftebrief behouden de heren zich het recht voor, deze keur te “meerderen of minderen”, d.w.z. de bepalingen te verzwaren of te verzachten.


27. RECHTSPRAAK

Krachtens de eerste uitgiftebrief van 1410 waren de heren van Vossemeer verplicht een schepenbank in te stellen in hun land. 1 De schepenen spraken in naam van de heren recht over alle zaken, met uitzondering van enige aan de graaf voorbehouden gevallen, zoals doodslag binnen vrede en zoen, 2 moord, veeroof en verkrachting. De ambachtsheerlijkheid had hoge, middelbare en lage jurisdictie. Het blijkt niet expliciet uit de stukken, dat direct of kort na de stichting van de heerlijkheid de schepenbank is begonnen te functioneren. In een oorkonde van 1433 worden de schepenen van Vossemeer voor het eerst genoemd; 3 toen bestond in elk geval een schepenbank.
Tegen het einde van de 15e eeuw werden nog schepenen uit de stad Tholen aangesteld. In 1492 kwamen er twee uit de stad; het volgend jaar zouden er drie uit Tholen komen en vier uit Vossemeer. 4 Het jaar daarna zijn zeven schepenen benoemd, 6 het normale aantal van een schepenbank. Dat in deze periode schepenen uit Tholen zijn aangesteld, wijst geenszins op enige bestuurlijke relatie met de stad. Voor het uitoefenen van het ambt van schepen was enige wetskennis wel vereist. Waarschijnlijk leverde Vossemeer in deze tijd zelf nog niet genoeg onderlegde mannen op.
Het zwaard, symbool van de rechtsmacht en het halsrecht.

Het zwaard, symbool van de rechtsmacht en het halsrecht, nog aanwezig in het ambachtsherenhuis. Foto 1968.

De verhouding tussen de schepenen en de heren was zeer gecompliceerd. Zij spraken recht in naam van de heren; in eigentijdse termen heet dit, dat hun vonnissen “voor de heren gewezen” werden. 7 Zuiver juridisch beschouwd, konden de schepenen aan de heren zelfs opdrachten geven; dit viel bijvoorbeeld in 1499 voor, toen de heren op een “klacht” van de schepenen een nadere uitleg gaven over enige punten van de keur. Strikt genomen, hadden de heren geen directe bemoeienis met de rechtspraak. Dat zij af en toe de schepenbank opdroegen of gelastten, recht te spreken volgens de keur van Vossemeer of die van Zeeland, 9 mag men nog beschouwen als een algemene supervisie over de rechtspraak zelf; daarin behoeft men nog geen inmenging in een bepaalde zaak te worden gezien. Toch zijn er gevallen bekend, dat de heren een vonnis hebben uitgesproken, waardoor de schijn wordt gewekt, dat zij zich de bevoegdheid hadden voorbehouden, een vonnis te verzwaren of te verlichten. Of en in hoeverre zij hier de schepenbank gepasseerd hebben, is moeilijk te zeggen. Misschien waren het netelige gevallen, die de schepenen maar al te graag aan de heren overlieten. In 1495 spraken de heren een vonnis uit tegen Cornelis Lemsen. 10 Zijn misdrijf is niet bekend; gezien de zware straf moet het wel ernstig geweest zijn. Cornelis moest publiek vergiffenis vragen. ’s Zondags na Sacramentsdag zou hij in de processie lopen, gekleed in een linnen gewaad, met een kaars en in de linkerhand een “bandereel”, vermoedelijk een banderolle met opschrift. Aan de kerk zou hij een offer van 8 schellingen geven. In 1497 deden de heren uitspraak in het geschil tussen Jan Willems Suete en Gillis Claesse; 11 misschien kan hieruit blijken, dat zij niet alleen in strafrechtelijke doch ook in civiele zaken recht spraken. Het geval is echter niet duidelijk, daar Jan Willems Suete heer van Vossemeer was.
In 1515 verleenden zij remissie (vermindering van straf) aan Jan Cornelis Poppe voor zijn zoon Pieter Janszoon en aan Werninck Claeszoon, die de zoon van Claes Symons doodgeslagen hadden. 12 De heren brachten de boete terug tot 12 philippus guldens, in twee jaren te betalen. Het doet enigszins vreemd aan, dat in een tijd van vrij primitieve rechtspraak, toen dikwijls zware en zeer wrede straffen werden opgelegd, een doodslag met een geldboete werd afgedaan. Lem Lem Both had in 1530 met de baljuw getwist. De heren legden hem als straf op, een raam aan de kerk van Vossemeer te schenken. In het raam moest in het kort de reden en aanleiding van de twist vermeld worden. 13
Eén voorschrift van de keur heeft nogal eens moeilijkheden opgeleverd tussen de heren en de schepenbank, namelijk dat van de “hooveerdigen wille” (hovaardige wil of opzet). Hovaardige wil was bijvoorbeeld: het beledigen van de heren; het bespotten van de schepenbank; het helpen vluchten van een verdachte; het verduisteren van goederen onder beslag. Sommige punten waren in de keur als zodanig aangewezen. Voor “hooveerdigen wille” was de hoogste boete van 40 pond bepaald. Over het algemeen zijn de schepenen zeer voorzichtig geweest met het doen van een uitspraak op dit punt. De heren integendeel beschouwden een vergrijp gemakkelijker als een aantasting van hun primair heerlijkheidsrecht. In 1537 had Adriaen Claeszoon zich “zeer lelijk” gedragen door de baljuw in de gespannen vierschaar tegen te spreken; 14 hem werd een boete opgelegd. In hun vergadering van dat jaar verlangden de heren echter, dat de schepenen een vonnis van “hooveerdigen wille” zouden geven. 15 Aanvankelijk weigerden de schepenen, doch toen droegen de heren hun op “binnen den dag zonnenschijns” naar hun beste weten en geweten uitspraak te doen. Nu gaven zij wel het verlangde vonnis doch legden een boete van slechts 5 pond op.
Datzelfde artikel, naar alle kanten rekbaar, hanteerden de heren van Vossemeer in hun geschil met Heyndrik Anthonis, die wederrechtelijk een dam op de Plaat had gelegd. 16 Ofschoon zijn ongelijk apert was, verzette hij zich nog tegen de heren; dit beschouwden zij als “hooveerdigen wille”. Onmiskenbaar hebben de heren hier vanuit een alleszins begrijpelijke geprikkeldheid gereageerd. Een vrij lange tijd later verklaarden de heren, dat ook als “hooveerdigen wille” beschouwd zou worden, als iemand zichzelf of goederen aan een gerechtelijk beslag onttrok; dit werd bestraft met een geldboete van 40 pond, in 1675 verhoogd tot 50 pond. 17 Daarna spreken de archieven er niet meer over; waarschijnlijk hebben de heren en de schepenbank dit artikel niet meer gehanteerd.

De baljuw Claes Crompvliet liet de schepenbank ’s morgens om 8 uur beginnen, opdat de schepenen, die ook landlieden waren, nog hun werk op het land konden doen. 18 De officier en de schepenen mochten geen vierschaar of zaak spannen tegen de heren. 19 Van lieverlede traden de schepenen ook voor de gemeente op; in 1539 geschiedde dit voor de eerste maal in duidelijke bewoordingen 20, al is het zeker dat de schepenen al langer een deel van het eigenlijke bestuur der gemeente in handen hadden. In 1582 vaardigden zij zelfstandig een ordonnantie uit. 21
Van de heren was het voorschrift afkomstig, dat er in de gespannen vierschaar geen drank mocht worden geschonken. 22 Hendrik de Zwaardveger van Tholen leverde in 1594 een doornen roede, die hij aan het rechtshuis van Vossemeer schonk als versiering en rechtssymbool. 23 In 1609 droegen de heren aan de dijkgraaf en de gezworenen van Nieuw Vossemeer de jurisdictie op over de dijkmeesters, arbeiders en zoetelaars, die bij de herdijking betrokken waren. 24 Dit was bij vrijwel alle bedijkingen gebruikelijk. Er kwam veel vreemd volk; het was dus wel zaak de orde en het recht te handhaven. Dit kon het beste geschieden door de functionarissen, die altijd ter plaatse waren en de macht hadden terstond op te treden, als zich iets voordeed.
Vanaf 1619 werd op voorschrift van de heren elke dinsdag rechtsdag gehouden. 25 Deze begon in de zomer om 9 uur, in de winter om 10 uur. Tenminste vijf schepenen moesten aanwezig zijn. Sinds 1620 zijn zeven schepenen van Oud Vossemeer, en twee van Nieuw Vossemeer benoemd. 26 De schepenen moesten hun zegels zelf bewaren en die elke keer meebrengen. 27 Dit voorschrift uit 1623 was tegen de secretaris gericht, die misbruik had gemaakt van de zegels der schepenen. Later werden de acten niet meer gezegeld met het persoonlijk zegel van de schepenen, doch met het dorpszegel. In 1674 gelastten de heren aan de secretaris, dit op verzoek van de schepenen af te staan. 28 In de rechtszaal zaten de schepenen aan een ovale tafel, afgescheiden van de baljuw en de secretaris, zodat zij, zegt de resolutie, onafhankelijk van iedereen hun oordeel konden vormen en geven. 29
In de 16e eeuw waren de zeden nog ruw; vechtpartijen waren aan de orde van de dag. Het “trekken van het mes” komt practisch op elke bladzijde van de baljuwsrekeningen voor. Daar tussendoor vielen heel wat doodslagen, zeker wel een of enkele per jaar. Deze werden meestal in twist en dronkenschap gepleegd; dan werden zij zeer soepel bestraft. Toch heeft Vossemeer geen grote misdadigers gekend.
In 1535 schafte de baljuw twee paar boeien aan, en drie kluisters met een grote keten. De gevangenis werd hersteld en van een nieuwe pijnbank voorzien. 30 In 1537 werden drie doodslagen gepleegd,die de baljuw aldus omschrijft: “eenen man van levende lijve ter doot gebracht”. Twee daders redden zich door de vlucht. De derde vluchtte in de kerk, waar de baljuw hem niet mocht arresteren. Hij hield er 6 of 7 dagen de wacht, doch vermeldt niet, dat hij de man gegrepen heeft. 31 Toen Jan van Woensdrecht een doodslag pleegde op Jan Jacobs, kreeg hij slechts een boete van 12 karolusguldens. 32 Cornelis Jan van Couveringe kreeg in 1552 een boete wegens een vechtpartij; 33 20 stuivers kostte het hem, toen hij de valk van de hulpbisschop van Luik neergeschoten had, een broer van de heer van Bergen op Zoom, die toentertijd ook heer van Vossemeer was. Dit sterk verhaal voor zijn leven is Cornelis best 20 stuivers waard geweest!
Een echte boef was Gheert Leechgank (leegloper). Hij brak de huizen binnen, bond de goede lieden aan handen en voeten vast en pijnigde hen met vuur, zodat zij hem de bewaarplaats van hun geld verklapten. Eindelijk werd hij door de baljuw gegrepen; zijn mishandelingen en dieverijen waren met zulke brutaliteit uitgevoerd, dat de bewijzen duidelijk waren. In enkele dagen was zijn lot bezegeld en werd hij ter dood veroordeeld. Thomas Pieter van Scherpenisse trad als zijn advocaat op. De Minderbroeders uit Bergen op Zoom stuurden een biechtvader. Hij werd geëxecuteerd met het koord; voor dit karwei kreeg de scherprechter 18 stuivers. 34 Voor sommige vonnissen en uitvoeringen van straf werd van de rechtspaal gebruik gemaakt. Af en toe werd iemand veroordeeld om aan de paal te staan. met een opschrift op zijn buik of aan zijn hals aangaande het gepleegde misdrijf. Zo is het woord schandpaal in gebruik gekomen. Personen, die ten onrechte in de heerlijkheid
De “klik- of lasterstenen” van Vossemeer. Bij wijze van straf moesten veroordeelden deze in het openbaar dragen.

De “klik- of lasterstenen” van Vossemeer. Bij wijze van straf moesten veroordeelden deze in het openbaar dragen. De stenen zijn nu in het Zeeuws Museum te Middelburg. Foto Lamain, Middelburg.

verbleven en eruit werden gezet, kwamen er niet met een simpele uitleiding of verbanning af. Om hen deze verbanning goed in het geheugen te prenten, werden zij eerst gegeseld. Do rechtspaal van Vossemeer is klaarblijkelijk niet veel gebruikt. Plotseling merkten de heren in 1671 op, dat hij verdwenen was. De baljuw kreeg opdracht een nieuwe te laten maken, met een halsband, en het wapen van Vossemeer er op geschilderd. 35
Adriaen van Trent mocht van geluk spreken! In 1719 kwamen “vele en importante” klachten tegen hem binnen, dat hij de wegen onveilig maakte. Het lijkt er op, dat er geen formeel proces tegen hem aangespannen is. De heren beslisten, dat hij onwaardig was om nog langer als burger van de heerlijkheid te worden erkend; zij gaven hem 14 dagen de tijd om het land te verlaten. 36 De rechtspaal is hem bespaard gebleven.
Van de boeten kwam de helft aan de heren; de andere helft aan de baljuw. Met het invorderen ervan waren de heren nogal soepel. Krijn Janssen Marcelis was veroordeeld tot een boete van 15 pond wegens een vechtpartij. Eén jaar heeft hij uitstel van de betaling gekregen, doch in 1686 weigerden de heren hem verder uitstel. 37
Over het procederen in civiele zaken bevat de keur tal van voorschriften, die in het kader van dit boek niet van belang zijn. Enkele min of meer opmerkelijke bepalingen mogen gememoreerd worden. Kleine zaken onder de 30 gulden mochten door gewone lieden of door partijen zelf worden afgedaan; dan was geen advocaat of procureur vereist. 38 Daar er in Vossemeer slechts één procureur aanwezig was, overigens geen al te beste, gaven de heren in 1707 verlof dat alle procureurs van het eiland tot de balie van Vossemeer waren toegelaten. 39 Het was zelfs niet meer nodig, een zaak pro forma op de naam van de procureur uit Vossemeer te zetten.
Tussen de zaken van Oud en die van Nieuw Vossemeer werd vanaf 1710 al enig onderscheid gemaakt. De secretaris moest er op toezien, dat de acten van Nieuw Vossemeer inderdaad door de schepenen van het dorp werden gearresteerd. 40 In de registers stonden de acten van Oud en Nieuw Vossemeer dóór elkaar. Het was trouwens geen kwestie van een verdeling van de rechtsmacht, doch eenvoudig een maatregel om te bereiken, dat de schepenen van Nieuw Vossemeer de hun toekomende legesgelden ontvingen.

28. DE BALJUW
In het rechterlijk en administratief bestuur, door de heren ingesteld, werd de eerste plaats ingenomen door de baljuw. Hij fungeerde als voorzitter van de schepenbank, was daar officier van justitie en rechter van instructie, doch zat die schepenbank eveneens voor in zoverre zij de administratieve zaken van de gemeente behartigde. De functie van baljuw was meestal met het dijkgraafschap verenigd. De baljuw had als zodanig geen salaris; in sommige perioden moest hij zelfs nog een recognitie aan de heerlijkheid betalen. Daarentegen zaten aan het ambt bepaalde inkomsten vast, zoals een deel van de civiele en strafrechtelijke boeten, schikkingen met beklaagden en verdachten, de opbrengsten van het beslag op de goederen van veroordeelden. Al met al was het een zeer gezocht ambt, dat dikwijls méér om de baten dan om de eer werd begeerd.
De verschillende taken van de baljuw komen kort en krachtig tot uitdrukking in de eed, die hij bij zijn indiensttreding moest afleggen: 1 “Dit zweer ik baljuw te zijn over het gehele land en de heerlijkheid van Vossemeer; rechtvaardige justitie te doen; rechtvaardig te manen of te doen manen binnen de vierschaar; om te gaan over de dijken en de dammen; de wegen en de wateringen, de heulen en sluizen en alle werken onder keur te doen stellen; die te doen onderhouden volgens de ciering (bestek en kosten); de Heilige Kerk, weduwen en wezen, eenzame en miserabele personen te beschermen zoveel als in zijn macht ligt; alle breuken en boeten, civiele of criminele, gerechtelijk van de overtreders of misdrijvers in te vorderen overeenkomstig de keur; daarvan aan de heren en het gerecht nette en rechtvaardige rekening te doen, verder alles te doen wat een goed baljuw van het land en de heerlijkheid van Vossemeer van rechtswege verplicht is te doen. Dat zal ik niet laten om lief of om leed, om vriend, om maag of om zwagerschap, noch om enige andere zaak. Zo moet mij God helpen.”
Reeds in de eerste uitgiftebrief van 1410 was bepaald, dat de heren eer. baljuw moesten aanstellen. 2 Volgens Fruin werd Vossemeer, dat aanvankelijk tot het rentmeesterschap van Tholen en Schakerlo behoorde, pas in 1485 “bereden”. Uit de beginperiode van de heerlijkheid is trouwens geen baljuw bekend gebleven. Het is zelfs waarschijnlijk, dat in de eerste helft van de 15e eeuw in Vossemeer geen baljuw in functie is geweest. In 1443 werd Jan Reiloffzoon, die in Vossemeer woonde, in de stad Tholen gezocht om berecht te worden wegens diefstal van straatkeien. Hij was echter voortvluchtig. Zijn twee paarden in het land van Tholen konden toch door de baljuw van Beoosterschelde in beslag genomen worden. Zij werden voor de graaf van Holland verkocht. 3 Het volgend jaar kwam de schout met zijn dienaren in de “banne en heerscappie” van Vossemeer. Hij nam Jan Reiloff gevangen en bracht hem voor de schepenen (van Vossemeer?), die hem tot een boete veroordeelden. 4 Van andere zijde weten wij, dat de heerlijkheid van Vossemeer wat het bestuur, het dorp en de kerk betreft, pas omstreeks 1450 goed op gang is gekomen. Het is dan ook waarschijnlijk, dat de functie van de baljuw pas in de tweede helft van de 15e eeuw is ingesteld.
In 1490 was Willem van der Bouchorst baljuw van Vossemeer. Hij had Marten Claiss, Jan de Bastaard en anderen gevangen genomen, die na het plegen van verschillende misdrijven naar Vossemeer waren gevlucht, en was voornemens hen door de schepenen te doen berechten. Doch namens de graaf van Holland werden de gevangenen door een commissaris opgeëist onder het motief, dat hun misdrijven ter berechting aan de graaf voorbehouden waren. Noodgedwongen moest de baljuw gehoorzamen, doch hij deed het onder protest tegen de inbreuk op de eigen rechtspleging. 5 Uit een besluit van 1492 blijkt, dat Willem een voorganger heeft gehad; daar wordt gehandeld over de dagvaarding van de “oude baljuw” 6 Van der Bouchorst was in 1492 tussen de 30 en 40 jaren oud; 7 hij heeft de belangrijke en verantwoordelijke functie betrekkelijk jong bekleed.
Jan van Botland is in 1493 benoemd. 8 Hij was heer van Vossemeer en mocht het ambt van baljuw laten uitoefenen door zijn schout Jan Pieterssen Hack. Hem werd met nadruk opgedragen de nieuwe zeedijken regelmatig te doen inspecteren. In 1494 is Jan Claassen uit de Zwaan in Vossemeer tot baljuw aangesteld. 9 Hem werd gelast binnen twee maanden bij de kerk te gaan wonen. Verder bepaalden de heren, dat hij voor twee jaren was benoemd onder voorwaarde, dat hij geen enkel misbruik tegen de heren of de ingezetenen plegen zou. Mocht dit onverhoopt het geval zijn, dan zou hij na een schepenvonnis worden afgezet. De boeten tot 10 pond mocht hij zelf houden; wat daarboven viel, moest hij aan de heren afdragen. Ofschoon hij niet tot tevredenheid van alle heren gewerkt had, werd Jan Claassen in 1495 nogmaals voor een jaar gecontinueerd. 10
In 1496 is weer een van de heren aangesteld. Jan Zoete 11 werd op het hart gedrukt de functie uit te oefenen overeenkomstig de keur. Cornelis Adriaenssens van Cromvliet is in 1497 voor de tijd van drie jaren aangesteld. 12 Voor de eerste maal wordt vermeld, dat de baljuw tevens dijkgraaf is. Deze combinatie is met uitzondering van enige korte perioden sindsdien altijd gehandhaafd. Ook hij kreeg aangezegd, dat hij bij enig misbruik afgezet zou worden.
Joost van Botland, een der heren, werd in 1502 tot baljuw benoemd. 13 Hij fungeerde al vanaf het jaar 1501 14 Als schout werd hem Pieter Andries toegevoegd, die in feite het ambt van baljuw vervulde. De uitgiftebrief van 1410 had de aanstelling van een schout voorzien, doch tot 1502 toe is er zelden een aangesteld. Toen het gebruik ingang vond, dat een der heren de functie (en de inkomsten!) van baljuw op zich nam, was het wel nodig een schout aan te stellen. In 1514 werd gezegd, dat hij de stadhouder of plaatsvervanger van de baljuw was. 15 In 1520 is Jan Cornelis Poppe als zodanig aangesteld. 16 In 1536 werd nogmaals een schout benoemd. 17 Het volgend jaar promoveerde deze tot baljuw en dijkgraaf. 18 De laatste benoemingen van schouten zijn geschied in 1542, 1543, 1544, 1545 en 1548. Daarna heeft deze functie niet meer bestaan, al wordt in 1592 de schout nog vermeld onder de officieren, die geen domeingoederen mochten pachten. 19 Hier is slechts sprake van een oude formule, die voor de veiligheid in een overcomplete vorm was opgesteld.
Gezicht op het ambachtsherenhuis en het gemeentehuis te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Gezicht op het ambachtsherenhuis en het gemeentehuis te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Joost van Botland bleef ook in 1503 baljuw. 20 Het volgend jaar besloten de heren, dat in het vervolg het baljuwschap tussen hen verloot zou worden. Wie het ambt toeviel, mocht het door een ander laten waarnemen, doch hij behield zelf de bestuurlijke en de financiële verantwoordelijkheid. Het lot viel op Cornelis van Dalen. 21 Tevens werd bepaald, dat de afgetreden baljuw niet meer mee mocht loten tot allen aan de beurt waren geweest. In 1505 was Joos van Bloys de gelukkige. 22 Jan Pels volgde in 1506, en stelde Jacob van Bleeswijk de Jonge als zijn vervanger aan. 23 De vrouwe van Treslong of haar gemachtigde mocht ook meeloten, doch de niet ter vergadering aanwezige heren konden niet meedingen. In 1507 lootte Jacob van Bleiswijk de Oude, die het ambt liet vervullen door zijn zoon Jacob van Bleiswijk. 24 Jan Willemszoon Zoete werd in 1508 baljuw. 25In het jaar 1509 keerde Joost van Botland terug als baljuw. 26 Spoedig was hij in een netelige zaak gemengd. Met de schepenen had hij Jacob Arents zoon berecht, die doodslag had gepleegd op Andries Danckerts zoon, en hem tot verbanning veroordeeld. Dit was een zware straf, als men in aanmerking neemt, dat in die tijd de meeste doodslagen met een boete werden afgedaan. Jacob Arents had gratie gevraagd, doch het gerecht van Vossemeer weigerde het vonnis te veranderen en te verzachten. Na een beroep door Arents op het Hof van Holland werd van hogerhand gratie verleend. 27
Het zal wel niet om deze kwestie zijn geweest, dat de heren het jaar daarna afstapten van het systeem, dat een van de heren het baljuwschap bezette. In 1510 werd Dammas Simonszoon door loting aangewezen, doch met zijn volledige instemming besloten de heren, dat zij voortaan een baljuw buiten de heren zouden aanstellen, die een recognitie van 4 pond vlaams per jaar moest betalen aan hem, die het ambt geloot had. Deze baljuw zou in functie blijven tot hij door de heren werd bedankt. Op deze nieuwe voorwaarden is Joachim Jans aangesteld. 27 In 1511 wees het lot de heer van Treslong aan, doch Joachim Jans werd gehandhaafd; 28 dit geschiedde eveneens in 1512 . 29 In 1513 is Adriaan Ydozoon uitgeloot, die het ambt zelf waargenomen schijnt te hebben. 30 Jan en Lodewijk van Treslong waren in 1514 de gelukkigen, doch de heren stelden Jan Willemszoon Zoete als baljuw aan. 31 Aan de instructie werd een nieuwe bepaling toegevoegd; de baljuw mocht tegen de heren of hun goederen geen vierschaar spannen of een schepenvonnis vragen; zij vielen onder het landrecht. In 1515 wees het lot het kind van Francoys van Wissenkerke aan, doch het ambt werd vergeven aan Jan van Bleiswijk de Jonge. 32 In 1516 is voor de laatste maal om het baljuwschap geloot. Jan van Doornik lootte het, doch zijn schout Jan Cornelis Poppe oefende het ambt uit. 33 Nu de loting éénmaal de kring rond was geweest, waren de heren tot de bevinding gekomen, dat de regeling niet geheel bevredigde.
Lodewijk van Treslong Janszoon is in 1517 als baljuw aangesteld tot wederopzeggens door een van de beide partijen. 34 De heren voorzagen nu een langere ambtstermijn. Lodewijk werd in 1518 en 1519 gecontinueerd. 35 In 1520 nam hij verlof en is Jan Cornelis Poppe als zijn schout aangesteld. 36 Een en ander schijnt niet geheel naar wens verlopen te zijn; de schout kreeg een bijzonder uitvoerige instructie opgelegd. Het jaar daarop is deze schout tot baljuw aangesteld. 37
Guido van Bloys, rentmeester van het land van Tholen, werd in 1522 baljuw; 38 hij kreeg het derde deel van de boeten. In 1523 is hij gecontinueerd; nu kreeg hij de helft van de boeten. 39 Ook in 1524 is hij herbenoemd. 40 In 1527 is Marinus Symon Anthoniszoon opgevolgd; 43 die het ambt tot zijn overlijden in 1533 heeft bekleed. 44 De heren stelden hun medeheer Anthuenis Van Wissenkerke voor drie jaren aan, die tot juni 1537 in functie is gebleven. 45 Danckert Jacopss, die reeds als schout van de baljuw gefungeerd had, werd in 1537 met de waarneming van het ambt belast, dat hij tot in 1543 bediende. 46 Pieter Faas of Servaas zoon is in 1543 aangesteld onder het beding, dat hij rekening moest afleggen ongeacht of er iets dan wel niets met de heren te verrekenen was. 47 Volgens zijn rekening fungeerde hij nog in 1552. 48
Tussen 1548 en 1567 ontbreken de besluiten, zodat wij voor deze periode slechts af kunnen gaan op de, overigens ook niet volledige rekeningen van de baljuws. Jan Janszoon was in 1552 baljuw. 49 Witte van Haamstede tussen 1553 en 1555; 50 hem volgde Anthuenis van Wissenkerke gedurende enkele jaren op; deze was baljuw tussen 1555 en 1558. 51 Omstreeks 1562 vervulde Wilm van Bronchorst het ambt; hij veroorzaakte moeilijkheden in verband met de dijkage van de Hikke. 52 Het is niet waarschijnlijk, dat de heren hem nog lang gehandhaafd hebben.
Uit 1570 is de naam van Jacob de Brammer als baljuw bekend. 53 Blijkens de continuaties in de voorgaande jaren fungeerde hij al vanaf 1567, mogelijk reeds vroeger. Hij overleed op 25 februari 1571. In de waarneming van de functie is een voorlopige voorziening getroffen door de heer van Bergen op Zoom. 54 Het is waarschijnlijk, dat Jan Huge Lamszoon het ambt toen tijdelijk heeft bediend. 55 In de volgende jaren is de opvolging niet duidelijk. De baljuw komt wel regelmatig in de besluiten en bij de benoemingen voor, doch zijn naam wordt niet genoemd. In 1578 wordt Gregorio del Plano als baljuw vermeld; hij was in hetzelfde jaar heer van Vossemeer geworden. 56 In 1580, toen de baljuw werd gecontinueerd, beslisten de heren, dat als iemand van hen het ambt wilde hebben hij dit drie of vier maanden vóór de vergadering moest laten weten. 57 Het streven is weer merkbaar, dat de heren het ambt liever aan een van hen geven.
Dierck Heijnricks moet vanaf 1578 als baljuw gediend hebben. Hij is in 1581 tot rentmeester van de heren benoemd; in zijn plaats is Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke als baljuw aangesteld. 58 In de vergadering van 1583 deed deze afstand van het ambt en stelde Cornelis Hartsen als zijn opvolger voor, die door de heren inderdaad werd benoemd, doch ontslag moest nemen als secretaris. 59 Vóór de volgende vergadering is Hartsen overleden; de heren droegen de rentmeester de tijdelijke waarneming van het baljuwschap op. 60 In juli 1584 is Emanuel Oliphant
Het smidsklokje te Oud Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

Het smidsklokje te Oud Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

benoemd, die tot in de zomer van 1587 is aangebleven. In de vergadering van 1587 gaf Pieter van Dalem, heer van Vossemeer, te kennen, dat hij het baljuwschap ambieerde; als zijn medeheren hem het ambt verleenden, wilde hij zich verbinden in Vossemeer te wonen. De heren stemden hierin toe met de motivering, dat het volgens een oud gebruik geoorloofd was dat eender heren het ambt tot zich trok. Het speet hen wel voor Emanuel Oliphant, op wie niets viel aan te merken. De heren wezen er nadrukkelijk op, dat Emanuel om geen enkele andere reden gepasseerd werd, nu hij voor een heer van Vossemeer moest terugtreden. 61 Pieter van Dalem is enige jaren gecontinueerd en bleef tot 1593 in functie.
Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke, heer van Vossemeer, vroeg en verkreeg in 1592 het ambt, doch Pieter van Dalem bleef het tot Pasen 1593 bezetten. 62 Van Wissenkerke overleed vóór de vergadering van 1597, waarin weer Pieter van Dalem werd benoemd. 63 Hij is baljuw gebleven tot aan de zomervergadering van 1616, toen hij wegens hoge ouderdom ontslag vroeg. Tussen 1602 en 1606 was hij in een hevig geschil gewikkeld met de predikant en de kerkeraad. Hij was van dronkenschap beschuldigd en zou als lidmaat van de kerk openbare schuldbelijdenis moeten doen. Doch de baljuw verzette zich fel tegen de kerkeraad en de classis van Tholen. Uiteindelijk werd de zaak in der minne geschikt, toen de baljuw voet bij stuk gehouden had. Na zijn ontslag is Pieter Geertse tijdelijk met de waarneming belast, totdat een commissie uit de heren een geschikt persoon gevonden zou hebben. 64 Blijkens enkele rekeningen fungeerde Witte Witters tussen 1616 en 1621; 65 van hem is geen herbenoemingsbesluit te vinden. Zijn gedrag is niet altijd voorbeeldig geweest. In 1631 legden de predikant en een ouderling de verklaring af, dat de baljuw zes jaren geleden een attestatie had verzocht, doch dat deze hem “om zijn kwade handel en wandel” geweigerd was.
In 1621 is Cornelis Cornelis Exter aangesteld; 66 hem werd tevens het beheer van de sterfhuizen en de afwikkeling van de desolate boedels toevertrouwd, waarvan hij echter aan de heren rekening moest afleggen. Het volgend jaar kwamen ernstige klachten binnen over het beheer van de boedel van de overleden secretaris Cornelis Valke. De heren droegen hem op binnen enkele weken zijn afrekening klaar te hebben. Exter bedankte de heren vriendelijk voor het hem toegewezen beheer; volgens hem was het echter onmogelijk “in deze tegenwoordige conjuncture” het boedelbeheer goed te doen. 67 In 1670 vroeg Exter als baljuw ontslag wegens zijn benoeming tot commies te water van de admiraliteit van Zeeland. Zijn opvolger was Jacob Brammer, gezeid Vrijbergen; deze zou van jaar tot jaar benoemd worden. Hij mocht het ambt pas aanvaarden, als hij in Vossemeer woonde. 68 Blijkens een van zijn rekeningen 69 en het benoemingsbesluit van zijn opvolger noemde hij zich Jacob van Vrijbergen. Na het overlijden van Jacob van Vrijbergen kwamen in 1644 vier sollicitanten opdagen. 70 In de volgende vergadering benoemden de heren David Bursius. Nu achtten zij de tijd gekomen, om voor het ambt een recognitie te vragen; deze werd vastgesteld op 23 pond en 10 schellingen. De baljuw moest elk jaar na het afleggen van zijn rekening verlenging in zijn ambt vragen. 71 In 1644 is deze recognitie verlaagd tot ruim 8 pond per jaar; 72 in 1647 werd zij zelfs tijdelijk opgeschort. 73 David Bursius is lang baljuw gebleven; in 1648 werd hij gecontinueerd op oorwaarde, dat hij zijn werk beter zou doen. 74 Een tijd later moesten de heren hem op zijn plicht als dijkgraaf wijzen; hij had er voor te zorgen, dat de ingezetenen “buiten klachten” werden gehouden. 75 Een ernstige reprimande liep hij in 1655 op, toen hij nagelaten had een onderzoek in te stellen naar de onheuse bejegening en de beledigingen, de persoon van Ds. Becius aangedaan. De herenvergadering sprak onomwonden uit, dat Bursius eigenlijk onbekwaam was. Een commissie werd aangewezen om hem geducht onder handen te nemen. 76 In deze tijd leefden ernstige tegenstellingen in de kerk van Vossemeer. Waarschijnlijk is de baljuw er huiverig voor geweest, met een gerechtelijke vervolging nog meer nijd te veroorzaken. De heren hebben hem naar aanleiding van deze zaak niet ontslagen. In 1668 vroeg hij zelf ontslag. Pieter Liens is in 1668 benoemd. 77 Hij overleed in 1678, waarna Joan Dallens werd aangesteld. 78 Deze kreeg het volgend jaar verlof het ambt te blijven bedienen, ofschoon hij geen “borger” van de heerlijkheid was. 79 Hij is in 1683 oneervol ontslagen, eerst als dijkgraaf, omdat hij in dit ambt “kwaad comportement” en zorgeloosheid aan de dag had gelegd. In 1682 waren verschillende polders van de heerlijkheid overstroomd; in het herdijken was Dallens schromelijk tekort geschoten. Bovendien werd hij als baljuw geschorst, tot hij zich tot tevredenheid van de heren gezuiverd zou hebben van verschillende ernstige aanklachten, die tegen hem waren ingebracht. Het ambt van dijkgraaf werd voorlopig aan twee verschillende personen toegewezen; een voor oost en een voor west. Met het baljuwschap werd de rentmeester Marinus van ’t Rosevelt belast. Mocht Dallens zich tegen zijn ontslag verzetten, dan zouden de heren alle rechtsmiddelen aanwenden, om hun besluit door te zetten. 80 Uit een aanwezig dossier blijkt, 81 dat baljuw Dallens vreemde dingen deed bij het handhaven van het recht. In 1680 had hij secretaris Swrijters, Livinus van Vrijberghen, Jacob Wouters en de procureur Jacob Samminck op een etentje genood in zijn huis. Toen de heren verzadigd waren, kregen zij woorden met de secretaris. Op aanraden van de anderen viel Samminck de secretaris aan; er ontstond een woeste vechtpartij. De bedienden wilden tussenbeide komen, doch van binnen werd de deur vastgehouden. Toen een kelner door liet raam wilde klimmen, werd hij teruggestoten. De secretaris weerde zich geducht, had op een gegeven ogenblik Samminck onder liggen, doch werd door de anderen gehinderd en weer op de vloer gewerkt. De baljuw lag op een bed en zag het gevecht met “goede ogen” aan. Nadat de secretaris behoorlijk afgetuigd was, wat kennelijk de verborgen bedoeling van het etentje was, zei de baljuw eindelijk: “Jongens, zo is het wel genoeg.” Met een bebloede kop en zijn schone witte frak gescheurd, droop de secretaris af. Het samengestroomde volk, door de dienstmeiden gealarmeerd, sprak luidop zijn afkeuring uit over het gedrag van de baljuw. Andere klachten tegen Dallens waren navenant. De jacht, een voorrecht van de ambachtsheerlijkheid, stond bij hem niet hoog genoteerd; de stropers liet hij ongemoeid. In zijn functie als dijkgraaf had hij de noodzakelijke onderhoudswerken laten sloffen; bovendien had hij bij het aanbesteden van werken verscheidene malen onomwonden een “verering” gevraagd of geëist, als hij wist of vermoedde, dat de ambachtsman een bepaald werk graag wilde hebben. Deze corrupte figuur heeft zich wijselijk niet tegen zijn ontslag verzet.
Marinus van ’t Rosevelt bediende het ambt tot in juni 1687, toen Pieter Cole als baljuw en dijkgraaf werd aangesteld. 82 Hij was een broer van de secretaris Nicolaas Cole. Het volgend jaar werd hem toegestaan, het ambt te bedienen “op schade en baten”; waarschijnlijk hield dit in, dat hij bepaalde boeten als zijn inkomsten mocht beschouwen. Over boeten onder de 11 gulden kon hij alléén een schikking treffen; over hogere boeten moest hij samen met de rentmeester overleg plegen, omdat een deel hiervan aan de heren toekwam. 83 In 1702 kreeg hij van de heren opdracht, geen zaak om het voorgevallen krakeel aan te spannen tegen Leendert Schouwman, 84 doch daarmede tot nader order te wachten. De heren van Vossemeer grepen in de rechtspraak in, als zij dit nodig oordeelden. Geheel tevreden waren zij overigens niet over deze baljuw. In 1700 had hij Cornelis en Adriaan Marknisse een boete van 600 pond opgelegd, omdat Dingeman Marinisse van hun wagen gevallen en dodelijk verongelukt was. 85 Ondanks herhaalde aanzegging bleef hij in gebreke een deel van deze boete met de heren te verrekenen.
Zijn verhouding tot de heren werd ernstig vertroebeld door de kwestie van zijn broer, secretaris Nicolaas Cole, die verdacht van het schenden van trouwbeloften niet werd vervolgd. In een buitengewone vergadering van november 1705 werd de baljuw het vuur aan de schenen gelegd om een andere zaak, die hij niet juist behandeld had en waarvan hij de financiële afrekening nog niet had willen doen. 86 Hem werd een termijn gesteld om een en ander recht te zetten. In de volgende vergadering is hij voor drie maanden geschorst; de rentmeester Van ’t Rosevelt werd met de waarneming belast. 87 Daarna voldeed Cole wel niet geheel doch voor het grootste deel aan de hem gegeven opdracht. Hij werd in zijn ambt hersteld op voorwaarde, dat hij alsnog met de rentmeester moest afrekenen. Tevens legden de heren hem op, dat hij terstond uit de vierschaar moest gaan, als er een zaak tegen hem of zijn broer aan de orde kwam. Ondanks dit alles is baljuw Cole in dienst gebleven tot zijn overlijden in 1709.
In de vergadering van 1709 is Huibertus de Luijster als baljuw aangesteld. 88 In 1711 werd een nieuwe regeling van kracht omtrent de boeten en breuken, die hij voor zichzelf mocht innen en behouden. Toen secretaris Heron overleden was, werd Van de Luijster in 1711 tot secretaris aangesteld; van het baljuwschap moest hij afstand doen. 89 Hendrik Celou is tot zijn opvolger benoemd. Deze overleed kort daarna; een commissie uit de heren belastte op 10 december 1712 de rentmeester Pieter van ’t Rosevelt met de waarneming. 90
In 1713 werd Quintinus Steenput baljuw van Vossemeer; voor zijn benoemingsacte moest hij 12 pond aan de rentmeester betalen. 91 Spoedig deden zich met hem dermate ernstige moeilijkheden voor, dat de heren, die in Zeeland woonden, in februari 1714 een buitengewone vergadering belegden. 92 Volgens opdracht moest Steenput 25 pond aan de weduwe van de vorige baljuw betalen. Hij had dit niet gedaan; tegen het uitdrukkelijk bevel van de heren ontkende hij zelfs, deze som schuldig te zijn, ofschoon hij ze mocht aftrekken van de recognitie, die hij voor het ambt geboden had. Samen met secretaris Van de Luijster had hij bovendien moeilijkheden veroorzaakt in de schepenbank over het vaststellen van de rechtsdagen op tijden, dat hij afwezig was. Hij had zich bevoegdheden van de heren aangematigd. Toen hij bij de rentmeester en de schepenen op verzet stuitte, had hij zich tot de Hoge Raad van Holland gewend, van wie hij zelfs een acte van maintenue had verkregen, die hem in het gelijk stelde. De aanwezige heren schorsten hem in zijn ambt, totdat hij de 25 pond had betaald en afstand had gedaan van de acte van maintenue. Een week later gaf Steenput toe en verbond hij zich schriftelijk aan de hem opgelegde voorwaarden te voldoen. Desondanks besloten de heren in 1715, zich van baljuw Steenput te ontdoen, als er een bekwame persoon gevonden kon worden, die een zodanig bedrag voor het ambt wilde geven, dat zij Steenput de door hem betaalde recognitie konden terugbetalen. 93 De nieuwe som zou in handen gesteld worden van de rentmeester, die dan meteen de vorderingen op Steenput kon voldoen. Nadat het ambt een tijdlang had “gefluctueerd” (in feite; onbezet was gebleven), verklaarden de heren het in 1716 vacant; aan de heren, die in Zeeland woonden, werd opdracht gegeven een nieuwe functionaris te benoemen. 94 Op 20 october 1716 stelden zij Wessel Eduard Ferleman als baljuw en dijkgraaf aan; hij had reeds op 11 september de eed afgelegd. 95 Ferleman heeft het ambt lange tijd tot tevredenheid van de heren bekleed; twintig jaren lang komt er geen enkele klacht tegen de baljuw ter tafel, wat voor de heren een ware verademing moet zijn geweest. In 1736 vroeg deze baljuw tegen de datum van de volgende vergadering ontslag, als hij de recognitie terugkreeg en de heren hem 2250 gulden gaven voor het huis, dat hij voor de uitoefening van zijn functie in Vossemeer had gekocht. De heren stemden in principe daarmee in op voorwaarde, dat zij een geschikte persoon vonden, die het ambt wilde kopen. 96
Samuel Cras bleek het baljuwschap te verlangen; hij is in 1737 benoemd. 97 Hij moest in Vossemeer komen wonen; binnen het jaar moest hij zoveel gemeten land in eigendom zien te krijgen, dat hij in overeenstemming met de plakkaten rechtens de functie van dijkgraaf kon vervullen. Hij had de huisschatting te verzorgen; op verzoek van de rentmeester belastten de heren hem ook met de inning van de cijnzen. Enige jaren later werd bepaald, dat de boeten en breuken voor de baljuw waren; in het vervolg behoefde hij er geen rekening meer van af te leggen. 98 Dit lijkt er ogenschijnlijk op, dat het ambt geëmancipeerd was. In feite was het in betekenis zeer achteruit gegaan. Cras overleed in 1740.
Op dezelfde voorwaarden en met dezelfde opdrachten werd Abraham Verkouteren in 1740 benoemd. In 1743 is hem opgedragen, beter toe te zien op het onderhouden van de besluiten van de heren. 99 Deze baljuw is tot 1770 in functie gebleven, toen hij overleed. Bij provisie en zolang de vacature duurde, is de rentmeester Adriaan Catshoek in 1770 als baljuw aangesteld. 100 Bepaalde taken, o.a. de ontvangst van de huisschatting en de cijnzen, werden aan de secretaris opgedragen. De functie van de baljuw was al lang verwaterd; er is zelfs geen afzonderlijke functionaris meer aangesteld. Toen in 1795 de gemeenten zich van de ambachtsheerlijkheid losmaakten, betekende dit het einde van de bemoeienis van de heren van Vossemeer met de rechtszaken.

29. SECRETARIS
Naast de baljuw en de schepenen was de secretaris een belangrijke figuur in het bestuur van het dorp. De inhoud van zijn ambt wordt kort doch volledig omschreven in de eed, waarvan de heren in 1583 de formule vaststelden: 1 “Dat zweer ik: secretaris te zijn van het land en de heerlijkheid van Vossemeer; rechtvaardig register en aantekeningen te houden; rechtvaardig ontvang en rekening te doen van alle koopdagen, waarvan ik door mijn ambt de administratie heb; het geheim van de schepenen niet bekend te maken; alle ordonnantiën en keuren, door de heren gemaakt of nog te maken, voor te staan en te doen onderhouden; weduwen en wezen te helpen beschermen; en voorts alles te doen, wat een goed en trouw secretaris schuldig is te doen. Dat zal ik niet laten, noch om vriendschap noch om vijandschap, noch om enige andere zaak. Zo moet mij God helpen”. De schepenbank van Vossemeer bestond bewijsbaar reeds in 1433, mogelijk al vroeger. Van een secretaris is in de beginperiode nergens sprake. Het is zelfs waarschijnlijk, dat vóór het begin van de 16e eeuw dit ambt in de heerlijkheid niet heeft bestaan. In 1487 wordt een authentiek afschrift gegeven door Reynier Thomaszoon, die zich “klerk” van Vossemeer noemt. 2 Misschien moet het woord hier in zijn eerste betekenis worden opgevat. Het woord klerk is afgeleid van “clericus” d.i. geestelijke. Het kwam veel voor, dat geestelijken, die de schrijfkunst machtig waren, als schrijvers of secretarissen fungeerden. Soms wordt de klerk de “gezworen klerk” van Vossemeer genoemd; dan had hij voor het juist uitoefenen van zijn functie een eed afgelegd. De klerk registreerde de acten van de schepenen. In feite fungeerden hij wel als secretaris, doch in tegenstelling met deze had hij geen enkele persoonlijke bevoegdheid. In de oudste stukken komt vanaf 1492 af en toe wel het woord secretaris voor, 3 doch het is vrijwel zeker, dat daarmee de rentmeester is bedoeld, die voor de heren de pen voerde. In 1494 zetten de heren Michiel als klerk af, en benoemden zij Gillis Claessen in zijn plaats. 4 Hij werd voor één jaar aangesteld. Blijkbaar had hij het al vroeger waargenomen; hem is tenminste aangezegd, dat hij zich ernstig te beteren had. Gebeurde dit niet, dan zouden de heren hem in de volgende vergadering “zulke correctie doen, dat een andere klerk zich daaraan spiegelen kan”. Gillis Claessen heeft niet geheel en al voldaan; in 1495 werd Michiel Pietersen aangesteld. 5 Het volgend jaar is Jan Heijndrikse benoemd; hij werd als dienaar van de rentmeester aangesteld. 6 In deze tijd is de klerk eerder aan de rentmeester dan aan de schepen ondergeschikt geweest. Ofschoon hij ziek was, werd Jan Heijndrikse in 1497 in zijn ambt gehandhaafd. 7 Waarschijnlijk is het dezelfde persoon waarover Jan Zoete, een der heren van Vossemeer, in 1498 een ernstige klacht indiende; de klerk had namelijk buiten voorkennis van de partijen een acte in de registers doorgehaald. 8 Cornelis Hermans wordt in 1504 als klerk gecontinueerd. 9 Hij heeft derhalve minstens vanaf 1503 dienst gedaan. Tussen 1498 en 1504 komt de klerk niet in de stukken voor. Deze beambte is regelmatig tot 1511 toe gecontinueerd. 10 In het ambt was derhalve al een zekere stabiliteit ontstaan. De titel van secretaris komt in het jaar 1512 voor de eerste maal voor; dan wordt Cornelis Janzoon de Muijster als zodanig aangesteld. 11 Uit hetzelfde jaar is een stuk bewaard gebleven, door deze secretaris ondertekend. 12 Toch werd voor Vossemeer nog een klerk gezocht, die er moest wonen; de twee functies schijnen naast elkaar te hebben bestaan, althans in de eerste jaren. In 1513 is de secretaris gecontinueerd. 13 Jacob Janszoon de Houwer werd in 1514 benoemd, op voorwaarde dat hij in Vossemeer zou wonen, zoals hij beloofd had. 14 Tot 1530 toe is hij regelmatig gecontinueerd. 15 Merkwaardig is wel, dat hij tussen 1519 en 1522 klerk wordt genoemd, en in 1523 klerk of secretaris. Ettelijke malen zien wij in deze periode dezelfde persoon als schepen of kerkmeester optreden. In 1531 wordt Jan Jacobszoon de Houwer als secretaris opgegeven, 16 vermoedelijk een zoon van de vorige; een apart benoemingsbesluit is echter niet te vinden. De resoluties daarna bevatten vrijwel alle volgende jaren de continuatie van de secretaris; enkele malen komt zijn naam niet voor in de lijsten der functionarissen, maar wordt enkel gezegd, dat de secretaris is gecontinueerd. Waarschijnlijk is Jan Jacobs tot 1544 in functie gebleven. 17 Crijn Jacob Harts is in 1545 aangesteld. 18 Voor zijn beheer moest hij borg stellen. Blijkens enige door hem getekende stukken was hij in 1560 en 1561 nog in dienst. 19 Tot 1566 toe ontbreken de resoluties, zodat niet meer is na te gaan, of en hoelang hij na 1561 nog fungeerde. Jacob van Gelre noemt zich in 1570 secretaris van Vossemeer, als hij de keuren opstelt. 20 Hij was echter rentmeester van de heren, zodat het niet geheel zeker is, of hij inderdaad als secretaris dienst heeft gedaan. In 1573 kreeg de secretaris Mr. Engel Engels verlof, om met het oog op de “troebele tijd” het ambt door Cornelis Janssen Hartsen te laten bedienen, die als substituut was aangesteld. 21 Van de koopdagen zou de waarnemer alle inkomsten genieten; de overige baten van de secretaris zouden de twee functionarissen delen. Cornelis moest eveneens borg stellen. Het volgend jaar nam Mr. Engels verlof en werd Cornelis Hartsen of Aartsen als secretaris aangesteld. 22 In een resolutie van 1578 wordt hij nog met name genoemd. 23 Blijkens de regelmatige continuaties is hij onafgebroken tot 1583 in dienst geweest. In dit jaar is hij tot baljuw aangesteld, en werd het secretarisschap vergeven aan Jan de Brammer. 24 Bij zijn indiensttreding hebben de heren een nieuw (of eerste?) formulier voor de eed opgesteld. In 1585 verzocht en verkreeg hij een verhoging van het ontvangloon voor de koopdagen; voor het afschrijven van de rekeningen mocht hij drie stuivers per authentiek blad rekenen. Hem werd opgedragen, de stukken van zijn voorganger op te vragen en het archief van de gemeente onder zijn hoede te nemen. 25 Men ziet, dat het ambt van secretaris in Vossemeer pas betrekkelijk laat tot volle ontplooiing is gekomen. Jan de Brammer is tot het jaar 1600 toe secretaris gebleven. In 1596 was zijn termijn weer met een jaar verlengd, op voorwaarde, dat hij binnen dat jaar in Vossemeer zou komen wonen. 26 Dit voorschrift is in 1597 en 1598 herhaald, en in 1599 nogmaals in krassere bewoordingen geformuleerd. Om zekere redenen “de heren daartoe moverende” is hij in 1600 ontslagen. 27 Tot zijn opvolger is Pieter de Brammer aangesteld. Deze werd van jaar tot jaar herbenoemd. In 1614 bleek, dat de secretaris voor de koopdagen en voor het penningmeesterschap van de polders geen borg had gesteld. De baljuw kreeg opdracht dit te onderzoeken. Mocht de klacht juist zijn, dan moest de rentmeester hem onmiddellijk ontslaan en een ander bekwaam persoon aanstellen. 28 Waarschijnlijk waren er andere redenen, waarom de heren deze secretaris kwijt wilden. Na 1614 is hij niet meer herbenoemd.
In de vergadering van juni 1615 is Cornelis Jacobse Valcke als secretaris aangesteld. 29 Reeds op 8 april van dat jaar had hij door de schepenbank van Vossemeer een acte van borgtocht doen opstellen, zodat het waarschijnlijk is, dat hij toen reeds als secretaris fungeerde. In 1620 is hij voor de laatste maal gecontinueerd. 30 Blijkens andere gegevens is hij in dat jaar overleden. 31 In september 1620 heeft Witte Wittensen, de nieuwe secretaris, borg gesteld voor zijn beheer. Enige personen uit Zierikzee hadden zichzelf en hun goederen voor hem verbonden. De heren van Vossemeer voelden dit als een bezwaar aan, daar bij een eventuele insolventie van de secretaris (wat God verhoede!) het moeilijk zou vallen personen en goederen in Zierikzee aan te spreken. Een der heren van Vossemeer, Jhr. Nicolaas van Boshuijsen, verbond zijn goederen onder Vossemeer als zekerheid voor de personen uit Zierikzee. Hiermede namen de overige heren genoegen. 32 Witte Wittensen bleef tot 1623 in dienst. Nadat veel “discoursen en expediënten te berde waren gelegd”, ontsloegen de heren in 1623 Witte Wittensen en benoemden in zijn plaats Nicolaas van Gelre. Daar de oude secretaris zich over verschillende zaken had beklaagd, droegen de heren aan de nieuwe functionaris op, hem jaarlijks een recognitie van ruim 16 pond te betalen, zolang hij in Vossemeer zou blijven wonen. Daarna zou deze recognitie aan de heren komen. 33 Van Gelre is tot 1631 in dienst gebleven. In dit jaar is Adriaan Liens als secretaris aangesteld; 34 hij betaalde een jaarlijkse recognitie van ruim 16 pond. 35 Hij heeft het ambt tot 1647 bediend. Alvorens tot een nieuwe benoeming over te gaan, bepaalden de heren in 1647, dat aan de secretaris een instructie ter hand gesteld zou worden; overigens zou hij zich te houden hebben aan de vroegere voorschriften. Hij zou jaarlijks continuatie moeten vragen en een recognitie van 25 pond per jaar betalen. 36 Op deze voorwaarden is Johan van Alphen aangesteld. Bij zijn verlenging in 1649 schreef de vergadering hem voor, ten voordele van de gezamenlijke heren een “gratuïteit” van 250 pond te betalen. 37 In 1657 legden de heren hem een boete van een rosenobel op; waarom is niet bekend. 38 Vermeldenswaard is zijn conflict met de
Grafsteen van secretaris Joan van Alphen in de kerk van Oud Vossemeer

Grafsteen van secretaris Joan van Alphen in de kerk van Oud Vossemeer

schepen Jacob Liens, en hoe vaderlijk dit door de heren werd geregeld. Met groot ongenoegen, zeggen zij, hadden zij de disputen en onenigheden tussen de beide heren vernomen, waardoor onheilen in de heerlijkheid zijn veroorzaakt, zowel op het punt der justitie en goede orde als met betrekking tot verschillende families. De heren hebben hen in hun vergadering ontboden en hun gevraagd, of zij niet als goede christenen genegen waren alles wat tussen hen voorgevallen was, te vergeten en te vergeven, en voortaan als goede regeerders in rust en broederlijke liefde samen te werken. Na deze ernstige vermaning gaven de twee kijvers elkaar de hand; zij beloofden een einde aan hun geschillen te maken. Wie nogmaals zou beginnen was verplicht een boete van 50 gulden aan de armen te geven. Zij zouden elkaars goede naam eerbiedigen en publiek elke aanval daarop tegenspreken. 39 Op 23 1665 is Jacob van Alphen in de ouderdom van 46 jaren overleden; zijn grafsteen bevindt zich in de kerk. Zijn weduwe vertrok in 1667 uit Vossemeer zonder het exue-geld te hebben betaald. De heren droegen de rentmeester op, te trachten dat nog in te vorderen. 40 Eén aanleiding tot het conflict is bekend gebleven. In 1662 bleek, dat secretaris Van Alphen geknoeid had met een marginale aantekening bij een acte; de heren vreesden zelfs, dat er van regelrechte valsheid in geschrifte sprake was. De schepen Jacob Liens had zich op deze zaak geworpen. Hij had afschriften van die acte opgespoord, waaruit zonneklaar bleek, dat de latere marginale aantekening niet authentiek was. Secretaris Van Alphen werd opgedragen, een en ander tot opheldering te brengen en zich van de verdenking te zuiveren; zo niet, dan zou hij ontslagen worden. Tevens werd hem opgedragen, voortaan alle acten en marginale aantekeningen door de schepenen te laten tekenen. 41 Daar Van Alphen niet ontslagen is, moet het hem wel gelukt zijn een redelijke en aanvaardbare verklaring van de foute tekst te geven. Van Alphen was tevens ouderling van de kerk, zodat deze zaak een vervelende nasleep kreeg in de classis; hij werd als ouderling geschorst. Toen bij de classis bekend was geworden, dat de ambachtsheren de kwestie definitief hadden afgedaan, is Van Alphen in zijn kerkelijke functie hersteld. Alleszins begrijpelijk is wel, dat er een diepgaande animositeit tussen de beide heren en hun families is ontstaan. Bij Liens heeft een ambitie naar het ambt waarschijnlijk al te sterk meegesproken.
Om de “zonderlinge bekwaamheid” van Jacob Liens is deze door een commissie uit de heren als secretaris benoemd, welk besluit in de jaarvergadering van 1666 werd bekrachtigd. 42 Hij werd voor het leven benoemd. Voor de eerste maal, dat de heren op deze ongebruikelijke manier benoemden, hebben zij er danig spijt van gekregen. In 1675 ontstond er rond secretaris Liens een schandaal, waarin tevens de baljuw en de predikant Ds. Bursius betrokken waren. Toen de dominee in de kerk het huwelijk afkondigde tussen secretaris Jacob Liens en zijn dienstmaagd, schorsten de schepenen van Vossemeer de verdere kerkgebeden op. Het blijkt niet uit de stukken, wat er precies op het voorgenomen huwelijk viel aan te merken; waarschijnlijk was de dienstbode vroegtijdig, zoals het toen heette, in verwachting geraakt. De predikant stoorde zich niet aan het bevel van de schepenen; hij deed zelfs de derde afkondiging en zegende het huwelijk in. De baljuw Pieter Liens, een broer van de secretaris, kreeg van de heren opdracht tegen de predikant op te treden. 43 Hij bevond zich in een netelige positie. Over de afloop van deze zaak is niets bekend. Werd de predikant vervolgd, dan is hij er met een boete afgekomen. Jacob Liens is in elk geval secretaris gebleven. Het enige gevolg was, dat de schepenen hem niet langer vertrouwden; in 1674 vroegen zij aan de heren hun zegels terug, die tot dan toe onder de secretaris hadden berust. 44 Jacob Liens is vóór juni 1676 overleden.
Op 22 juni 1676 is Johan Steenput tot secretaris benoemd. 45 Hij moest een jaarlijkse recognitie van 25 pond betalen en een borgtocht van 12.000 ksg. stellen. Over een som ineens wordt bij zijn benoeming niet gesproken, doch deze is vermoedelijk mondeling overeengekomen. Binnen de tijd van zes maanden moest hij zich in Vossemeer vestigen. Hem werd op het hart gedrukt, zich met respect en beleefdheid tegenover de heren te gedragen. Voor hun ontvangst en onthaal zou hij zijn huis ter beschikking stellen, uiteraard tegen vergoeding van de kosten. Reeds het volgende jaar vroeg Steenput ontslag. 46 Dit werd hem niet verleend; wel mocht hij een plaatsvervanger aanstellen, doch de verantwoordelijkheid bleef geheel aan hem. Als substituut heeft de rentmeester Jacob Faas gefungeerd. 47 Daar het hem bezwaarlijk was in Vossemeer te wonen, vroeg hij in 1678 nogmaals ontslag; ditmaal stemden de heren toe.
Joannes Strijt is in 1678 benoemd. 48 Met nadruk werd bepaald, dat hij in Vossemeer moest wonen. Omtrent St. Jan zou hij zijn huis beschikbaar stellen voor de herenmaaltijd. Strijt is kort daarna overleden; reeds in 1679 werd een nieuwe secretaris in de persoon van Hendrick Swrijters benoemd. 49 In 1680 werd hij ten huize van de baljuw Dallens door een gezelschap “notabelen” onbehoorlijk afgetuigd en mishandeld. Hij nam in 1681 ontslag. Het staat wel niet in de stukken dat hij om die vechtpartij ontslag nam, doch het een volgt zo kort op het ander, dat er wel enig verband verondersteld mag worden.
Hij is in 1681 opgevolgd door Nicolaas Cole. 50 In 1685 stemden de heren erin toe, dat hij zijn broer Pieter Cole als gezworen klerk aanstelde, op voorwaarde, dat de secretaris in Vossemeer ging wonen en zich niet dan om ernstige redenen uit de heerlijkheid zou verwijderen. 51 Deze Pieter Cole bracht het enige jaren later tot baljuw van de heerlijkheid. In sommige opzichten hebben zij een “familie-regering” gevormd, die de heerlijkheid geen goed heeft gedaan.
In 1693 beklaagden de erfgenamen van Maria van de Waerde zich over de hoge legesgelden, die de secretaris voor enige koopacten eiste, en die zij zelfs als “vuile exactie” bestempelden. De heren van Vossemeer wezen dit protest echter van de hand, omdat alles berekend was volgens de geldende tarieven. 52 Hierin kon de secretaris niets verweten worden.
Doch een tiental jaren later bleek hij verwikkeld te zijn in een affaire, die Vossemeer op zijn grondvesten deed daveren. In een buitengewone vergadering van november 1705 bespraken de heren het feit, dat Nicolaas Cole schriftelijk trouwbeloften had gewisseld met Pieternella Reijniers Hartshoorn, weduwe van Pieter Cranck. Vóórdat het huwelijk gesloten was, beviel Pieternella op 7 november van een zoon. In haar barensnood had zij met een plechtige eed de secretaris als verwekker van het kind aangewezen; hiervan had de beëdigde vroedvrouw een schriftelijke verklaring opgesteld. Ondanks de vragen, de notariële en ambtelijke dwangbevelen weigerde Cole haar te huwen en “tot ere” te brengen. Pieternella had voor het gerecht een proces tegen hem geopend. Aangezien de baljuw een broer van de secretaris was, en hij zich ingevolge de landsplakkaten van de zaak mocht distantiëren, vreesden de heren, dat het recht geschonden zou worden. Zij droegen rentmeester Van ’t Rosevelt op, met de schepenen de secretaris te berechten en de boete in der minne of met geweld in te vorderen. Meer konden de heren in de zaak zelf niet doen.
Zij grepen een ander middel aan, om de secretaris te verwijderen. In 1701, 1702 en 1703 hadden zij hem opgedragen rekening af te leggen van de huisschatting en de redemptie, waarmede hij al langer ten achter was. In normale omstandigheden zouden de heren deze opdracht nog eens herhaald hebben, desnoods in strikter bewoordingen. Nu droegen zij hem op, deze binnen veertien dagen af te werken op straffe van schorsing. Om het hem nog moeilijker te maken, eisten zij tevens een nieuwe en voldoende borgtocht voor het beheer van de desolate boedels. Ook de baljuw Pieter Cole werd het vuur aan de schenen gelegd. In de vergadering van juni 1706 bleek, dat Nicolaas Cole niet aan de opdrachten had voldaan; hij werd voor de tijd van 6 maanden geschorst. Daarna zou hij definitief ontslagen worden, als hij in die tijd zijn zaken niet tot klaarheid had gebracht. Van alle kanten had het klachten geregend. De procureur Craen uit St. Maartensdijk is met de waarneming van het secretarisschap belast. 54 Pieternella Hartshoorn beklaagde zich erover, dat haar proces met schandelijke uitvluchten werd vertraagd, door degene, die het “stuur” van de vierschaar in handen had. De heren droegen de schepenbank op binnen de tijd van zes weken uitspraak te doen. Cole moest binnen 24 uur het archief aan zijn opvolger overgeven. De gerechtsboden kregen opdracht bij de schuldenaars van de secretaris beslag te leggen op diens gelden; de schepenen werd verboden een actie van Cole tegen zijn pachters toe te laten. 55 In 1707 is de schorsing van Cole gehandhaafd en is Cornelis Heron voor de tijd van zes maanden, te beginnen op 1 september, als secretaris aangesteld. 56 Daar het Cole wel duidelijk was, dat hij bij de heren geen voet meer aan de grond zou krijgen, nam hij op 30 november 1707 ontslag. 57 Zelfs daarna berokkende hij nog moeilijkheden. In december 1709 werd zijn huwelijk met Dina van Neurdingen afgekondigd, doch bij het derde gebod werd het gestuit. Het huwelijk schijnt wel doorgegaan te zijn; het vroegtijdige kind, dat op 25 mei 1710 geboren werd, is op zijn naam ingeschreven. In 1710 moesten de heren hem gelasten het zilver en het archief van het gilde af te geven, afkomstig uit de boedel van zijn broer, de vroegere baljuw. 58 Een en ander is inderdaad gerestitueerd.
Grafsteen van secretaris Cornelis Heron in de kerk van Oud Vossemeer.

Grafsteen van secretaris Cornelis Heron in de kerk van Oud Vossemeer.

In de vergadering van 1708 werd Heron voorgoed benoemd, tegen een borgtocht van 12.000 gulden en de gewone recognitie van 25 pond per jaar. 59 Borg stelden zich: Rochus Heron, burgemeester, en Johan Molaen Heron, schout van St. Maartensdijk. 60 Een gemakkelijk heerschap is Heron niet geweest; in de vergadering van 1710 moesten de heren verschillende aanmerkingen maken op zijn gedrag en beleid. 61 Tot slot kreeg hij de waarschuwing, in het vervolg niet meer “zulke sockante” brieven aan de rentmeester te schrijven. Heron overleed in 1711.
De baljuw Huijbertus van de Luijster deed afstand van zijn ambt en werd tot secretaris benoemd. 62 De nieuwe baljuw Celou en Izak van de Luijster stelden zich borg voor zijn financiële beheer. Deze borgtocht schijnt geëindigd te zijn of werd niet meer voldoende geacht, zodat Van de Luijster enige malen werd aangezegd, voldoende borg te stellen. 63 In 1714 raakte deze secretaris gemengd in een conflict tussen de baljuw en de schepenen over het bijeenroepen van de vierschaar tijdens de afwezigheid van de baljuw; hij trok partij voor de baljuw. De heren van Vossemeer steunden de schepenen. Blijkbaar ging de kwestie hierover, wie bij afwezigheid van de baljuw de vierschaar bijeen te roepen had: de secretaris in naam van de baljuw of de oudste schepen. Baljuw en secretaris hadden zich tot de Hoge Raad van Holland gewend en van dit lichaam zelfs gelijk gekregen voor hun opvatting. Doch de heren van Vossemeer accepteerden dit niet. Van de Luijster werd aangesproken voor het feit, dat hij nog altijd geen behoorlijke borg had gesteld. Door het beroep op de Hoge Raad had hij bovendien getracht zich te “emanciperen” buiten het gezag en de autoriteit van de heren. Hij werd in zijn ambt geschorst tot hij voldoende borg had gesteld en tot hij schriftelijk verklaard zou hebben, afstand te doen van de beschikking van de Hoge Raad. 64 Een maand later tekende de secretaris de verlangde acte. Daarna zijn de baljuw en de secretaris spoedig in hun functies hersteld.
Het staartje kwam in de gewone vergadering van 1714. 65 Bij het afhoren van de rekening droegen de heren hem op, de proceskosten te betalen, die de heerlijkheid naar aanleiding van de veroorzaakte moeilijkheden had moeten maken, op straffe van een nieuwe schorsing. De baljuw heeft uiteindelijk zijn ambt verloren. Van de Luijster redde zijn baan en stelde voldoende borgtocht. 66 In 1717 en 1718 werd hij ernstig berispt, omdat hij tekort was geschoten als penningmeester van de polders en als vendumeester. 67 De volgende jaren bleven de klachten aanhouden, zodat de heren in 1720, om “de klagende gemeente gehoor en genoegen te geven”, tot de laatste remedie besloten. Zij schorsten Van de Luijster voor een jaar en belastten burgemeester Adriaan van der Schoor met de waarneming van het ambt. 68 Blijkens enige resoluties was Van de Luijster in juni 1721 weer als secretaris in functie; 69 hij is voor een jaar hersteld op voorwaarde, dat hij al zijn zaken in orde bracht en dat er geen nieuwe klachten zouden komen. Toen het volgend jaar toch weer vele en zware klachten werden gehoord, is Huijbertus van de Luijster zonder pardon ontslagen. 70 De recognitie van 3000 gulden, die hij voor zijn ambt had betaald, werd in handen van de rentmeester gesteld, om daarmede alle schulden te voldoen en alle hangende zaken in het reine te brengen. Voor zijn werk mocht de rentmeester 120 gulden aftrekken; wat er na de liquidatie overbleef, zou aan Van de Luijster komen. Deze weigerde nu alle medewerking in het afwikkelen van de lopende zaken, zodat de heren gerechtelijk tegen hem optraden. Gijzeling en hechtenis hadden niet geholpen; de heren moesten zich in 1724 tot het Hof van Brabant wenden. 71
Gemeentehuis van Nieuw Vossemeer.

Gemeentehuis van Nieuw Vossemeer. De vlag van de gemeente voert de halve staande vos uit het wapen van de ambachtsheerlijkheid. Foto: A. Delahaye, 1968

Volgens de resolutie had Nicolaas van Diest “vigilantie, bekwaamheid en suffisantie”, zodat hij in 1722 tot secretaris is benoemd. Het volgend jaar werd hem opgedragen binnen de heerlijkheid te komen wonen. 72 Van Diest bleef in functie tot 1732, toen hij tot rentmeester werd aangesteld. Het ambt van secretaris was al lang veelzijdig uitgegroeid. Het omvatte de functies van: secretaris, penningmeester (van de polders), vendumeester, ontvanger van de huisschatting, sequester van de desolate boedels en klerk van de polders. In 1732 is Olivier Hovendaal in het ambt aangesteld. 73
Deze is vóór de volgende vergadering overleden. In 1733 benoemden de heren Jan Cornelis Boot. 74 Enkele weken na zijn aanstelling verzocht en verkreeg hij, dat hij N. van Nieuwenhuijsen voor de tijd van één jaar als plaatsvervanger en beëdigd klerk mocht aanstellen, buiten bezwaar van de kas der heerlijkheid of gemeente. 75 De secretaris bleef echter verplicht, binnen de heerlijkheid te wonen. Boot stelde een borgtocht van 12.000 gulden, waartoe zich zijn moeder Johanna van de Wiele verbonden had. 76 Jan Boot slaagde er evenwel niet in te Vossemeer een geschikt huis te vinden, tot in 1735 Ds. Gerhardi vertrok. Diens huis was sinds 1731 tot pastorie gemaakt en min of meer ambtswoning geworden. De heren stemden er in toe, dat Boot het huis tegen de geldende prijs kocht. 77 In het begin van het jaar 1737 kreeg de secretaris een conflict met Aernout Engelse. Diens request wezen de heren gedeeltelijk af; toch ontving Boot een fikse reprimande, dat hij zich in het vervolg te onthouden had van zulke queruleuze en frivole zaken. Kort hierna vroeg Boot ontslag. Hij verzocht tevens om terugbetaling van de 11.000 gulden, die hij voor het ambt had betaald. Deze som zou hem betaald worden, als de heren evenveel van de nieuwe functionaris kregen. Een som van 3000 gulden bleef onder het beheer van de baljuw, om daarmede de nog lopende zaken af te doen. Boot moest wel het archief en alle stukken overdragen. 78 Hij nam deze voorwaarden aan en diende nog tot juni 1738.
Abraham Cras, een broer van de baljuw Samuel Cras, werd in 1738 benoemd. 79 Hem is in 1740 verlof gegeven een beëdigd klerk aan te stellen, doch
Hier een modern woonhuis met een oudere schuur.

Tengevolge van de watersnood in 1953 zijn in Nieuw Vossemeer vrijwel alle oude boerderijen verloren gegaan. Hier een modern woonhuis met een oudere schuur. Foto: A. Delahaye, 1968

zelf moest hij in Vossemeer blijven wonen. 80 In 1746 vroeg hij tegen de vergadering van juni 1747 ontslag, onder terugbetaling van zijn recognitie. 81 De heren stonden hem dit “uit gunste” toe, op voorwaarde dat hij twee maanden vóór zijn ontslag een ander bekwaam persoon zou voorstellen. Tevens besloten de heren, dat zij in het vervolg geen terugbetalingen inzake het kopen van ambten meer zouden doen, tenzij met algemene stemmen. Niemand meldde zich aan, zodat in 1747 Cras weer voor een jaar moest aanblijven. 82 Dit herhaalde zich in 1748 en 1749; in die tijd is het secretarisschap door de rentmeester Ten Hage of door de baljuw Verkouteren waargenomen. 83Eindelijk gelukte het in 1750 Christoffel Quist als opvolger te vinden. 84 Deze heeft het ambt met ere bekleed tot aan de afscheiding van de gemeente in 1795 toe. Daarna is de functie van de secretaris een zuiver gemeentelijke geworden, waarmede de ambachtsheerlijkheid verder weinig bemoeienis meer had.
Na het herstel van de ambachtsheerlijkheden in 1814 is de zeggenschap van de heerlijkheid over de secretaris tijdelijk uitgeoefend. In 1824 had de secretaris van de gemeente Oud Vossemeer aan het gemeentebestuur gevraagd een gezworen klerk te mogen aanstellen, omdat hij als vervanger van St. Maartensdijk nogal eens afwezig was. De commissie uit de heren maakte echter bezwaar. Een zekere De Lange was voorgesteld, doch omdat deze ook niet in Oud Vossemeer woonde, werd hij niet aanvaardbaar geacht.
Het verzoek van het gemeentebestuur werd door de heren afgewezen. 85

30. BODEN
Onder de lage functionarissen namen de boden een bijzondere plaats in. Blijkens de eed, die zij bij hun indiensttreding aflegden, hadden zij velerlei taken. 1 Allereerst fungeerden zij als gerechtsdienaren en als zodanig stonden zij onder de bevelen van rechter en schepenen. Dit onderdeel van het ambt kan goed vergeleken worden met dat van de latere gerechtsdeurwaarders. Aanvankelijk waren de boden tevens schuttérs van het vee; in latere tijden is voor dit werk een afzonderlijke persoon aangesteld. De bode moest eveneens de misdadigers en de breukplichtigen gevangen nemen en aan de rechter overdragen. De eedsformule eindigt met: “en voorts alles te doen, wat een goed bode moet doen”, waarmede hij duidelijk tot manusje-van-alles was geproclameerd.
Aan deze functie, zo breed van opzet, was slechts een schamel tractement verbonden. Op de vaste gage moeten wij ons echter niet blind staren. Buiten het blote salaris, dat inderdaad belachelijk laag was, kregen de boden afzonderlijke betalingen voor praktisch al hun dienstverrichtingen, 2 zodat zij niets tekort kwamen. Het ambt was overigens zeer begeerd.
Wij vernemen voor het eerst van een bode in 1491, toen Cornelis als schutter en bode dienst deed. 3 In de rekening van dat jaar komen nog andere boden voor, onder andere een die naar Rome reisde. Snellemart (Mart de Snelle) met zijn opmerkelijke bijnaam, woonde ook in Vossemeer. Hij en andere boden waren niet in dienst van de heerlijkheid; het waren beroepsboden, die brieven, boodschappen en kleine vrachten wegbrachten. In 1497 achtten de heren het gewenst, dat de bode een uniform droeg; hij zou een tabberd krijgen en een paar kousen niet borduursel. 4 Enige jaren later schreven zij voor, dat zijn livrei op de mouw versierd werd met het wapen van de heerlijkheid, de resolutie zegt, dat hij de “leseneye” van de heren moest dragen. De bode schijnt voor dit “uitwendig merkteken” niet veel gevoeld te hebben. Kort en bondig bepaalden de heren, dat hij geen salaris meer zou krijgen, totdat hij aan het bevel had voldaan. 5 In het jaar 1525 werd hem opgedragen, op zijn kosten een bus te laten maken met een vos erop. Die moest hij bij alle officiële handelingen dragen; zij diende tevens om er de uit te reiken stukken in op te bergen. De opvolger zou deze bus tegen betaling moeten overnemen. 6 In 1589 hebben de heren een tweede bus laten maken; 7 in 1624 kreeg ook de derde bode zijn bus. 8 De bodenbussen van deze tijd waren meestal van zilver en overigens fraai uitgevoerd. Daar een bode overal in de naaste omgeving en veel in de verre omtrek kwam, werd aan zijn bus een grote representatieve waarde toegekend.
Sinds 1534 moest de bode tevens als “meier” dienst doen, dat wil zeggen als veldwachter. Hij kreeg opdracht dagelijks rond te gaan met een “lang mes” aan zijn zijde, “spekboeven” en kwaaddoeners op te sporen en voor de baljuw te brengen. Omdat zijn werk hierdoor werd verzwaard, verhoogden de heren het tractement doch de verhoging werd gebruikt om hem een rok (jas) te laten maken. 9 Zo lieten de heren het lange mes aan twee kanten snijden! Waarschijnlijk is de in dienst zijnde bode daarmede niet tevreden geweest; het volgend jaar kreeg de baljuw opdracht een bode aan te stellen. Enige jaren later, in 1537, zijn twee boden aangesteld; een voor Oud Vossemeer, dat men “bewesten ’t water” noemde, een voor het gebied ten oosten van de Eendracht, dat men “over ’t water” heette. Daar waren reeds enkele inpolderingen geschied, doch er was nog geen dorp ontstaan. Het tractement van de westelijke bode bedroeg 25 schellingen per jaar; die van oost kreeg 20 schellingen. De boden droegen een gele jas, die met drie rode banden was geboord; op de linkermouw stond een vos met een “mare” in de bek. 10 Van de uniformen werd 20 stuivers door de heren betaald, de rest door de gemeente. 11 In 1623 wezen de heren deze kosten geheel aan de gemeente toe. Toen ten oosten van de rivier een dorp was ontstaan, benoemden de heren in Nieuw Vossemeer een derde bode; hij zou zelfs boven de twee andere als gezworen bode fungeren, doch moest in het nieuwe dorp wonen. 12 Als zodanig deed in dat jaar Dignus de Bode dienst. Deze functie is in 1662 opgeheven, toen in elk van de beide dorpen een bode werd aangesteld. 13
Hans Lenarts was in 1570 bode in Oud Vossemeer. 14 Een bende geuzen nam in 1571 te St. Annaland Claes de bode zijn bus af, die de rentmeester voor 5 schellingen moest terugkopen van Waalse soldaten. Klaarblijkelijk hadden zij haar op de geuzen buitgemaakt. 15 In 1589 werden twee nieuwe zilveren bussen aangeschaft, die samen ongeveer 30 schellingen kostten. 16 Jan de Lagaij, zilversmid te Bergen op Zoom, maakte in 1630 drie nieuwe zilveren bussen; 17 nogmaals werd in 1633 een nieuwe aangeschaft. 18 Op de bus van Nieuw Vossemeer is in 1637 het wapen van Vossemeer overgeschilderd. 19 In 1764 werden twee nieuwe bussen aangeschaft, doch de boden kregen aanzegging bij slecht weer de oude te gebruiken, die gerepareerd waren. 20 Van de bussen is geen enkel exemplaar bewaard
Bodeketting van de gemeente Oud Vossemeer, met de wapens van Vossemeer en Vrijberghe, 18 e eeuws, nog in gebruik bij de gemeente. Foto: A. Delahaye, 1968

Bodeketting van de gemeente Oud Vossemeer, met de wapens van Vossemeer en Vrijberghe, 18 e eeuws, nog in gebruik bij de gemeente. Foto: A. Delahaye, 1968

gebleven. Toen de gemeente zich in 1795 van de heerlijkheid afscheidde, zijn de boden, waarschijnlijk met hun bussen, aan de gemeente overgegaan.
Af en toe moesten de heren het voor de boden opnemen. Uit een resolutie van 1630 blijkt, dat de boden uitgescholden werden voor: rakkers, diefleiders, schelmen en koevangers. Zo verontwaardigd waren de heren, dat zij de ergste scheldwoorden in hun notulen opnamen. Zij stelden er een boete van twee pond op; wie voor de tweede maal schold, verdubbelde ipso facto het tarief. 21 De boden werden elk jaar benoemd of herbenoemd. Sinds 1669 was voorgeschreven, dat zij op de vergadering van juni hun bus aan de heren moesten tonen en continuatie verzoeken. 22 Het jaar daarna is de gage verhoogd tot vier pond per jaar. 23 Bode van der Schoor had in 1711 door middel van een valse brief Laatje Vergoorts goederen afhandig gemaakt. Hij werd door de heren ontslagen, doch herstelde het kwaad en werd weer geaccepteerd. 24 De boden fungeerden tevens als lijkbidders. 25 In 1747 werd voorgeschreven, dat zij de gezworenen bij “overnagtse” oproeping moesten bijeenroepen, dat wil zeggen: tussen oproeping en vergadering moest minstens één nacht liggen. 26 In 1681 werd aan bode D. Ridder van Nieuw Vossemeer verlof gegeven, dat zijn zoon Gijsbrecht het ambt bediende. 27 Deze werd in 1682 na het overlijden van zijn vader definitief benoemd. 28 Hij overleed in 1699; de heren vonden het goed, dat zijn zoontje het ambt kreeg, dat door een ander bekwaam persoon werd bediend. 29 Geert de Ridder overleed in 1706; toen is Claes Dirkse van Blankenburg opgevolgd. 30 Deze overleed al in 1707; hij was tevens chirurgijn. Zijn weduwe vroeg het ambt voor haar zoon Nicolaas. 31 Nadat deze in 1718 overleden was, volgde zijn broer Johan van Blankenburg hem op. 32 In 1750 volgde diens zoon Dirk op, na het overlijden van zijn vader, doch onder voorwaarde, dat hij de helft van zijn gage aan zijn moeder gaf. 33 Pensioenkwesties werden vroeger heel eenvoudig opgelost! Dirk Blankenburg overleed in 1766; toen volgde Cornelis Smits op, 34 die na zijn overlijden in 1782 door Gijsbrecht Smits is vervangen. 35 Deze werd in 1796 voor de laatste maal gecontinueerd. In Oud Vossemeer zijn de volgende boden bekend: Reijnout Leenders in 1669. 36 Geert Jansse van der Schoor in 1702 tot 1706. 37 Adriaan van der Schoor vanaf 1706. Jacobus Wedderborn tot 1788; diens zoon Willem Hendrik Wedderborn vanaf 1788. 38 Deze heeft waarschijnlijk tot 1795 toe dienst gedaan, toen hij ontslag nam. De laatste bode, door de heren in 1796 aangesteld, was Cornelis Pieter Bogers. 39


31. KERKEN
In de eerste uitgiftebrief van het jaar 1410 heeft Hertog Willem van Beieren aan de heren van Vossemeer de “gifte van kerken” verleend als een onderdeel van de heerlijkheidsrechten. 1 Elders wordt dit privilege als het “kerkrecht” omschreven. Het hield in, dat de heren in hun gebied een kerk konden en zouden stichten. Hoewel dit laatste niet imperatief was gesteld, sprak het in die tijd als vanzelf dat er een kerk moest komen, als zich een dorp van enige omvang had ontwikkeld. De pastoor of de bedienaar van deze kerk mochten zij zelf voorstellen; dit heette het patronaatsrecht. De pastoor moest dan wel bevestigd worden door de bisschop, in dit geval die van Luik, daar een groot deel van Brabant en Zeeland onder het bisdom Luik ressorteerde. De kerk van Vossemeer was een eigenkerk van de heren. Dit wil zeggen, dat zij zich verplichtten haar te onderhouden, doch dat zij daartegenover ook alle inkomsten van de kerk genoten, behalve de rechten van de pastoor voor de door hem verleende diensten, die volgens kerkelijk recht aan hem persoonlijk toekwamen. In materieel opzicht (het gebouw, eventuele bezittingen en goederen) én in institutioneel opzicht behoorde de kerk aan de heren. De verhouding tussen heren en kerk had derhalve een veel bredere basis dan Ermerins meende; hij begrijpt onder het kerkrecht alléén het patronaatsrecht, 2 wat slechts een deel van de waarheid is.
Vrijwel zeker is, dat de heren van Vossemeer de eerste kerk hebben gesticht, al zijn de vroege gegevens over de kerk en de parochie slechts spaarzaam bewaard gebleven. In het archief bevindt zich een (ongedateerd) stuk, bij de inventarisatie op circa 1430 gesteld, dat handelt over de stichting van de kerk en de parochie. 3 Het draagt als titel: “Dit zijn de punten, waarin de kerk van Tholen wenst bescheid en onderricht te krijgen van de ambachtsheren van Vossemeer” Deze titel en het feit, dat het stuk niet getekend is, kenmerken het eer als een concept dan als een gesloten accoord. Vooreerst stellen de deken en het kapittel van Tholen, dat wanneer er een kerk in Vossemeer zal zijn gesticht, de heren de pastoorsplaats moeten voorzien van een prebende 4 van tienden en van land, zodat een priester er zijn bestaan kan vinden. Tevens moeten de heren zich uitspreken, welke dienst zij in de kerk gedaan willen hebben, bijvoorbeeld hoeveel missen per week. Wat de heren voor de pastoor beschikbaar stellen, moet schriftelijk worden vastgelegd. Als de kerk in Vossemeer gesticht is, behoudt die van Tholen zich het recht voor daarover als moederkerk te blijven fungeren, want Vossemeer ligt binnen de grenzen van de parochie van Tholen. Vooral aan de middeldijk, die voorheen zeedijk was voordat Vossemeer was ingepolderd, hebben reeds lang huizen gestaan en mensen gewoond, die nog altijd tot de parochie van Tholen behoren en nog nooit overgegeven zijn. De deken en het kapittel van de kerk van Tholen, die voorheen (ca. 1404) van de kerk van Luik het predikaat van collegiale kerk 5 gekregen heeft, wenst de rechten van dit privilege te genieten, of in plaats daarvan een hoek tienden te krijgen, zo groot of klein als redelijk is en gelijk de andere collegiale kerken van het bisdom die genieten. De kerk van Tholen verlangt
De kerk van Oud Vossemeer tussen de inmiddels verdwenen bomen. Foto: A. Delahaye, 1968

De kerk van Oud Vossemeer tussen de inmiddels verdwenen bomen. Foto: A. Delahaye, 1968

eveneens zoveel land te verkrijgen als rechtens passend is, als een kerk gesticht wordt binnen de grenzen van een moederkerk, in dit geval 20 achter 6 zaailand. Tenslotte eist Tholen een deel van de offergelden van de kerk van Vossemeer volgens gebruik, of het recht om op vier of vijf dagen per jaar naar de dochterkerk te komen om er dienst te doen en dan de offergelden van die dag te innen. Tevens moet een der twee sacramenten, het Huwelijk of het Oliesel, in de kerk van Tholen blijven ten teken, dat de kerk van Vossemeer voortgesproten is uit die van Tholen. 7
Het is mogelijk, dat het stuk een tiental jaren later gedateerd moet worden. Dat het een concept of een voorstel was, wordt al heel waarschijnlijk door de latere geschillen en accoorden tussen het kapittel van Tholen en de heren, waaruit blijkt, dat de verhouding tussen de kerk van Vossemeer en die van Tholen, tussen de heren en het kapittel, bijlange na niet in de details geregeld waren overeenkomstig de strekking van het eerste stuk. In een resolutie van 1578 komt een accoord tussen de heren en het kapittel van 11 maart 1443 ter sprake, dat niet bewaard is gebleven. 8 Uit het verband kan wel worden opgemaakt, dat het handelde over de rechten en inkomsten van de pastoor. Nog verder terug liggen de getuigenverklaringen uit het jaar 1431 op bevel van het kapittel van Tholen opgesteld. 9 Daar geven de getuigen inlichtingen over de juiste omschrijving van het gebied van Vossemeer, wat daar precies onder ressorteerde, en hoe de heren van Vossemeer er hun jurisdictie hadden uitgeoefend. Kerkelijke zaken worden er niet in aangeraakt, doch het is duidelijk, dat het kapittel van Tholen er de bedoeling mee had, het juiste gebied van Vossemeer te doen omschrijven, want op dit hele gebied pretendeerde het rechten te hebben. Bij deze stukken bevindt zich een vidimus 10 van de uitgiftebrief van 1415, uitgegeven in het jaar 1450. 11 Dit zou er op kunnen wijzen, dat de kwestie tussen het kapittel van Tholen en de heren omstreeks 1431 nog geenszins was opgelost, doch hangende is gebleven tot 1450 toe, mogelijk zelfs nog langer. Uit andere gegevens is namelijk gebleken, dat de bedijking van de Kerkpolder, waarvan het eerste plan misschien in de bekende acte van Gillis van Wissenkerke uit 1433 besloten lag, pas tussen 1450 en 1460 haar definitief beslag heeft gekregen. Het dorp Oud Vossemeer en derhalve de kerk liggen in het midden van de Kerkpolder. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat beide gesticht zijn, toen de polder beschermd was, dat wil zeggen, toen de zeedijk rond was. De eerste vermeldingen van de Kerkpolder komen tussen 1450 en 1460 voor; daarvan kan met enige redelijke zekerheid worden afgeleid, dat de eerste kerk van Vossemeer omstreeks 1450 is gebouwd.

ROOMSE PERIODE
Volgens Ermerins stichtte Aegidius van Wissenkerke, doctor in de rechten, in het jaar 1452 een kapel in Vossemeer, welke later de parochiekerk zou zijn geworden. Vermoedelijk is dit niet juist en moet Aegidius als de stichter worden beschouwd van de St. Anthoniuskapel, op of aan de dijk tussen de Hikke en de Broekpolder gelegen. Deze kapel is waarschijnlijk genoemd naar de patroonheilige van diens vader Anthonis van Wissenkerke, die toentertijd als voorzitter van de commissie uit de heren de ambachtsheerlijkheid met krachtige hand bestuurde. Zeer goed mogelijk is overigens, dat deze kapel tijdelijk als kerk of parochiekerk gediend heeft, in afwachting van de totstandkoming van de kerk van Vossemeer, wier stichting in 1452 zeker al in het plan lag.
Volgens de gegevens van het dekenaat Hilvarenbeek was er in 1436 al een kapel in Vossemeer; 12 hiermede kan de latere parochiekerk niet zijn bedoeld, daar de plaats van dorp en kerk nog niet was ingepolderd.
Tegen het einde van de 15e eeuw ontstond er een diepgaand geschil tussen de kapittels van Bergen op Zoom en van Tholen en de ambachtsheren over de tienden van de nieuwe landen. Deze geschillen worden uitvoerig in de hoofdstukken over de heerlijkheidsrechten behandeld. Hier is het dienstig daarnaar te verwijzen, omdat er verscheidene bijzonderheden in voorkomen over de toen geldende kerkelijke verhoudingen. Omstreeks deze tijd beginnen de notulen van de herenvergaderingen en zijn andere stukken bewaard gebleven die, zij het slechts fragmentarisch, gegevens over de kerk bevatten.
In 1492 bepaalden de heren, dat de pastoor het 100e gemet in nieuwland kreeg, zoals in heel Zeeland gebruikelijk was. 13 Dit werd beschouwd als de afkoop van de tienden, die vanouds als een kerkelijk recht beschouwd werden. Als pastoor fungeerde in 1493 Johannes Witsen; 14 hij was meer dan 50 jaren oud. 15 Hoe lang hij al in Vossemeer stond, is niet bekend. In 1498 stichtte hij, als vicaris van de kerk van Schakerlo, het St. Hubertusaltaar in de kerk van Tholen met 13 gemeten land. Zijn grafsteen in de kerk van Tholen vermeldt, dat hij op 14 november 1499 is overleden. 16 Naast de pastoor waren nog twee andere priesters aan de kerk verbonden: Willibrordus Johannis, die in 1493 de ouderdom had van 38 jaren, 17 en de koster en priester Martinus Cornelii. 18
Voor het eerst (althans voor zover bekend) benoemden de heren in 1504 de kerkmeesters. 19 Uit de resolutie is evenwel niet op te maken, of dit een nieuwigheid was, zodat het wel waarschijnlijk is, dat er al langer kerkmeesters in opdracht van de heren fungeerden. In hetzelfde jaar zijn rondom of aan de kerk straten aangelegd. In 1510 droegen de heren de kerkmeesters op, de vergroting van de kerk voor te bereiden en daartoe hout, steen en andere materialen aan te kopen, daarvoor de kasgelden te gebruiken en vooral in te vorderen wat nog open stond. 20 Dat deze verbouwing is doorgegaan, kan misschien worden afgeleid uit het feit, dat de heren in 1512 een persoon de boete oplegden een venster in de kerk te laten maken. Hij moest de kosten rechtstreeks aan de glasmaker voldoen. Daar hij niet prompt aan het bevel had voldaan, herhaalden de heren in 1513 het vonnis. In een marginale noot heeft de rentmeester bijgeschreven, dat de penningen binnen de gestelde termijn werden betaald. 21
Op 25 juni sloten het kapittel van Tholen en de heren van Vossemeer over de kerk een accoord, dat door de kerkmeesters was gevraagd. Van alle landerijen
De kerk te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

De kerk te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968

zou op elk gemet twee groten vlaams gegeven worden tot “edificatie” van de kerk. Dit zou voor drie jaar gelden. De bouw en de vergroting van de kerk was klaar gekomen, doch zij had een schuld met zich gebracht, die op deze manier werd afgelost. 22 In 1543 werd Simon Jacobs door de heren veroordeeld om een boete van 2 pond was voor de kerk te geven. 23 Het was in die tijd een geheel normale zaak, dat de rechtspraak aan de kerk “de kruimels van de tafel” toespeelde.
Een ander “rooms” stempel is in deze tijd op Vossemeer gedrukt door het landbezit van verschillende kloosters. Zo bezat net St. Ursula-klooster van Delft er ruim 11 gemeten land; de Karthuizers van Delft 61 gemeten; het St. Agnietenklooster van Delft 16 gemeten; de Karthuizers buiten Zierikzee 26 gemeten; het St. Margrietenklooster van Bergen op Zoom 31 gemeten; het altaar van St. Gertrudis in Oud Vossemeer 24 gemeten; de kerk van Vossemeer 33 gemeten.

Dit bezit is nadien verloren gegaan. In sommige gevallen hebben de kloosters het tijdig van de hand gedaan; een belangrijk deel ervan is tijdens de invoering van de hervorming in beslag genomen Tot circa 1550 toe is er in de stukken van Vossemeer niets te vinden over enige poging tot invoering van de reformatie. Wel bevatten de stukken van ná 1530 hier en daar zwakke aanwijzingen, dat de heerlijkheid niet langer een rimpelloze vijver was, doch de dan voorvallende beroeringen hebben meer op het terrein van de politiek en de oorlog gelegen dan in de religie. De godsdienstkwestie stak pas veel later de kop op. Het is niet op een jaar na nauwkeurig te zeggen, wanneer in het dorp en de heerlijkheid de reformatie haar beslag kreeg, doch dit ligt eer tegen het einde dan in het begin van de tweede helft der 16e eeuw. Enigszins opmerkelijk is de rol, die de heren van Vossemeer in deze zaak hebben gespeeld. Terwijl het wel waarschijnlijk is, dat de meesten van hen vrij vlug tot de reformatie zijn overgegaan, hebben zij, voor zover uit de stukken blijkt, de magistraat en de bewoners van de dorpen op dit punt geen enkel directief gegeven. Hoe het in de persoonlijke verhoudingen heeft gelegen, valt niet te zeggen. Waarschijnlijk is van de heren persoonlijk geen invloed uitgegaan, daar de meesten van hen geen contacten in Vossemeer hadden. Uit de stukken blijkt integendeel helder, dat het bestuur van de heerlijkheid de reformatie, die uiteindelijk toch kwam, niet van bovenaf heeft opgelegd. In Vossemeer is zij in de boezem van de gemeente zelf ontstaan, zeer sterk bevorderd door sommige roomse priesters, die ofwel niet langer rechtzinnig waren, ofwel door een totale afwezigheid van tact en beleid de oude religie veel schade deden. Het kan dienstig zijn met nadruk op de neutraliteit van de heren te wijzen, daar het traditionele beeld, dat voorheen van reformatie en contra-reformatie gegeven werd, behoefte heeft aan diepgaande correcties, die hoewel zij dikwijls tot op de draad vals waren, ons volk in een dwaze en tragische versplintering hebben gebracht. Dat er over de periode van de Tachtigjarige Oorlog en zijn nasleep twee radicaal afwijkende voorstellingen bestaan, het roomse en het reformatorische “image”, zou ons het vertrouwen in de objectiviteit der historische wetenschap eigenlijk geheel moeten ontnemen.
In 1557 protesteerden de heren van Vossemeer tegen een daad van de baljuw van Tholen, die met zijn dienaren een zekere Jan Huijsken, onderdaan van Vossemeer, gevangen had genomen en in de stad Tholen opgesloten hield. Een bijkomende zaak was, dat de schutters van Tholen vee hadden gevangen, dat aan inwoners van Vossemeer toebehoorde. Tot hiertoe lijkt het een vrij simpele zaak. Het protest van de heren was opgemaakt door Jan Paschasius, deken van Tholen, die zich elders 24 pauselijk en keizerlijk notaris noemt, of openbaar notaris in de Grote Raad van Mechelen. 25 Dit stuk werd aan de boden en schutters van Tholen geïnsinueerd; deze antwoordden van niets te weten. Toen de baljuw van Tholen over deze zaak werd aangesproken, gaf hij als repliek, dat hij en zijn dienaren nergens van wisten; wel herinnerde hij zich, dat de rentmeester Jan Jans het ook al over deze zaak had gehad. 26 Daar de deken van Tholen naar Vossemeer reisde, om het stuk op te stellen, heeft de kwestie waarschijnlijk wel verband gehouden met de geestelijke jurisdictie, al blijkt dit niet expliciet uit de stukken zelf. De baljuw antwoordde, dat de zaak van Huijsken zelfs hem niet aanging, doch alleen de keizer. Het zou echter niet behoeven te verbazen als de juiste toedracht was, dat deken Jan Paschasius zich weer eens bemoeid had met aan hem en aan zijn ambt vreemde zaken. Op deze manier immers heeft hij de magistraat van Tholen meermalen tegen zich in het harnas gejaagd.
Uit enige baljuwrekeningen zijn nauwkeuriger gegevens te putten. Tussen 1555 en 1557 werden 16 personen uit het land van Vossemeer verbannen, 27 zonder dat hen een andere straf werd opgelegd. Vrijwel zeker waren dit sympathisanten van de nieuwe religie of vreemdelingen, die ongewenste propaganda maakten. Hierop wijzen trouwens de plaatsen van hun afkomst. Het waren: Pieter Speck van Mechelen; Lambrecht Janss van Houte; Pier Pointen uit Aken; Everaert Vaken van Mechelen; Claes Pieterse van Oudenbosch; Hans van Diest; Conraedt Eijdeman van Bousele; Hans Hermans; Jan Wouters; Theeuwes Joosd van Bale; Hanne Lauwereijs van Ghele; Otto Anthonis van Oyen; Pieter Jans van Mechelen; Veraert. In de baljuwrekening van 1557/58 28 staan vier personen genoteerd, die in Vossemeer gevangen hadden gezeten, de een langer dan de ander: Hans Croel, Anthuenis Janss uit Walcheren; Coman Jan uit Sommelsdijk; Gillis Gilless van bij Gent. Uit een en ander blijkt, dat de reformatie wel een ernstige “aanval” op Vossemeer heeft gedaan, doch dat het bestuur op dat tijdstip de zaak nog stevig in de hand had. De nieuwlichters werden in de gevangenis geworpen; daarna zonder veel omhaal het land uitgezet. Tot kerkelijke processen schijnt het met boven genoemde personen niet gekomen te zijn.
Enige jaren nadien was Vossemeer in groter beroering. In 1560 waren “excessen” voorgevallen en dreigde het te gebeuren, dat de officiaal van het bisdom Luik een formeel kerkelijk proces zou openen tegen sommige inwoners. Op verzoek van Jan Janssen en Mr. Jacob van Gelre, oud-rentmeester en rentmeester van de heerlijkheid, kwam Jan Paschasius, deken van Tholen, 29 op 21 november 1560 naar Vossemeer. Hij beloofde alle moeite te doen, om in Luik het proces te doen seponeren. Allereerst verlangde hij, dat de baljuw en het gerecht hem de berechting overlieten van alle excessen, overeenkomstig zijn commissie en het goedvinden van de pastoor van Vossemeer. In het uitvoeren van eventuele vonnissen moest het gerecht met alle middelen helpen. Terstond zou men de wereldlijke koster ontslaan en in zijn plaats een priester aanstellen, die alle inkomsten en Missen genieten zou, zoals heer Trudo die voorheen had gehad. Het gerecht nam deze voorwaarden aan en verbond zich, op de eerstvolgende herenvergadering de goedkeuring van de heren erop te vragen. 30 Door bet ontbreken van de notulen is de reactie van de ambachtsheren niet bekend. Het feit, dat nadien een priester de kosterij heeft bediend, kan een aanwijzing zijn, dat het accoord inderdaad is uitgevoerd.
Geheel sympathiek is de rol niet, die Paschasius zich hier had toebedacht. Uit het stuk treedt een eerzuchtig man naar voren, die de geestelijke rechtsmacht tot zich wil trekken, en die niet schroomt van een penibele situatie gebruik te maken om zijn kapittel een materieel voordeel te verschaffen. Strikt genomen, had hij niet eens de bevoegdheid zich de berechting van ernstige feiten op het punt van de leer en de kerkelijke tucht voor te behouden. Later heeft Paschasius zich ontpopt als een aanhanger van de nieuwe leer. In 1565, toen de stad Tholen nog in de oude religie stond, begaf de burgemeester zich naar Brussel met een request over de uitoefening van de godsdienst. De regentes had al eerder Jan Paschasius als deken afgezet; hem was de stad en geheel haar jurisdictie ontzegd. Op het punt van het geloof was hij op dat tijdstip nog niet ernstig verdacht, doch door zijn chicanes en inmenging hinderde hij het stadsbestuur zeer. Paschasius was naar Oud Vossemeer uitgeweken, vanwaar hij de gemeente Tholen even onrustig hield, alsof hij nog in de stad was. In 1566 keerde hij naar Tholen terug, waar hij blijkens verschillende stukken 32 tot 1572 of 1574 weer als deken van het kapittel fungeerde. In 1574 is hij definitief als deken ontslagen, wat in feite niet veel betekende, daar het kapittel als zodanig niet meer bestond. De meeste geestelijken verlieten in 1578 of 1579 de stad; enkele leden van het voormalig kapittel zijn achtergebleven, doch het is niet bekend, of zij dienstdoende priesters dan wel reeds afgevallen waren. 33
De nieuwe organisatie uit 1559 van de kerkelijke hiërarchie in de Nederlanden, waarbij het nieuwe bisdom Middelburg werd opgericht, schijnt in Tholen en Vossemeer niet zonder moeilijkheden te zijn doorgevoerd. In de jaarvergadering van 1563 kwamen de gecommitteerden van Nicolaas de Castro, de nieuwe bisschop van Middelburg, naar de heren van Vossemeer, doch deze hadden zoveel bedenkingen, dat een accoord pas op 17 juli 1565 werd bereikt. 34 Als eerste punt van de overeenkomst beloofde De Castro, in het land van Tholen een geestelijke rechter te zullen aanstellen, die er de jurisdictie zou uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de uitgiftebrieven. De inwoners mochten niet gedaagd worden buiten het land. In dit verband werd verwezen naar een uitspraak van het jaar 1438, waarin bepaald was, dat die van Dreischor slechts voor hun eigen hoogaltaar gedagvaard mochten worden. Nog andere details werden geregeld, waarop niet ingegaan behoeft te worden. Het stuk was reeds bij zijn opstelling voor een groot deel fictief en speculatief, in de korte tijd, dat het bisdom Middelburg heeft bestaan (tot 1574), heeft het niet kunnen verhinderen, dat de band tussen Vossemeer en de roomse kerk verbroken werd.

Tegen het midden van de 16e eeuw was Pieter Hendrikszoon Block pastoor van Vossemeer. Hij kocht 60 gemeten vroonland van Jan van Bloys, heer van Treslong. Aan de kerk van Vossemeer schonk hij een legaat, waaromtrent in 1576 een overeenkomst werd gesloten. 35 Hij is vermoedelijk in 1565 overleden. Na hem heeft Jan Paschasius een tijdlang het pastoraat bediend. In 1572 stond Mathias Hulsel als pastoor te Vossemeer, die af en toe bij de feestelijke diensten in de kerk van Tholen assistentie verleende door het blazen van de “bascouter”. 36 Nog enkele decennia lang heeft de roomse religie zich in Vossemeer gehandhaafd. Heer Trudo Luijten verzorgde elk jaar de missen en de jaargetijden van de armen, terwijl de pastoor regelmatig betaling kreeg voor de jaargetijden en de Gulden Mis. 37 Heer Trudo trad eveneens als chirurgijn van de armen op; hij “meesterde” de hand van Soete Jans. 38 In 1567 verklaarden de schepenen op zijn verzoek, dat hij 10 of 11 jaren kapelaan en koster was geweest en dat hij nog dagelijks in de gemeente een goed voorbeeld van soberheid gaf. In de tijd van de beeldstormerij had hij de kelken, cibories, het zilverwerk, de ornamenten en het lijnwaad aan de baljuw overgedragen, daar het in diens handen beter bewaard was dan in de kerk. Deken Paschasius ontving in 1567 van de ambachtsheren een betaling voor zijn “getrouwe diensten” in de afgelopen “periculose tijd” geleverd. 38a In dat zelfde jaar heeft bisschop Lindanus Vossemeer bezocht; het doel van dit bezoek is niet bekend. Blijkens de rekeningen van 1569/70 en 1570/71 was deken Paschasius in dat jaar (misschien al vroeger, doch dan is slechts van “de pastoor” sprake) pastoor van Vossemeer. 39 In een stuk van 1570 noemt hij zich trouwens deken en pastoor van Vossemeer. 40 In Vossemeer heeft hij zich in allerhande zaken ingedrongen. In 1571 hoorde hij met een heer van Vossemeer, met de kanunnik Hendrik en met de baljuw de rekening af van de H. Geest-meesters, 41 een zaak waar andere pastoors van Vossemeer zich nooit in gemengd hadden. Hiermede gaat hij nog door in 1573. 42 Doch enige tijd later verschijnt de pastoor niet meer bij deze afhoring. In 1571 bracht de pastoor het H. Sacrament naar een zieke jongen; 43 in de jaren daarna celebreerde hij nog de jaargetijden voor de H. Geest-armen. 44 In 1575 blijkt Trudo door heer Jacob te zijn vervangen. 45 Op 29 juli 1574 had heer Trudo, afkomstig van Meerhout, in het bijzijn van pastoor Assuerus Jacobszoon van der Heijst, zijn testament gemaakt. Na een schenking aan de kerk van Tholen gaf hij zijn luttele goederen aan twee inwoners van Vossemeer.
Kort nadien moet hij overleden zijn, daar de domeinrekening van 1574/75 van zijn “nazaat” spreekt. Uit de liturgische details is het wel duidelijk, dat op dit tijdstip de priesters van Vossemeer nog geheel volgens de roomse ritus officie deden. Het bestuur van de ambachtsheerlijkheid volgde nog deze lijn. In 1568 geboden de heren, dat niemand onder de hoogmis mocht “mennen” (met wagens rijden). Het verbod toont trouwens aan, dat het wél gebeurde! De inwoners werd verboden hun kinderen buiten de parochie te laten dopen. 46 Dit laatste was trouwens een oud en algemeen gebod. Vroeger was het gegeven voor het handhaven en veilig stellen van de rechten van de pastoor, doch nu was het voorschrift duidelijk tegen de nieuwe leer gericht. Het volgend jaar werden twee mannen, die “ongehuwd” (lees: niet voor de pastoor getrouwd) met vrouwen samenwoonden, volgens de rechtsvoorschriften vervolgd. 47 Door de inpoldering van Vogelenzang was de oude verbinding tussen Nieuw en Oud Vossemeer zeer moeilijk geworden, zodat de bewoners van Nieuw Vossemeer in 1571 de gehele winter niet naar de kerk hadden kunnen gaan. Dit was voor de heren aanleiding een behoorlijke som uit te trekken voor de aanleg van een nieuwe veerdam. 48
In het jaar 1576 treden er duidelijke veranderingen op. Dan worden geen ontvangsten meer geboekt voor de H. Geest uit de offeranden tijdens de Missen op de feestdagen; 49 blijkbaar werden de missen niet meer gecelebreerd. Wel ontvangt de pastoor nog zijn stipendium voorde jaargetijden van de H. Geest-armen; ook deze post is het volgend jaar geschrapt. 50 Toen was er alleen met Pasen een collecte voor de armen geweest. Waarschijnlijk is Jan Paschasius of een andere pastoor rond dit tijdstip geheel naar de reformatie overgestapt en is de roomse eredienst geheel verlaten, terwijl de pastoor en de gelovigen in hun hart al langer hervormd waren. Het is niet bekend, hoelang Paschasius nog als pastoor in Vossemeer heeft gezeteld. In 1596 was hij weer in de stad Tholen terug, waar hij in een pijnlijk conflict met het stadsbestuur verwikkeld was over de afrekening van het kerkzilver, dat in 1581 in Antwerpen was verkocht. In 1590 betaalde hij zijn poorterschap aan de kerk van Tholen. Na zijn overlijden in 1603 is hij in de kerk van Tholen begraven. 51
De reformatie heeft in Vossemeer in 1577 haar volle beslag gekregen. Mogelijk heeft daar sterk het feit aan medegewerkt, dat het dorp in 1576 geheel is afgebrand. Ook de kerk was zwaar beschadigd; er kon geen dienst meer worden gedaan. Misschien zijn de priesters mét het merendeel van de bevolking vertrokken. Op 15 juni 1578 machtigde heer Lieven Laureijs, pastoor van Tholen, die ook als pastoor van Vossemeer optrad, een bode om de achterstallige pachten der kerk van Vossemeer te innen. Op 17 april 1577 ging de stad Tholen naar de prins van Oranje over. In de acte van pacificatie werd weliswaar de status-quo gehandhaafd, d.w.z. de continuatie van de roomse eredienst gewaarborgd, doch dit was een loos gebaar, daar de feitelijke toestand al geheel anders was. In 1577 beslisten de heren, dat de rekeningen van de kerkmeesters voortaan door de baljuw en het gerecht zouden worden afgehoord. 52 Hierdoor werd de bevoegdheid van de pastoor en indirect die van het kapittel van Tholen terzijde gesteld. Vermoedelijk hebben de heren in dit geval geen maatregel opgelegd, doch hun sanctie gegeven aan een beslissing, die in de gemeente zelf genomen was. Ook aan andere kleine details is te zien, dat de heren het laïceringsproces niet in het leven hebben geroepen, doch dat zij het slechts bevestigden.

Het jaar daarna verbonden zij zich tot het onderhouden van een vroeger accoord met het kapittel van Tholen, verwijzend naar een uitspraak van 11 maart 1443, om 31 pond vlaams per jaar te betalen voor het instandhouden van de kerk. Het kapittel had daartegenover op zich genomen een “nut en bekwaam man” als pastoor aan te stellen. De gecommitteerden van de heren in de zaken van de ingelanden zouden erop toezien, dat het salaris van de pastoor voldoende was, want de heren wilden “nut en bekwaam” ook in deze zin opvatten, dat de pastoor een passend onderhoud uit zijn ambt mocht hebben. 53 Dit besluit wijst er geenszins op, dat er weer een roomse pastoor fungeerde; de pastoor, voormalig kanunnik van Tholen, was vermoedelijk al naar de nieuwe leer overgegaan. De vroegere financiële verhouding tussen de ambachtsheerlijkheid en de kerk werd bekrachtigd; in feite is zij op de nieuwe toestand van toepassing verklaard.
Dit was echter niet naar de zin van de Staten van Zeeland, die inmiddels een kantoor voor de geestelijke goederen hadden opgericht, waarheen alle inkomsten van de opgeheven kerken en kloosters dienden te vloeien. Joost van Zuidland, op 23 augustus 1578 tot rentmeester van dit kantoor benoemd, was fel op het achterhalen en innen van deze gelden; hij bedreigde de rentmeester van Vossemeer met gijzeling. De heren vatten deze vordering op als een schending van hun privilege; in de uitgiftebrief was hun immers het kerkrecht verleend. Over de zaak zelf openden zij een proces tegen de Staten van Zeeland. Zij droegen enkele medeheren op, met de Staten in overleg te treden, teneinde te trachten tot een redelijk en billijk accoord te komen. 54 Het verzet heeft niet gebaat; met ingang van het jaar 1580 betaalden zij aan het geestelijk kantoor wat zij voorheen aan het kapittel van Tholen gaven. 55 Nu wilden de heren tenminste de roerende goederen van de kerk veilig stellen; in 1580 kreeg de baljuw opdracht te onderzoeken, welke dit waren. 56 Doch ook ditmaal waren de heren te laat, daar de Staten van Zeeland de kerkmeubelen in beslag hadden genomen. De rentmeester ontving opdracht, de inventaris ervan zien te krijgen en deze in de herenkist te leggen, zodat de heren houvast hadden, als zij een actie wilden beginnen; een protest werd terstond ingediend. 57 Het verkrijgen van die inventaris schijnt geen eenvoudige zaak te zijn geweest; enige jaren wordt die opdracht herhaald, 58 doch in 1584 is zij in het vergeetboek geraakt. Zo is de rechtstreekse zeggenschap van de heren over de kerk vrij abrupt geëindigd. Daarna is een nieuw tijdperk aangebroken, waarin de heren van Vossemeer, voor het merendeel zelf hervormd geworden, de heerlijkheid overeenkomstig de voorschriften en verlangens van de ‘heersende religie’ hebben bestuurd.
Er zijn aanwijzingen, dat de reformatie het eerst vaste voet heeft gekregen in Nieuw Vossemeer. Als de baljuw klaagt, dat de “disobediëntie” op de Brabantse oever groter is, zou dit nog kunnen betekenen, dat de burgerlijke gehoorzaamheid aan de wetten en voorschriften te wensen overliet in het gebied, dat het verst van het centrum van het gezag lag. Duidelijker wordt het evenwel in 1574. Dan worden drie personen door het gerecht van Vossemeer vervolgd, omdat zij hun doden begraven zouden hebben in ongewijde aarde, wat als een demonstratie tegen de roomse kerk werd opgevat. Het waren: Adriaan Padmos, Willem Zoeters en Wouter Marcelis. De afloop van deze zaak is onbekend. Het is overigens wel te begrijpen, waarom de reformatie het eerst in Nieuw Vossemeer wortel schoot. Dit gebied stond van nature aan een veel groter invloed van buiten bloot dan het vrij besloten land van Oud Vossemeer. Bovendien viel in de kritieke jaren de inpoldering van Nieuw Vossemeer en de stichting van het dorp, waardoor veel vreemde elementen werden aangetrokken. Des te merkwaardiger is het, dat Nieuw Vossemeer na de herstichting van het dorp omstreeks 1610 overwegend katholiek werd.


HERVORMD VOSSEMEER
Toren van de Ned. Herv. kerk van Oud Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

Toren van de Ned . Herv . kerk van Oud Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968

Na 1580 is de verhouding tussen de heren en de kerk geheel anders geworden. Enerzijds hadden de heren de plicht, de hervormde godsdienst te beschermen en de andere religies tegen te gaan, doch over de kerk als zodanig hadden zij niet veel zeggenschap meer. Zijdelings konden zij op de gang van zaken nog wel enige invloed uitoefenen, daar zij zich rechtens konden doen vertegenwoordigen in de collegia qualificata tot het beroepen van predikanten en medespraak hadden in het benoemen van de kerkraden. De schoolmeesters benoemden zij zelf. Oud Vossemeer is waarschijnlijk mét zijn pastoor hervormd geworden. Vrijwel overal leest men, dat Nieuw Vossemeer katholiek is gebleven. De feiten met betrekking tot dit dorp liggen evenwel enigszins anders. Tengevolge van de oorlogsomstandigheden zijn de polders en het dorp van Nieuw Vossemeer in 1583 verloren gegaan; het dorp is enige decennia lang geheel ontvolkt geweest. Nadat in 1609 de herdijking had plaats gevonden en het dorp was hersticht, hebben er zich voornamelijk mensen en gezinnen uit Brabant gevestigd, die katholiek waren. De heren van Vossemeer hebben in dit opzicht geen enkele discriminatie toegepast. Waarschijnlijk mogen we hun beleid in deze niet aan een liberaliteit toeschrijven, doch eer zien als een gevolg van de toen heersende moeilijke omstandigheden. De herbevolking van Nieuw Vossemeer is niet vlot verlopen, zodat de heren al blij waren met elke candidaat voor de erven van het dorp. Over zijn religie is niet gesproken. Gezien de tweeslachtigheid van Nieuw Vossemeer, dat institutioneel tot Zeeland doch geografisch tot Brabant behoorde, lag het wel voor de hand, dat het nieuwe dorp vanuit Brabant werd bevolkt.
Een feit is, dat de heren van Vossemeer zich na de invoering van de hervorming lange tijd in het geheel niet met de zaken van de kerk bemoeid hebben. Tegen het einde van de roomse periode was het handhaven van het strikte kerkrecht in onbruik geraakt. De nog roomse wereldlijke heren, die voorheen het patronaats- of collatierecht hadden uitgeoefend, kwamen vanzelfsprekend niet in aanmerking voor het vergeven of bekrachtigen van ambten in de hervormde kerk. De hervormde heren werden zoveel mogelijk tegengewerkt, indien zij rechten wilden doen gelden over roomse ambten. Bij de meeste van hen bestond overigens een sterke neiging, om zich bij de begeving van kerkelijke ambten afzijdig te houden. In dit verband is het misschien nuttig op te merken, dat de heren van Vossemeer zich op het tijdstip, dat de politieke en godsdienstige twisten een hoogtepunt bereikten, afzijdig hebben gehouden en hun energie gebruikten voor de grote inpolderingen van Nieuw Vossemeer. Dat symptoom van afzijdigheid (of is het tegenzin geweest?) der ambachtsheren in kerkelijke zaken is trouwens in meer ambachtsheerlijkheden te zien. Zo konden de Staten van Zeeland in het jaar 1649 constateren, dat het patronaatsrecht in de provincie feitelijk niet meer bestond, doch dat alle beroepingen geschiedden volgens de vastgestelde kerkordening. De Middelburgse synode had in 1691 voorgeschreven, dat bij het beroepen van een predikant de kerkeraad en de diakens de magistraat moesten verzoeken, samen een gemeenschappelijk college te vormen, om gezamenlijk met goedvinden van de classis tot een verkiezing over te gaan. De gecommitteerden van de magistraat noemde men de “politieke personen” Over de omvang van deze afvaardiging is wel eens kwestie geweest; gebruikelijk was, dat de magistraat, in casu de ambachtsheren, twee personen zonden. In de eerste helft van de 17e eeuw lieten de heren van Vossemeer vrijwel alle zaken van de kerk aan zich voorbijgaan. Bij gebrek aan gegevens kan men naar de juiste reden hiervan slechts gissen.
In de bronnen wordt in 1593 voor het eerst een predikant in Vossemeer genoemd. In 1586 kwam een soldaat met de predikant naar de armmeester om een aalmoes te krijgen. 59 Dit is een aanwijzing, dat de predikant al veel in het dorp te vertellen had. In 1593 was de helft van de godspenningen bij de verpachting van de generale middelen voor de predikant bestemd. 60 De heren gaven weer directieven voor het afhoren der rekeningen van de kerkmeesters en de H. Geestmeester; in 1602 droegen zij dit werk aan de magistraat op. Als er in Nieuw Vossemeer een kerk is gesticht, wordt dit voorschrift ook tot deze kerk uitgebreid. 61 Bij tijd en wijle verleenden de heren subsidies aan de kerken; zij legden er echter vrijwel elke keer de nadruk op, dat dit geheel vrijwillig geschiedde en dat zij er op geen enkele manier toe verplicht waren. 62 Bij het verzetten van de kerkeraden moesten gecommitteerden van de heren aanwezig zijn. 63 Op verzoek van de predikant beslisten de heren in 1710, dat de (losse) inkomsten van de armen gelijk verdeeld moesten worden tussen de grote armen en de diaconie. 64
Toen de ambachtsheren in de tweede helft van de 17e eeuw probeerden het verloren terrein te herwinnen, waren de kerkeraden niet altijd even gewillig; dikwijls hebben zij de inmenging van de heren afgewezen. Vooral in het financiële vlak was vlug een conflict geboren. De heren van Vossemeer schreven in 1757 aan de kerkeraden voor geen gelden op hypotheek meer uit te zetten. Hierdoor gevoelde de kerkeraad van Oud Vossemeer zich danig in zijn eer aangetast. Namens de kerkeraad stuurde Ds. Guarnerus Soetens een geschrift in onder de titel “Zedige aanmerkingen”, waarvan de vlag echter niet de lading dekte. 65 In hoogdravende bewoordingen werpt de predikant op, dat hij en de kerkeraad zich ernstig beledigd gevoelen door dit voorschrift, waardoor hun tot heden gevoerde financiële beleid werd afgekeurd. De heren antwoordden rustig, dat het nimmer in hun bedoeling had gelegen hen te beledigen, doch dat zij verplicht meenden te zijn een richtlijn te geven. Ds. Jacobs de Vos, predikant van Nieuw Vossemeer, verzocht de heren het gewraakte besluit in te trekken, doch zijn verzoek werd afgewezen. Het heroveren van de bevoegdheden is niet altijd van een leien dakje gegaan. Dit wordt wel duidelijk uit de enigszins bittere resolutie van de heren van het jaar 1675, waarin zij zich voornamen zich te bezinnen op middelen, om de predikanten tot hun plicht te brengen.
De verhouding van de heren tot de roomsen, die zij sinds het jaar 1612 in een aanzienlijk aantal in hun heerlijkheid hadden of kregen, vertoont een merkwaardige sereniteit. In 1638 huurde Cornelis de Heerde het veer aan het Botshoofd. Zolang de retorsie duurde, moest hij 8 pond per jaar betalen, doch, zegt de resolutie keihard, hij moet 15 pond betalen, als een pastoor of kapelaan zich in Halsteren vestigt! Met andere woorden: dan loopt zijn klandizie aanzienlijk op, en is het billijk, dat hij méér betaalt. Strikt genomen, hadden de heren het gebruik van het veer om naar de Mis te gaan moeten verbieden; volgens een plakkaat van de Staten van Zeeland moest met alle middelen verhinderd worden, dat de veren voor dit doeleinde
Koperen kroon uit de kerk van Oud Vossemeer, geschonken door de schoolmeester Pieter van ‘t Rosevelt. Foto 1968.

Koperen kroon uit de kerk van Oud Vossemeer, geschonken door de schoolmeester Pieter van ‘t Rosevelt. Foto 1968

werden misbruikt. Doch zij verdienden liever een paar pond dan de roomsen dwars te zitten. In 1704 kreeg de baljuw opdracht de al te grote vrijheid van de roomsen in te tomen. 67 Ook dit was een voorschrift, de ambachtsheren voorgekauwd door de Staten Generaal, dat zij voor de vorm wel moesten uitvoeren. Een rapport hierop is niet binnengekomen, waaruit wel blijkt, dat de heren de zaak niet hoog opgenomen hebben. In 1761 ontboden de heren van Vossemeer de pastoor van Halsteren. Hij verleende steun aan een roomse vrouw, die met de gereformeerde Nicolaas de Min was gehuwd, en die haar kinderen volgens zeggen van de magistraat “met geweld” rooms opvoedde. De heren droegen het dorpsbestuur op, de vrouw aan te zeggen, dat zij op straffe van verbanning de kinderen gereformeerd moest opvoeden. Van deze gelegenheid maakten de heren gebruik om voor te schrijven, dat in het vervolg vreemde lieden slechts met hun voorkennis toegelaten mochten worden. 68
Deze drie onbetekenende feiten,waarvan het eerste zelfs een geheel averechtse strekking en daarom een vermakelijke kant heeft, vormen de enige punten, waarin de heren tegen de roomsen zijn opgetreden. Dat wil nog niet zeggen, dat de roomsen in de heerlijkheid volle vrijheid hadden. In 1764 werd Willem Berkmans uit Nieuw Vossemeer beboet, omdat hij niet voor de predikant was gehuwd. De kerkarmen kregen 33 gulden en 6 stuivers, een derde deel van de boete, die 100 gulden bedroeg, wat niet mis was. 69
De protesten van de heren van Vossemeer tegen de inbeslagneming van de inkomsten en de meubelen der kerk tonen aan, dat zij zich tegen het einde van de 16e eeuw nog als de ware eigenaars van het kerkgebouw beschouwden. Na de invoering van de reformatie schijnt de kwestie van de eigendom nimmer formeel aan de orde geweest te zijn gesteld, ofschoon het welde algemene practijk was, dat de hervormde gemeenten het recht op het kerkgebouw staande hielden, terwijl in de meeste gevallen de burgerlijke gemeente als de eigenaar van de toren werd beschouwd.
In het begin van de 17e eeuw liep er een gracht om de kerk. In 1602 gaven de heren voorschriften voor het onderhouden ervan; de inwoners moesten het deel tegen hun huis in orde houden. 70 Nadien is nog meermalen opdracht gegeven de gracht uit te diepen. 71 Soms betaalden de heren de helft van het werk. In 1757 bestond deze gracht nog. 72 Het tekent wel de situatie, hoe radicaal de heren buiten de kerk gedrongen werden.
Daar de Staten van Zeeland de inkomsten uit de geestelijke goederen aan zich getrokken hadden, en de kerk in zeer slechte staat van onderhoud verkeerde, droegen de heren in 1645 aan twee van hun medeleden op de rentmeester van de geestelijke goederen aan te manen de nodige herstellingen te doen. Ingeval deze moeilijkheden zou veroorzaken, moest de rentmeester de jaarlijkse recognitie voor de geestelijke goederen niet meer betalen. 73 Het archief vermeldt niet expliciet, hoe dit afgelopen is. Waarschijnlijk is het niet geheel volgens de wens van de heren verlopen; in 1647 verlengden de Staten van Zeeland het reeds eerder aan de magistraat verleende octrooi tot het heffen van een parochiecijns, 74 zodat het vrijwel zeker is, dat de gemeente zelf de kerk heeft moeten onderhouden. Na de hervorming hebben de heren van Vossemeer zich stelselmatig gedistantieerd van het onderhoud van de kerk; al zijn zij verschillende malen door het toekennen van subsidies de kerk te hulp gekomen.
In 1737 keurden zij goed, dat van de opbrengst der zilveren schilden van het voormalig gilde een koperen kroon voor de kerk gekocht zou worden. 75 In 1752 betaalden de heren de kosten van 12 nieuwe bijbels voor de magistraat, doch de rentmeester trok af wat de verkoop van de oude had opgebracht. 76
Na deze algemene inleiding worden de kerken en gemeenten van Oud en Nieuw Vossemeer afzonderlijk behandeld.

OUD VOSSEMEER
Als eerste predikant in Oud Vossemeer heeft Ephraim Dierkens gefungeerd, die al in 1583 als zodanig is opgetreden. Tevoren heeft hij wellicht als leenpredikant of rondreizend predikant dienst gedaan. Blijkens enige posten over de inrichting van de kerk en het luiden van de klokken heeft hij terstond na zijn aankomst bezit genomen van de kerk. Door een schot was het koor afgescheiden; de hervormde gemeente was nog zeer klein; in de rest van de kerk werd school gehouden. Bij zijn aanstelling is van hem geëist, dat hij één jaar school zou houden; Vossemeer had toen namelijk geen schoolmeester. Dierkens leefde op zeer slechte voet met zijn vrouw. Als hij haar boosaardigheid moe was, schopte hij een aarden pot stuk of koelde hij zijn woede op het haardvuur. Toen zijn vrouw op haar zoontje aan het schelden was, schopte Dierkens weer een pot stuk. De vrouw bekogelde hem met de scherven en een ketel water. De predikant vluchtte de straat op, waar zijn vrouw hem met de bezem achterna ging. Doch ’s avonds toen de ruzie weer oplaaide, tuchtigde hij haar met dezelfde bezem. ’s Morgens zei de vrouw: “Gij en sult mij niet meer slaan”, en vertrok naar Dordrecht. De classis zat met dit geval, dat in het dorp grote ergernis had verwekt, wel in zijn maag. De predikant en zijn vrouw werden veroordeeld tot een openbare belijdenis in de kerk, die inderdaad op zondag 21 juni 1587 is geschied. Daarna kregen zij een attestatie om naar elders te vertrekken. De magistraat en de ingezetenen wilden de predikant gaarne houden, doch de classis oordeelde het toch maar beter, dat Dierkens vertrok. Hij heeft nog tot september 1587 dienst gedaan. Tijdens zijn pastoraat werd het voormalige “Curenhuisje” hersteld aan de westzijde van de Ring gelegen, dat voorheen als huis van de priesters had gediend, maar in de brand van 1576 verloren was gegaan met uitzondering van één kamer.
Dierkens is in 1587 opgevolgd door Ds. Adriaan Alertsen, die in 1592 overleed. Op 8 februari 1593 is Ds. Tobias Damman, geboortig van Gent, in Vossemeer beroepen; op 4 april werd hij bevestigd. In april van het volgend jaar kreeg hij een beroep naar Ovezande, doch de classis wilde niet aan zijn losmaking medewerken, omdat hij nog te kort in Vossemeer was. Damman verklaarde, het beroep gaarne te willen aannemen, omdat in Vossemeer slechts weinig lidmaten waren en het niet te voorzien was, dat dit getal binnen afzienbare tijd zou aangroeien. In deze gemeente kon hij zelfs geen voltallige kerkeraad bijeenkrijgen. Aan het H. Avondmaal namen slechts 18 personen deel. In 1596 werd door de classis van Zuid Beveland andermaal beroep op Ds. Damman gedaan. Hij vertrok uit Vossemeer zonder de officiële losmaking te hebben verkregen; op 27 februari 1597 is deze alsnog verleend.
Ds. Gillis Cousant, die in Hulst stond en vandaar had moeten vluchten toen de stad aan de Spanjaarden kwam, nam op 15 october 1596 het beroep naar Vossemeer aan. Hij ging evenwel naar Waarde, waar hij eveneens beroepen was. Ds. Cornelis Boschart, die in Bergen op Zoom woonde,werd op 28 november 1596 te Vossemeer beroepen en op 11 december 1596 bevestigd. 77 Op 11 october 1602 kreeg hij ontslag; hij vertrok naar Lillo en Liefkenshoek. Blijkens een besluit van de heren was in 1605 Ds. Gerard Schepens predikant, 78 die in 1618 nog als zodanig wordt vermeld. In 1602 had hij van plaats geruild met de vorige predikant van Vossemeer. Door zijn toedoen werden in 1693 de kerk, de pastorie en school hersteld. In 1602 kreeg hij verlof, om voor de Franse soldaten, die in de omgeving van Vossemeer in kwartier lagen, kerkdiensten in het Frans te houden, wat hem een extra salaris van 100 gulden per jaar opleverde. Voor de kerk schafte hij een zandloper aan, die op de preekstoel stond. Volgens de Dordtse Synode van 1574 mochten de predikanten niet langer dan één uur preken; de predikant liet de gemeente de controle toe.

Vrij lange tijd bestaan er geen gegevens meer. In 1644 was Ds. Bursius predikant in Oud Vossemeer. 80 In dat jaar gaven de heren hem een stuk grond achter het herenhuis in erfpacht. Hij had een perceel grond in gebruik, dat zijn voorgangers al hadden. Een deel van de tuin van het herenhuis had hij betimmerd. Daar hij de pastorie had gekocht, kwamen de heren hem tegemoet door hem tegen een kleine cijns het stuk tuin af te staan. Het herenhuis en derhalve de belendende pastorie, stond toentertijd niet op de huidige plaats, doch aan de oostzijde van de Ring, naast de kerk. Van Ds. Bursius is verder niets bekend. Het is zelfs de vraag, of hij dienstdoend predikant van Vossemeer is geweest. Misschien heeft hij als emeritus of als predikant zonder standplaats in Vossemeer gewoond.
Nadien heeft Ds. Franciscus Manteau het ambt bediend. Hij was geboren in Poortvliet en was predikant op Zuid Beveland, toen hij naar Vossemeer beroepen werd. Bij zijn overlijden op 22 januari 1665 werd gezegd, dat hij de gemeente 46 jaren lang had gediend. Is dit juist, dan moet hij al in 1619 beroepen zijn. Na zijn dood is de gemeente tijdelijk bediend door de predikanten van Stavenisse en Steenbergen en door Ds. Livinus Becius, predikant van Nieuw Vossemeer. Deze was in Oud Vossemeer niet erg gezien. Toen hij op 14 juni 1665 in het dorp kwam om er een kerkdienst te houden, werd hij zeer kwalijk bejegend. Met de proponent Van Loo arriveerde hij bij de kerk. Daar hoorde hij, dat er die dag in Nieuw Vossemeer geen dienst zou zijn; klaarblijkelijk had iemand zich niet aan een afspraak gehouden. Dit wenste Becius niet te laten passeren; met zijn helper maakte hij rechtsomkeert. Onderweg werd hij aangehouden door de inwoners, die hem met felle woorden hard vielen over zijn besluit. De predikant liet zich aan het veer overzetten. De mensen dachten, dat hij nog niet over was, en onderzochten inderhaast en dreigend het huis van de veerman. Toen zij de predikant niet vonden, snelden zij naar het water en riepen: “Becius, Becius ende gij, Van Loo, komt weder, gij schelmen. Zo gij niet weder en komt, wij zullen u huis ende de secretarishuis omverre halen”. Het is moeilijk aan te nemen, dat deze baldadigheid
Café “De Ambachtsheerlijkheid” te Nieuw Vossemeer, ca. 1930. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Nieuw Vossemeer.

Café “De Ambachtsheerlijkheid” te Nieuw Vossemeer, ca. 1930. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Nieuw Vossemeer.

uit gods vrucht is voortgekomen. De heren droegen de baljuw op, de raddraaiers op te sporen en te straffen; zelf kreeg hij een stevige reprimande, omdat hij in deze zaak te slap was opgetreden. Voor het beroepen van een nieuwe predikant benoemden de heren enige leden uit hun midden, om zitting te nemen in het collegium qualificatum.
Het beroep werd uitgebracht op Ds. Carolus Manteau, een zoon van de vorige predikant. Daar er enige onregelmatigheden bij de verkiezing hadden plaats gevonden, keurde de classis dit beroep af en schreef een nieuw voor. Op 24 november 1665 is Ds. Aegidius Burs beroepen, die op 17 januari 1666 werd bevestigd. Hij was een broer van de baljuw David Burs. De naam van deze predikant roept de herinnering op aan ernstige conflicten tussen hem en de kerkeraad en tussen de kerkelijke gemeente en de heren van Vossemeer. In 1673 zegende deze predikant het huwelijk in van secretaris Liens met zijn dienstmaagd, ofschoon de schepenen de huwelijksafkondiging en derhalve het voltrekken van het huwelijk hadden gestuit. De predikant had zich hieraan niet gestoord en het huwelijk toch voltrokken. De heren droegen de baljuw op, de predikant ter verantwoording te roepen. Zij voegden er in één adem aan toe, dat de predikant slechte en onnozele lieden in zijn kerkeraad opnam die geen eigen mening hadden en met wie hij alles kon doen. Voortaan zouden gecommitteerden van de heren en een schepen bij het afhoren van de kerkrekening en het verzetten van de kerkeraad aanwezig zijn; zo niet, dan zou de kerkeraad niet worden erkend. 81 Hier eisten de heren een belangrijk deel van hun oude “kerkrecht” weer op, dat zij een tijdlang veronachtzaamd hadden. Het zou te ver gaan, de hele strijd weer te geven, die Ds. Burs tegen de heren heeft gevoerd. De classis is er jaren mee bezig geweest, temeer omdat de kwestie van de bemoeienis der “politieke” heren met de kerk op dat tijdstip in vrijwel alle ambachtsheerlijkheden van Zeeland aan de orde was. Het gerecht van Vossemeer wilde inderdaad inzake het bestreden huwelijk tegen de predikant optreden, doch de Staten van Zeeland verboden dit. 82 De heren hielden aan hun recht en hun vorig besluit vast. 83 De predikant stoorde zich in het geheel niet aan de ambachtsheren; de inwoners keken de kat uit de boom. In 1676 kwam Isac Jacobs bij de heren met de mededeling, dat hij door de predikant en kerkeraad tot diaken was aangesteld. Alvorens de functie te aanvaarden, wilde hij de heren raadplegen. Deze gelastten hem uitdrukkelijk zich ervan te onthouden, daar zijn aanstelling in strijd was met de plakkaten over de kerkordening.
Tot een formele vervolging van Ds. Burs is het niet gekomen. Doch als particulier en als predikant maakte hij het zó bont, dat hij tenslotte niet meer te handhaven was. In 1674 zou de diaconie-armenrekening worden afgehoord. De magistraat verscheen ook; de predikant weigerde toen de rekening te doen voorlezen. De leden van de magistraat wezen er op, dat zij als leden van de kerk alleszins gerechtigd waren bij de publieke afhoring aanwezig te zijn. Doch de dominee sloot de vergadering en liet de volgende dag in zijn huis de, rekening vaststellen door een select gezelschap. Door middel van enkele drogredenen kreeg hij op dit punt de classis achter zich. Ds. Burs had veel schulden; om daaronder uit te komen waagde hij zich aan allerlei duistere transacties, die op de grens van oplichterij lagen en in geen geval passend waren voor een predikant. Het gevolg was, dat hij nóg dieper in de schulden raakte. In een beroepingskwestie van St. Philipsland, waar hij voorzitter was van het collegium qualificatum, is hij regelrecht van simonie beschuldigd. Later rezen er moeilijkheden over zijn declaratie van kosten, die exorbitant hoog was. Toen zijn positie te Vossemeer onhoudbaar werd, vroeg hij standplaatswisseling aan, doch dit lukte niet. Meermalen al hadden de gecommitteerde raden der Staten van Zeeland zich met de kerk van Vossemeer bemoeid; hun besluiten en brieven geven een vernietigend oordeel over deze predikant. “Waar moet het heen”, zeiden zij, “als het volk van Vossemeer openlijk stelt: Onse predikant deugt niet. Wat behoeven wij te deugen?” Bijzonder kwalijk namen zij het, dat de man, die als predikant ernstig tekort geschoten was, zich zo fanatiek teweer stelde tegen de ambachtsheren. In september 1677 werd hem door de classis het preken verboden; in april 1678 is hij zelfs geheel als predikant geschorst. In een der volgende vergaderingen stelde Burs zelf zijn deportatie voor. Na zijn aftreden is hij in Bergen op Zoom woonachtig geweest. In 1682 vroeg hij om een gedeeltelijke rehabilitatie en om financiële steun. Bij zijn wederopneming als lid van de kerk bleek, dat hij enkele jaren rooms was geweest, hetgeen weer nieuwe moeilijkheden opleverde. Onbekend is, wat er verder met hem is gebeurd.
Het collegium qualificatum, dat na het vertrek van Ds. Bursius was samengesteld en waarin ook enige heren zitting hadden, verzocht op 30 mei 1678 om in verband met de vele ongeregeldheden, door de vorige dominee gepleegd, volmacht om orde op zaken te stellen. Voor deze keer stemden de heren van Vossemeer hierin toe, doch zij stelden nadrukkelijk vast, dat zij zelf in de toekomst het recht van aanstellen van ouderlingen en diakenen had, overeenkomstig de voorschriften door de Staten van Zeeland in 1591 gegeven. Ds. Albert van Rodenburgh, predikant van Nieuw Vossemeer, zou tijdelijk Oud Vossemeer bedienen. Hij was hiervoor door de kerkeraad gevraagd. Voor zijn bemoeienis met de kerk van Vossemeer diende hij een declaratie in, toen de nieuwe predikant beroepen was. Tussen deze stukken is een 17e-eeuws moppenblaadje verzeild geraakt, vermoedelijk afkomstig van secretaris Liens, doch in het latijn gesteld, wat weer op de dominee wijst. Het latijn is niet gebezigd uit oogpunt van geheimhouding; de mopjes zijn zeer onschuldig. Een enkel voorbeeld: Een koopman met één oog was al vroeg op pad ’s morgens. Hij kwam een bultenaar tegen en zei: “Goede morgen”. Doelend op diens bult, vroeg hij: “Wat draag je daar in je korf?” Waarop de bultenaar antwoordde: “Je hebt gelijk met je goede morgen. ’t Is nog vroeg, je hebt pas één venster open.”
Op 16 juli 1678 is Ds. Adrianus Beuckelaar beroepen, die op 4 april bevestigd werd. Onder zijn leiding is de rust in de gemeente weergekeerd en werd de goede verstandhouding met de heren hersteld. In 1681 verleenden zij hem vrijdom van de herenaccijns en die van het dorp voor zijn gehele gezin. 86 Voor het afhoren van de rekeningen en het verzetten van de kerkeraad werden regelmatig gecommitteerden van de heren aangewezen. 87 Deze predikant is tot 1680 in functie geweest, toen hij naar Middelburg beroepen werd; in 1679 heeft hij zich verdienstelijk gemaakt voor het herstel van de kerk. In de vergadering van 1688 verleenden de heren vrijdom van exue aan zijn erfgenamen. 88
Ds. Albert van Rodenburgh is in 1681 beroepen. Hij was voorheen predikant te Hontenisse en stond nu in Nieuw Vossemeer. Hij is vóór 6 januari 1688 overleden. De gemeente van Oud Vossemeer is korte tijd bediend geweest door Ds. Arnoldus Brievinghs uit St. Annaland. Op 18 april van dat jaar, de eerste Paasdag, werd in Oud Vossenveer geen dienst gedaan. Govaert van ’t Hooft was hierover zo verbolgen, dat hij een publiek schandaal veroorzaakte. Gewapend met een bijbel begaf hij zich naar het huis van de koster en wilde deze overhalen tot het luiden van de klok; als er dan geen predikant kwam, wilde Govaert wel preken. Doch de taal die hij uitsloeg, bleek voor de kansel wel allerminst geschikt. Ze was zelfs van dien aard, dat de dienders hem in het kot moesten zetten.
In 1688 is Ds. Nicolaes Wouters opgevolgd, voorheen predikant te St. Philipsland. 89 Zijn vader Jacob Wouters heeft zich in 1702 gecompromitteerd door een poging de stadsregering van Tholen omver te werpen. De rust in Vossemeer werd ernstig verstoord, omdat daar ook aanhangers van Wouters het met de tegenpartij aan de stok kregen. In september 1702 is Ds. Wouters schielijk uit Vossemeer vertrokken; hij moest zich nog verantwoorden voor de classis, doch hij liet niets meer van zich horen. In 1703 werd hij door het Provinciaal Hof verbannen, omdat hij zich daadwerkelijk met de befaamde “staatsgreep” van zijn vader had ingelaten. Hij heeft zich in St. Janssteen gevestigd, waar zijn broer een heerlijkheid bezat. In 1704 is hij door het Hof van Holland als predikant gesuspendeerd. 90
Wouters is vervangen door Ds. S. Boone, die op 4 november 1704 bevestigd werd. Om een beroep naar St. Maartensdijk nam hij in 1706 ontslag. 91 Op 10 februari 1709 is Ds. Marinus de Rijke aangekomen, die in september 1711 naar Giesse Nieuwkerk vertrok. Ds. Hendrik Willem Coetier kwam in 1711; hij is in 1719 naar Middelburg beroepen. 92
Met de volgende, Ds. Petrus Wopkens, voorheen garnizoenspredikant te Bergen op Zoom, begint een nieuwe serie moeilijkheden. In de eerste jaren van zijn dienst schijnt er rust in de gemeente te hebben geheerst. Doch op de vergadering van 1726 zeggen de heren “met veel smerte” vernomen te hebben, dat er ernstige geschillen leven tussen de predikant en de kerkeraad, en tussen de dominee en de schoolmeester, hetgeen in de gemeente grote ergernis verwekt. De rentmeester en de baljuw kregen opdracht, bij de aanstaande verzetting van de kerkeraad zich nauwkeurig op de hoogte te stellen en een poging te doen de partijen te verzoenen. Dit laatste zal wel gelukt zijn, daar de heren later niet meer op de geschillen terugkomen. De bode had geklaagd, dat de predikant bij het overlijden van zijn vrouw lijkbidders uit Tholen had laten komen. De heren gelastten de predikant de jura aan de bode te betalen.

NIEUW VOSSEMEER
Tijdens de roomse periode kerkten die van Nieuw Vossemeer in Oud Vossemeer. Tussen 1583 en 1612 is de bewoning van Nieuw Vossemeer tengevolge van de overstromingen onderbroken geweest. Het was onder het hervormd regiem, dat het dorp werd hersticht. In 1613 vroegen die van Nieuw Vossemeer vrijdom op het veer om naar de kerk te gaan. 111 Enige jaren later verzochten zij een deel van de accijns op de bieren te mogen gebruiken voor de stichting van een bedehuis, dat tevens als school dienst zou kunnen doen. 112 Het is wel waarschijnlijk, dat kort nadien een soort bedehuis is gesticht. De inwoners van Nieuw Vossemeer waren voor het grootste deel katholiek; de hervormde gemeente aldaar was zeer klein. Samen met andere factoren heeft dit ertoe geleid, dat de verhouding tussen de heren en de kerkelijke gemeente zich in het dorp enigszins anders ontwikkeld heeft dan in Oud Vossemeer.
In het begin van 1649 deden de inwoners pogingen tot het beroepen van een predikant. De magistraat weigerde hieraan mede te werken, omdat die van Nieuw Vossemeer eigenmachtig waren opgetreden. In 1651 vroeg de kerkeraad aan de heren een subsidie voor de bouw van een kerk. 113 De predikant Ds. Livinus Becius, die op 14 september 1649 beroepen was, zou met de heren van Vossemeer op Walcheren enige kerken gaan bezichtigen. 114 De heren stelden ruim 166 pond ter beschikking. 115 Zij bepaalden echter dat de kerk met hun voorkennis gebouwd en ontworpen zou worden; de subsidie zou niet beschikbaar worden gesteld vóór met de aanbesteding en de bouw was begonnen en op voorwaarde dat het andere geld ook ontvangen was. In 1654 is de subsidie uitbetaald. 116 Hoe dit kerkgebouw er heeft uitgezien is niet bekend.
Er werd ook aandacht besteed aan de entourage van de kerk. In 1657 vroeg de dominee om een verdere verbetering van de kerkweg, voor welk doel de heren tevoren al een deel van de dorpsmiddelen beschikbaar hadden gesteld. 117 Merkwaardig is, dat Ds. Livinus Becius van de heren spreekt als van: “Hals- en ambachtslieden van Vossemeer”, een term, die men elders niet aantreft. In 1660 en de volgende jaren rustte er nog een schuld van 1165 gulden op de kerk; de heren hielden een conferentie met de classis en zegden een subsidie toe. 118 De heren
Ned. Herv. kerk van Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968

Ned. Herv. kerk van Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968

namen deze schuld niet zonder meer over, doch werkten er wel aan mee, dat zij uit de eigen middelen van het dorp gedelgd kon worden. In 1662 verleenden de Staten van Zeeland octrooi om 2 stuivers per gemet te heffen voor de kerk. De schepen Jacob Coole en secretaris Van Alphen kregen een reprimande, omdat zij zich buiten de heren om met de aanvrage ervan hadden bemoeid. Teneinde het financiële beleid in betere banen te leiden, stelden de heren een kerkmeester aan, die aan hen rekening moest afleggen. 119 Later werd nog bepaald, dat de kerk het doodskleed mocht blijven verhuren; dit kwam de kas weer ten goede. De kerkrekening moest in de herenkamer worden afgelegd. 120
Vrij regelmatig hebben de heren van Vossemeer subsidies voor het onderhoud van de kerk verleend. 121 In 1704 stelden zij 10 pond ter beschikking voor de bouw van een nieuwe consistoriekamer. Met dit alles bleef de kerk in de schuld. In 1723 schreven de heren voor, dat de kerkeraad de zitplaatsen moest verpachten en leges heffen op het trouwen en begraven. 122 Nadien hebben de heren het onderhoud van de kerk geheel aan zich getrokken; in 1738 lieten zij het dak herstellen, dat scheef was gezakt. Tevens werden de muren en de toren hersteld. 123 Een volgend herstel schijnt omstreeks 1740 te hebben plaatsgehad. 124
Doch eens hadden de heren er genoeg van. Toen in 1758 de kerk en de school bouwvallig geworden waren, ontkenden zij hun aansprakelijkheid. Het onderhoud was geen zaak van de heren. Als zij af en toe subsidies gegeven hadden, dan was dit geheel uit vrije wil geschied.
De rentmeester moest de kerkeraad maar in overweging geven om bij de Staten van Zeeland bepaalde vrijdommen van lasten te vragen. 125 Zó slecht stond de kerk van Nieuw Vossemeer er trouwens niet voor; de armenrekening van 1758 - weliswaar een ander fonds - had op één jaar een batig saldo van ruim 835 gulden, en die van 1759 een batig saldo van ruim 485 gulden, terwijl dat jaar nog 1134 gulden in een obligatie waren belegd. 126 Het dorp en de gemeente deden niets aan het onderhoud van het kerkgebouw. In 1765 waren de kerk en de school zo vervallen, dat de schoolmeester voor ongelukken vreesde. De heren wezen hun verantwoordelijkheid nogmaals van de hand en deden de suggestie, dat die van Nieuw Vossemeer bij de Staten van Zeeland subsidie zouden vragen. 127 In gelijke zin antwoordden zij in 1766 op een request van Nieuw Vossemeer aan de Staten. 128 Deze beslisten dat het onderhoud en herstel van de kerk voor 2/5 deel aan de heren toekwam, voor 2/5 aan de ingezetenen en voor 1/5 aan de diaconie. Van de inwoners zou een “modike” belasting geheven worden. Voor een goede administratie zouden kerkmeesters worden aangesteld. Het onderhoud van de school werd voor de helft aan de heren, voor de helft aan de ingezetenen opgedragen. 129 Na de omwenteling van 1795 hebben de heren van Vossemeer geen bemoeienis meer gehad met het kerkgebouw. Door de afscheiding van de burgerlijke gemeente van de ambachtsheerlijkheid werd in feite elke onderhoudsplicht van de heren van het kerkgebouw beëindigd. De partijen hebben het in elk geval aldus opgevat, al is er expliciet niet over gesproken. Omstreeks 1677 waren er in Oud Vossemeer moeilijkheden gerezen tussen de heren en de kerkeraad. Nadat deze waren opgelost, verklaarde de kerkeraad van Nieuw Vossemeer zich geheel aan te sluiten bij de bereikte overeenkomst; in het dorp zouden de baljuw en de schepenen van Nieuw Vossemeer namens de heren bij de verzetting van de kerkeraad optreden. 130 Desondanks kwam het in 1717 ook te Nieuw Vossemeer tot een geschil over het verzetten van de kerkeraad, 131 dat tenslotte door de Staten van Zeeland moest worden opgelost. 132
De lijst van predikanten, die na Ds. Livinus Becius in Nieuw Vossemeer gestaan hebben, is niet geheel en al bekend. In 1676 fungeerde Ds. Van Loo; in zijn eerste jaar was er al sprake van, dat hij zou vertrekken. Hij vertrok in 1677; de heren wezen leden aan om in het te vormen beroepingscollege zitting te nemen. 133 In 1690 was er een vacature, 134 die pas in 1692 werd vervuld door de beroeping van Ds. Johannes van der Slaert. 135 Hij overleed in 1702. 136 Kort nadien is Ds. Blanck aangesteld, die in 1706 overleed en opgevolgd werd door Ds. Lambertus te Winckel. 137 Deze is in 1711 vervangen door Ds. Johannes Boeseken. 138 Hij is overleden in 1739 en in 1740 opgevolgd door Ds. Mattheus de Crane. 139 Reeds het volgend jaar werd De Crane te Bieselingen beroepen 140; kort daarna is een nieuwe predikant gekomen, wiens naam niet bekend is. In 1743 is Ds. Hoornbeek bevestigd. 141 In 1758 fungeerde Ds. Jacobus de Vos als predikant. Uit de kerkrekening van dat jaar blijkt, dat Anthonis Pieter Quist koster was; hij luidde driemaal daags de klok, doch maakte slechts viermaal per jaar de kerk schoon. 142 Ds. De Vos heeft tot 1765 in Nieuw Vossemeer gestaan. Hij bewoonde een huis van de kerk, waarvan de huur aan de kerkarmen kwam. Een van zijn laatste handelingen was het zenden van een request aan de heren over de kermis; dat jaar zou zij op zondag beginnen, wat hij niet goed vond. De heren beslisten, dat de kermis op maandag na St. Bartholomeus zou beginnen. 143 In 1774 bepaalden zij, dat de kermis voortaan op 8 september gehouden zou worden; viel die datum op een zondag, dan begon zij op maandag. 144 Het is een teken, dat het roomse element sterk vertegenwoordigd was in Nieuw Vossemeer. In 1766 is Ds. Livinus Catshoek beroepen, 145 die in 1771 naar Scherpenisse vertrok en opgevolgd werd door Ds. Stephanus Brands. 146
In 1786 richtten enige ingezetenen van Nieuw Vossemeer een request aan de Staten van Zeeland, om verlof te krijgen tot het oprichten van een roomse kerk. De Staten stelden dit stuk in handen van de ambachtsheren, die er een gunstig advies op gaven. Opmerkelijk is wel, dat in dit advies overwegend motieven van economische aard naar voren komen. De heren waren van mening, dat het verzoek moest worden ingewilligd; immers als de roomsen in Nieuw Vossemeer een eigen kerk hebben, is er geen noodzaak meer, dat zij zich naar elders begeven, zodat zij hun aankopen eer binnen de heerlijkheid zullen doen. Zij kerken meestal in plaatsen van Brabant, waar verschillende belastingen lager zijn, hetgeen gemakkelijk tot smokkel leidt. In Zeeland hebben de roomsen tenminste één kerk op elk eiland. Men behoeft overigens niet bevreesd te zijn, dat aan de heersende religie nadeel zal worden toegebracht, want de handel en wandel van de roomsen is genoegzaam door de algemene wetten aan banden gelegd. Nieuw Vossemeer ligt bovendien aan de kant van Brabant, zodat door de roomse kerk aldaar geen stad in Zeeland benadeeld zal worden. Wel dienen voor de stichting van een roomse kerk enige voorwaarden te worden gesteld. De pastoor of kapelaan zal een wereldlijk priester moeten zijn, die onder de internuntius te Brussel staat, geen kloosterling, die bevelen krijgt van een of ander prelaat. De roomse gemeente zal moeten aantonen, dat zij zichzelf en haar armen volledig kan onderhouden. Het kerkgebouw zal niet het aanzicht van een kerk mogen hebben, maar het ontwerp moet vóór de bouw door de heren worden goedgekeurd. 147 Al bleken de heren niet tégen het plan te zijn, toch is van hogerhand geen goedkeuring voor de bouw van een roomse kerk verleend.
Vóór de omwenteling van 1795 kerkten de roomsen van Oud en Nieuw Vossemeer voornamelijk in Lepelstraat. In 1795 is in Nieuw Vossemeer een schuurkerk opgericht, die tevens als parochiekerk diende voor de katholieken van Oud Vossemeer. Bij KB van 9 mei 1841 werd verlof gegeven, om in Oud Vossemeer een kerk en pastorie te bouwen; de parochie ressorteerde onder het bisdom Haarlem. In datzelfde jaar zijn in Nieuw Vossemeer een nieuwe kerk en pastorie gebouwd, die in 1842 in gebruik werden genomen. Deze kerk is in 1873 door een nieuwe vervangen, toegewijd aan St. Jan. In 1841 is Nieuw Vossemeer bij het bisdom Breda gekomen. 148

NA 1800
Door de omwenteling van 1795, toen de beide dorpen onttrokken waren aan het gezag van de ambachtsheren, kwam aan de directe bemoeienis van de heren met de kerken en de kerkelijke gemeenten een einde. In de kerk van Oud Vossemeer hadden de heren van oudsher een eigen bank, de “herenbank” genoemd.
R.K. kerk van Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.

R.K . kerk van Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968 .

Er waren stemmen opgegaan, dat de heren geen recht meer op die bank hadden; sommige leden van de burgerlijke gemeente wilden de heren ook dit voorrecht afnemen. Toen deze zaak in de kerkeraad ter sprake kwam, stemden alle leden voor de opvatting, dat de bank aan de heren moest blijven. Zij stemden vóór door de hoed op te houden. 149 Bij het aanstellen van een nieuwe predikant en het verzetten van de kerkeraad waren de heren nog altijd vertegenwoordigd. Persoonlijk hechtten zij weinig belang aan die zittingen; in 1806 vaardigden zij de rentmeester en de secretaris of een lid van de magistraat hiertoe af. 150 Bij de kerkeraad bestond de tendens, om de heren hierin te passeren, zoals in 1807 gebeurde. 151 Pas in 1815, nadat koning Willem I bepaalde rechten van de ambachtsheren had hersteld, werd de vertegenwoordiging van de heren weer geaccepteerd.
In plaats van Ds. Piké van Oud Vossemeer, die op 19 februari 1815 overleden was, werd Ds. Van Rhee beroepen. 152 In Nieuw Vossemeer stond in 1818 Ds. Luymes, die aan de heren een subsidie vroeg voor het herstel van de kerk en de pastorie; de heren wezen dit verzoek af. 153 In 1820 vertrok Ds. Luymes naar Baarland; de heren namen zitting in het college, dat Ds. Goudappel te Nieuw Vossemeer beriep, die tot dan te Spijk bij Gorcum had gestaan. 154 Hij bedankte al in dat zelfde jaar, waarna Ds. Homan uit Standdaarbuiten het ambt aannam; hij is in october 1820 bevestigd. 155
In 1847 wezen de heren voorgoed de rentmeester aan, om namens hen zitting te nemen in collegia qualificata. 156 Het volgend jaar werkte hij mede aan het beroep van Ds. D.C.W. van der Ven voor Oud Vossemeer, die voorheen te Bath had gestaan, en van Ds. A. Wilod Versprille voor Nieuw Vossemeer, afkomstig van Grijpskerk. 157
Toen in 1852 kwestie ontstond tussen de burgerlijke en kerkelijke gemeente van Nieuw Vossemeer over de eigendom van kerk en toren, en de daaruit voortvloeiende rechten, ging deze zaak geheel aan de ambachtsheerlijkheid voorbij. 158 In 1903 beraamde de kerkeraad van Oud Vossemeer plannen tot de restauratie van de kerk; daartoe vroeg hij de steun van de heren van Vossemeer. In 1906 werd deze aanvrage hernieuwd. 159 Toen het gerucht ging, dat de oude kerk afgebroken zou worden, wilden de heren de herenbank prijs geven. Doch toen in 1911 bleek, dat de kerk gerestaureerd zou worden, zagen zij in het behoud van de herenbank een motief en een voorwaarde voor het geven van een subsidie van 100 gulden. 160 De bank bestaat momenteel nog. In feite is zij het enige tastbare overblijfsel, dat van het oude en achterhaalde kerkrecht getuigt.


32. ONDERWIJS
Blijkens een der oudste bewaarde rekeningen van 1492/93 had Vossemeer in dat jaar nog geen eigen school. De rentmeester betaalde 6 penningen aan de schoolmeester van Tholen, opdat de kinderen verlof zouden krijgen, 1 waarschijnlijk op de dag van St. Jan, de officiële kermis in het dorp en de vergadering van de heren. Het volgend jaar komt in de resoluties voor het eerst de functie van de koster voor. Aan de heer Maarten de Coster werd voor het bedienen van dit ambt 10 schellingen gegeven. 2 Deze was priester en kapelaan; hij bediende tevens de kosterij. In deze tijd was het gebruikelijk, dat de koster tevens als schoolmeester fungeerde. Voluit heette hij Martinus Cornelii; hij was 30 jaren oud en al in 1492 als koster in dienst. 3 In 1494 kreeg hij 9 schellingen. 4 Hetzelfde tractement ontving hij in 1496, doch toen droegen de heren hem op, dat hij de kerkmeesters de wijzer van het uurwerk en de klok moest doen herstellen. 5 Dat deze koster ook als schoolmeester dienst deed, blijkt wel niet uitdrukkelijk uit de stukken, doch het is wel zeer waarschijnlijk. In elk geval heeft hij de kinderen godsdienstonderwijs gegeven; er waren plaatsen en tijden, dat dit het hele leerprogramma was van het lager onderwijs. Nog lang echter gingen die van Vossemeer in de stad Tholen ter school. In de rekeningen van 1515 6 en 1529 7 zijn nog steeds de betalingen aan de schoolmeester van Tholen vermeld, als hij de kinderen van Vossemeer vrijaf gaf. Dat hij deze kinderen om “oirloff gezonden had” kan zelfs betekenen, dat de schoolgaande jeugd bij hem inwoonde. Schoolplicht bestond nog niet; vermoedelijk hebben slechts enkelen het onderwijs in Tholen gevolgd. Vanzelfsprekend stond het in de stad op een hoger peil dan in het dorp. Toch is zeer goed aan te nemen, dat er tegen het einde van de 15e eeuw in Vossemeer al regelmatig onderwijs gegeven werd.
OUD VOSSEMEER
Aanvankelijk was er voor de gehele heerlijkheid maar één schoolmeester aangesteld. Tussen 1567, toen Nieuw Vossemeer ontstond, en 1583, toen dit dorp weer verloren ging, schijnt daar geen afzonderlijke school te hebben bestaan.
In 1578 gunden de heren de kosterij en de scholasterij aan heer Anthonis Laureijs op dezelfde voorwaarden, waaronder heer Trudo deze had gehad. Hier is voor de eerste maal uitdrukkelijk sprake van de vereniging van de beide functies. Eveneens blijkt, dat heer Trudo voorheen de beide ambten bezeten had. In 1590 klaagden de inwoners, dat de kinderen weinig profijt hadden van de school; toch belette de schoolmeester hen hun kinderen naar een andere particuliere school te zenden. De heren droegen de rentmeester en de baljuw op, dit nader te onderzoeken. Zou de klacht overeenkomstig de waarheid zijn, dan wilden de heren een betere schoolmeester aanstellen. 10 Dit laatste schijnt gebeurd te zijn. Vermoedelijk was toen nog een kapittelheer van Tholen in functie. In de stad zelf was het kapittel teniet gegaan; enige priesters hebben zich nog een tijdlang in Vossemeer kunnen handhaven. In de negentiger jaren zijn in de heerlijkheid verscheidene instellingen gelaïciseerd en aan de laatste roomse invloed onttrokken.
In 1593 beslisten de heren, dat de kinderen de “grote” school moesten bezoeken, waar Mr. Gerard van der Talen onderwijzer was. Wie zijn kinderen naar een particuliere school zond, moest niettemin toch drie groten per maand aan de schoolmeester betalen. In dezelfde vergadering is aan Adriaan Commersen verlof gegeven een particuliere school te houden, doch het werd hem verboden die te combineren met een herberg. 11 Hij was in 1613 nog in dienst; in dat jaar zond hij de heren een request, waarin hij zich beklaagde, dat aan het Nieuwe Veer een soldaat school hield, wat hem veel nadeel in zijn inkomsten berokkende. Hieruit zou kunnen blijken, dat hij nu de eerste schoolmeester was van de grote school. Volgens zijn eigen zeggen was hij “neerstig en getrouw”. In de zomer kwamen weinig kinderen naar school, vooral in de oogstmaand; daarom werd in die maand vakantie gehouden, zoals in alle omliggende plaatsen geschiedde. De heren verboden de ongeoorloofde school, doch Adriaan kreeg te horen, dat hij in het vervolg beter school moest houden. De baljuw voegde er aan toe, dat hij ook beter op het stellen van het uurwerk te letten had. 12
In 1632 fungeerde Dionijs van den Cruijce als schoolmeester van Oud Vossemeer; 13 hij kreeg een tractement van 9 pond. Dit schamele salaris werd aangevuld met de schoolgelden. Zijn weduwe ontving in 1638 voor de laatste maal het restant van zijn gage. 14 De opvolger was Mr. David Schepens. 15 Diens salaris werd in 1644 verhoogd, doch daarvoor moest hij ook het uurwerk bijhouden en stellen. 16 Het volgend jaar werd hem aangezegd op de gewone plaats school te houden. 17 Schepens is tot 1675 in dienst geweest. 18 In de volgende vergadering is Mr. Daniël Schaffelaar (of Schefler) tot wederopzeggens door de heren benoemd. 19 In 1698 was hij nog in functie; toen vroeg hij om een last turf, doch de heren stonden hem slechts een halve last toe. 20 Zijn tractement was in 1682 tot op 80 gulden verminderd; in 1683 weer op de oude voet van 100 gulden gebracht. 21
Na zijn overlijden in 1692 is Martinus van den Boogaert aangesteld. 22 Deze overleed in 1711 en werd door Mr. Johannes van Tombe opgevolgd, de schoolmeester van Nieuw Vossemeer. 23 De juiste tijden van hem en zijn opvolger Pieter Johanisse zijn niet bekend. 24 Na deze laatste is Pieter van ’t Rosevelt schoolmeester geweest, vermoedelijk vanaf 1736; deze overleed in 1748 en werd opgevolgd door J. Simonsbergen 25 In 1763 besloten de heren, in de kerk een bank te laten maken voor de schoolmeester en diens familie. 26 Het bewijst, dat de onderwijzer eindelijk in tel begon te komen. Na Simonsbergen heeft Jan Dane sinds 1762 het ambt bekleed; deze overleed in 1772, waarna Leendert Gunst is aangesteld. Hij kreeg het erf achter het ambachtsherenhuis in pacht om als tuin te gebruiken. 27
Nadat in 1795 de scheiding van heerlijkheid en kerk een feit was geworden, heeft de gemeente het salaris van de onderwijzer voor haar rekening genomen.
Toch zijn de heren van Vossemeer het onderwijs een goed hart blijven toedragen. In 1835 wilde de gemeente een nieuwe school bouwen. 28 De oude bood slechts plaats aan 90 kinderen, terwijl er in de winter 170 naar school kwamen. In de totaalkosten van circa fl. 5000,- kwam de gemeente een bedrag van fl. 1200,- tekort. De heren verstrekten dit als een renteloos voorschot, in 6 jaren terug te betalen. 29

NIEUW VOSSEMEER
Toen in 1609 de polders van Nieuw Vossemeer herdijkt waren en enkele jaren later het dorp herrezen was, ontstond er het verlangen naar een eigen school. Daartoe dienden de inwoners bij de heren het volgende rekest in: 30 “Het merendeel van ons is door God met veel kinderen gezegend; het dorp en het land zijn voorzien van een veeltallige jeugd, die in haar opvoeding een goede schoolmeester nodig heeft, opdat zij onderwezen mag worden, vooral in de kennis en vreze des Heren, in goede tucht en welgemanierdheid, en in de nodige geleerdheid van lezen, schrijven, rekenen en wat dies meer zij, waarin jong volk onderwezen moet worden.
Voormalig gemeentehuis van Nieuw Vossemeer, ca. 1910. Naar een foto uit de collectie van de gemeente Nieuw Vossemeer.

Voormalig gemeentehuis van Nieuw Vossemeer, ca. 1910 . Naar een foto uit de collectie van de gemeente Nieuw Vossemeer.

Doch dit zal niet te verwezenlijken zijn, als er geen middelen gevonden worden om de schoolmeester te onderhouden. Hem zal een jaarlijks tractement gegeven moeten worden, en een huis om in te wonen en school te houden. Wij zijn niet bij machte, uit onze eigen middelen genoeg bijeen te brengen, daar wij meest arme lieden zijn. Daarom hopen wij op Uw bijstand. Indien in het onderwijs niet wordt voorzien, zal de jeugd “apparentelijk” opgroeien in alle bottigheid, onwetendheid en slechte manieren, wat slechts leiden kan tot nadeel van ’t gemenebest en vooral tot schade van Uw heerlijkheid.” De requestranten hebben blijkbaar de goede toon getroffen; de heren stelden een jaarlijkse subsidie van 50 gulden beschikbaar voor de school van Nieuw Vossemeer. Hiermede gingen zij ver boven de bijdrage uit aan de school van Oud Vossemeer. Waarschijnlijk is kort daarna de school gesticht, ofschoon de namen van de schoolmeesters pas later bekend zijn gebleven.
In 1631 was Herman Janssen als schoolmeester werkzaam; hij kreeg van de heren een persoonlijke toelage van 1 pond. 31 Philippus de Croy ontving in 1652 een bijdrage van 5 pond. 32 In 1654 werd de schoolmeester aangezegd, dat hij zo vlug mogelijk diende te vertrekken, omdat hij niet door de heren was aangesteld. Op zijn prompte gehoorzaamheid stelden zij zelfs een premie van 5 pond. 33 Waarschijnlijk is dit een roomse schoolmeester geweest. Nu waren de heren van Vossemeer op het punt van de religie beslist geen scherpslijpers, doch zij hadden rekening te houden met het hoger gezag.
Een eigen schoolgebouw heeft Vossemeer aanvankelijk niet gehad. De heren besloten in 1660, om te zien naar een geschikte plaats voor de bouw van een school. 34 Zij stelden 25 pond beschikbaar, doch vroegen de ingezetenen ook bij te dragen tot de stichting. 35 Tot 1658 is Claes Waedrulier schoolmeester geweest; hij werd door Jacob Schepens opgevolgd. 36 In 1665 kreeg Meester Boudewijn Geene een toelage van 4 pond; hij was al enige jaren in dienst. 37 Zijn opvolger is Jan van Lier, 38 die in 1697 overleed. In dat jaar is Leendert van den Blijck aangesteld. 39 Uit zijn benoeming blijkt, dat er 9 maanden per jaar school gehouden werd; in de winter werd 4 maanden avondschool gegeven. Leendert is in 1710 om zijn schandaleus leven door de Kerkeraad van Nieuw Vossemeer als schoolmeester en voorzanger ontslagen. Aan de school en het huis van de meester moesten grote reparaties worden gedaan, daar de ontslagen schoolmeester het volgens de rekening “zuiver omver” had gewoond. 40 De heren benoemden Cornelis van Ravestijn als schoolmeester, en gelastten de rentmeester, baljuw en kerkeraad de benoemde eveneens als voorzanger aan te stellen. 41 Hier kwamen zij wel op het terrein van de kerkeraad, doch zij moesten dit wel doen om de schoolmeester aan een redelijk
Beeld van de watersnood van 1953 te Nieuw Vossemeer. Naar een foto uit de collectie van de gemeente Nieuw Vossemeer.

Beeld van de watersnood van 1953 te Nieuw Vossemeer. Naar een foto uit de collectie van de gemeente Nieuw Vossemeer.

inkomen te helpen. Van Ravestijn overleed echter kort daarna; nu werd Johannes van Tombe uit Rotterdam benoemd. 42 Deze ging in 1711 over naar de school van Oud Vossemeer; in Nieuw Vossemeer werd Abraham Heron benoemd, de schoolmeester van Halsteren. 43
In 1733 kreeg het schoolgebouw een grondige opknapbeurt. 44 Tijdens het beleg van Bergen op Zoom was de school door de soldaten in beslag genomen en grondig geruïneerd; in 1750 kreeg de rentmeester opdracht ze te doen herstellen, doch dit mocht niet meer dan 40 pond kosten. 45
Het jaar daarna krabbelden de heren terug en stelden zij hoogstens 30 pond ter beschikking. 46 Na het overlijden van Heron in 1748 is Anthoni Pieterse Quist schoolmeester geworden. 47 Het is niet bekend hoe lang hij gefungeerd heeft. Vermoedelijk heeft hij tot 1765 toe dienst gedaan. Uit de rekeningen blijkt, dat in dat jaar L. Gunst als schoolmeester fungeert. 48 In 1722 was Ary de Graaf in dienst. 49 Deze overleed in 1782 en werd opgevolgd door Mr. Abraham Zuurappeij. 50 Hij heeft niet lang dienst gedaan; in 1785 werd Mr. Barend Hokke de laatste door de heren benoemde schoolmeester. 51