EERSTE HOOFDSTUK


I DE AMBACHTSHEERLIJKHEID

I. HEERLIJKHEID VOSSEMEER


“Willem, bider genaden Goids palensgrave upten Rijn, hertoge in Beijeren, greve van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, ende heer van Vrieslant, doen cond allen luden, dat wij wtgeven ende vercoft hebben, wtgeven ende vercopen mids desen brieve onsen lieven ende getruwen rade ende vrienden: heren Philips van den Dorp; heren Jan die bastairt van Bloys, heer van Treslongen; ridder Guij den bastairt van Bloys; Helmich van Doernik, Pieter van Botland ende Loureijs Damais zoen, te bediken tot enen corenlande tot horen oirbair ende wille, alle alsulke gorze, schorre, sliclant, aenworp mit horen toebehoren, als leggen benoirden der Tholen...............”

Met deze woorden begint de oorkonde van hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, waarin hij op 3 november 1410 het eerste deel van de heerlijkheid Vossemeer ter bedijking uitgaf. 1 De begrenzing van het grondgebied, in deze brief uitgegeven, werd als volgt aangeduid: van de Noortkeeten 2 van Tholen, die op de dijk van de Dalemse polder staat; vandaar in een rechte lijn naar Hazershil; 3 vandaar naar de Kerkamer ; 4 recht door de Vosvliet 5 en zo naar het nieuwland van de Broekpolder. Met uitzondering van het gebied tussen de Eendracht en Hazershil, valt de eerste uitgifte van Vossemeer geheel samen met de Oud Vossemeerse Polder. Men dient zich van meet af aan duidelijk te realiseren, dat de heren van Vossemeer het gebied van hun heerlijkheid niet ineens, doch in verschillende etappes verkregen hebben. Dat men de uitgiften van 1410, 1415 en 1433 niet voldoende uit elkaar hield, heeft tot veel misverstanden aanleiding gegeven Van de eerste heren van Vossemeer is slechts weinig bekend. Philips van Dorp, geboren uit een geslacht van Delfland, dat te Schipluiden zijn kasteel had, was in het jaar 1407 thesaurier van Holland. In Gorcum stond hij aan het hoofd van een bezetting van 500 man. Hij was gehuwd met Beatrix, een natuurlijke dochter van hertog Willem van Beieren. Jan en Guij van Bloys waren bastaarden van Jan van Bloys, pandheer van Tholen, verwekt bij Sophia van Dalem uit het huis van Arkel. Jan ontving van zijn vader aanzienlijke bezittingen, waaronder de heerlijkheid Treslong in Henegouwen. Aanvankelijk opgeleid tot geestelijke, trad hij in de orde der Karmelieten. Na de dood van zijn vader begaf hij zich naar Rome, om er dispensatie van zijn geloften te verkrijgen. In 1376 keerde hij tot de wereldlijke staat terug en huwde hij. Uit hem is het bekende geslacht Bloys van Treslong voortgekomen. Zijn broer Guij, bijgenaamd de Grote Bastaard van Bloys, werd in 1398 aangesteld tot baljuw van Tholen. Later was hij tevens rentmeester van de domeinen op het eiland. Hij bezat uitgestrekte goederen onder Poortvliet. Hij was gehuwd met de vrome Maria van Botland, die tot een van de voornaamste families van Tholen behoorde. Vermoedelijk was zij een tante van Pieter van Botland, een andere heer van Vossemeer. Guij was tevens heer van Haaften, naar welke heerlijkheid zijn nazaten zich ook wel Bloys van Haaften noemen. Hij stierf in 1421; zijn vrouw in 1435. Beide zijn in de kerk van Tholen begraven, waar hun graftombe nog aanwezig is. 5a Helmich van Doornik, vermoedelijk stammend uit het bekende Gelderse geslacht, ontving van hertog Willem een uitgors, Nataers geheten. In die brief wordt hij kamerling van de graaf van Holland genoemd. In 1424 werd hij verbannen en zijn z’n goederen verbeurd verklaard.

Pieter van Botland is met zijn broer Alsten van Botland in het jaar 1426 door Philips van Bourgondië verbannen, omdat hij de partij van Jacoba van Beieren gekozen had. Hun goederen werden verbeurd verklaard. Toch treedt een Pieter van Botland in 1433 als heer van Vossemeer op. In 1458 is Jan van Botland Pieters zoon heer van Vossemeer. Hierdoor is wel aan te nemen, dat de verbeurdverklaring kort na 1426 ongedaan is gemaakt. De familie is genoemd naar de heerlijkheid Botland onder Duiveland. Pieter van Botland was de zoon van Jacob van Botland en Maria Suis. Hij huwde met Sapientia van Viersele; daarna met Dierik van Thuijl. Als zijn zonen zijn Arnold en Joost bekend. Deze komen niet als heren van Vossemeer voor, zodat wellicht aangenomen mag worden, dat het aandeel van Pieter in een zijtak terecht is gekomen. Van Laureys Damais zoon is niets naders bekend. De zes personen, die het land ontvingen, hadden er 2000 gouden Gelderse guldens voor betaald. Als het land bedijkt was, zouden zij het als een ambachtsheerlijkheid bezitten; voor de leenkamer zou het als een onsterfelijk leen verheven worden tegen de jura van een paar witte handschoenen, wat blijkens een latere valuatie gelijkstond met de som van drie stuivers. 6 De ambachtsheerlijkheid hield het genot in van bepaalde heerlijke rechten: tienden, vogelarij, visserij, wind, brand, accijns, veer en kerkrecht. De bedijkers waren verplicht een baljuw, schout en dijkgraaf, schepenen en andere officieren aan te stellen; keuren en geboden uit te vaardigen; de rechtspraak uit te oefenen, zowel de lage als de hoge jurisdictie, met uitzondering van enige door de graaf van Holland voorbehouden zaken, zoals doodslag binnen vrede en zoen, moord, veeroof en verkrachting. De bewoners van het nieuwe land genoten vrijheid van alle grafelijke tollen. Na het eerste koren zouden zij zeven jaren vrij zijn van alle beden en schoten, doch daartegenover het derde deel betalen van wat de andere polders in Zeeland voor de grafelijkheid op te brengen hadden. Blijkens de volgende uitgifte van 1415 is het eerste deel van de heerlijkheid kort na de oorkonde van 1410 ingepolderd en werd het bestuur er geregeld zoals in de brief was voorgeschreven.
EERSTE UITGIFTE VAN HET JAAR 1410
Willem, door de genade van God paltsgraaf op de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland en Zeeland, en heer van Friesland, doen aan alle lieden kond, dat wij door deze brief uitgeven en verkopen aan onze lieve, trouwe raden en vrienden: heer Philips van den Dorp; heer Jan de bastaard van Bloys; heer van Treslonge; ridder Guy de bastaard van Bloys; Helmich van Doernick; Pieter van Botlant en Loureys Damais zoon, om tot een korenland te bedijken tot hun nut alle gors, slikland, aanwas met toebehoren, dat ten noorden van Tholen ligt. De grens er van wordt als volgt vastgesteld: van de Noortketen die staan op de dijk van de Dalemse Polder naar Hasershille; vandaar op de Kerkamer lijnrecht door Vosvliet tot aan het nieuwe land van den Broek.
Willem IV. hertog van Beieren, graaf van Holland en Zeeland, 1404-1417

Willem IV. hertog van Beieren, graaf van Holland en Zeeland, 1404-1417 Fantasieportret uit: Vossuerus Principes Hollandiae et Zelandiae, enz. (1578). Naar een gravure van Zelandia Illustrata in het Zeeuws Museum.


Zij en allen, die met hen dit land op hun kosten zullen bedijken of het later van hen door koop of gunst verkrijgen, ongeacht of dit veel of weinig is – ook hun nakomelingen - zullen hebben en gebruiken: de heerlijkheid, het ambacht, de ambachtsgevolgen en alle ambachtsrecht met de tienden, vogelarij, visserij,wind, brand, accijns, veren, kerkgift en alle andere normaal profijt en nut, dat daarmede verbonden is, met de middeldijken, die nu zeedijken zijn, en met de heerlijkheid van de dijk van den Broek met toebehoren vanaf de heerlijkheid van Vossemeer tot aan den Cattenweel toe. Zij zullen daar een baljuw, een schout, een dijkgraaf, schepenen en andere officieren aanstellen; keuren en geboden uitvaardigen en rechten bepalen, die door de heren of het merendeel van hen moeten worden vastgesteld, om het land van de heerlijkheid en de mensen, die daarin wonen, daarmede te besturen en te berechten in alle zaken, die er voorvallen. Zij mogen die rechten minderen of meerderen al naar hun goed dunkt, zonder dat zij zich door ons of door iemand van onzentwege iets behoeven te laten voorschrijven. Diefstallen, doodslagen en de zaken, waarover niets bepaald is, mogen zij berechten; uitgezonderd zijn de aan ons voorbehouden zaken, zoals doodslag binnen vrede en zoen, moord, veeroof en vrouwenverkrachting. De zeevonderij, die er voorvalt, zal de door hen aangestelde baljuw met het plaatselijk gerecht wel mogen uitoefenen, doch hij zal hiervan rekening en bewijs moeten afleggen aan onze rentmeester van Tholen. Bovendien verlenen wij door deze brief aan de ambachtsheren en aan allen, die hierna in dit nieuwland zullen wonen, het recht om met hun schepen en goederen tolvrij te varen op al onze tollen, die wij nu hebben of in de toekomst krijgen. Daartoe zullen zij op onze tollen een verklaring meebrengen en tonen, die door de baljuw van het land afgegeven en gezegeld is en elk jaar op Nieuwjaarsdag vernieuwd moet worden. Onze goede lieden van Tholen en die onder de ban van Tholen wonen, mogen in Vossemeer laten malen; omgekeerd mogen die van Vossemeer ten eeuwigen dage in het land van Tholen laten malen zonder daarin iets tegen ons te misdoen.
Dit nieuwe land zal vrij zijn van alle bede, schot, heervaart en diensten, die vallen op ons land van Zeeland, gedurende zeven jaren nadat het ‘t eerste koren gedragen heeft. Daarna zullen wij en onze nakomelingen daaruit het derde deel aan schot, bede en heervaart hebben van hetgeen de andere polders in Tholen geven, wanneer die door het gehele land van Zeeland gegeven worden. Dit betekent: als wij van elk gemet uit de polders van Tholen drie groten krijgen, zullen wij van elk gemet land uit dit nieuwland één grote hebben, en zo voorts over de totale oppervlakte gelijk het gebruikelijk is, met dien verstande dat dit ingaat nadat het land bereden is en niet eerder. Verder verlenen wij de ambachtsheren met deze brief, dat ingeval zij of een van hen hierna tegen ons in overtreding komen en wij of iemand van onzentwege hen volgens het recht van ons land in lijf en goed mochten aanspreken, zij hun ambachtsheerschap met het bezit en de goederen aan ons en onze heerlijkland mogen inlossen met twintig ponden tournoois, te weten twintig groten voor een pond gerekend, zoals wij in ons land zullen doen slaan. Die boete zal de baljuw van het land innen en afleveren aan onze rentmeester van Tholen. Op deze voorwaarden zullen zij hun goederen binnen het land gebruiken volgens hun vrije wil, daarin rustig en vredig wonen, daarvan naar lijf en goed de vruchten en profijten genieten zonder door ons of door iemand van onzentwege daarin gehinderd of gemoeid te worden. Tenslotte erkennen wij, dat wij voor de koop van het land en de heerlijkheid onder de genoemde voorwaarden door onze trouwe raden en vrienden geheel en al betaald zijn, de laatste penning met de eerste. Wij erkennen, dat onze trouwe tressorier heer Philips van den Dorpe in onze naam daarvoor ontvangen en met ons verrekend heeft twee duizend gouden Gelderse guldens, zodat wij voor ons en onze nakomelingen onze trouwe raden en vrienden ten eeuwigen dage kwijting geven. En als dit land bedijkt is, zullen wij onze trouwe raden en vrienden en allen, die hen bij de bedijking helpen of die mede bekostigen, en hun erfgenamen, naargelang en voor zover zij daarin deelgenomen hebben, zo spoedig wij door hen hierom gevraagd worden, de genoemde heerlijkheid en het ambacht verlenen, om deze van ons en onze opvolgers te houden als een onversterfelijk leen. Dit sterft in de rechte lijn niet uit en wordt, als het rechtens overgaat, verheergewaad met een paar witte handschoenen. Hiervan zullen wij aan elk van hen een bezegelde brief geven. Dit land en erf, in de genoemde heerlijkheid gelegen, zal vrij eigen goed zijn. Zij mogen het gebruiken volgens hun vrije wil en daarmede doen gelijk met hun andere goederen.
Om deze koop en alle punten en voorwaarden, daarin begrepen, vast en onverbrekelijk te doen houden door ons en onze nakomelingen voor onze raden en vrienden en allen, die dit land zullen helpen bedijken en bekostigen, of die het van hen verkrijgen zullen zoals omschreven staat, hebben wij, zonder argelist en met uitsluiting van de mogelijkheid tot afwijkende spitsvondigheden, tot getuigenis hiervan zes gelijkluidende brieven doen maken, met ons zegel bekrachtigd, waarvan elk van hun zessen een exemplaar zal hebben voor zichzelf en zijn deelgenoten. Gegeven in Den Haag op de derde dag van November in het jaar Ons Heren duizend vierhonderd en tien.

Wat is een ambachtsheerlijkheid? In 1795 publiceerden de ”Provisionele Representanten” van het volk van Zeeland enige plakkaten, waarbij zij de ambachtsheerlijkheden opdroegen aan te geven, waarop hun rechten en voordelen steunden. Deze feodale instellingen hadden zij gaarne met één pennestreek opgeruimd, doch terecht vreesden zij een storm van protest. Nu vroegen zij eerst uitvoerige exposés van de heerlijkheden zelf, teneinde nauwkeurig te toetsen, op welke punten deze in strijd waren met de “Rechten van de Mens”. Dat dit zo was, stond immers al vast! De heerlijkheden in Zeeland (101 in getal!) droegen Johan Canter de Munck uit Serooskerke op, een betoog ter verdediging van hun bestaansrecht op te stellen. Dit uitvoerig verweer, een heel boekwerk geworden, is in 1795 in Middelburg in druk verschenen. 7 Het behandelt het ontstaan en het wezen van de ambachtsheerlijkheid zo uitvoerig als een betoog van die tijd maar kan zijn.
Ambacht betekent de uitoefening van het gezag door een ondergeschikte leennemer voor en namens zijn leenheer. Het woord op zichzelf duidt de jurisdictie aan, de rechtsmacht, het ambt of het officie; in overdrachtelijke zin wordt het tevens gebruikt voor het grondgebied, waar dit gezag werd uitgeoefend. Een ambacht kon op verschillende manieren tot stand komen; een heer kon zijn eigendom aan de landsheer overdragen, om het van hem in leen terug te krijgen. De landsheer kon een ambacht schenken of verkopen. Een reeds bestaande ambachtsheerlijkheid kon haar jurisdictie en haar grondgebied vergroten door aanwassen of bedijkingen. Het wezen van de ambachtsheerlijkheid bestond in de eigendom van alle land in de heerlijkheid; hiervan waren alle andere rechten afgeleid.
Titelblad van het verweer der Zeeuwse ambachtsheerlijkheden tegen de aantasting van hun rechten

Titelblad van het verweer der Zeeuwse ambachtsheerlijkheden tegen de aantasting van hun rechten, door Johan Canter de Munck, 1795


Vanzelfsprekend zijn de heerlijkheden om economische en andere redenen gedwongen geworden de landerijen geheel of voor het grootste deel aan anderen over te dragen of te verkopen. Soms reserveerden zij zich de blote eigendom van de grond door hem in cijns of erfpacht uit te geven.
Daartegenover hadden de ambachtsheren bepaalde plichten aan de landsheer. Zij moesten hem in persoon of door middel van een aantal mannen uit hun ambachtsheerlijkheid herendiensten leveren, bijvoorbeeld door mede ten strijde te trekken, als zij opgeroepen werden. Naast de eerste koopsom had de landsheer meestal nog een jaarlijkse cijns bedongen voor de heerlijkheid in haar geheel of voor de ingenomen gronden. Het sprak vanzelf, dat de ambachtsheerlijkheid, haar heren en haar inwoners, bewilligen moesten in de gewone en buitengewone beden, die de graaf aan zijn landen oplegde. Er werd onderscheid gemaakt tussen hoge en lage ambachtsheerlijkheden, naargelang zij hoge of lage jurisdictie kregen. De hoge jurisdictie omvatte de berechting van de zwaarste misdrijven, die gewoonlijk met de dood werden gestraft; wat daaronder lag, meestal uitlopend op lijfstraffen en boeten, behoorde tot de lage jurisdictie. Vossemeer was een hoge ambachtsheerlijkheid. De rechtspraak werd uitgeoefend door een door de ambachtsheren ingestelde schepenbank, aan welke niet alleen de berechting was toegewezen van misdrijven en overtredingen, doch die ook een werkzaam aandeel had in het zuiver administratieve bestuur van de gemeente, en bovendien alle soorten van akten passeerden. Deze uitgebreide bevoegdheden van de schepenbank onderscheidde men in criminele, civiele, administratieve en volontaire jurisdictie.
In hun gebied regelden de ambachtsheren het gehele administratieve en rechterlijke bestuur. Van ouds maakten zij een vereniging uit van edelen, die als zodanig ná de edelen in de Staten van Zeeland werden beschreven. Deze vertegenwoordiging is in 1571 teniet gedaan, vermoedelijk omdat er inmiddels al velen als ambachtsheer optraden, die niet tot de oude adel behoorden.
In die tijd en later ziet men trouwens veel regentenfamilies als ambachtsheren optreden. Het ambacht van Vossemeer is door hertog Willem als een onversterfelijk of goed leen uitgegeven. Dit betekent, dat bij het overlijden van een leenman het leen in zijn geheel op de erfgenamen overging, zonder dat een van hen, bijvoorbeeld de oudste zoon, het exclusief verwierf. Een kwaad of versterfelijk leen daarentegen viel aan de graaf terug, indien er geen zoon was als opvolger. Bij vererving van een onversterfelijk leen had het ”naaste bloed” voorrang, of onder gelijke conditie de oudste in jaren; de man had altijd voorrang boven de vrouw.
Dit wordt uitgedrukt in het oude Zeeuwse gezegde:
De oudste op straat,
De naaste in graad,
Mans voor vrouwen,
Ziet men altijd een leen behouwen.
Eigenlijk kon een onversterfelijk leen niet worden gesplitst, doch dit voorschrift is in Vossemeer niet altijd onderhouden, misschien omdat de ambachtsheerlijkheid van de oorsprong af reeds uit zes aandelen bestond. Er zou ook gesteld kunnen worden, dat Vossemeer in werkelijkheid één leen is gebleven en dat slechts de aandelen daarin zijn gesplitst.

Op 9 februari 1415 volgde de tweede uitgifte. 8 Graaf Willem van Holland breidde de heerlijkheid uit met een groot gebied. Om de getrouwe diensten, hem en zijn vader bewezen, gaf hij aan de heren: het water van Vosvliet naast het land van de Broekpolder en de daarbij gelegen uitergorzen; vandaar naar Maarlo; 9 vandaar naar Greveningen; 10 vandaar naar Strijen; 11 vandaar naar de Vertrisen Vaart, 12 vandaar naar Hazershil langs de Eendracht tot de Noordkeet van Tholen toe, en zo terug langs de vrijheid van Vossemeer naar het eerste punt. Dit was een heel wat groter gebied dan dat van de eerste uitgifte. De koopsom is niet genoemd; in zijn brief verklaart de graaf, dat hij ontvangen heeft “in ons selfs handen soo veel dat het ons genoegt”. Waarschijnlijk is het zoveel geweest, dat de juiste som maar verzwegen werd. Het nieuwe gebied was minstens viermaal zo groot als het land van de eerste uitgifte. Met enige voorzichtigheid is de koopsom van de tweede uitgifte dan te schatten.
Later mogen de heren van Vossemeer met recht stellen, dat zij hun land niet cadeau gekregen hebben, maar dat zij het voor flinke sommen kochten. In de namen van de heren zijn in de oorkonde van 1415 enige afwijkingen te vinden met die van 1410. Guij van Bloys komt in 1415 niet meer voor. Toch is het waarschijnlijk dat hij samen met Jan van Boys nog deelgenoot was. Tegen het midden van de 15e eeuw noemden getuigen het land van Vossemeer zelfs het land van de heren van Bloys, 13 waaruit blijkt, dat toentertijd meerdere personen uit het geslacht van Bloys deelgenoot waren, doch tevens, dat deze familie in de ambachtsheerlijkheid al een bepaald overwicht had, wat trouwens ook aan andere details is te zien. De vraag mag zelfs gesteld worden, of de zes heren bij de uitgifte van. 1410 en 1415 wel geheel gelijkberechtigd waren, met andere woorden: of zij wel gelijke sommen voor de aankoop van de heerlijkheid beschikbaar hebben gesteld.
Het geval is niet ondenkbaar, dat de heren van Bloys meer dan twee aandelen bezaten en dat andere heren samen één aandeel hadden. Dit zou ook beter verklaren, dat er reeds in 1415 andere namen voorkomen. Philips van Dorp en Laureys Damaiszoon worden in 1415 niet meer genoemd. Nieuwe namen zijn: Gerart van Zeijl, Jan Heerman en Laureijs van Overvest. Gerard van Zeijl behoorde tot de Hollandse adel, was ridder, raad en kamerling van Phlips van Bourgondië, en huwde met Aleid Eggertsz, zuster van de heer van Purmerend. Hij overleed op 11 maart 1453. Jan Heerman was raadsman geweest van hertog Willem van Beieren. Laureys van Overvest, eveneens raadsman van hertog Willem, is pachter geweest van de tol van Yersekeroord. Opvallend is wel, dat in beide akten telkens zes personen zijn genoemd. Wat hiervan de opzet of de bedoeling was, is niet meer te achterhalen; misschien vond de graaf een getal van zes het maximum voor het gezamenlijk bezit van een heerlijkheid. In 1492 14 en 1505 15, toen de aandelen van Vossemeer reeds in meer dan zes parten versnipperd waren, werd het goede slot van de jaarrekening toch nog berekend en uitgekeerd naar de oorspronkelijke zes delen. Het nieuwe land, dat na de uitgifte van 1415 ter bedijking was uitgegeven, mochten de heren van Vossemeer bij hun heerlijkheid voegen. De eerste uitgifte had dus wel degelijk vrucht gedragen.
Uit de omschrijving van de nieuwe grens blijkt afdoende, dat de Oud Vossemeerse Polder inmiddels was bedijkt. Dit gebied werd al als een ambacht beheerd en het droeg de naam van ”vrijheid van Vossemare”.
Deze naam is afgeleid van de Vosvliet, die zich na de eerste bedijking vrijwel geheel rond de Oud Vossemeerse Polder slingerde. Mare heette een water of gors op de grens tussen Vossemeer en het land van Steenbergen. 16 De naam van Vossemeer is waarschijnlijk uit de twee toponiemen gevormd. De volksetymologie heeft de samenstelling van het woord begrepen als een vos, die een “mare” (dat men als een soort worst opvat, of als een maretak) in de bek hield. Afbeeldingen van deze strekking ziet men wel eens op het wapen van Vossemeer. Van die naam maakte een vreemdeling ”Vosmore” of “Foxoirt”, zoals blijkt uit getuigenverklaringen van 1429 en 1467. 17
In dit nieuwe land mocht ”gemoerd” worden, d.w.z. turf gestoken of daring gedolven voor de zoutbereiding. Over het algemeen trachtte de landsregering dit tegen te gaan, daar het in waterstaatkundig opzicht riskant was al te diep en te uitgestrekt te moeren. Misschien moest het in Vossemeer worden toegelaten, omdat anders voor een inpoldering geen gegadigden te vinden waren.
TWEEDE UITGIFTE VAN HET JAAR 1415
Willem, door de genade van God paltsgraaf op de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, en heer van Friesland, maken aan alle lieden bekend, dat onze trouwe raden en vrienden, zoals heer Jan de bastaard van Bloys; heer Gerrit van den Zeyl; Helmich van Doornick; Pieter van Botlant; Jan Heerman en Louwerijs van Overvest aan onze lieve heer en vader zaliger gedachtenis en ook aan ons menigmaal vele trouwe diensten bewezen hebben en als God wil nog zullen doen. Hun land van Vossemeer, dat zij met hun gezellen van ons gekocht hadden, hebben zij tot een korenland bedijkt. Om dat te beveiligen en des te zekerder ten eeuwigen dage te doen instandhouden, verkopen wij hen en allen, die met hen in het land van Vossemeer in de heerlijkheid delen en daarin geambacht zijn, middels deze brief een ander stuk land, te weten:
Alle schorren, slikland en aanwassen, met alle heerlijkheidsrecht en toebehoren, die gelegen zijn binnen de hierna beschreven grenzen, te weten: het water van Vosvliet naast het land van den Broek, en de daaraan gelegen uitergorzen; vandaar naar Marlo; van Marlo naar Greveninge; van Greveninge naar Greven; van Greven naar Strien; van Strien langs de vliet tot aan de Couveringse Vaert; vandaar naar de Vertrisen Vaert en vandaar voor Hasershille langs het diep van Heendrecht tot aan de Noortketen van Tholen toe en zo verder langs de vrijheid van Vossemeer.
Die gorzen, schorren, sliklanden en aanwassen zullen onze trouwe raden en vrienden en allen, die met hen in het land van Vossemeer geambacht zijn, gemeenschappelijk hebben en gebruiken, eenieder overeenkomstig zijn aandeel daarin en volgens het beloop, waarin hij nu ter tijd geambacht is. Zij zullen dit land volgens hun vrije wil en tot hun eigen profijt mogen gebruiken met de heerlijke rechten, tienden, visserij, moeren, brand en wat tot het recht van moerdijken behoort, en met alle ander nut en profijt, die daartoe behoren en die zij van ons in leen houden met de heerlijkheid en het ambacht van Vossemeer overeenkomstig alle rechten en lenen, volgens welke die van Vossemeer deze heerlijkheid en ambacht van ons hebben, overigens in alle manieren als hun brieven en handvesten bevatten, die zij voor het land van Vossemeer reeds van ons hebben.

Wel is verstaan, dat zij en hun nakomelingen ten allen tijde, als hun dit goed dunkt, mogen uitgeven of tot hun eigen nut mogen gebruiken alle moeren of een deel daarvan, die binnen de genoemde grenzen liggen. Zij mogen die tot moerdijken bedijken en uitmoeren, of zonder moerdijken met overdrachten of op een andere wijze doen uitmoeren met het recht van brand en alles wat tot het moerdijkse recht behoort, zonder hierin door ons of onze opvolgers of iemand van onzentwege in enigerlei wijze gehinderd te worden.
Indien zij of hun nakomelingen te eniger tijd binnen de genoemde grenzen korenland bedijken of ter dijkage uitgeven, dan zullen zij de daarin gelegen landerijen hebben, houden en gebruiken als hun andere vrije en eigen goederen, met alle rechten en vrijheden, die genoemd en begrepen zijn in de handvesten en brieven, die zij over het land van Vossemeer reeds door ons bezegeld hebben.
Hiervoor hebben wij in onze handen zoveel ontvangen, dat het ons genoegt, voor welke koop wij hen bij deze kwijting geven. En alle bewijs dat wij al deze punten en elk in het bijzonder door middel van deze brief beloven te onderhouden door ons en onze nakomelingen ten opzichte van onze trouwe raden en vrienden en hun deelgenoten, die met hen in het land van Vossemeer geambacht zijn, en al hun nakomelingen, onverbrekelijk en ten eeuwigen dage, hebben wij deze brief open doen bezegelen met ons zegel er aan gehangen. Van deze brief zijn zes woordelijk gelijkluidende gemaakt, waarvan elk zesdedeel een exemplaar krijgt, daar het land van Vossemeer door hen voor het eerst bedijkt werd.
Gegeven in Den Haag op de negende dag van februari in het jaar Ons Heren duizend vierhonderd en veertien, volgens de jaarstijl van ons hof.

OORKONDE VAN HET JAAR 1433
Gillis van Wissenkercke, regent van het land van Vossemeer, doe kond aan alle lieden, dat ik uit naam van de heren van Vossemeer heb uitgegeven om tot een korenland te bedijken de gorzen van Oud Vossemeer, zo groot of zo klein als het hun believen zal, die dit land op hun kosten zullen bedijken. Hiervoor worden de volgende voorwaarden vastgesteld:
Het land zal men aannemen en beginnen te dijken met half maart eerstkomend. Verder wordt nadrukkelijk bepaald, dat alle erven, die men als God wil binnen dit land bedijken zal, voor eeuwig onder het gerecht van Vossemeer blijven, ongeacht of zij later in handen komen van geestelijke of wereldlijke heren, al dan niet geprivilegieerd. Alle dijken, watergangen, sluizen, wegen en alle andere gemeenschappelijke werken, die in het land volgens de keur gemaakt zullen worden, en tevens alle breuken, misdrijven en andere zaken, die in dit land geschieden of mochten voorvallen, hoe die ook genoemd worden, zullen altoos staan onder het gezag van de regent van Vossemeer, van zijn dijkgraaf of schout, en van de schepenen en gezworenen van het land van Vossemeer. Dit is overeenkomstig de handvesten, die de heren van Vossemeer van de grafelijkheid van Holland en Zeeland gekregen hebben om uit te voeren.
Mocht het gebeuren, dat iemand van hen, die dit land ter bedijking aannemen, nu of later een van deze voorwaarden op enigerlei wijze schendt of zich beroept op een voorrecht of een andere zaak om tegen deze bepalingen te handelen, dan zal zulke handeling van geen enkele waarde zijn. Zo dikwijls hij de overdracht overtreedt, verbeurt hij tien ponden tournoois aan de heerlijkheid.
Verder wordt bepaald, dat de heren van Vossemeer voor zich en hun nakomelingen ten eeuwigen dage het vierde gemet vrij en vroon zullen hebben van al het land, dat nu bedijkt zal worden. De andere drie delen van het land, dat men als God wil bedijken zal, moeten altijd de kosten en lasten dragen en blijven dragen, die op dit land zullen vallen. Deze kosten en lasten zullen gemetsgewijze omgeslagen worden onder de voorwaarde, dat de vronen gelijk als de andere erven in het land van Vossemeer tienden moeten betalen, en dat de landerijen onder het schot vallen, als het land bereden is, dit alles overeenkomstig de handvesten.
Een andere voorwaarde is, dat de heren van Vossemeer en hun nakomelingen voor altijd in het bezit blijven van alle binnen- en buitendijken, vogelarij, visserij, malerij en alle heerlijke rechten, die de heren rechtens bezitten uit kracht van hun handvesten. Verder zullen de heren ten eeuwigen dage hun tiendrecht behouden, dit is het tiende lam en de elfde schoof, voorts de elfde maat van het zaad, dat met Gods hulp in het land van Vossemeer zal groeien.
In het land van Vossemeer zal geen daring gedolven mogen worden, zelfs niet in het klein of in omheinde percelen; dit dient zonder argelist onderhouden te worden.
Allen, die dit land op hun kosten bedijken, en allen die in dit land zullen wonen en hun nakomelingen zullen altijd de privilegies en vrijheden genieten, die hun toekomen als onderzaten onder de handvesten, vrijheden en privilegies; die de grafelijkheid aan de heren van Vossemeer en de inwoners van Vossemeer gegeven heeft, zoals die hierna woordelijk zijn opgenomen:

(Hier geeft Gillis van Wissenkerke de gehele tekst van de uitgiftebrief van 1410, waarna hij vervolgt:)
Verder wordt nadrukkelijk bepaald, dat alle erven, die in Vossemeer bedijkt zullen worden, nooit vrijer zijn of zullen zijn dan zij nu bedijkt worden ongeacht in wiens handen zij komen. De schepenen en gezworenen moeten lieden uit het land van Vossemeer zijn. Zij zullen door de regent van Vossemeer of zijn dijkgraaf of schout worden aangesteld in naam van hen, die het land bedijken of bekostigen.
Afbeelding van een zoutnering of het daring-delven.

Afbeelding van een zoutnering of het daring-delven. Naar een gravure uit de collectie Zelandia Illustrata van het Zeeuws Museum te Middelburg.

Als het land, dat men met Gods wil bedijken zal, weer door een overstroming verloren gaat - wat God verhoede! - dan mogen zij, die het land ter bedijking aangenomen hebben, of hun nakomelingen het overstroomde land weer aannemen binnen veertien dagen nadat het ingevloeid is, en alsdan weer bedijken zonder argelist. Doen zij dit niet, dan mogen de heren van Vossemeer na afloop van die veertien dagen het overstroomde land tot zich nemen en daarmede doen wat hun goed dunkt.
Ik Pieter van Botlant, nu ter tijd regent van het land van Vossemeer, heb ter nadere verklaring van dit handvest er in toegestemd, dat men van elk gemet tienden van de mede per jaar twee Engelse nobels fijn goud zal geven, elke nobel vijf halve Engelse wegend, of een andere gelijkwaardige munt.
Nu alle zaken aldus besproken en geregeld zijn, heb ik Pieter van Botlant tot getuigenis deze brief met mijn zegel bezegeld. En ik Gillis van Wissenkerke heb mijn zegel niet bij de hand en heb de eerbare Hendrick Olaertsen gevraagd, deze brief voor mij te zegelen. En ik Hendrick Olaertsen heb deze brief bezegeld op verzoek van de voornoemde Gillis. En wij, Pieter en Gillis, hebben tot meerdere zekerheid deze brief vanwege de heren doen zegelen met het zegel van het land van Vossemeer. Tevens hebben wij de schepenen van Vossemeer gevraagd, dat zij deze brief en dit handvest ook bezegelen zouden. En wij, Clais Symons zoon, Henrick Janssen, Clays Willems zoon, Jan Danckaerts zoon en Jan Huygense, nu ter tijd schepenen in Vossemeer, hebben deze brief mede bezegeld. Tot getuigenis van de waarheid gedaan in het jaar duizend vierhonderd en drieëndertig, op de zestiende dag in juli.
Onbekend is het juiste tijdstip, waarop in Vossemeer een kerk is gesticht. In het archief bevindt zich wel de minuut van een (eerste?) overeenkomst tussen het kapittel van Tholen en de heren van Vossemeer inzake de aanstelling van een pastoor, de regeling van diens inkomsten en de rechten van het kapittel. De kerk van Vossemeer was een hulpkerk van Tholen; als pastoor fungeerde er een priester van het kapittel. De minuut is niet gedagtekend. 18 Bij de ordening van het archief is zij op ca. 1430 gesteld, voornamelijk omdat uit 1431 andere stukken van het kapittel bekend zijn, 19 die waarschijnlijk verband houden met de overeenkomst tussen het kapittel en de heren over de kerk van Vossemeer. De kerk en het dorp van Oud Vossemeer liggen niet in de oudste polder van de heerlijkheid, doch in de Kerkpolder, die vermoedelijk pas ná 1433 is ingedijkt. Ook dit wijst er op, dat vóór ca. 1430 nog geen kerk in Vossemeer heeft bestaan.
In 1433 gaf Gillis van Wissenkerke, die optrad als “regent” van het land van Vossemeer, de gorzen van Vossemeer ter bedijking uit. Een andere regent, Pieter van Botlant, stelde een nadere bepaling vast over de tienden op de meekrap, en bezegelde de brief mede. Heynrick Olartssen, vermoedelijk een heer van Vossemeer, zegelde eveneens op verzoek van Gillis van Wissenkerke. De brief werd ten overvloede bekrachtigd met de zegels van de heerlijkheid en van vier schepenen van Vossemeer. Vooral uit het verschijnen van de laatsten blijkt, dat er reeds een schepenbank bestond en fungeerde. Onjuist is derhalve de veronderstelling van sommigen, dat de uitgiften van 1410 en 1415 pas in 1433 resulteerden in de vorming van een bestuur door Gillis van Wissenkerke, al besteedt hij veel aandacht aan de omschrijving der rechten en plichten van de onderzaten.
Misschien niet geheel en al, doch zeker voor een belangrijk deel wordt de akte van Gillis van Wissenkerke duidelijk, als wij haar plaatsen tegen de politieke achtergronden van het ogenblik. In 1433 was Philips van Bourgondië graaf van Holland en Zeeland geworden, nadat Jacoba van Beieren in april van dat jaar haar hopeloze strijd had opgegeven en volledig afstand van haar rechten had gedaan. Enige heren van Vossemeer waren trouwe vazallen geweest van het huis van Beieren, waaraan zij de totstandkoming van hun heerlijkheid dankten. Sommigen van hen waren al eerder in ongenade gevallen; met name is dit van Helmich van Doornik en Pieter van Botland bekend. Merkwaardig is in ieder geval, dat de beide heren uit de akte van 1433 zich “regent” van het land van Vossemeer noemen; waarschijnlijk zijn zij door de nieuwe graaf van Holland aangewezen, om in Vossemeer orde op zaken te stellen. Van Philips van Bourgondië is bekend, dat de details hem niet raakten; die liet hij aan anderen over.
Zeer goed mogelijk is, dat door de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarin sommige heren van Vossemeer ijverig partij gekozen hadden, nog niet veel terecht was gekomen van de effectieve inpolderingen, voorzien in de oorkonde van 1415, en zat achter de brief van Gillis van Wissenkerke de bedoeling, de rechten en aanspraken van de heren van Vossemeer veilig te stellen. Dat hij de grafelijke oorkonde van 1410 in extenso in zijn akte opnam, wijst ook in deze richting.
Het is echter niet uitgesloten, dat er een andere, zeer prozaïsche aanleiding aan ten grondslag ligt. Door de St. Elisabethsvloed van 1421 , die in het Hollandsch Diep en de Zuid Hollandse Waard catastrofale gevolgen had, en vooral veel jonge bedijkingen vernielde, kan in Vossemeer een reeds bestaande inpoldering zijn vernield, die in de brief van 1415 was voorzien. Hierop wijzen enige andere gegevens. De akte van Gillis van Wissenkerke was er op gericht, (al zegt zij dit niet met zoveel woorden), aan anderen dan de heren van Vossemeer land ter bedijking uit te geven, dat uiteraard onder het aan hen gegeven octrooi viel. Het is niet te ver gezocht te veronderstellen, dat de heren van Vossemeer financieel niet bij machte waren nieuwe inpolderingen aan te vatten of de oude te herstellen. De meeste van hen hadden zich arm gevochten! Daarom wilde Gillis van Wissenkerke ingelanden tot de bedijkingen overhalen. Voor een goede uitbouw van hun ambachtsheerlijkheid wilden de heren hun land met een dorp verrijken, waarvoor zij vanzelfsprekend mensen en gezinnen moesten aantrekken. In 1443 sloten de heren met het kapittel van Tholen een overeenkomst 20 waarvan slechts de vermelding bewaard is gebleven, doch niet de nadere inhoud. In 1450 gaf de graaf van Holland de heren van Vossemeer verlof, de gevangenen in een van zijn kerkers op te sluiten omdat zij zelf wegens de pas voltooide dijkage nog geen geschikte plaats hadden.21 Een en ander wijst er wel op, dat de uitgifte van gronden, door Gillis van Wissenkerke in 1433 gedaan, niet terstond door een nieuwe inpoldering is gevolgd, doch dat deze pas kort voor 1450 tot een resultaat leidde. De opeenvolgende bedijkingen, die successievelijk het land in bezit namen en in cultuur brachten, in de brief van 1415 bedoeld, worden elders behandeld. Alvast moge er op gewezen worden, dat de bedijkingen, globaal en ongedetailleerd in 1415 voorzien, pas tegen het einde van de 19e eeuw zijn voltooid. Volgens een kwitantie betaalden de heren van Vossemeer in 1470 een som van 1200 pond aan de hertog van Bourgondië, als graaf van Holland, voor de aankoop van hun heerlijkheid. 22 Daaruit trekt Ermerins de conclusie, dat de heren hun grond en hun heerlijkheid dubbel en dwars hebben moeten betalen. Die conclusie is niet juist. In deze tijd beraamden de heren van Vossemeer nieuwe bedijkingen, zowel aan de westzijde van de Eendracht als in het zogenaamde Brabantse deel van hun heerlijkheid. Kort na 1470 zijn uit die plannen verschillende nieuwe dijkages voortgevloeid. Ook in 1415 hadden de heren opnieuw moeten betalen voor de uitbreiding van hun gebied. Dit is in 1470 vermoedelijk geheel normaal geweest; hoogstens zou er een vraag kunnen worden gesteld over het juiste gebied, dat in de uitgifte van 1415 begrepen was. Overigens is er voor deze betaling nog een geheel andere verklaring te vinden, waardoor nog minder aannemelijk is, dat het een afpersing was vanwege de hertog van Bourgondië. Enige weken na de afgifte van de kwitantie kregen de heren van Vossemeer van het Hof van Holland verlof om, in afwijking van de andersluidende bevelen van de graaf van Holland, in hun gebied moer te steken en zout te branden. 23 In feite was het de erkenning van hun reeds bestaand recht. Dit verlof moeten wij eveneens zien in het licht van de voorgenomen bedijkingen; het werd gegeven voor rijpe en waarschijnlijk bezomerkade gorzen, wier definitieve dijkage in het verschiet lag. Het spreekt vanzelf, dat de graaf van Holland voor zo’n uitzondering een betaling vroeg. In de eerste twee eeuwen van haar bestaan werd de ambachtsheerlijkheid, ofschoon in Zeeland gelegen, toch als een Hollands leen beschouwd. Dit gaf geen aanleiding tot moeilijkheden, toen de graaf van Holland tevens als heer van Zeeland optrad. Bij en na de vrijmaking van de Nederlandse gewesten van Spanje ontstond de opvatting, dat Zeeland van oudsher een autonoom gewest was - sommigen spraken zelfs van een afzonderlijk graafschap - dat toevalligerwijs ook door de graaf van Holland in leen werd gehouden. Mede om deze reden hebben de Staten van Zeeland tegen het einde van de 16e eeuw een begin gemaakt met een intensievere bemoeiing met Vossemeer. Hieraan was door de territoriaal afgebakende bevoegdheden van de provinciale besturen niet te ontkomen, al hebben de heren van Vossemeer wel pogingen gedaan om zich met een beroep op hun “Hollands” leen aan een te ver gaande bevoogding van Zeeland te onttrekken. Deze ontwikkeling was echter niet meer tegen te houden.
Overigens grepen de heren van Vossemeer dat motief bij voorkeur aan, als zij bepaalde moeilijkheden met Zeeland hadden. In 1597 bevalen de Staten van Zeeland, dat alle ambachten, heerlijkheden, tienden en lenen, in de “grafelijkheid” van Zeeland gelegen, voor de leenkamer van Zeeland verheven moesten worden. 24 Reeds in 1589 hadden de Staten een eerste maal deze pretentie gesteld. 24a De heren van Vossemeer hadden hier in principe geen bezwaar tegen, doch eisten wel, dat zij tegenover de leenkamer van Holland gevrijwaard zouden worden. 25 In 1609 herhaalden de Staten van Zeeland nogmaals hun bevel. 26
Van enige heren, die spaansgezind waren, hadden de Staten van Zeeland al jaren tevoren de aandelen in de heerlijkheid in beslag genomen. Door de Staten was een vertegenwoordiger aangewezen, die in de vergaderingen de belangen van de geconfisqueerde aandelen te behartigen had. Vanzelfsprekend gingen de aspiraties van de Staten verder, en wilden zij op deze manier tevens medezeggenschap krijgen in de bestuurlijke zaken van de heerlijkheid. Tijdens het Twaalfjarig Bestand zijn enige aandelen naar hun oorspronkelijke bezitters teruggekeerd; bij de Vrede van Munster werden de laatste. confiscaties ongedaan gemaakt. Nadien hadden de Staten van Zeeland zoveel andere zaken aan hun hoofd, dat zij de penetraties in de heerlijkheid van Vossemeer een tijdlang uit het oog verloren. In 1703 werd Nicolaas Duurcant, baljuw van Tholen en rentmeester van de domeinen, door de Staten van Zeeland aangewezen om de vergaderingen bij te wonen. De heren van Vossemeer durfden hem niet de toegang weigeren, doch zich beroepend op een oude resolutie van 1635 stonden zij hem alleen inzage toe van het “beloop” der rekening van 1702. 27 Het afhoren van de rekening en de aanwezigheid bij de beraadslagingen werden zonder meer geweigerd. Enkele jaren nadien trachtte Duurcant een voet tussen de deur te krijgen door middel van een leenverheffing in een deel der tienden van Oud Vossemeer, doch dit gevaar wist de rentmeester tijdig te keren. 28 Een der heren van Vossemeer, de Mauregnault, had zitting in de Staten. Regelmatig hebben er persoonlijke banden bestaan tussen de heren van Vossemeer en het gewestelijk bestuur; veel heren hadden tevens andere functies in Zeeland of in de steden van het gewest, zodat de al te ver gaande aspiraties van het gewestelijk bestuur of van diens functionarissen gewoonlijk al bij de eerste besluitvorming in goede banen kon worden geleid. In 1773 besloten de heren, hun privileges te laten registreren door de Gecommitteerde Raden der Staten van Zeeland of bij de Leenkamer van Zeeland, “opdat bij alle onverhoopte ongelukken men des te meerdere zekerheid hebbe”, 29 In 1774 werd medegedeeld, dat de rekenkamer van Zeeland de stukken in haar copulaatboeken had opgenomen. 30 Als het ware op de valreep van het oude tijdperk heeft de ambachtsheerlijkheid tenslotte de volle consequenties getrokken, dat zij een Zeeuws leen was. In 1709 is voor het eerst van een “president” gesproken; in zijn handen moest de rentmeester de eed afleggen. 31 Gedurende de eerste eeuwen heeft de oudste heer in jaren of de langstzittende het voorzitterschap van de vergadering bekleed. Daarna werd de voorzitter door de vergadering aangewezen; samen met de commissie of de raad van beheer handelde hij de lopende zaken af. In 1763 werd Mr. Johan Willem van Rosevelt voor het leven tot gecommitteerde aangesteld; elk jaar zou hem een andere heer worden toegevoegd. 32 Wie hem opvolgde, zou ook voor het leven benoemd worden. 33 Wegens zijn hoge ouderdom trok Van Rosevelt zich in het jaar 1789 terug. 34 In organisatorisch en bestuurlijk opzicht heeft de ambachtsheerlijkheid tot aan het jaar 1795 geen veranderingen ondergaan. Verschillende nadere details van de interne organisatie en het optreden naar buiten worden in de andere afdelingen van dit hoofdstuk behandeld.
DE OMWENTELING VAN 1795
Meerdere malen heeft de geschiedenis geleerd, dat een instelling haar einde nabij is op het moment, dat er hoog van opgegeven wordt. Toen in 1794 een schone hand een prachtig geschreven lijst maakte van de magistraat van Oud en Nieuw Vossemeer, 35 kondigde het einde van het instituut zich reeds aan.
De Franse legers, die in 1794 een mislukte inval in de Nederlandse gewesten hadden gedaan, keerden in 1795 terug, om er bijna 20 jaar te blijven. Onder deze bescherming werd de revolutie ingezet. In de vergadering van de heren van Vossemeer van 1795 kwam een brief binnen van het “Comité Revolutionair” van Oud en Nieuw Vossemeer. 36 Ongetwijfeld zal hij de heren geschokt hebben; hij was trouwens in zulke duidelijke en krasse bewoordingen gesteld, dat de heren niet konden beweren zijn strekking niet te begrijpen. Het nieuwe tijdperk voor de ambachtsheerlijkheid werd als volgt aangekondigd:
“Wij hebben de eer uw kennis te geven, dat de burgerij zoo te Oud als Nieuw vossemeer, in navolging van vele steden en plaatsen in ons vaderland hun verlangen om aan de Revolutiedeel te nemen hebben begonnen uit te werken, door alhier zeven, te Nieuwvossemeer vier personen tot hunne provisionele representanten aan te stellen, met magt en last, om de als doe fungerende regenten van hun posten te ontslaan en eene door het volk benoemde regeering te installeren, aan welk begeren ook is voldaan, zijnde voorlede zaturdag de oude regering bedankt en de nieuwe aangestelde door ons in den eed genomen ..............”
Verder deelde de brief mede, dat in Vossemeer alle regenten herkozen waren, wat volgens de schrijver bewees, dat er geen haat of partijschap had geheerst, doch dat de burgers slechts hun recht van zelfbestuur hadden uitgeoefend. De revolutie was zonder één wanklank verlopen. Algemeen verwachtte de burgerij; dat de heren zich met hen over de omwenteling zouden verheugen. Het volk van Vossemeer, “nu op zich zelf staande evenals een jong doch teffens welvaarend kind”, verlangde naar een scheiding tussen de goederen, rechten en inkomsten van heerlijkheid en gemeente. Op het einde klinkt de brief heel wat minder aanmatigend, als het Comité Revolutionair de heren vraagt te gedogen, dat het gemeente - bestuur van Oud Vossemeer gebruik mag blijven maken van het rechtshuis. 37 Opmerkelijk nuchter is het advies, dat Mr. Corn. Caen naar aanleiding van deze brief aan zijn collega’s gaf. Hij was vanaf 1762 heer van Vossemeer, had als burgemeester, schepen en raad van Vlissingen gefungeerd en was derhalve een regent van de oude stempel, van dat “vervloekte” feodale tijdperk. “Wij weten wel van elkaar”, zo schrijft hij, “hoe wij over de revolutie denken en over de onrechtmatigheid, die in naam van de Rechten van de Mens wordt gepleegd. Het zal wel niet te keren zijn; wat komt, moeten wij maar aanvaarden”. Doch vlug wordt hij zakelijk. Het ambachtshuis is en blijft van de heren; het kan aan de gemeente worden verhuurd. De aanstelling van de magistraat is een flagrante schending van de rechten der heren van Vossemeer, doch hieraan zal wel niets meer te doen zijn. Caen adviseerde met klem, in de schikking over de heerlijkheids- en dorpsmiddelen toe te stemmen, daar dit voor de ambachtsheerlijkheid voordelig was. De Heren Caen, Huyssen van Kattendijke en Ermerins werden aangewezen om met de gemeente te onderhandelen. De rentmeester deelde nog mede, dat de landlieden van Oud Vossemeer en bloc geweigerd hadden hout en mutserd voor de heren te vervoeren. Voor herendiensten was in de nieuwe orde geen plaats meer! In deze tijd heeft het ten voordele gewerkt, dat de heren van Vossemeer slechts eenmaal per jaar vergaderden. Zodoende kwamen de aanspraken van de nieuwe gemeenten niet heet van de naald ter tafel, doch waren zij al aanzienlijk afgekoeld vóór de herenvergadering. In 1796 bracht de commissie rapport uit. 38 In feite had zij niets kunnen doen; het comité revolutionair van Oud Vossemeer was inmiddels ontbonden. Alom hadden de revolutionairen onderling zoveel onenigheid, dat er niets tot stand kwam. Enige leden van het voormalig comité ontkenden zelfs, dat zij opdracht hadden gegeven aan de heren pertinente eisen te stellen, doch dat hun bedoeling slechts was geweest de zaak van de revolutie in principe uit te spreken, en op een gunstig tijdstip met de heren te onderhandelen over de details. De rentmeester meldde, dat de ingelanden der polders van Oud Vossemeer bij het afhoren van de rekening het oude polderbestuur afgezet en een nieuw, geïnstalleerd hadden, doch dit was, als het ware per kerende post, door de Provisionele Representanten van Zeeland ongedaan gemaakt. De katholieken vanNieuw Vossemeer hadden verzocht ontslagen te worden van de betalingen, zoals de opcenten bij verkopingen, voor de hervormde kerk en de predikant. Die gelden wilden zij besteden aan de roomse armen. Het hoger gezag oordeelde hun grief rechtmatig; zij werden van die betalingen ontslagen, doch moesten wel voor de school blijven bijdragen, die een algemene zaak was. 39 Op 17 september 1797 overleed secretaris Quist, die door de heren van Vossemeer was benoemd. Hij was door de revolutionairen niet aan de dijk gezet, omdat hij zijn ambt voor een niet geringe som had gekocht. Na zijn dood werd Samuel Abraham Catshoek door het gemeentebestuur aangesteld. De jaarlijkse recognitie van 30 pond, die de secretaris aan de heren moest betalen, eiste de gemeente op. Zo werd een ander oud recht van de heerlijkheid opzij geveegd, waartegen de heren zonder succes protesteerden. In de rechtszaal van het ambachtshuis wilde het gemeentebestuur de wapens van de schoorsteen doen halen, die verfoeilijke emblemen van het feodalisme! Met het dreigement, dat hij de gemeente uit het huis zou zetten, heeft de rentmeester dit kunnen verhinderen. De kroon boven het wapen op de gevel was er in een onbewaakt ogenblik reeds afgekapt; het litteken werd zo goed en zo kwaad als mogelijk was met kalk bedekt. De voorzitter van de raad van beheer vond het toch maar raadzaam de wapens van de schoorsteen te laten afhalen en veilig op te bergen. De verdeling van de inkomsten en goederen wilden de heren hoe eer hoe liever afwerken. 40
Op 12 augustus 1798 confereerde de commissie uit de heren met de vergadering der gehele burgerij en maakte zij bekend, hoe de heren van Vossemeer de scheiding der goederen en gelden wilden regelen. De commissie kreeg de wind van voren; zij beklaagde zich over “verscheidene zeer odieuse en ongepaste reflexiën”. Enige weken later diende het gemeentebestuur zijn eisen schriftelijk in; het vroeg in volle eigendom te krijgen:
1. het rechtshuis;
2. de waag met toebehoren, het brandspuitenhuis, de brandspuit en het daarbij behorend gereedschap;
3. de beide pontveren;
4. de 1200 gulden, onlangs door een pachter van het veer als waarborg gestort en bedoeld om een veerdam te herstellen;
5. de sloten der huisschatting vanaf 1796;
6. de verpachting van de dorpsmiddelen;
7. de bomen en het plantrecht op de weg van de molen tot aan het veer;
8. de erfpacht of cijns van de molens;
9. de directie over de ledige of beplante erven in het dorp;
10. de nieuwe of oude straatstenen in het dorp en de voorraad stenen.
Hierop antwoordden de heren, dat zij niet eens wensten te praten over het ambachtshuis, de veren, de bomen en het plantrecht, de erven en de straatstenen. Op de rest hadden zij in principe hun toestemming al gegeven. Dit aanbod wilden de heren gestand doen; werden echter nieuwe pretenties gesteld, dan trokken zij het alsnog in en zou van hun kant elk overleg geweigerd worden. In de vergadering van 1799 werd medegedeeld, dat de gemeente hierop nog niet geantwoord had. 41 Toch had de magistraat van Vossemeer al op 30 september 1798 twee ontvangers voor de huisschatting aangesteld; tevens had zij het waag- en havengeld verpacht en de collecte van de accijns. Tijdens de vergadering van de heren kwam een opmerkelijk onderdanige brief binnen van de gemeente; op sommige punten had zij het enigszins anders bedoeld dan de heren hadden verstaan. Deze hielden echter voet bij stuk en boden nogmaals aan het ambachtshuis aan de gemeente te verhuren. Er was nog maar één gemeente gevormd; de magistraat had zowel te Oud als te Nieuw Vossemeer bevoegdheid. Doch omdat de burgerij van Nieuw Vossemeer zich ook al over bepaalde zaken uitgesproken had, besloten de heren, dat eveneens de toestemming van Nieuw Vossemeer verkregen moest worden vóórdat een accoord kon worden gesloten.
In juni 1800 hadden die van Vossemeer zich nog niet uitgesproken.42 De heren besloten om te zien naar een middel om hen tot spoed aan te zetten. In Oud Vossemeer bleken de revolutionaire denkbeelden zelfs al bij de predikant en de kerkeraad wortel te hebben geschoten; zij betwistten de heren het recht op de “herenbank” in de kerk. De predikant schreef een brief in deze geest. De heren droegen de rentmeester op, met alle wettige middelen hun eigendommen en hun recht te doen handhaven. Enige tijd nadien besliste het gemeentebestuur, dat de bank aan de ambachtsheren bleef. De burgerij van Nieuw Vossemeer meldde eindelijk in 1801, dat zij zich in alles aan Oud Vossemeer conformeerde. 43 De heren herhaalden hun voorstellen aan de burgerijen. Het antwoord liet lang op zich wachten. De gemeente had haar zin op het ambachtsherenhuis en de ledige erven in het dorp gezet, doch zij wist wel, dat de heren op deze punten nooit toe zouden geven. Zij wachtte derhalve op een nieuwe revolutionaire wind, die echter niet kwam, omdat inmiddels de scherpe kanten van de omwenteling afgesleten waren.
In 1804 werd de secretaris aangezegd, dat hij de recognitie van 30 pond aan de ambachtsheerlijkheid te betalen had. 44 Blijkbaar is er op dit punt een uitspraak van het hoger gezag geweest. Op de volgende jaarvergadering van 1805 kwam zijn diplomatiek antwoord binnen; hij wilde de recognitie best betalen, maar voelde er niet voor dat dubbel te doen, omdat ook de gemeente deze van hem eiste. De heren beloofden hem tegenover de gemeente te vrijwaren. Ermerins werd opgedragen nog eens met de gemeente te praten over de regeling van de hangende zaken. Ditmaal kwamen de partijen tot overeenstemming. 45 De gemeente kreeg de vrije beschikking over de dorpsaccijns, de plakke, de andere dorpsmiddelen, de waag met toebehoren, waaronder de brandspuit, het havengeld, de beurtschipperij, de veerdammen, de scholen en kerken, de asbakken, de straten en wegen, zelfs de straatstenen. Daartegenover moest zij alle tractementen overnemen. Het ambachtsherenhuis werd aan de gemeente verhuurd voor 10 pond of 60 gulden. Alle andererechten en eigendommen bleven aan de ambachtsheerlijkheid.
Het contract is op 15 augustus 1806 getekend. 46 Hierdoor kwam een definitief einde aan het publiekrechtelijk instituut van de ambachtsheerlijkheid, dat in feite al van 1795 af niet meer bestond.
Nieuw Vossemeer had reeds lang een min of meer tweeslachtige status gehad. Door de heren van Vossemeer en de Staten van Zeeland werd het als Zeeuws grondgebied beschouwd. In de tijd van de Republiek, toen Brabant nog tot de Generaliteit behoorde, heeft dit niet tot noemenswaardige moeilijkheden aanleiding gegeven. Bij de omwenteling van 1795 liet de burgerij van Nieuw Vossemeer zich wel horen, doch het dorp ressorteerde nog altijd onder de éne gemeente van Oud en Nieuw Vossemeer. In 1809 echter is Nieuw Vossemeer als een deel van Brabant aangewezen, en werd er een afzonderlijk gemeentebestuur ingesteld. Bij K.B. van 20 juli 1814 is deze gemeente voorgoed bij Brabant gevoegd. Sindsdien vertoonden de nog bestaande relaties met de ambachtsheerlijkheid en de oude rechten, die in 1814 deels zijn hersteld, er een ander beeld dan in Oud Vossemeer.
Bij de vorming van het koninkrijk der Nederlanden hebben de ambachtsheerlijkheden zich terdege laten horen. Ofschoon het de meeste ambachtsheren wel duidelijk was, dat niet meer gerekend kon worden op een volledige terugkeer naar de vroegere toestanden, die na een ontwikkeling van 20 jaar democratisering niet meer te herstellen waren,oordeelde de regering toch, dat men in de tijd van de Franse bezetting veel te ver was gegaan. Op 26 maart 1814 kwam een koninklijk besluit af, dat bepaalde rechten van de ambachtsheerlijkheden herstelde. Belangrijk was dit besluit voor sommige zakelijke rechten, waaraan inkomsten verbonden waren. In de bestuurlijke sector kregen de ambachtsheerlijkheden ook enige rechten of voorrechten terug, o.a. het toezicht op het vaststellen van verordeningen 46a, die evenwel niet veel om het lijf hadden.
In het nieuwe reglement op het bestuur der gemeenten van 21 juli 1816 legden Gedeputeerde Staten van Zeeland de rechten van de ambachtsheerlijkheden uitdrukkelijk vast. In hun gebied komt de heren de voordracht toe van de schout (burgemeester), de leden van de raad, de sustituut-schout, de secretaris en de ontvanger. Van elke vacature moet terstond aan de ambachtsheren kennis worden gegeven. Zij moeten gekend worden bij het opmaken van elke verordening; hebben zij bedenkingen, dan beslissen Gedeputeerde Staten over de laatste redactie. De schout moet de ambachtsheren oproepen voor het afhoren van de rekening. 47 Ingevolge deze bepalingen hebben de heren van Vossemeer inderdaad verschillende voordrachten opgesteld en ingediend. In 1838 stelden zij een nieuwe burgemeester voor; in 1839 een dijkgraaf voor de polders van Vrijberghe. Dit zijn de laatste voordrachten geweest; nadien hebben de heren dit recht niet meer uitgeoefend, waarop zij blijkens hun passieve houding op de vergaderingen niet veel prijs stelden. Hun laatste band met de gemeente is bovendien geheel doorgesneden door de Gemeentewet van 1851.
In Nieuw Vossemeer zijn de zaken meer gecompliceerd verlopen. In 1818 vaardigde Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een publicatie uit, waarin zij de ambachtsheerlijkheden verzochten, opgave te doen van hun rechten en inkomsten, voornamelijk uit de secretarie van de vroegere gemeenten, teneinde een basis te vinden voor de schadeloosstelling. De ambachtsheerlijkheid diende haar memorie in. De benoeming van de functionarissen was in 1795 opgehouden, met uitzondering van die der dijkgraven en gezworenen, welke bevoegdheid door het keizerlijk decreet van 28 december 1811 aan de vroegere rechthebbenden was voorbehouden. Zij had haar rechten over Oud en Nieuw Vossemeer samen uitgeoefend, zodat het wel moeilijk was, de derving van inkomsten van Nieuw Vossemeer alleen te berekenen. De baljuw, die tevens dijkgraaf was, betaalde een jaarlijkse recognitie van 150 gulden. De secretaris, tevens penningmeester van de polders, griffier van de weeskamer en vendumeester, betaalde in totaal 180 gulden, bovendien nog 150 gulden als ontvanger van de accijns en de huisschatting. In totaal kreeg de ambachtsheerlijkheid 480 gulden per jaar aan recognities binnen. In 1798 had Oud Vossemeer 876 en Nieuw Vossemeer 604 inwoners; het aandeel van Nieuw Vossemeer kon op 3/7 van het totaal gesteld worden. Dit vonden de heren een redelijke basis, die zij G.S. van Noord-Brabant in overweging gaven. 48 Pas in 1824 kwam de volgende stap: G.S. van Noord-Brabant vroegen meer gegevens om de schadeloosstelling te kunnen berekenen. In 1825 is de afkoopsom van de erfsecretarie voor de eerste maal betaald; voor de jaren 1821 tot 1823 bedroeg zij 111 gulden. In 1845 werd 37 gulden betaald. 49 De uitkering is tot 1847 gedaan, 50 daarna is er zonder nadere uitleg mee gestopt.
Met het gemeentebestuur van Nieuw Vossemeer heeft de ambachtsheerlijkheid na 1809 geen bemoeienis gehad. Wel stelde zij in 1830 een lid van de gemeenteraad ter benoeming aan G.S. voor, doch het provinciaal bestuur van Noord-Brabant wees dit resoluut af; de schadeloosstelling was in de plaats van het recht getreden. Het gemeentebestuur moest zelf de voordracht opmaken. Wel is dit recht van de ambachtsheerlijkheid nog een tijdlang erkend voor de polders van Nieuw Vossemeer. Vóór 1795 hadden deze onder de supervisie van de heren gestaan; toen fungeerde er een dijkgraaf en een penningmeester voor Oud en Nieuw Vossemeer; de gezworenen werden uit elke polder gekozen.
In 1827 stelden de heren van Vossemeer aan G.S. van Noord-Brabant een nieuwe dijkgraaf voor. G.S. vroegen, waarop dit steunde. De heren antwoordden, dat het een van hun oude rechten was, nadrukkelijk erkend bij het K.B. van 29 maart 1822. Het schijnt wel, dat de heren de uitoefening van dit recht hebben laten sloffen. Naar aanleiding van het geval in Noord-Brabant richtten zij op 21 april 1827 een schrijven aan G.S. van Zeeland, om deze in herinnering te brengen, dat de heren dit recht van voordracht van de dijkgraaf van Oud Vossemeer hadden, aan welk recht niet de hand was gehouden. Het provinciaal bestuur van Zeeland had weliswaar nog geen dijkgraaf benoemd, doch het bleek niet overtuigd te zijn van het recht der heren van Vossemeer. Het berichtte tenminste, dat aan de regering de vraag ter beslissing was voorgelegd, of en in hoeverre het koninklijk besluit van 1822 in overeenstemming te brengen was met het bekende polderreglement van 1811.51
In 1830 overleed de penningmeester van de polders van Nieuw Vossemeer. Het polderbestuur keerde handig de rollen om, maakte zelf een voordracht op, en verzocht de ambachtsheerlijkheid hierop “regard” te willen slaan. Sommige ingelanden waren het daarmee niet eens en dienden bij het provinciaal bestuur van Noord-Brabant een eigen voordracht in. De dijkgraaf was hierover zeer verbolgen en verzocht G.S. met die aanmatigende brief geen rekening te willen houden. De heren van Vossemeer namen de aanbeveling van het polderbestuur over; conform benoemden G.S. van Noord-Brabant.
Op 24 februari 1846 publiceerden G.S. van Noord-Brabant een nieuw reglement op het beheer van de dijken en polders in de provincie. Het was bedoeld als een straffe maatregel tegen de chaos, die er toen op waterstaatsgebied in Noord-Brabant heerste. Ofschoon het reglement als zodanig niet tegen de ambachtsheerlijkheden was gericht, lag er toch de duidelijke bedoeling in opgesloten alle vreemde invloeden te weren en de waterschappen uitdrukkelijker dan voorheen tot een verantwoording tegenover het provinciaal bestuur te verplichten. Het eerste gevolg van het reglement was, dat een geheel nieuw polderbestuur werd samengesteld.
De voordracht hiertoe ging uit van de ingelanden; de heren van Vossemeer kwamen er niet meer aan te pas. Op 30 september 1846 richtten zij een rekest aan de koning.
Reeds op 4 augustus 1846 had de minister beslist, dat het recht van voordracht der ambachtsheerlijkheden erkend moest worden. G.S. van Noord-Brabant voelden zich hierdoor in hun beleid inzake de waterschappen beperkt en gehinderd; zij vroegen om een herziening van de beslissing. Hun verzoek werd zeer kort daarna afgewezen, op grond van het feit, dat het recht in een algemene wetsbepaling was erkend, die door geen enkele provinciale verordening kon worden opgeheven. Weer kwamen Gedeputeerde Staten er op terug; ditmaal ging het ministerie door de knieën. Het “ei van Columbus” was, dat het recht van voordracht weliswaar in 1814 was gehandhaafd, doch dat dit niet gold voor de zogenaamde vroegere Generaliteitslanden. Dit motief was kennelijk voor Brabant uitgedacht. Strikt genomen was het op Nieuw Vossemeer niet eens toepasselijk, daar het gebied van dit dorp voor 1809, in elk geval vóór 1795 onder Zeeland ressorteerde. Doch de heren van Vossemeer hebben er niet de minste behoefte aan gevoeld, tegen de geest des tijds in een recht af te dwingen, dat toch niets meer te betekenen had.
Zo zijn de laatste restjes van het publiekrechtelijk aspect van de ambachtsheerlijkheid, in 1814 als “doekje voor het bloeden” enigszins hersteld, tegen het midden van de vorige eeuw als een nachtkaars uitgegaan.
NIEUWE VORMEN
Ogenschijnlijk had de ambachtsheerlijkheid tegen het midden van de 19e eeuw alle grond onder de voeten verloren; haar oude publieke rechten waren verdwenen; naar buiten trad zij slechts op als een min of meer verouderd instituut, welks reden van bestaan voor de buitenstaander twijfelachtig was. Des te merkwaardiger is het, dat de voormalige ambachtsheerlijkheid (het adjectief is van de regering van koning Willem I) sindsdien in financieel opzicht een veel bredere armslag kreeg dan voorheen. Waarschijnlijk heeft Cornelis Caen het in 1795 zeer goed gezien, toen hij adviseerde, de ambachtsheerlijkheid zo vlug mogelijk van de gemeenten los te maken. In de 2e helft van de 19e eeuw heeft zij enige grote bedijkingen volbracht, die nog respect afdwingen, en die de aandeelhouders geen windeieren hebben gelegd. Zou men alléén de financiële kant in ogenschouw nemen, dan kan men met enige grond tot de conclusie komen, dat de gemeenten en de dorpen voor de ambachtsheerlijkheid meer een blok aan het been hadden gevormd.
Toen het publiekrechtelijk bestanddeel van de heerlijkheid geheel verdwenen was, had met enig recht de vraag gesteld kunnen worden, of en in hoeverre de ambachtsheerlijkheid nog wel bestond. Eigenlijk stond alles op losse schroeven; het bestuur, de aandelen en het optreden naar buiten. Het kwam wel eens voor, dat de heren van Vossemeer gezamenlijk moesten handelen. In de tweede helft van de vorige eeuw zijn de geschillen en de processen trouwens niet van de lucht geweest. Gelukkig heeft geen der partijen, die de heerlijkheid wel bepaalde rechten of eigendommen betwistten, genoeg inzicht (of kwaadwilligheid?) gehad om haar bestaan zelf te doen aantasten. Voor in de grond zeer eenvoudige zaken moest een dossier met volmachten worden overgelegd. Daar verschillende aandeelhouders in het buitenland woonden, werden die volmachten soms door nieuwe feiten achterhaald vóór zij gebruikt waren.
Meermalen is over een nieuwe organisatievorm gedacht en gesproken. In de vergadering van 13 october 1869 besloten de heren, de oude ambachtsheerlijkheid om te zetten in een zedelijk lichaam. Voor notaris Pieter van de Graft uit Middelburg werd op 2 december 1869 de akte van oprichting gepasseerd. Voor de aandeelhouders traden op: Mr. A. M. Becius, Mr. A. P. Snouck Hurgronje en Mr. C. J. Pické. De vereniging had ten doel: het bestendig uitoefenen van de rechten van de oude ambachtsheerlijkheid. Zij ging in op 1 januari 1870 en was voor de tijd van 29 jaren aangegaan. Alle aandeelhouders brachten hun aandelen in. Het oude onderscheid tussen de afzonderlijke aandelen van de tienden in Oud Vossemeer, dat voorheen, zij het slechts pro forma, had gegolden, was reeds langer verdwenen, toen er geen leenverheffingen meer geëist werden. Er bleken 181 gelijkwaardige aandelen te bestaan. Alle eigendommen en alle rechten vormden het kapitaal van het zedelijk lichaam. 52 Op het tijdstip van de omzetting waren de aandelen in handen van:
Mr. Adriaan Marinus Becius 12
Mr. Anthony Pieter Snouck Hurgronje 12
Mr. Carel Johannes Pické 12
Jhr. Willem Versluijs 18
erven Jhr. Johan Maria baron Huijssen van Kattendijke 18
Jkvr. Henriette Steengracht 12
Mr. Jan Jacob Slicher van Domburg 12
Mr. Willem Frederik baron van Doorn van Westkapelle 12
Jhr. Jacob Hendrik Lodewijk Quarles van Ufford 12
Boudewijn Boom 12
Dr. Francoys Zacharias Ermerins 12
erven Guillaume Frederik Godin 12
erven Isack de Crane 7
erven Jhr. Willem Johan Cornelis ridder Huijssen van Kattendijke 18
Totaal 181

Het getal van 181 vraagt om een nadere uitleg. Wij weten niet zeker, of de eerste zes ambachtsheren in 1410 gelijke aandelen hadden (de successie is trouwens niet volledig meer te reconstrueren). Toch is het waarschijnlijk, dat er oorspronkelijk zes delen zijn geweest, al is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat één heer twee delen bezat en twee andere samen één. Als dan de latere aandelen voortgesproten zijn uit de eerste zes, verwacht men een getal,dat deelbaar is door zes. Nu zijn vóór de 19e eeuw de overzichten van alle aandelen zeer zeldzaam. Zij zijn bekend uit 1546 en 1629; een andere opgave van omstreeks 1784 geeft Ermerins in zijn boek.
Volgens de staat van 1629 waren er aandelen van 1/4, 1/6, 1/12 , 1/16, 1/24, 1/36 en 1/48. Omgerekend naar delen van 1/48 waren toen 48 1/2 aandelen te onderscheiden. Volgens deze basis waren in 1546 51 parten van 1/48; in feite iets minder, daar de markiezin van Bergen op Zoom 1/3 aandeel min 1/72 had. Berekent men de opgave van Ermerins op dezelfde manier, dan waren er omstreeks 1784 39 1/2 parten van 1/48 delen. Dit verschil kan verklaard worden, al kan het misschien niet exact worden nagecijferd, daar de heren tussen 1629 en 1784 verschillende aandelen en gedeelten van aandelen voor gemeenschappelijke rekening aankochten of genaast hebben. Deze zijn in feite opgelost; administratief of boekhoudkundig bestonden zij niet meer. Het kapitaal, dat zij vertegenwoordigden, was in de gemeenschappelijke pot verdwenen of was bij de aankoop daaruit genomen; soms is het door de heren in specie bijeengebracht geheel buiten de rekening om.
In 1863 maakte de toenmalige rentmeester een overzicht van de aandelen mét de successies vanaf omstreeks 1700. Zijn gegevens dienen met voorzichtigheid te worden gehanteerd, daar het vrijwel zeker is, dat hij de gewone aandelen niet voldoende onderscheiden heeft van de aandelen in tienden, die slechts pro forma op de naam van een heer werden gesteld. Hij rangschikte de aandelen in twee afdelingen: aandelen in gemeenschappelijke eigendom en aandelen in bijzondere eigendom. In de eerste afdeling vermeldt hij de delen, die de heren voor en na hebben aangekocht, derhalve teruggekocht. Problematisch is, of hier van werkelijke aandelen kan worden gesproken. In de tweede afdeling rangschikt hij de aandelen, die in zijn tijd en daarvoor in het bezit waren van de afzonderlijke heren van Vossemeer. Al deze aandelen telde hij bij elkaar op. Om de juiste gemene deler te krijgen voor sommige zeer versnipperde parten kwam hij op een totaal van 288 delen. Dit getal was in feite een verdeelsleutel. Als zodanig werd het gebruikt bij de berekening van de uitkeringen. Volgens deze opzet waren 107/288 delen in gemeenschappelijk bezit en 181/288 delen in het bezit van de onderscheiden leden. Deze opgave vindt men na 1863 meerdere jaren in de rekening terug, zodat zij bij de oprichting van het zedelijk lichaam ingeburgerd was. Toen zijn er geen 1/24 of 1/48 delen meer onderscheiden, doch heeft de raad van beheer het getal van 181 aandelen aangehouden.

In de statuten, die tegelijkertijd met de akte van oprichting werden vastgesteld, waren de voornaamste bepalingen: de rechten en verplichtingen van de aandeelhouders gaan slechts in de rechte lijn op de erfgenamen over. leder lid kan een of meer van zijn aandelen vervreemden. Lid is, wie een aandeel door schenking, koop of op andere wijze verkrijgt. Het stemrecht is toegekend aan meerderjarige mannen, die minstens 6 aandelen bezitten. Meerdere kleine aandelen mogen zich tot een stem verenigen. Leden, die 6 of meer aandelen bezitten, mogen zich op de vergadering doen vertegenwoordigen. In een buitengewone vergadering van mei 1870 is tevens een huishoudelijk reglement vastgesteld. 53
Teneinde de rechtszekerheid te bereiken, die bij de oprichting van het zedelijk lichaam doel was, vroeg de ambachtsheerlijkheid op 25 maart 1870 erkenning als rechtspersoon aan. 54 Op 4 augustus beschikte de minister afwijzend. Volgens de regering was bij de ambachtsheerlijkheid alleen sprake van een gemeenschappelijk eigendom, niet van enig eigen vermogen van de vereniging, afgescheiden van dat van haar leden. Het kapitaal is verdeeld in 181 aandelen, volledig in het bezit van de individuele leden. Het lidmaatschap is aan de aandelen verbonden, zodat de vereniging op zichzelf, zonder eigen vermogen, geen eigen belang heeft; het is derhalve geen corporatie, die aanspraak kan maken op de titel van rechtspersoon. De heren van Vossemeer waren zeer teleurgesteld over de afwijzing. De argumentatie van de minister vonden zij wel aanvechtbaar, doch zij legden zich bij de beslissing neer, omdat er in feite geen acute noodzaak aanwezig was, dat zij rechtspersoonlijkheid moesten of wilden bezitten. Kort nadien kwamen zij tot het inzicht, dat de omzetting in een zedelijk lichaam zonder verdere rechtsgrond net zo goed achterwege had kunnen blijven. Op 21 december 1898 werd het zedelijk lichaam voor 29 jaren verlengd tot 31 december 1927, bij acte van notaris Antoni Martinus Tak te Middelburg. Nogmaals werd het tot 31 december 1956 verlengd door een acte, verleden voor notaris David van de Velde te Tholen op 25 mei 1927. 55 Toen de nieuwe termijn nog maar kort aan het lopen was, dezen zich grote moeilijkheden voor, die tot een geheel andere vorm dwongen.
Gezicht op Oud Vossemeer in 1784

Gezicht op Oud Vossemeer in 1784. Naar de gravure uit het boek van Ermerins.

In 1917 hadden de Kamers der Staten Generaal een nieuwe wet op de dividend- en tantièmebelasting aangenomen. In 1927 legde de inspecteur der belastingen de ambachtsheerlijkheid een aanslag in die belasting op. Ongeveer gelijktijdig deden zich moeilijkheden voor bij de overdracht van de aandelen van mevrouw Beboul aan de minderjarige dochter van ridder Huijssen van Kattendijke. De staat beschouwde deze aandelen als onroerend goed, waarvan het transport aan overdrachtsrecht onderworpen was. Al raakte dit punt alleen de bezitters van de aandelen, toch waren de heren van Vossemeer van oordeel, dat de Staat niet slechts op twee, doch op drie gedachten hinkte, door over eenzelfde zaak er drie tegenstrijdige opvattingen op na te houden. Tegen de aanslag in de belastingen dienden zij een verweerschrift in. Op 25 maart 1929 werd hun verweer verworpen door de Raad van Beroep voor de directe belastingen te Middelburg. In hoger beroep verwierp de Hoge Raad het op 15 januari 1930, al wijzigde hij het bedrag van de aanslag. De advocaten van de ambachtsheerlijkheid adviseerden, het zedelijk lichaam zo spoedig mogelijk te ontbinden en een nieuwe organisatievorm te kiezen. 56 Na veel voorbereidingen en adviezen werd op 26 april 1935, ten overstaan van notaris van de Velde te Tholen, de akte gepasseerd van de oprichting der naamloze vennootschap “De Ambachtsheerlijkheid van Oud en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe N.V.”, gevestigd te Oud Vossemeer. 57 (Bijvoegsel Ned. Staatscourant, 14 en 15 juni 1935, nr. 114). Op 30 december 1958 werden bepaalde financiële belangen ondergebracht in een afzonderlijke dochtermaatschappij, de “N.V. Beleggingsmaatschappij Oud en Nieuw Vossemeer”. 58 Hiertoe moesten de statuten van de N.V. Ambachtsheerlijkheid op enige punten worden aangepast. 59 (Bijvoegsel Ned. Staatscourant, 27 februari 1959, nrs. 29 en 41).

2 HEREN EN AANDELEN
In de eerste eeuw van het bestaan der heerlijkheid is weinig bekend over de heren, de overgang van de aandelen en de regelen, waaraan de successie gebonden was. De weinige namen, die uit deze periode bewaard zijn gebleven, doen wel vermoeden, dat toen reeds dezelfde voorschriften als later zijn gevolgd, namelijk, dat het recht van de ambachtsheer normaal op zijn oudste zoon overging. Pas in het begin van de 16e eeuw zijn resoluties en andere stukken aanwezig, die een inzicht geven in de wijze waarop de aandelen vererfden. De heerlijkheid Vossemeer viel onder het Zeeuwse leenrecht. In principe kon een leen niet verdeeld worden. Dat aan deze vuistregel niet de hand gehouden is, bewijzen wel de talloze splitsingen van de aandelen; op een gegeven ogenblik mag zelfs van versnippering gesproken worden. Door dit feit, doch ook omdat de bronnen vóór de 19e eeuw op dit punt weinig exact zijn, zal het wel onmogelijk zijn, het juiste verloop van de aandelen te reconstrueren.
Evenmin was in het begin de verkoop van een aandeel aan een vreemde toegestaan. Doch dit schijnt al min of meer normaal te zijn geweest, toen de heren in 1506 bepaalden, dat bij een eventuele verkoop de “naaste magen” voorkeur hadden; wilden die niet kopen, dan hadden de gezamenlijke heren van Vossemeer preferentie. 1 Onder de naaste magen zal niet altijd de rechte lijn zijn verstaan; er zijn trouwens voorbeelden te over, dat een aandeel in een zijlinie terecht is gekomen, of door vererving in de familie van een weduwe, welke familie voorheen nimmer heer van Vossemeer was. Ook zijn er voorbeelden, dat een aandeel geheel werd vervreemd; dan kwam het in bezit van een persoon, die voordien geen enkele relatie met de ambachtsheerlijkheid had gehad.
De zes oorspronkelijke aandelen van 1410 en 1415 waren tegen het einde van de 15e eeuw reeds onderverdeeld. Later zijn zij door vererving, deling, verkoop enz. zover gesplitst, dat er tegen het midden van de vorige eeuw 181 parten te onderscheiden waren. In 1515 stelde de heer van Bergen op Zoom voor, alle aandelen tot de zes oorspronkelijke terug te voeren en voor de besluiten derhalve slechts zes stemmen te erkennen. 2 Het voorstel werd aangehouden en is kort nadien in de doofpot geraakt.
Toch zijn de heren van Vossemeer in een later stadium gedeeltelijk op de strekking van het denkbeeld teruggekomen. In 1635 bepaalden zij, dat voor het stemrecht minstens 1/24 aandeel op de naam van een persoon moest staan. De 1/48 parten werden voortaan uitgesloten, conform de voorheen genomen besluiten, zegt de resolutie. 3 Zulke besluiten zijn evenwel niet terug te vinden; misschien bestond die regel reeds als een gewoonte. Om meerdere redenen achtten de heren het wenselijk, dat er niet teveel stemgerechtigden waren, of dat de bezitters van kleine aandelen niet teveel zeggenschap uitoefenden.
In de vergadering van 1506 werd bepaald, dat de voogd of de gemachtigde van de vrouwe van Treslong ook voor het baljuwschap mocht loten. Aan dit ambt waren inkomsten verbonden. In die tijd was het gebruikelijk, dat het onder de heren werd verloot. Meestal oefenden zij het zelf niet uit, doch stelden zij een plaatsvervanger aan. De voogd, die kennelijk reeds de vergaderingen bijwoonde en daar stemrecht had, werd hierdoor in feite als volledig heer erkend. Nadien zijn de heren van Vossemeer op deze te ruime bepaling teruggekomen, en is aan voogden van vrouwen of minderjarige kinderen het lidmaatschap van de vergadering categorisch geweigerd. Vanaf het begin van de 16e eeuw zijn strengere regels gehanteerd voor de toelating van de heren; voor het lidmaatschap en het bijwonen van de vergaderingen werd een genoegzaam aandeel op naam geëist. Vertegenwoordiging werd alleen geaccepteerd voor een man, die voor de aandelen van zijn vrouw wilde optreden. In 1722 besloten de heren, de rentmeesters van de vertegenwoordiging van hun principalen uit te sluiten. 4 In 1510 is bepaald, dat geen heer toegelaten zou worden, die zijn aandeel nog geen vol jaar in bezit had. 5 Hieruit blijkt, dat de vergadering de bevoegdheid had de heren al dan niet toe te laten; van gewoon zitting nemen was geen sprake. Deze praktijk heeft de ambachtsheerlijkheid altijd gevolgd. Zij hield onder andere in, dat de nieuwe bezitter van een aandeel aan de overige heren kennis moest geven van de overgang van een portie; hiertoe moest hij de stukken overleggen tot bewijs van zijn eigendom. Dan beslisten de heren over zijn toelating. Viel deze gunstig uit, dan legde de nieuwe heer de eed af en mocht terstond zitting nemen. De bepaling van 1510 was wellicht bedoeld tegen mogelijke verrassingen. Na het jaar wachttijd bleek wel, of het aandeel inderdaad zijn volle eigendom was en op zijn naam stond, of dat het misschien werd betwist. Was dit laatste het geval, dan hielden de heren van Vossemeer zich afzijdig. Wanneer in een familie geschillen rezen over de juiste erfopvolging of de verdeling van een boedel, wachtten zij wijselijk de uitslag af. Aan de resolutie van 1510 inzake de wachttijd van een jaar is overigens niet lang de hand gehouden.

In 1530 luidde de eed van de heren: 6 “Dat sweerdij heerschap te zijne van den lande en heerlijkheid van Vossemeer; goed ende getrouwe te zijne; hantvesten, keuren ende privilegien alle manieren van rechte te helpen stijven ende te sterkene; te vermeerderen ende niet te verminderen; hare secreten te heelen en niemand die te openbaren dan die van gelijcke eede; der heerlicheden recht te helpen defenderen tegens eenen ygelijcken, indien noot waert. Ende voorts generalijck ende specialijck te doene alle ‘t gene dat een goed mede heerscip sculdich es van doene. Zoe help u God ende alle zijne Heiligen”. Naar de strekking is de latere eed dezelfde, al is hij dan ontdaan van alle poëzie. In 1841 luidde hij: 7 “Ik beloof om zoveel van mij zal afhangen, de belangen der ambachtsheerlijkheid te zullen helpen bevorderen, voor de strikte handhaving en opvolging van derzelver rechten en privilegien te zullen helpen waken, en de nodige geheimhouding nopens de belangen der heerlijkheid te zullen bewaren jegens die genen welke in dezelve geen belang hebben”

Als de vrouw of de oudste zoon van een heer stierf, zou 30 dagen lang de klok van Vossemeer geluid worden op kosten van de familie; aldus bepaalden de heren in 1514. 8Dit zou er op kunnen wijzen, dat de vrouw (eventueel weduwe) en de oudste zoon gelijkgesteld waren. Uit een ander besluit van 1518 blijkt echter, 9 dat de weduwe van een overleden heer niet zonder méér in de rechten van haar man trad. Joost van Botland mocht “uit gratie” zijn vrouw, als zij weduwe zou worden, het vruchtgebruik van zijn vroonlanden geven, op voorwaarde, dat die landen na haar dood tot hun eigen staat terugkeerden. In de eerste tijd van de ambachtsheerlijkheid hadden de heren naast hun aandeel in de rechten en inkomsten van de heerlijkheid een bepaald grondbezit, bestaande uit vrije of vroonlanden (in ander verband kom ik hierop terug). Zij werden weliswaar als eigendom beschouwd, doch deze was inherent aan het aandeel. In de loop der jaren zijn meerdere bepalingen vastgesteld, die de positie der heren onderling en hun verhouding tot de heerlijkheid regelden. De heren van Vossemeer hebben er angstvallig tegen gewaakt, dat een of enigen van hen het voor het zeggen hadden. Het eigenbelang voor allen was voldoende waarborg om er voor te zorgen, dat de baten en inkomsten strikt eerlijk aan elke heer toevielen, uiteraard overeenkomstig de grootte van het aandeel. In een rechtszaak, die voor de schepenbank van Vossemeer diende, mochten de heren geen partij of procureur zijn. De schepenbank stond immers onder hun gezag; in hun naam sprak zij recht. Het was derhalve een juiste maatregel, die eigenlijk voor de hand lag. In 1521 stelden de heren van Vossemeer hem nog eens expliciet vast. 10 Indien de heren in rechte moesten optreden, kon dit pas geschieden na een gezamenlijk besluit. Vanzelfsprekend was het wel eens moeilijk, de privé-belangen en de gezamenlijke uit elkaar te houden. Over het algemeen hebben de heren van Vossemeer bereikt, dat geen heer van zijn positie misbruik kon maken, om het recht naar zijn kant te doen doorslaan. Daartegenover bakenden de heren ook zeer goed de bevoegdheden van hun functionarissen af; zo bepaalden zij in 1592, dat deze geen domeingoederen mochten huren. 11 In 1611 werd toegelaten, dat de heren dijken of tienden van de ambachtsheerlijkheid huurden. 12 Een doordacht beleid was dit niet, daar de meesten van hen die toch weer onderverhuurden. Misschien is dit tijdelijk toegelaten, omdat er moeilijkheden met de verpachtingen waren. Tevens werd aan de heren vrijdom verleend op de veren van het Botshoofd en het Nieuwe Veer. Merkwaardig genoeg zijn dit de enige gevallen van een persoonlijk voorrecht. In 1616 werd de heren toegestaan een officie in de ambachtsheerlijkheid te bedienen. 13 Zover bekend, is hiervan weinig of geen gebruik gemaakt; de heren hebben hoogstens het baljuwschap geambieerd.
Voor zover is na te gaan, werd “de blijde inkomste” omstreeks 1529 ingevoerd; dan althans is zij voor het eerst in de rekening geboekt. Vanaf dat tijdstip moest elke nieuwe heer een bepaalde som betalen, die in feite neerkwam op een fooi. Vandaar de naam “blijde” inkomste. Enige recognitie mag er niet in worden gezien. Meestal werd de blijde inkomste op de dag van de vergadering door de aanwezigen verteerd; er zijn verscheidene bepalingen aanwezig, die aangeven welk deel ervan voor de maaltijd mocht worden gebruikt. 14
Aanvankelijk bedroeg zij 1 pond (6 gulden). In 1544 werd zij vastgesteld op 8 pond en 10 schellingen, 15 op welk bedrag zij lang gehandhaafd bleef. De rekeningen zijn in dit opzicht niet altijd exact, daar zij dikwijls 1 pond als blijde inkomste vermelden, maar niet de 7 pond en 10 schellingen, die de heer als bijdrage in de maaltijd geven moest.
De heren hadden de plicht op de vergaderingen te verschijnen. In elk geval was voor hun toelating en het afleggen van de eed hun persoonlijke tegenwoordigheid vereist. In 1536 werden de heren van Botland en Jhr. van Renesse, heer van Malle per deurwaardersexploit aangezegd op de vergadering te komen en de eed af te leggen. 16 Voor Jhr. van Renesse moest deze krasse maatregel in 1544 nog eens herhaald worden, 17 met de toevoeging, dat hij een behoorlijk excuus moest indienen, als hij voor de zaken van de prins van Oranje, wiens raadsheer hij was, of voor zijn eigen zaken verhinderd was. Ook de markiezin van Bergen op Zoom ontving een reprimande; daar zij een vrouw was, behoefde zij niet in persoon te verschijnen, doch zij moest in elk geval een vertegenwoordiger sturen. In de resolutie en de rekeningen verschijnen dan ook regelmatig de boeten wegens “non comparatie”, d.w.z. op het niet verschijnen ter vergadering.
In 1570 presenteerden zich twee gecommitteerden van de keizer, die de opdracht hadden op te treden voor de geconfisceerde goederen van de markies van Bergen op Zoom, die in 1567 in Spanje overleden was. 18 De heren van Vossemeer lieten hen wel toe, doch zij behielden zich al hun rechten voor. De aandelen van de markies van Bergen op Zoom zijn in 1580 verkocht, 19 zodat aan de zitting van de gecommitteerden een einde kwam. In 1586 werd Ferdinando Alleman door de Staten van Zeeland afgevaardigd om op te treden in de aandelen van Gillis van Wolffswinkel, Gregorio del Plano en andere heren, die zich buiten de Geunieerde Provincies ophielden en als vijanden werden beschouwd. 20 Ook ditmaal reserveerden de overige heren uitdrukkelijk hun rechten. Later trad de raadsheer Zuidland voor de Staten van Zeeland op. 21 Voor Jan de Pieters is de confiscatie in 1609 opgeheven of beëindigd. 22 Hij verzocht weer in zijn 1/24 aandeel te mogen verschijnen. Nadat hij zijn brieven getoond en deeed had afgelegd, werd hij weer toegelaten. De aandelen van Gillis van Wissenkerke zijn niet geheel duidelijk meer te volgen. In 1620 wilden sommige heren van Vossemeer er een deel van aankopen; 23 in 1632 was er nog niets geschied, 24 doch in 1633 blijkt, dat het deel voor een hoge prijs is aangekocht. 25 Dan besluiten de heren meteen, in het vervolg aandelen voor gezamenlijke rekening aan te kopen.
Enigszins vaag is in de ambachtsheerlijkheid de positie van de vrouw geweest. Men sprak altijd van “heren” van Vossemeer; natuurlijk was het iets geheel anders dan een taalkundig probleem, dat de heren er weinig voor gevoeld hebben een vrouw als lid van hun vergadering toe te laten. Toch hebben meerdere vrouwen als stemhebbend lid zitting gehad. Het eerste geval is dat van Mayken of Maria van den Abeele, weduwe van Anthonis van Wissenkerke; tussen 1564 en 1577 treedt zij regelmatig in de vergaderingen op. Daar de resoluties ontbreken vóór het eerste jaar, kan niet precies worden nagegaan, op welke grond haar het stemrecht is toegekend. Waarschijnlijk is het verleend om de grote verdiensten van haar man, die zich in een moeilijke tijd zeer voor de ambachtsheerlijkheid had ingespannen. Maria van den Abeel heeft haar stem met ere laten horen; blijkens de resoluties was zij een kordate en zakelijke vrouw, met een goed inzicht in de problemen van de heerlijkheid. Wanneer later andere vrouwen zitting wilden hebben en de herenvergadering bezwaren maakte, werd door de vrouwen altijd naar Maria van den Abeele verwezen. Dan moesten de heren wel toegeven, dat zij een voortreffelijk “heer” was geweest!
In 1597 werd Jkvr. Anna van Wolffswinkel toegelaten. 26 Zij kon twee titels aanvoeren. Van de ene kant trad zij op voor de aandelen van haar overleden vader Gillis van Wolffswinkel. Diens delen waren weliswaar door de Staten van Zeeland in beslag genomen, doch Anna en de heren van Vossemeer beschouwden dit niet als van blijvende aard. Misschien hebben de heren van Vossemeer haar gemakkelijk toegelaten, om zodoende het recht van de familie op de aandelen beter te handhaven. Van de andere kant trad Anna op als weduwe van haar man Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke en als voogdes van haar kinderen. Zij werd echter bijgestaan door Jhr. Anthonis van Doornik als haar voogd. Toch is zij tot 1600 regelmatig op de vergaderingen als stemhebbend lid aanwezig geweest. Aan haar zittingsperiode kwam een einde door haar huwelijk. met Jhr. Nicolaas van Boshuijsen, die haar later vertegenwoordigde, ofschoon haar man samen met haar als lid was toegelaten.

In 1630 werd Helwich van Oostrum toegelaten, weduwe van Serooskerke. 27 De resolutie geeft geen nadere toelichting of motivering, zodat haar aanvrage en toelating als iets geheel normaals voorkomt. Bij de aanvrage van Livina Coopers, weduwe van Jhr. Marinus van Waerde, hebben de heren even beraadslaagd; toch werd ook zij in 1632 toegelaten na de “behoorlijke” eed te hebben afgelegd. 28 Tot 1635 heeft zij de vergaderingen bijgewoond. Als juffrouw N. van Wachtendonk, vrouw van Jhr. Jan Marnouw, in 1635 vraagt toegelaten te worden voor haar zoon Jhr. Maerten van Waerde, wordt dit verzoek door de heren afgewezen, niet op grond van haar vrouw-zijn, doch omdat volgens aloud gebruik, herhaalde malen door resoluties bevestigd, slechts die personen toegelaten worden,die een aandeel op hun eigen naam hadden. Ten overvloede werd er nogmaals aan herinnerd, dat voor de toelating minstens 1/24 aandeel vereist was. 29Toch schijnt deze zaak de heren gealarmeerd te hebben. Het volgend jaar wordt in stellige bewoordingen besloten, dat “volgens het oude recht en de resolutien voor desen genomen” (zij zijn nergens te vinden!) voortaan geen vrouwspersonen, wie die ook zijn, in de vergadering mogen verschijnen. “Om goede consideratien” wordt voorlopig nog een uitzondering gemaakt, voor de vrouwe Van Serrooskerke. 30 De dames hebben dit niet genomen! Jkvr. Anna Maria van Schore, weduwe van Jhr. Jacob van Boshuijse verzocht in 1642 om toelating. 31 Hierop antwoordden de heren met een nadrukkelijke herhaling en bevestiging van de resolutie van 1636; zij stelden zelfs, dat het toen de bedoeling was geweest, hiermede zichzelf en hun opvolgers onherroepelijk te binden. Op haar nieuw verzoek in 1643 beslisten de heren, dat de weduwe van Boshuijse, als zij het dan persé wilde, wel bij het afhoren van de rekening aanwezig mocht zijn, maar er geen stem zou hebben. 32 Erg galant was het niet, dit onverbiddelijk mondje-dicht! Anna Maria was echter de overtuiging toegedaan, dat de aanhouder wint. Op haar herhaald verzoek lieten de heren haar in 1644 toe, wegens haar groot aandeel en om andere beweegredenen. 33 Zij verleenden haar dispensatie van het verbod, doch stelden vast, dat deze uitzondering geen precedent mocht worden. Toen de heren eindelijk door de knieën waren gegaan, konden zij niet nalaten fijntjes (?) op te merken, dat haar man zaliger de resolutie van 1636 zelf mee genomen had! Tot 1655 heeft zij de vergaderingen bijgewoond. 34 Johanna van Doornik, weduwe van Jhr. Alexander Emanuel van Renesse vroeg in 1660 om toegelaten te worden. 35 Met verwijzing naar de resolutie van 1644, nota bene ook door haar man bevestigd, werd haar verzoek afgewezen, al vroegen de heren haar vriendelijk hun dit niet kwalijk te willen duiden, daar zij zich gebonden voelden door de genomen besluiten. Desondanks werd zij tot 1665 prompt elk jaar beboet, omdat zij niet verscheen. Die boete beliep weliswaar slechts een geringe som, doch geheel billijk was het niet die op te leggen. De heren waren reeds tot dat inzicht gekomen, toen zij in 1638 de boeten voor de niet-stemgerechtigden en voor hen, die niet mochten compareren (weduwen en minderjarigen), tot de helft van het bedrag terugbrachten. 36
In Elisabeth van Berchen, weduwe van Jhr. Willen van de Rijt, troffen de heren geen gemakkelijke partij aan. In 1663 vroeg zij, tot de vergadering of minstens tot het afhoren van de rekening toegelaten te worden, doch dit verzoek werd afgewezen, op grond van de resolutie van 1660, die haar man zaliger meegenomen had. 37 Elisabeth was in Vossemeer aanwezig. Toen de rentmeester haar, het besluit van de heren mededeelde, vroeg zij kopie van de resolutie van 1660, protesteerde tegen het besluit en dreigde er werk van te maken. De heren zegden haar de kopie toe, maar lieten haar verzoeken het protest in te trekken, omdat het ongefundeerd was. Toch heeft haar verzet enig resultaat gehad. In 1668 besloten de heren, geen voogden of weduwen toe te laten, doch van hen dan ook geen boeten meer te eisen wegens non-comparitie. 38 De boeten waren niet het grootste bezwaar van Elisabeth van Berchen. Haar interesseerde meer het financieel beleid, waar zij buiten gehouden werd. In 1670 wist zij de weduwe Van Serooskerke aan haar zijde te krijgen. 39 De dames eisten bij de afhoring van de rekening tegenwoordig te zijn, die te mogen tekenen en mede besluiten te nemen. De heren oordeelden, dat zij het niet konden toestaan, omdat er verschillende resoluties over waren, en omdat zij het aan andere vrouwen geweigerd hadden. De passage sluit met deze zin; “Ende hebben de voorseide mevrouwen tegen hare non-admissie geprotesteert”. Nadien heeft geen vrouw het nog aangedurfd, zitting in de herenvergadering te vragen.

Even moeilijk waren de heren bij de beoordeling van aanvragen om toelating door voogden of vertegenwoordigers. In 1602 wilde de dijkgraaf Dierick Heynricxs, gewapend met een procuratie van Juffr. Margarete Vaillant, weduwe van Jochum Jochumsen, in de vergadering zitting nemen, doch vlakaf weigerden de heren dit; ook het volgend jaar hielden zij voet bij stuk. 40 Erg consequent was dit niet, daar voorheen wel gevallen van vertegenwoordiging waren geweest. Men mag zich zelfs afvragen, of de weigering een wettige grond had. Overigens behoeft de beweegreden van de heren van Vossemeer niet ver gezocht te worden; zij wensten in hun ambachtsheerlijkheid elke vreemde invloed te weren. Hun opvatting was ook te verdedigen; wie niet genoeg belangstelling had in de zaken van de ambachtsheerlijkheid om zelf te verschijnen, moest zich dan ook maar niet door een ondergeschikte figuur doen vertegenwoordigen. Toch lieten zij in 1648 Jacob van Baerlant, die slechts 1/48 deel bezat, tot de vergadering toe, doch alleen tot het afhoren van de rekening en onder uitdrukkelijk beding, dat hij zich van de andere zaken te onthouden had.
Nadat het besluit gevallen was, dat het stemrecht verbonden was aan een bepaald, niet te klein aandeel, hebben de heren daaraan streng de hand gehouden. In 1657 vroeg Corvincx om toegelaten te worden; 41 daar hij slechts een 1/48 aandeel bezat, werd zijn verzoek afgeslagen. 42 De stukken of brieven van investituur behoefden niet altijd overgelegd te worden; af en toe namen de heren genoegen met een mondelinge verklaring van de nieuwe heer. Laureijs Huijssen, heer van Weelde, verzocht in 1663 om zitting te mogen nemen. Hij had een 1/24 deel gekocht van de voogden van Jhr. Godart van Thuijl van Serooskerke. Misschien koesterden de heren argwaan, dat het hier een verkapte vertegenwoordiging betrof, en vroegen zij van Huijssen een verklaring, dat het aandeel werkelijk zijn eigendom was.43
In 1679 werd Mogge het stemrecht niet toegekend, omdat hij via zijn vrouw slechts in een 1/36 deel gerechtigd was. Mogge had laten doorschemeren, dat hij over deze kwestie zou procederen; de heren van Vossemeer wezen alvast een van hen aan om de zaak waar te nemen. 44 Johan Huijssen was in 1668, toen hij nog kind was, zijn vader in een 1/6 deel opgevolgd. In 1682 werd hij tot de vergadering toegelaten, ofschoon hij nog geen 24 jaar was. 45 Doch omdat hij reeds fungeerde als raad van Middelburg, meenden de heren hem als meerderjarig te moeten erkennen. De graaf van Corswaren had lange tijd zitting gehad voor de aandelen van zijn vrouw. Toen zij overleden was, werd de graaf in 1709 van zijn stemrecht vervallen verklaard totdat hij nieuwe brieven toonde, dat de aandelen op zijn naam stonden. 46 Het volgend jaar werd hij toegelaten.
In 1711 vroeg Jhr. Charel Bonaventura van der Noot, heer van Schoonhoven, admissie tot de herenvergadering. 47 Hij beweerde, dat hem een 1/24 aandeel was aanbestorven van Jkvr. Anna van Eijnatten, vrouwe van Schoonhoven. De heren wisten wel, dat zij in haar testament dat aandeel vermaakt had aan het kind van baron van Sprange, dat daarin na haar dood was erkend. Een ander 1/24 aandeel had zij niet in bezit gehad. De heer van Schoonhoven was bovendien niet als erfgenaam aangewezen. Evenmin bleek het de heren aannemelijk, dat Eduardus van der Noot, bisschop van Gent, als erfgenaam was aangewezen, en dat deze aan zijn broer de baron van Charloo zaliger vader van de heer van Schoonhoven, zoals deze voorgaf, het aandeel had afgestaan.
Zelfs als dit het geval was geweest, dan had de heer van Schoonhoven er nog geen recht op, want volgens Zeeuws recht kon alleen de oudste zoon in het aandeel opvolgen. De brieven van investituur voor Jhr. van der Noot, afgegeven door de Gecommiteerde Raden van de Staten van Zeelandlegden de heren van Vossemeer naast zich neer, want deze brieven, zo zeiden zij, werden altijd gegeven onder het voorbehoud “periculum pretentis” (recht van andere aanspraken) en zonder prejuditie. Over de zaak van de al dan niet juiste vererving wilden de heren niet oordelen, doch zij weigerden Jhr. van der Noot toe te laten zonder de bewijzen, dat het aandeel rechtens en feitelijk op zijn naam stond.
Een geheel nieuw probleem deed zich voor in 1730. 48 De rentmeester van de heerlijkheid, Pieter van ‘t Rosevelt, verraste de vergadering met de mededeling, dat hij een 1/24 aandeel had gekocht; op grond hiervan verzocht hij zitting en stemrecht. Erg prettig is dit bij de heren niet gevallen; sommigen meenden, dat de twee kwaliteiten van heer en rentmeester niet verenigbaar waren; anderen hadden niet verwacht, al zeiden zij dit niet openlijk, dat de rentmeester zich op deze manier in de heerlijkheid zou dringen. De zaak van de toelating werd uitgesteld tot alle heren aanwezig zouden zijn. Een principiële uitspraak is niet gekomen. Het volgend jaar is Pieter van Rosevelt overleden; zijn aandeel ging op zijn zoon over, Mr. Johan Willem van Rosevelt, schepen en raad van Goes. Hij werd pas in 1733 als heer toegelaten. 49 Blijkbaar hebben de heren er nog even over moeten denken.
In 1834 vroeg Moens, die voorheen als vertegenwoordiger van zijn vrouw zitting had, als heer gecontinueerd te worden, omdat hij nu het vruchtgebruik van een aandeel had. 50 Dit werd hem toegestaan; het gold in het vervolg voor alle mannen, die het vruchtgebruik van een genoegzaam aandeel hadden. In 1842 werd het oude voorschrift nog eens nadrukkelijk herhaald, dat een nieuwe eigenaar van aandelen geen zitting mocht nemen, alvorens zijn stukken door de vergadering waren onderzocht en in orde bevonden. Hiermede zijn wij gekomen in de tijd, dat de ambachtsheerlijkheid niet meer als een publiekrechtelijk lichaam bestond. Aanvankelijk bleven de oude regels van het beheer en de overgang van de aandelen nog gelden; bij de nieuwe organisatievormen, die later zijn aangenomen, werden de overgang van de aandelen, de rechten en plichten van de aandeelhouders nader geregeld.

Voorbeeld van een beleenbrief.

Voorbeeld van een beleenbrief. Franchoys van Aertssen volgt Mr. Jan van Borre op in een 1/12 deel der tienden van Vossenveer, 1610. Archief Ambachtsheerlijkheid.

Men kan over de ambachtsheerlijkheden wel eens meewarig oordelen, door ze af te schilderen als instituten, die elke nieuwe dag van hun bestaan uit de tijd waren, als conservatieve instellingen, die hun kracht maar hun nog grotere zwakheid vonden in een amechtige na-aperij, op een clowneske kleine schaal, van landsheerlijke verhoudingen. De heren konden in hun gebied, waar zij elke pottekijker wel buiten wisten te houden, hun meerderwaardigheidscomplex naar hartelust uitleven. Het ging hun toch maar om het eigen belang; het spekken van de eigen beurs was hun grootste zorg. Zulk een oordeel is onbillijk, omdat het niet objectief is. Veel dorpen en gemeenten in Nederland danken hun ontstaan en hun groei aan de ambachtsheerlijkheden. Aan hun over het algemeen zeer goede bestuur lag een sociale houding ten grondslag, die uiteraard, als elk menselijk handelen en streven, een product van haar tijd was, doch die bij lange na niet zo verderfelijk was, als wel eens wordt voorgesteld.
De mens van deze tijd gruwt bij het horen van het woord feodalisme; wij zijn nóg niet helemaal de hysterische exaltatie kwijt, waarmede de Revolutie op een inderdaad achterhaalde ontwikkeling van menselijke verhoudingen reageerde.
In Vossemeer valt een opmerkelijk feit te signaleren, dat tot een milder oordeel over de ambachtsheerlijkheid leiden kan. De heerlijkheid werd bestuurd door meerdere personen; in de aanvang waren dit er zes; later groeide het getal door splitsing van aandelen nog aan. Een deel van hen heeft zich nooit met het bestuur bemoeid; als hun aandelen te klein waren, hadden zij zelfs geen bevoegdheid om mee te besluiten. Zij streken alleen hun portie van het batig saldo op. Doch dit deel van de heren is betrekkelijk klein geweest. De meesten van hen verschenen regelmatig op de vergaderingen, waar niet alleen de gezamenlijke belangen behartigd werden, doch ook de bestuurlijke zaken van de dorpen. Van een aparte agenda voor beide afdelingen was geen sprake! De heren van Vossemeer behoefden er trouwens niet diep over na te denken om in te zien, dat de goede gang van zaken en de welvaart in de dorpen in de eerste plaats hun eigen belang was. Verreweg het merendeel van de heren woonde dan ook trouw de vergaderingen bij; meestal waren bij zes tot acht comparanten slechts een of twee afwezigen. Zulk een meerhoofdig bestuur bracht zijn aparte moeilijkheden met zich mee.
Voorbeeld van een aandeel. Archief Ambachtheerlijkheid

Voorbeeld van een aandeel. Archief Ambachtheerlijkheid

Des te merkwaardiger is het, dat in het bestuur nooit een ernstig conflict is geweest. Uiteraard hebben er meningsverschillen bestaan, doch deze werden in gezamenlijk beraad opgelost. Er zijn zeer weinig resoluties, waarin de heren zich tegen elkander moesten beschermen. In 1650 werd de rentmeester opgedragen de zaken van belang aan die heren voor te leggen, die hem de meeste assistentie gaven, niet meer aan hen, die de meeste belangen in Vossemeer hadden. 51 Doch in 1671 is dit in zoverre herzien, dat de zaken van belang, die geen uitstel gedoogden, met enige “naastgezeten” heren behandeld mochten worden. 52 In 1745 werd een commissie benoemd, die moest onderzoeken, of de besluiten van de heren wel werden uitgevoerd; 53 waarschijnlijk sloeg dit meer op het bestuur der dorpen dan op de heerlijkheid zelf. In 1757 kreeg een andere commissie opdracht na te gaan, of er goederen van de heren verduisterd waren. 54 Dit zijn vrijwel de enige besluiten, waaruit misschien een zekere onderlinge waakzaamheid kan worden afgeleid.

De heren van Vossemeer hadden het recht van “naasting”. In het algemeen betekent naasten; “naderen” van een goed. d.w.z. er bij een overgang van eigenaar aanspraak op maken. In de meeste gevallen was de naasting gebaseerd op de bloedverwantschap; dan sprak men van naasting van bloedswege. Zij kon ook toegepast worden door een belendend eigenaar, voor wie een bepaald goed onontbeerlijk of hoogst nuttig was, bijvoorbeeld als twee percelen land gezamenlijke lasten hadden, afkomstig van één oorspronkelijke cijns of erfpacht. Dan sprak men van een naasting van grondwege. Als de heren van Vossemeer een naasting toepasten, deden zij dit van deelswege. In zijn boek maakt Ermerins van het recht van naasting een afzonderlijk heerlijkheidsrecht. Dit is vermoedelijk niet juist, daar dit recht op zich zelf staat en het zelfs niet zonder meer kan worden afgeleid van het leenrecht. De heren van Vossemeer konden dit recht slechts uitoefenen bij de overgang van een aandeel, die niet strookte met het gangbare leenrecht, namelijk als een aandeel dreigde in een zijlijn of op een geheel vreemde familie over te gaan. De heren hebben van dit recht slechts zelden gebruik gemaakt, om geheel voor de hand liggende redenen. Als geen der heren er zich persoonlijk voor interesseerde, moest een te naasten aandeel door de heren gezamenlijk worden aangekocht. Dikwijls vonden zij de prijs te hoog, of liet de kas van de ambachtsheerlijkheid de aankoop niet toe. Soms hadden de heren wel graag willen kopen, doch moesten zij toelaten, dat het aandeel in handen kwam van een persoon, die zij aanvankelijk liever niet in hun midden hadden gezien. Indien een heer zijn aandeel wil verkopen aan iemand buiten de andere heren, mogen de heren van Vossemeer dit goed “vernaderen”, als zich geen “bloedvriend” van de verkoper meldt. Deze regel, die in de praktijk waarschijnlijk al langer gold, is in 1506 in een resolutie vastgelegd 55 en in 1627 nog eens herhaald 56. In 1537 drong de heer van Bergen op Zoom op de naasting van een aandeel aan, doch de andere heren voelden er niets voor. 57
In 1645 kochten de heren een 1/48 deel aan van de prinses van Salm als gezamenlijk bezit voor de som van 2750 ponden Vlaams. 58 De rentmeester moest uitrekenen, hoeveel elk van de heren te betalen had; die sommen zouden tegen 20 juli 1645 betaald moeten zijn, anders diende de rentmeester voor het ontbrekende maar een lening te sluiten.
In 1679 mocht Jhr. Albert Happert de Diegen zijn aandelen vrij verkopen; voor deze keer en “uit gunste” zouden de heren geen naasting toepassen. 59 Baron van Hovorst en Pellenberg wilde in 1758 zijn aandelen van de hand doen; hij was voornemens deze in publieke veiling te brengen. Enige heren vroegen die voor gezamenlijke rekening te mogen aankopen, doch de vraagprijs van de baron was te hoog. Onverwacht verkocht hij zijn aandeel aan Gerrit ten Hage, burgemeester van de stad Tholen, voor de som van 5500 gulden, een prijs, die de heren nooit hadden gegeven. Ten Hage schijn bij de heren niet welkom te zijn geweest; desondanks pleegden zij overleg met hem. Een deel van het aandeel werd voor gezamenlijke rekening aangekocht; 60 op het overblijvende deel werd Gerrit ten Hage in 1759 als heer toegelaten.
In 1817 werd een 1/24 aandeel door M. N. Steengracht van Oosterland publiek verkocht; de heren besloten geen gebruik te maken van hun recht van naasting. 61 Toen echter in 1827 een aandeel van J. van Ysselstein en diens weduwe C. M. Isebree onderhands verkocht was aan Anna Maria Jacoba en Anna Elisabeth Schorer, pasten de heren van Vossemeer de naasting toe. 62
Later zijn nog meerdere gevallen voorgekomen van aankoop van aandelen door de gezamenlijke heren. Dan sprak men niet meer van naasting, ofschoon het principe nog hetzelfde was. Sinds het midden van de 19e eeuw zijn er geen aandelen meer voor gezamenlijke rekening aangekocht, doch werden deze bij een eventuele aankoop door de ambachtsheerlijkheid terstond overgenomen door een van de aandeelhouders.
Van de ambachtsheren en -vrouwen wordt in het volgend hoofdstuk een lijst gegeven. Al konden de overgangen der aandelen niet in alle details gereconstrueerd worden, toch zal men in die lijst gegevens vinden, die althans in de meeste gevallen de successie ophelderen.

3. HEERLIJKHEID VRIJBERGHE
De ambachtsheerlijkheid heet nu: van Oud en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe. De laatste naam is een jonge toevoeging. Tegen het einde van de 18e eeuw kwamen de heren van Vossemeer in het bezit van 2/3 deel van Vrijberghe en in 1845 kochten zij het resterende 1/3 deel aan. Deze heerlijkheid van Vrijberghe omvatte een betrekkelijk klein grondgebied, dat aanvankelijk omstreeks 200 gemeten telde, volgens een extract uit de steenrol van de rentmeester van Beoosterschelde, 1 waar het leen of een helft ervan (niet gedateerd) op naam staat van Willem Jacobssen van Vrijbergen. Voorheen werd het aangeduid met de namen van Jan Huijgens hoog landeken, Jan Huijgenshil en ‘s Gravengors, terwijl ook de naam St. Joostland zeker op een deel ervan betrekking heeft gehad. Volgens een akte van 1560 heette het laatste ook Vrijberghe; meestal echter wordt het geheel met de naam van Vrijberghe aangeduid. Toen de Oost Vrijberghe Polder, de West Vrijberghe Polder en de Nieuwenpolder ingedijkt waren, besloeg de heerlijkheid een oppervlakte van 183 gemeten.
Een klein deel van Vrijberghe heeft onder de ambachtsheerlijkheid van Vossemeer geressorteerd. Vanaf de oude Vosvliet liep de grens tussen de beide heerlijkheden recht naar het noorden. De gorzen buiten de Hikkepolder werden natuur- en waterstaatkundig tot Vrijberghe gerekend en aldus genoemd, doch het grondgebied ten oosten van de grenslijn behoorde aan de heren van Vossemeer. Vrijberghe heeft tot in het begin van de 19e eeuw als een afzonderlijke ambachtsheerlijkheid bestaan.
De heerlijkheid is lang in het bezit geweest van de familie van Vrijberghe. Daar volgens Ermerins deze familie in Zeeland niet bekend is geweest, neemt hij aan, dat zij haar naam van Vrijberghe afgeleid heeft. De latere feiten tonen aan, dat dit waarschijnlijk juist is. Haar geschiedenis is verre van duidelijk. Voor een deel is dit hieraan te wijten, dat er van het archief van Vrijberghe maar weinig bewaard is gebleven; uit de oudste tijden is er zelfs geen enkel stuk aanwezig. De juiste oorsprong van de heerlijkheid ligt in het duister. Ermerins zegt, dat zij in het jaar 1418 door vrouwe Jacoba of hertog Jan van Brabant is uitgegeven; 2 de uitgiftebrief zou onder de zogenaamde Vilvoordse charters berusten. Waarschijnlijk is dit slechts een gissing geweest, daar geen schrijver die oorkonde op het spoor is gekomen. In een archiefstuk van Vrijberghe, opgesteld tegen het midden van de 17e eeuw, wordt als bewijs van de “oudheid” der heerlijkheid het afschrift gegeven van de rekening van 1509/10; 3 op dat tijdstip was een ouder stuk al niet meer voorhanden.
Vreemd is in elk geval, dat de tweede uitgiftebrief van Vossemeer uit het jaar 1415 een gebied aan de heren gaf, al was het nog niet bedijkt en nog minder in cultuur gebracht, dat een deel van het latere Vrijberghe omvat moet hebben. Vanzelfsprekend was de juiste grensbepaling in een wadden- en gorzengebied, dat nog voor de zee open lag en aan veel geografische veranderingen onderhevig was, geen gemakkelijke zaak. De beide heerlijkheden hebben er dan ook veel onenigheid over gehad. Toch kan men zich niet aan de indruk onttrekken, dat de heerlijkheid Vrijberghe op een misschien merkwaardige manier met die van Vossemeer samenhangt. In de stukken, die duidelijk te onderkennen zijn als afkomstig van de voormalige heerlijkheid Vrijberghe, bevinden zich afschriften van de uitgifte van Vossemeer uit het jaar 1410. 4
De motivering hiervan is, dat de leenbrieven en de verheffingen van Vrijberghe altijd verwijzen naar de rechten van Vossemeer en de rechten van de graaf van Holland over Vossemeer, die op dezelfde voet in Vrijberghe golden; daarom was het gewenst een afschrift van de oorkonde van 1410 te hebben. Dit geeft enige grond aan de opvatting, dat de heren van Vrijberghe zich misschien gerealiseerd hebben, dat de uitgifte van hun heerlijkheid in principe tot die van Vossemeer terug te voeren was, althans daar nauw mee samenhing.
Wanneer het gebied van Vrijberghe in de bronnen verschijnt, komt het onder een veelvoud van namen voor. Het eerste in gebruik genomen deel werd gevormd door het St. Joostland, tegen de Broekpolder gelegen. Reeds in 1423 heeft Pier Hanne de middeldijk in gebruik tussen dat land en het Broekland met een gors, dat buiten de polder was gelegen. 5
Dezelfde post verschijnt jarenlang in de rekening, al treedt in 1428 een nieuwe pachter op. Het gors zelf, nog altijd St. Joostland genoemd, is in 1438 in erfpacht uitgegeven aan Claas de Vriesse, die het omstreeks 1440 verkocht heeft aan Lodewijk van Bloys en Pier Willem Egge. 6 Beide eigenaren hebben het lang gezamenlijk in bezit, totdat het in 1463 overgegaan blijkt te zijn op de weduwe en erfgenamen van Jan Mont Goirts zoon. 7 In 1477 treedt Cornelis Adriaans zoon als erfpachter op; het jaar daarna Cornelis Claes zoon; 8 in 1487 is het verpacht aan Heijn Matthijs die Coninck. 9
Dit gors is omstreeks 1465 geheel of ten dele opgenomen in de bedijking van het Roland. In 1465/66 worden voor het eerst de tienden van dit nieuwland vermeld, in het bezit van Deam Barthelemeuszoon en Claes de Vriese. 10
Deze tienden had Willem van Beieren in 1408 aan Jan bastaard van Bloys, heer van Treslonge, als een onversterfelijk leen gegeven. Naast de normale betaling had hij voor de graaf van Holland een rente moeten overnemen, die de weduwe van Jan van Zevenbergen jaarlijks uit deze tienden had. Na de dood van de weduwe is de rente aan de graaf vervallen. In een brief van 1415 is de rente door de graaf vernietigd. 11 Waarschijnlijk is St. Joostland niet geheel in de nieuwe bedijking opgegaan.
Tussen St. Joostland en de Broekpolder lag een gors, dat de graaf zich lang had gereserveerd en daarom het ‘s Gravengors werd genoemd. Het was in 1444 aan Cornelis Jan Pier Wissen zoon in erfpacht uitgegeven; in 1453 was het in bezit van Jan Ruychrock. De middeldijk tussen het St. Joostland en de Broekpolder hoorde erbij, wat er wellicht op wijst, dat het gors zelf ook reeds omkaad was. 12 In 1475 blijkt het ‘s Gravengors in het bezit te zijn van Reinier de bastaard van Brederode en Gerrit van Heemskerk, beiden getrouwd met dochters van,de inmiddels overleden Jan Ruychrock, van de weduwe en erfgenamen van Mr. Jan Quevin en van Jacob Cruesinck. 13 De laatsten zijn waarschijnlijk ook naaste verwanten van Jan Ruychrock. Diens zaken schijnen niet eenvoudig te hebben gelegen. In 1475 deed de Grote Raad van Mechelen uitspraak in een proces tussen zijn erven onderling. 14 In het ‘s Gravengors treden in 1485 Hendrik de bastaard van Cralingen op, gehuwd met de dochter van Jan Ruychrock, de kinderen van wijlen Aernt van Hoydenpijl, eveneens met een dochter van Ruychrock gehuwd, de erven van Mr. Jan Quevin en Cornelis Cruesinck. 15
Een familie de Boet uit Reimerswaal afkomstig kwam in 1484 in het bezit van een deel van Vrijberghe door een huwelijk met Cornelia Cruesinck. Deze familie is in 1908 uitgestorven. Haar wapen was geheel gelijk aan dat van Vrijberghe. 15a
Toen de naam van Vrijberghe al was ingevoerd, is een, deel ervan nog als Jan Ruychrocksland bekend gebleven. Een derde deel van het latere Vrijberghe was in het bezit van Jan Huigens zoon. Dit deel werd weer onderscheiden in Jan Huigens Hooglandeke en Jan Huigenshil. De plaats ervan is niet meer aan te wijzen, doch vermoedelijk heeft het met Jan Ruychrocksland gemeen gelegen. Na 1511 is het land verloren gegaan en bleef het lang “met de zee gemeen” liggen. Vrijberghe bevindt zich op een punt, waar door verschillende samentreffende omstandigheden altijd een zeer moeilijke waterstaatkundige toestand heeft geheerst. Van toestand kan men zelfs nauwelijks spreken, daar de wateren er dikwijls op zeer korte tijd geweldige veranderingen in de verlanding teweeg brachten. Toen de heerlijkheid in de loop van de 17e eeuw door de nieuwe inpolderingen wat vastere vorm had gekregen, blijken de toenmalige heren ook geen concrete voorstelling te hebben gehad van de vroegere toestand; dit getuigen hun vage beschrijvingen. Uit de rekening van 1509/10, door Anthonis Huijgens afgelegd, blijkt dat de vroonlanden ruim 75 gemeten telden. 16 Zij waren in hun geheel aan landbouwers verpacht. Eveneens waren de dijken verpacht van Vrijberghe en St. Joostland. De dijken lagen: van de Bree naar de Hikke; van de Bree naar de Sluis; verder was er nog de dijk van St. Joostland. De verpachting van de tienden verschaft ons enige gegevens over de in cultuur gebrachte landerijen. De rekening onderscheidt: de Oostvrone; de blok van Michiel Heijnen tot de Oostwege; vandaar tot Claes Jans land; vandaar tot heer Cornelis Croesinks land; vandaar tot de Westwege; de Westvrone tot heer Cornelis Goris; Spalant in de Westvrone met de Capelle Blok. Hier bevinden wij ons op het raakpunt van de polder Broekland, Vrijberghe en de Hikke, waar voorheen de St. Anthoniuskapel stond. Voor St. Joostland was een jaarcijns van drie gouden Henricus nobels aan de leenkamer van Holland verschuldigd. In dat jaar bracht de heerlijkheid een batig saldo op van ruim 34 pond. De kinderen van Joris van Hodempil en Jan van Scengen kregen van elke 40 penningen 21 1/2 penning: Cornelis Cruesinck en meester Joannes Conneweij van elke 40 penningen 18 1/2 penning. Waarschijnlijk bezaten zij paarsgewijs de helft van de heerlijkheid; de verdelingsformule wijst aan, dat de twee aandelen niet even hoog genoteerd stonden. Blijkens een ander gegeven waren de vrouw en de kinderen van Mr. Josse Quevin nog gerechtigd in een vierde deel van de heerlijkheid, waarop echter tijdelijk beslag was gelegd, dat in 1511 door de Grote Raad is opgeheven. 17 Volgens enige mededelingen is kort nadien het land van Vrijberghe verloren gegaan; uit de rekening blijkt wel, dat het reeds bedijkt was. De vernieling van het land is vermoedelijk geschied bij de watersnood van 1510, die ook in het land van Vossemeer veel schade aanrichtte. Dat de heerlijkheid sterk vervallen was, valt ook uit latere gegevens op te maken. In 1547 verpachtte de baljuw van St. Maartensdijk de gorsettingen (de begroeide delen) van het gors van Vrijberghe. 18 Dat hoorde toen voor de helft toe aan Agniete van der Heijden, weduwe van Jasper van Everdinge. In 1556 gaf Pieter van Halmale, ridder en oudschepen van Antwerpen, als gemachtigde van Maria Jacques, weduwe van Jan van Halmale, aan Pieter van Halmale uit den Haag volmacht en opdracht, om het gors van Vrijberghe te verkopen aan Cornelis Berthels zoon, burgemeester van Tholen. 19 Blijkens latere gegevens is deze verkoop doorgegaan. In het jaar 1558 was Cornelis Baltens (of Berthels) reeds overleden en werd diens neef Balten of Balthasar Jacobszoon voor de leenkamer van Holland in de helft van Vrijberghe verheven. 20 Balten droeg in 1560 zijn aandeel over op Jacob de Brammer, poorter van Tholen, 21 die er in hetzelfde jaar mee werd beleend. 22 Over dit aandeel rees een geschil tussen hem en Balten Jacobs, de zoon van de vroegere eigenaar, en de weesmeesters van Tholen. Waarschijnlijk is de transactie van de verkoop door een sterfgeval doorkruist of achterhaald; omdat tevens de weesmeesters optreden, waren er vermoedelijk moeilijkheden over het beheer van een boedel. Het Hof van Holland beval Balten Jacobs en zijn partij, af te zien van elke actie. 23 Omstreeks 1574 is het deel overgegaan op Cornelis de Brammer; in dat jaar verklaart de kamer van financiën te Brussel hem diligent ten aanzien van de leenverheffing, die hij vanwege de troebelen nog niet in persoon had kunnen doen. 24 Een gelijk uitstel werd hem nog in 1575 verleend. 25
De andere aandeelhouder kreeg moeilijkheden met de heren van Vossemeer over de bedijking van de Hikkepolder. Deze eigenaar was Marinus Jacobszoon, nog minderjarig, voor wie Cornelis Janszoon van Bergen, burgemeester van de stad Tholen, als voogd optrad. Marinus was door de dood van zijn vader, Jacob Willems zoon, in het aandeel van de helft van Vrijberghe opgevolgd, en in 1556 door de leenkamer van Holland in dit leen bevestigd. Dat deel heette afkomstig te zijn van wijlen Mr. Jacob Cruesinck; volgens de rekening van 1509/10 was Cornelis Cruesinck aandeelhouder. De voogd van Marinus requestreerde, dat de heren van Vossemeer bij de dijkage van de Hikke op de grond van Vrijberghe gekomen waren. Bovendien hadden zij er veel dijkaarde laten steken en er de stroom van het water verlegd, zodat het gors sterk achteruit ging en dreigde geheel verloren te gaan. Koning Philips II verwees de partijen naar het Hof van Holland. 26
Voordat het tot een formeel en langdurig proces kwam, sloten de partijen een accoord, daarin bijgestaan door commissarissen en Francois Resen, baljuw van Tholen. Er was de heren van Vossemeer veel aan gelegen, dat de bedijking van de Hikke voortgang zou vinden. Voor het weeskind reserveerden zij de 5 gemeten, die in de bedijking gevallen waren, als een vrij en onbelast vroonland. In Vrijberghe zouden zij slechts vijf duimen diep laten graven. Over de dijkage werden nog meerdere details geregeld. Pieter Resen trad tevens op als voogd van Balten Jacobszoon en van de wezen van wijlen Jan Baltessen Jacob de Brammer verscheen voor zichzelf, ofschoon op die dag het geschil over zijn aandeel nog niet opgelost was. Op 8 mei 1561 werd het accoord in de stad Tholen getekend. Op 10 juni is het door de Raad van Holland bevestigd. 27 In het aandeel van Marinus Jacobsen volgde zijn broer Willem in het jaar 1575 op. 28
Jacob de Brammer schijnt het pleit toch verloren te hebben. In 1562 en 1565 legde Balten Jacobszoon ten genoege van de heren van Vossemeer verklaringen af, dat hij bij het verhuren van zijn deel van Vrijberghe de pachters de verplichting zou opleggen, zich te houden aan het accoord van 1561. 29
Afdoende is de overeenkomst niet geweest. Omstreeks 1586 ontstond een nieuw geschil tussen Vrijberghe en Vossemeer: 30 Daar de partijen niet tot overeenstemming konden komen en de kwestie enigszins dringend was, waar precies de huurders van de tienden bevoegdheden hadden, bepaalden de heren van Vossemeer, dat een grenssteen gezet zou worden op de plaats, die Marinus Paes op 13 juni 1587 voor een notaris had aangewezen. 31 Op 22 maart tevoren hadden de heren van Vrijberghe en Vossemeer gezamenlijk laten graven naar de wortel van een boom, die voorheen op de juiste plaats van de grensscheiding had gestaan. 32 Of die wortel gevonden is, vertelt de rekening niet. Geruime tijd later was er nog geen zekerheid over de juiste grens. In verband met een voorgenomen inpoldering tussen de Poortvlietse Sluis en de Vosvliet achtten de heren van Vrijberghe het in 1710 nodig de grens met Vossemeer beter te doen bepalen. Daartoe deden zij een verzoek aan de heren van Vossemeer. Deze hebben de zaak van niet veel gewicht geoordeeld; zij droegen hun rentmeester op dit af te werken. 33 In dit geval kwam het op enkele details aan. Tegen het einde van de 18e eeuw heeft de limietscheiding geen stof tot moeilijkheden meer opgeleverd, daar de heren van Vossemeer toen het grootste deel van Vrijberghe in handen hadden. Na 1587 verdwijnt Vrijberghe weer voor lange tijd uit het gezicht. Vermoed kan worden, dat de vroegere bedijkingen verloren waren gegaan en dat het land geruime tijd ongebruikt is geweest. Smallegange vermeldt in 1616 Lieven van Vrijberghe als heer van de heerlijkheid. 34 In 1625 treedt Mr. Jacob van Vrijbergen in een deel van de heerlijkheid op; volgens een extract uit het leenregister was deze een zoon van Willem Jacobsen. Is deze successie juist aangegeven, dan volgt daaruit, dat de Van Vrijbergen’s rond deze tijd hun naam hebben aangenomen. Het deel van Cornelis de Brammer ging in 1600 op zijn broer Mr. Jan de Brammer over en in 1618 na diens overlijden op zijn zoon Jacob Janszoon Brammer. 35 Kort hierna schijnt de heerlijkheid geheel in het bezit van de Van Vrijbergen te zijn geraakt. Ermerins 36 vermeldt in 1651 Nicolaas de Brammer van Vrijbergen als aandeelhouder, wiens naam in de stukken niet meer voorkomt. In 1625 hadden de heren van Vrijberghe het plan voor een bedijking ontworpen, dat echter niet tot uitvoering gekomen schijnt te zijn. 37 In 1657 vroegen zij wederom bij de Staten van Zeeland octrooi voor een bedijking aan; deze werd echter “om zware tijden en andere inconveniënten” uitgesteld. 38 Toch is kort daarna een bedijking volbracht, want in 1661 sloten de heren een overeenkomst met de ingelanden van Poortvliet, Broek en Roland, inzake het uitwateren van die polders over de grond van Vrijberghe. 39
Geheel wakker werden de heren van Vrijberghe, toen de Staten van Zeeland in 1663 aankondigden, dat zij een dam of tragel wilden leggen vanaf St. Philipsland in zuidwestelijke richting door de Mosselkreek, het Rammegors en de Blieken tot over de Krabbekreek naar het “schor van de grafelijkheid” aan het eiland Tholen. De drie heren protesteerden daartegen. Het waren: Cornelis van Vrijberghe, lid van de Raad van State; Bonifacius van Vrijberghe, lid van de Staten Generaal; en Willem van Vrijberghe, baljuw van Tholen. Zij achtten die dam een inbreuk op hun rechten, die zij en hun voorgangers al meer dan 150 jaren hadden gehad! Op te merken is, dat deze heren hun heerlijkheid tot omstreeks 1500 terugvoeren. Zij hadden vooral bezwaar tegen de uitdrukking: het schor van de grafelijkheid, en vreesden dat daaronder het zogenaamde ’s Gravengors was verstaan, dat evenwel een deel van hun bezit was. Toch werd met het werk aan de dam begonnen. Enige maanden later stelden de heren een nieuw request op, waarin zij betoogden, dat hun gronden, waarvoor zij inmiddels een octrooi tot bedijking verkregen hadden, veel onder de werkzaamheden leden; zij werden onoordeelkundig afgegraven; de huurders werden benadeeld; de tienden waren in gevaar gebracht; de afwatering was verstoord. Enige tijd nadien bleek tot overmaat van ramp, dat een gecommitteerde van de Staten van Zeeland en een landmeter een kaart hadden gemaakt van de wateren en schorren van Zijpe, Slaak, Maarlo, Vossemeer en St. Philipsland, die ernstige fouten bevatte. Terecht vreesden de heren, dat de Staten met deze onjuiste documentatie een foutief en onrechtmatig waterstaatsbeleid zouden voeren.
Met het leggen van de dam hadden de Staten van Zeeland de bedoeling bepaalde gronden beter te doen aanslibben; misschien zagen zij in de verre toekomst St. Philipsland al aan Tholen vastgroeien. Voornamelijk was de dam ontworpen om de Eendracht en de Slaak te dwingen zich te verdiepen; zij meenden dit te kunnen bereiken door de zijwaartse stromen te beteugelen. Van enig belang zijn de getuigenissen van schippers en vissers, waarmede de heren van Vrijberghe zich wapenden; op hun “mannenwaarheid” gaven zij merkwaardige mededelingen over de wateren ten noorden van het eiland Tholen. Het diep van Maarlo, dat naast de Rammegors lag, maakte vroeger één water uit met de Hemel en de Mosselkreek. Het was een zeer diep en bevaarbaar water. De Zijpe integendeel was zeer ondiep. Maarlo was toen zo sterk dichtgegroeid, dat het niet alleen onbevaarbaar was, maar zelfs het Rammegors aan de slikken van Vrijberghe liet aansluiten. De grote veranderingen waren de laatste 40 jaar voorgevallen. De heerlijkheid van Vrijberghe strekte zich uit van de Broekse dijk tot aan het voormalige diep naast het Rammegors, en zelfs tot aan de andere zijde van de Krabbekreek. Een ander zeide: over de Krabbekreek heen. De mensen van Vrijberghe en die van St.Philipsland konden elkaar over het water een stok aanreiken. Het Slaak van Maarlo heette vroeger ook wel de Diepkreek. Deze liep aan de zuidzijde van het Rammegors. 40 De moeilijkheden werden gedeeltelijk opgelost, toen Cornelis van Vrijberghe in 1664 van de Staten van Zeeland het ‘s Gravengors kocht, tegen St. Annaland, St. Philipsland en Vrijberghe gelegen, om dit te bezitten als een onderdeel van Vrijberghe. Waarschijnlijk is dit een ander gebied geweest dan het oude ‘s Gravengors. Zijn broer Willem, raad van de provincie, nam dit voor hem in bezit. 41 In 1669 liet de Raad van State, waarvan Cornelis van Vrijberghe lid was, door de Krabbekreek en het Rammegors een dam leggen, om de vloed van St. Annaland tegen te houden en de stroom te leiden in het Nieuwe Diep, dat van het Slaak recht naar de Oranjeschans op de hoek van het eiland Tholen was ontstaan. 42 Willem van Vrijberghe heeft de defensiebelangen uitstekend met de zijne weten te combineren! Omstreeks dezelfde tijd hadden de heren van Vrijberghe in de Oost Vrijberghe Polder hun eerste definitieve bedijking of herdijking voltooid. Nadien zijn daar andere inpolderingen bijgekomen. Deze bedijkingen worden elders uitvoerig geschetst. Volgens de aanwezige stukken zijn de drie heren uit de familie van Vrijberghe voor het eerst in 1662 opgetreden. In het jaar 1670 verkavelden zij twee poldertjes onder elkaar, die als één werden beschouwd. 43 De dijken en tienden zouden zij gemeenschappelijk bezitten, de lasten samen dragen. Doch het land, het gebruik of vruchtgebruik ervan verdeelden zij in drie gelijke delen. De akte hiervan werd voor schepenen van Tholen opgemaakt; Vrijberghe had nog geen eigen bestuur of schepenbank. Tegen die van Vossemeer hadden de heren van Vrijberghe blijkbaar bezwaar.
In 1679 bleek, dat twee heren van Vrijberghe in het bezit waren van het verkeerde aandeel. 44
Cornelis van Vrijberghe, raad in de Raad van State, had van zijn vader Lieven van Vrijberghe een derde deel in de helft van Vrijberghe geërfd; dit deel was nu verheven op de naam van Willem van Vrijberghe, baljuw van de stad Tholen. In feite bezat deze Willem de gerechte helft in een derde deel van de heerlijkheid, dat door Nicolaas de Brammer aan Cornelis aan Vrijberghe was overgedragen en waarin deze verheven was. Beiden kwamen overeen het zo maar te laten, ongeacht het recht van Bonifacius van Vrijberghe, die als opvolger van zijn vader recht had op 1/3 in de helft van het leen van Willem. Na zulk een mededeling gaat het ons duizelen en laten wij de illusie geheel los, volle klaarheid in de overgang der aandelen te kunnen brengen.

Toen de polders door een betere bedijking meer bestaanszekerheid gekregen hadden, vonden de heren van Vrijberghe het gewenst er een bestuur te installeren. Het land was als een hoge heerlijkheid uitgegeven, doch klaarblijkelijk heeft er voorheen geen schepenbank bestaan. In de tijd, dat het gebied onder water of geheel onbeschermd lag en waarschijnlijk niet werd bewoond, was er trouwens niet veel te administreren. In 1670 hadden de heren de rechtspraak voorlopig in handen gelegd van de schepenen van Tholen.
In 1674 woonden er reeds 10 huisgezinnen. 45 Het beheer der rechten en eigendommen van de heren breidde zich zodanig uit, dat een rentmeester nodig was. Als zodanig is Cornelis Bedtsman aangesteld. Sterk had het inzicht meegesproken, dat het toch ál te dwaas was, dat ieder voor zich de inkomsten innen moest. De rentmeester werd tevens opgedragen toe te zien op de eigendommen en de werken. In 1675 stelden de heren hem tevens als baljuw aan. Hem voegden zij in 1677 vier schepenen toe, waarvoor zij een schepenbank installeerden; de schepenen legden in handen van de baljuw de eed af. Op 7 november van dat jaar publiceerde de baljuw de keuren en voorgeboden van de heerlijkheid, door de heren vastgesteld. Het rechtelijk archief van Vrijberghe begint inderdaad in 1677 en het had stukken tot het jaar 1809. De eerste zittingsperiode van de schepenen duurde tot 1680; daarna werden zij ieder jaar bedankt en opnieuw benoemd.
In 1675 begint eveneens een register met besluiten, dat helaas nadien niet goed meer werd bijgehouden. Dit alles toont wel aan, dat het de heren ernst was met het beheer van hun heerlijkheid. In verband met de accijns op het gemaal moesten alle ingezetenen van Zeeland een vaste molen hebben; in 1683 wezen de heren van Vrijberghe die van Vossemeer aan.
Willem van Vrijberghe wordt in 1684 niet meer bij de heren genoemd; dan is zijn plaats door J. van Vrijberghe ingenomen. In hetzelfde jaar werd de tweede vrijdag in mei bepaald voor het verzetten van de magistraat, het afhoren der rekening van de dijkage en der armenrekening. Wie van de heren dan niet aanwezig kon zijn, moest een andere afvaardigen. Een armenmeester en een gezworene werden in 1692 voor het eerst aangesteld. Wegens het overlijden van Cornelis Bedtsman is Cornelis van Wallenburgh tot rentmeester en baljuw benoemd; bij die gelegenheid zijn hem enige andere functies toegeschoven, die van: secretaris, vendumeester en penningmeester van de polders. Volgens de resolutie van 1696 fungeerden in dat jaar als heer: Willem van Vrijberghe, J. van Vrijberghe, en de weduwe van Bonifacius van Vrijberghe, voor wie Adriaan van Vrijberghe tekende. Hun juiste bloedverwantschap blijkt niet uit de stukken.
Daarna valt een nieuw hiaat in de geschiedenis van Vrijberghe. In 1731 zijn de aandeelhouders: Mr. Jacob van Vrijberghe, raad van de stad Tholen; Elisabeth van Vrijberghe; Beatrix Henrietta van Markel, vrouw van Willem Gijsbert de Beaufort. Zij benoemden Christoffel Gaaswijk als opvolger van de overleden Cornelis van Wallenburg tot rentmeester en baljuw. 46 In het bestaan en het bestuur van Vrijberghe is derhalve geen onderbreking geweest; over ruim 35 jaren zijn de stukken verloren geraakt. In het vervolg kreeg de baljuw een “salaris” (6 gulden per jaar!) voor het bijeenroepen van de schepenbank. De tienden van “Oud Vrijberghe” waren verpacht voor 1 pond en 13 schellingen. In die tijd telde de heerlijkheid nog maar vier huizen; er was dus nog wel enige teruggang geweest. Het huis van Philips Claetsen was omver gevallen; enige jaren werd het erf alleen verpacht, doch nadien is het huis door anderen herbouwd.
De ontvangst van de gehele heerlijkheid beliep ruim 54 pond; de uitgaaf ruim 60 pond. Er bleef een batig saldo over van ruim 6 pond, dat onder drie aandeelhouders verdeeld moest worden. 47 Geheel zuiver geven de batige saldo’s de toestand niet weer, daar de heren eigen inkomsten uit Vrijberghe hadden, die niet in de rekening tot uitdrukking zijn gekomen. Toch moet Vrijberghe enige allure hebben gehad; in 1740/43 kocht burgemeester Johan Jacob van Vrijberghe een zilveren bus voor de bode, versierd met het wapen van de heerlijkheid. 48 Overigens ging er niet veel om; de weinige gelden die van of voor de gemeente waren, staan in de domeinrekening verantwoord. Als zij voorkomen, hebben zij een incidenteel karakter, zoals in 1753/55, toen Cornelis Hutspot een doodkist voor een vreemde man maakte. 49
Zelfs in deze periode, waar toch een vrij aaneensluitende serie rekeningen bewaard is gebleven, zijn de overgangen van de aandelen nog niet geheel nauwkeurig te volgen. In 1746 traden de heren op: Mr. Jacob Vleugels; Jvr. Maria Elisabeth de Beaufort; en Marinus Geene, die zijn deel gekocht had van Mr. Johan Jacob van Vrijberghe. 50 De rekening van 1747/50 vermeldt echter de erven van Diederik Vleugels en de twee andere aandeelhouders. 51 In 1751 werden zij de erven van Jacob Vleugels genoemd. 52 In 1760 worden als zodanig genoemd: Diederik Vleugels, schepen van Tholen; Jkvr. de Beaufort; en Sabina Henrietta Jacoba van Vrijberghe, gehuwd met George Hendrik van Rivecourt, 53 welke drie in 1766 nog zitting hadden. 54 In 1773 verschijnt als lid van de vergadering de weduwe van J. H. Noeij, waarschijnlijk in het aandeel van de heer van Rivecourt. 55 Mr. Jan Hendrik Noeij, burgemeester en raad van de stad Tholen, die inmiddels 2/3 deel van de heerlijkheid verkregen had, zijn aandeel en dat van Vleugels, verkocht deze delen in 1774 aan de heren van Vossemeer. 56 Een ander deel van de heerlijkheid kochten de heren van Vossemeer in 1781 aan van Diederik Vleugels. 57 De erfgenamen van Jkvr. Maria Elisabeth de Beaufort verkochten hun aandeel in 1783 aan Mr. Daniël de Bruijn. 58 Dit ging in 1789 over op Petronella Dorethea de Bruijn-Turq, 59 en in 1792 op haar zoon Mr. Jan Cornelis de Bruijn. 60 Diens erfgenamen verkochten hun aandeel in 1845 aan de heren van Vossemeer.
In 1766 beleefde Vrijberghe weer een opleving. De heren begonnen aan een nieuwe serie resoluties; op meerdere punten is orde op zaken gesteld. 61 Diverse besluiten van enig belang werden genomen: ieder jaar zou volgens oud gebruik de magistraat worden verzet; aan de Poortvlietse Sluis werd een “zeehaven” aangelegd, die het eerste jaar waarachtig al een havengeld van ruim 11 pond opbracht. De gehele haven had 22 pond gekost. 62 Alle stukken van de dijkages moesten opgezocht worden om die in een register te doen kopiëren, omdat daarvan “geen voetstappen in het resolutieboek” te vinden waren. De inkomsten schommelden nogal: in 1755 bedroeg het batig saldo ruim 24 pond; 63 in 1759 over vier jaren ruim 60 pond; 64 in 1733 over drie jaren ruim 9 pond. 65
In het jaar 1744 bood Mr. Jan Hendrik Noeij zijn aandelen publiek te koop aan. De heren van Vossemeer, die al lang genegen waren geweest Vrijberghe aan te kopen, besloten op een buitengewone vergadering van 29 september 1774 te Middelburg de koop aan te gaan, indien zij het aandeel voor een redelijke som konden krijgen. 66 Tot dit doel sloten zij een geldlening van 900 pond. Meteen gaven zij hun rentmeester verschillende opdrachten voor het geval dat de koop doorging. Een weeskind, dat op kosten van de heerlijkheid van Vrijberghe werd onderhouden en dat de rekening over drie jaren op slag een nadelig saldo van ruim 28 pond had opgeleverd, 67 moest maar afgevoerd worden, omdat het inmiddels al 18 of 19 jaren was en het zijn kost wel verdienen kon. De verteringen moesten verminderen; zoals in Vossemeer zouden die tot een presentiegeld worden teruggebracht. De zoon van de rentmeester Gaaswijk zou in geen geval zijn vader opvolgen; straks zou er één rentmeester zijn.
Uit de resolutie blijkt tevens dat Diederik Vleugels nog aandeelhouder in Vrijberghe was. De heren van Vossemeer hadden tevoren behoorlijk informaties ingewonnen; hun rentmeester wist hun precies te vertellen, hoe Vrijberghe ervoor stond. 68Op 8 october 1774 werd het aandeel van Noeij door de rentmeester van Tholen ingezet op 391 pond; op de volgende koopdagen werd tot 736 pond opgeboden. De heren van Vossemeer werden kopers voor 830 pond. 69 Het volgend jaar besloten de heren te trachten ook de andere delen aan te kopen. 70 In 1781 verkocht Diederik Vleugels aan de heren van Vossemeer zijn 2/3 aandeel in de helft van Vrijberghe, samen twee lenen, voor de som van 1000 pond. 71 Vrijberghe werd door de rentmeester van Vossemeer afzonderlijk beheerd, ofschoon het slot der rekening van Vrijberghe in de gewone domeinrekening verantwoord werd. 72
In 1846 werd de afzonderlijke rekening afgeschaft. 73 Na de koop van 1774 bleef Christoffel Gaaswijk tot 1787 als rentmeester fungeren. 74 Na diens overlijden benoemden de heren van Vossemeer Adriaan Catshoek, hun eigen rentmeester, ook als zodanig voor Vrijberghe; hij was tevens baljuw en dijkgraaf. Christoffel Quist werd als secretaris aangesteld. 75 Zij legden op 20 maart 1788 de eed af in handen van burgemeester en schepenen van Vrijberghe in de rechtkamer van deze heerlijkheid. 76 Op 3 maart had de rentmeester van Vossemeer al de archieven van Vrijberghe overgenomen. Blijkens de toen opgemaakte lijst bestond het merendeel uit stukken van de 18e eeuw en enkele fragmenten uit de 17e eeuw. Met de gemeente ging het snel bergafwaarts. Tegen 1790 was de haven reeds zover achterop geraakt, dat er van het havengeld geen inkomsten meer kwamen. In 1790 werd toegestaan, dat de secretaris de afhoring van de domeinrekening mocht bijwonen; 77 even nog heeft de gemeente zich laten gelden. In die jaren leverde Vrijberghe niet veel op; in 1791 was er een batig saldo van ruim 11 pond; 78 in 1793 van ruim 17 pond. 79 Toen de heren van Vossemeer een tijdlang het beheer hadden gevoerd, werden de opbrengsten beter. In 1817 kon over twee jaren een batig saldo van 500 gulden worden genoteerd. 80 De baljuw en de schepenbank zetelden nog tot en met het jaar 1811. 81 Daarna is Vrijberghe geen afzonderlijke gemeente meer gebleven, doch is haar gebied onder Oud Vossemeer gekomen.
In 1843 besloten de heren van Vossemeer het nog resterende laatste deel van Vrijberghe aan te kopen. 82 Dit wilden zij geheel in bezit krijgen, voornamelijk om de handen vrij te hebben bij de bedijking van de Hollarepolder. Het volgend jaar onderhandelden zij met de erven de Bruijn. 83 De koop werd in 1845 voor fl. 16.000,- gesloten. Voor dit bedrag gingen zij een geldlening aan; die afgelost is uit de opbrengsten van de Hollarepolder. 84 In 1863 zijn de laatste obligaties afgelost. 85

4 VERGADERINGEN
Slechts eenmaal in het jaar hielden de heren van Vossemeer hun vergadering. Aanvankelijk is zij in de pinksterweek gehouden. 1 Op deze bijeenkomst zijn alle belangrijke zaken aan de orde gesteld en werden de baljuw, de schepenen en de andere functionarissen in de dorpen benoemd. Van bepaalde vonnissen der schepenbank namen de heren kennis. Voor de dorpen werden de financiën geregeld. Uiteraard ging de meeste bemoeienis van de heren uit naar het beheer van de goederen, rechten en inkomsten van de ambachtsheerlijkheid. Het pièce de résistance was het afhoren van de rekening, het sluiten ervan, en het vaststellen, verdelen en uitbetalen van het batig saldo. Daar de meeste heren ver buiten Vossemeer woonden, bleven veel zaken dikwijls lang onafgedaan hangen. Soms heeft het aan besluitvaardigheid ontbroken, namelijk als een kwestie nog niet voldoende opgehelderd was. Niet zelden gebeurde het, dat zo’n zaak, als zij het volgend jaar weer opgenomen werd, inmiddels een heel ander aspect gekregen had, zodat er nog niet over beslist kon worden. Deze bezwaren zijn vrij spoedig onderkend en zoveel mogelijk ondervangen. Kort na het ontstaan van de ambachtsheerlijkheid is een soort raad van beheer, in de eerste tijden meestal “commissie” genoemd, opgetreden om de lopende zaken af te handelen. Soms werden bepaalde zaken ter afdoening overgelaten aan de “naastgezeten” heren, d.w.z. aan hen, die in de nabijheid van Vossemeer woonden, en die in de gelegenheid waren tussentijds bij elkaar te komen. Over het algemeen heeft de commissie of de raad van beheer zijn bevoegdheden zeer voorzichtig gehanteerd. Alle enigszins van belang zijnde zaken werden door de algemene vergadering behandeld, tenzij de raad van beheer door alle aandeelhouders uitdrukkelijk was gemachtigd. Dit systeem heeft blijkbaar goed en tot tevredenheid van alle betrokkenen gewerkt. In de tijd, dat de ambachtsheerlijkheid nog geen statuten in de eigenlijke zin had, en de verhouding tussen algemene vergadering en raad van beheer in feite op een gewoonte berustte, is er geen spoor te vinden van enig conflict.
De bestuurlijke zaken van de heerlijkheid hadden in 1489 al een zodanige omvang gekregen, dat een commissie of raad van beheer wenselijk was. Daartoe gaven de heren aan vier van hun collega’s volmacht, om in alle zaken namens hen op te treden. 2
Het kan een algemene of blijvende opdracht zijn geweest; misschien gold zij slechts voor één bepaalde zaak, zoals in 1463, toen enige heren procuratie ontvingen, om met de heer van Bergen op Zoom een accoord te sluiten over de gronden bij Hazershil. 3Daar de meeste heren niet in Vossemeer of de naaste omgeving woonden, moest er dikwijls delegatie worden verleend. In 1493 kon Jan van Treslonge wegens een reis de vergadering niet bijwonen. In een schepenbrief verklaarde hij, dat hij alles bij voorbaat aannam wan de heren zouden besluiten. In 1500 bepaalden de heren, dat de “naastgezeten” of “bijgezeten” heren de afwezigen op de vergadering vervingen. 4 In de praktijk is deze regel lang gehandhaafd; op elke vergadering werden besluiten genomen, ongeacht het aantal verschenen leden. In 1618 werd een vaste commissie aangewezen, om bij afwezigheid van de andere heren de zaken waar te nemen. De eerste jaren nadien zijn telkens twee heren aangewezen; omstreeks dit tijdstip heeft een blijvende raad van beheer zijn intrede gedaan. In 1687 is voorgeschreven, dat de zaken van de heerlijkheid slechts met voorkennis van allen behandeld mochten worden; zij moesten met meerderheid van stemmen beslist worden. 5 Ogenschijnlijk is dit een strenger voorschrift, doch in feite veranderde er niet veel, omdat aan de heren vooraf kennis werd gegeven van de agenda. Wie desondanks niet verscheen, werd geacht zijn recht van mede te beslissen aan de aanwezigen te hebben overgedragen.
In bepaalde gewichtige zaken achtte de commissie het nodig, de mening van allen te horen.
In 1494 werd geklaagd over de hoge kosten van de vergadering; bepaald werd, dat er voortaan geen maaltijden meer gegeven zouden worden, doch dat eenieder “op eigen beurs” moest komen. De absenten werden met 30 schellingen beboet. Op de derde pinksterdag moesten de heren ‘s avonds aanwezig zijn, om ‘s morgens op tijd te kunnen beginnen. In de vergadering werden slechts de heren toegelaten, die hun leen zelf op hun naam ontvangen hadden; een uitzondering werd gemaakt voor Jan van Noortwijk wegens zijn hoge ouderdom. 6 Op de jaarvergadering, zo wordt in 1496 beslist, zullen de baljuw, de schepenen en landmeesters gehoord worden, “of er in ‘t land van Vossemeer gebrek is”. 7
Reeds in 1497 is de vergadering aan het feest van St. Jan (24 juni) gekoppeld. 8 Waarschijnlijk is dit geschied, omdat Vossemeer St. Jan als kerkpatroon voerde en op St. Jan in het dorp het feest van de patroon of van de kerkwijding werd gevierd, dat algemeen met een kermis (kerk-mis) of een jaarmarkt gepaard ging. Op deze vergaderingen van de heren verschenen veel mensen; in 1500 staan maaltijden verantwoord voor 43 personen; de maaltijd bij de gewone herenvergadering is voor 15 man opgediend. 9 Toen was het de gewoonte, dat de baljuw, de schepenen, de landmeesters en andere functionarissen mee aan tafel gingen. In 1501 werd besloten, dat de vergadering op zondag vóór St. Jan zou beginnen; wie niet verscheen, liep een boete van 9 rijnsguldens op. 10
Dat de heren op zondagavond aanwezig moesten zijn, was een veiligheidsmaatregel. De vergadering begon op maandag om 8 uren; zij duurde tot 11 uren; in de namiddag werd van 2 tot 7 uren doorgegaan, totdat de agenda was afgewerkt. Het afhoren van de rekening was de laatste handeling. Deze was met opzet tot het laatst verschoven, omdat de heren verplicht waren de afhoring bij te wonen. Overigens zette hun eigenbelang hen wel voldoende aan, om die mee te maken. Alle genomen besluiten waren van kracht, zelfs als er maar drie of nog minder heren aanwezig waren. Er zijn inderdaad perioden geweest, dat de belangstelling voor de vergadering sterk achteruit ging. In 1803 was Mr. Francois Ermerins geheel alleen verscheen; 11 toch zijn er besluiten gevallen. Wie de eerste dag niet komt en later wél, wordt toch voor absent gehouden. 12 Dit is in 1506 bepaald. Dat jaar heeft de vergadering van zondag tot donderdag geduurd; de kosten van ruim 6 pond waren zeer laag. 13
De heren moesten op zondagavond in een herberg van Oud Vossemeer of Tholen aanwezig zijn. ‘s Maandagsmorgens waren zij om 8 uur in Vossemeer, waar de pastoor ter opening van de jaarlijkse zitting, een mis van Requiem opdroeg voor de overleden heren. 14 In 1516 kreeg de pastoor zijn stipendium voor de mis, die hij met twee andere priesters celebreerde. 15 Dit gebruik werd in 1517 nog eens in een resolutie vastgelegd; 16 voor de mis werden 18 penningen betaald. 17 De mis van Requiem is in 1578 voor het laatst gedaan; in de volgende rekeningen staat nog enkele malen pro memorie, dat zij niet meer gehouden is; 18 daarna is er geen melding meer van gemaakt. Heel begrijpelijk overigens, omdat de meeste heren inmiddels de reformatie waren toegedaan. Nogmaals is in 1507 vastgelegd, dat de heren hun eigen kost betaalden, behalve het noenmaal op maandag. Met kennelijk genoegen heeft de rentmeester hier bijgeschreven, dat dit besluit in 1520 teniet is gedaan. 19 Toen begonnen weer de verteringen op de kas van de heerlijkheid. De rangorde in de vergadering werd bepaald naargelang de aandelen. De grootste aandeelhouders zouden de eerste plaatsen hebben en het eerst stemmen; daarna de mindere aandelen. Bij gelijke parten had de langst zittende heer voorrang. De baljuw moest over elk punt ieders mening vragen; als hij afwezig was, deed dit de rentmeester. 20 Soms werd een buitenstaander “in de consilieën” van de heren toegelaten, 21 doch dit was een hoge uitzondering. Het zuinige beheer leidde er toe, dat in 1511 de verteringen slechts een som van 39 stuivers beliepen. 22 Zij hadden echter een onweerstaanbare neiging tot groeien; het volgend jaar stonden zij al ver boven de 2 pond. 23
In 1514 is van zondag vóór tot zondag ná St. Jan vergaderd. Aan maaltijden en wijn werden ruim 8 pond besteed. De rentmeester kreeg slechts de helft van de maaltijden betaald; de molenaar van Vossemeer zat ook mee aan. Bepaalde inkomsten, zoals de boeten, een deel van de blijde inkomste van een heer, een deel van de godspenningen, mochten voor de maaltijden worden gebruikt; er bleef nog ruim 4 pond bij te passen uit de kas. 24 Enige jaren heeft het gebruik bestaan, dat de zangmeester van Tholen met zijn knapenkoor naar Vossemeer kwam, om voor de heren “sekere recreacie” te zingen, wat uiteraard een behoorlijke fooi eiste. 25 Bij de vergadering van 1516 werd voor de maaltijden, wijn, “imbijten” (ontbijten) en banketten betaald. 26
Aan hun bepalingen hebben de heren van Vossemeer altijd streng de hand gehouden. In 1520 werd Jan Suete, ofschoon wel bij de opening aanwezig, beboet omdat hij de vergadering verlaten had. 27 De vergadering van 1527 duurde van zondag tot zaterdagmorgen. 28 In de tijd, dat de ambachtsheerlijkheid nog geen eigen huis had, vergaderden de heren in een particulier huis. 29 In 1530 is bepaald, dat de bezitters van grote zowel als die van kleine aandelen op de vergadering moesten verschijnen. 30 Laatkomers zijn er altijd geweest; daarom beslisten de heren in 1532 , dat men vóór de offerande van de mis van Requiem aanwezig moest zijn. 31 Het volgend jaar is bepaald, dat de heren, die “tot hun jaren gekomen zijn” (d.w.z. meerderjarig), persoonlijk moesten verschijnen; dan mochten zij zich niet langer door hun voogden laten vertegenwoordigen. 32 Eenieder had te blijven tot na het sluiten van de rekening, op straffe van voor absent gehouden te worden. 33
Langzaam maar zeker ziet men in de rekeningen de kosten van de maaltijden oplopen. In 1563 werden ruim 12 pond aan etenswaren besteed; nog ruim 6 pond aan wijn; bovendien twee tonnen bier. 34 In 1565 spreekt een resolutie enigszins plechtig van de “heren congregatie” 35 Het jaar nadien stijgen de kosten tot boven de 26 pond. 36 In de eerste tijd van de Tachtigjarige Oorlog hadden de heren van Vossemeer moeilijkheden met hun jaarvergadering. In 1572 is er zelfs geen gehouden. 37 In 1577 en 1578 vergaderen zij in de stad Tholen, 38 waar ook de mis van Requiem is gedaan. 39 die tevens de laatste voor de ambachtsheerlijkheid was. In 1582 vergaderden zij te Zierikzee; 40 in november van dat jaar vond een buitengewone vergadering te Antwerpen plaats. 41 De vergadering van 1577 kostte 40 pond! De heren logeerden in Tholen bij Joachim de Scipper en Job Matthijssen. 42 In 1578 is de “herenwijn” door een schipper in Antwerpen gehaald, in Tholen gelost en vandaar naar Vossemeer gebracht; al met al kostte de maaltijd van dit jaar ruim 42 pond. 43 In 1608 en 1609 versierden de soldaten van kapitein Goesberge de straat en het pleintje voor het ambachtsherenhuis bij gelegenheid van de vergadering. 44 Vermoedelijk hebben zij zich zo ingespannen om de te verwachten fooi, die zij dan ook kregen en die prompt in bier werd omgezet.

Laten wij deze dorre opsomming van feiten en feitjes even onderbreken om kennis te nemen van enige bewaard gebleven lijsten en menu’s van de herenmaaltijden. De kans is wel groot, dat ons bij het lezen van al die heerlijkheden het water in de mond loopt, doch dan is dit een ervaring, die niemand bij de dode archieven verwacht zou hebben. Volgens een lijst is op de vergadering van St. Jan 1613 “uytgegeten”. 45
een oxhoofd witte franse wijn
een ton goed bier
een ton klein bier
drie westfaalse hammekens van 15 1/2 pond
20 pond schapenvlees
20 pond rundvlees “om te sprengen” (vermoedelijk zouten en roken)
een hamel
twee lammeren een kalf
4 koppels hoenders om te stoven
8 1/2 koppels jonge kuikens
specerijen en suiker om te koken en te bakken
een zak tarwe voor het tarwebrood te bakken en witte pasteien te maken
een pot olijven
een dozijn artisjokken
4 bossen asperge
krabesiën, salade, erwten
6 schotels koeken
20 pond boter 100 eieren
3 pond rundvlees
drie pinten wijnazijn, een pot olie, mosterd
een stoop klein bier
9 pond krieken 25 “orangiën” (sinaasappels) 5 pond verse bot
1 edammer van 11 pond
De kok en zijn vrouw zijn zes dagen in de weer geweest. In de jaren nadien komen lange tijd vrijwel dezelfde ingrediënten voor. 46 Vermoedelijk hebben de heren van Vossemeer toen een geliefd menu gehad. Dat het voortreffelijk was, getuigt de lijst wel. Toch is in de loop van de tijd de smaak van de heren veranderd. In 1631 47 komen nieuwe gerechten voor: 17 paar duiven; 5 kalkoenen; 2 jonge varkens; dan worden 19 “dozijnen” tinnen bestek gehuurd. In 1674 had de tabak al zijn intrede gedaan; op de lijst staat tussen de bestanddelen van de herenmaaltijd laconiek vermeld, dat de paarden van sommige heren klaver en haver hadden “geconsumeerd”.

Interieur van de rechtszaal van het ambachtsherenhuis

Interieur van de rechtszaal van het ambachtsherenhuis.Foto: A. Delahaye, 1968.

In 1617 werd besloten, de kosten van de vergadering gelijk op te delen tussen de presenten en de absenten tot een som van 2 pond voor ieder heerschap. Wat daarboven nodig bleek, zou uit de rekening worden betaald; wat overschoot zou verdeeld worden. 48 Deze regeling heeft niet lang bevredigd: in de marge van het besluit staat, dat men dit artikel heeft laten ”glisseren” en op de oude voet is teruggekeerd. In deze tijd heeft de commissie enige pressie moeten uitoefenen, om de heren ter vergadering te krijgen. In 1618 werd de verplichting zelfs verscherpt; alleen weduwen en wezen waren geëxcuseerd. Wie zonder een geldige reden niet verscheen, diens aandeel in het goed slot zou in handen van de rentmeester blijven. 49 In 1620 beslisten de heren, dat alle absenten in de boete vervielen; excuses zouden niet meer worden aanvaard. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat aan deze krasse maatregelen niet de hand gehouden is. In 1621 werden de boeten voor de absenten verhoogd, dit om de ”exorbitante” (woorden van de resolutie zelf!) teerkosten enigszins te dekken, De heren beraamden nog andere maatregelen, om deze kosten te drukken. Zo werd bepaald, dat de maaltijd door iemand uit Oud Vossemeer verzorgd zou worden. 50Het volgend jaar werd de uitgebreide maaltijd op kosten van de heerlijkheid zelfs geheel afgeschaft. Een commissie van ontvangst zou voor een half oxhoofd wijn en een ton bier zorgen. Verdere verteringen mochten 10 of 15 stuivers per man bedragen. De heren moesten niet meer naar “banket of pasteien” verlangen. Alleen de magistraat van Vossemeer en de commandeur van Tholen zouden door de heren getracteerd worden; definitief uit moest het zijn, dat de heren allerlei kennissen meebrachten. 51 Desondanks bleven ook dat jaar de kosten nog zeer hoog. In 1623 namen de heren nog krassere maatregelen. 52 Als een ”onveranderlijke” resolutie werd aangenomen, dat geen enkele buitenstaander nog uitgenodigd mocht worden. Voor elke heer mag één gezel mee aanzitten; de voerman niet. De zaken dienen zo spoedig mogelijk afgehandeld te worden. Er zal alleen een half oxhoofd franse wijn en een ton goed bier ingeslagen worden. De afgaande magistraat wordt niet meer genood, doch ontvangt 4 pond. De rentmeester zit met de heren aan. Het was de commissie ernst met de bezuiniging! Het volgend jaar werd een ton “predikanten-bier” gekocht, het minste en het slapste bier, doch ook het goedkoopste. 53 Duidelijk is niet, wat men in 1625 bedoelde, toen de heren besloten de maaltijd bij het oude te laten; waarschijnlijk zijn zij weer op een goede maaltijd teruggekomen; er werd nogmaals duidelijk vastgesteld, dat er slechts twee dagen vergaderd zou worden. 54
Voortaan zou de vergadering om 6 of 7 uur in de morgen beginnen, besloten de heren in een ijverige bui op hun vergadering van 1626. 55 Deze maatregel was genomen, om in elk geval in twee dagen klaar te komen. Ondanks al deze bepalingen liepen de kosten schrikbarend op. In 1627 werd voorgeschreven, dat voortaan iedereen, ook de rentmeester, op eigen kosten moest compareren. Uit de rekening zou slechts 20 pond genomen worden, te verdelen onder de comparanten. Welverstaande, gaat het besluit verder, dat voor de aanwezigen kost en drank verzorgd zal worden ter discretie van de heren uit de commissie. 56 En zo stond de deur naar een goede keuken weer wagenwijd open! In 1635 werd toegelaten, dat de heren ”met discretie” een gast mochten meebrengen. 57 Toch zijn de teerkosten nadien niet hoog gestegen, in 1638 werd ruim 11 pond aan de vergadering besteed. 58 Dit was toch zeker niet buiten de perken.
Wegens de te hoge kosten is de jaarlijkse maaltijd in 1659 afgeschaft. Op de rekening werd een post van 100 gulden uitgetrokken, die vermeerderd met de boeten van de non-comparanten door de aanwezigen verteerd mochten worden. 59 Die post is in 1685 verhoogd tot 30 pond. Enige jaren later spreken de rekeningen nog altijd over de “afgeschafte” maaltijd. Telkens ligt er de spijt dik op. Het was een enigszins wrange maatregel, dat de boeten van non-comparitie door de aanwezigen meteen en staande de vergadering werden verteerd. Ongetwijfeld heeft dit psychologisch zeer goed gewerkt. Als de heren ter vergadering kwamen, was het de gewoonte, dat zij aan het Botshoofd, te Stavenisse of te Bergen op Zoom met wagens werden afgehaald, die de baljuw bij de boeren van Vossemeer gevorderd had. Het was een ongeschreven wet van herendienst. In 1661 verzuimde de baljuw hiervoor te zorgen; hem en de nalatige boeren legden de heren een boete op. 60 Later verzwakte deze vorm van herendiensten enigszins; in 1691 kregen de huislieden een ton bier; omdat zij de heren met wagens en paarden gediend hadden. 61
In 1689 gelastten de heren de rentmeester op de dag van de vergadering voor een ”eerlijke collatie” te zorgen, benevens een goede teug Rijnse of Franse wijn. 62 Zo werd de maaltijd weer in ere hersteld, die de heren van Vossemeer altijd na aan het hart gelegen heeft. In deze periode werd de maaltijd geserveerd ten huize van de secretaris van Vossemeer. 63 Een tijdje later was de “collatie” al uitgegroeid tot een vertering van meer dan 30 pond. 64 In 1685 werd een vaste som van 30 pond uitgetrokken; 65 volgens de rekening was de officiële maaltijd nog altijd afgeschaft. Dit is tot 1706 op ongeveer dezelfde voet blijven doorgaan. 66
Voortaan begint de vergadering om 10 uren in de morgen, zo besloten de heren in 1716. 67 In 1747 en 1748 zijn de jaarvergaderingen in Middelburg gehouden, omdat Oud en Nieuw Vossemeer door troepen bezet waren; alles was er in rep en roer. De heren uit Brabant konden niet aanwezig zijn. 68 Vanaf 1757 is de eerste maandag in juni voor het begin van de vergadering aangewezen. 69
Na 1800, toen de ambachtsheerlijkheid als een kaalgeplukte kip uit de omwenteling tevoorschijn was gekomen, zakte bij vele heren de animo voor de vergadering aanzienlijk. In 1816 kwamen zij zeer onvolledig op. Toen werd het voorstel gedaan om ook andere geïnteresseerden toe te laten, die geen genoegzame portie op hun naam hadden, doch in een aandeel participeerden. Voor een aandeel tot 1/24 deel mocht echter maar één stem uitgebracht worden. 70 Dit voorstel is in 1817 aangenomen. 71 Zover is na te gaan, is er geen gebruik van gemaakt. Het hoogtepunt van de vergadering vormde ongetwijfeld de goedkeuring van het slot. Slechts zelden was dit nadelig. Lang is het de gewoonte geweest, dat dit direct na goedkeuring aan de aanwezigen werd uitbetaald. In 1507 heeft de rentmeester het al uitgerekend volgens 6e of 24e aandelen. 72 Indien er een nadelig slot was, moesten de aandeelhouders dit binnen enkele maanden, elk naar zijn deel, aan de rentmeester overmaken. 73 Soms werd het batig slot door de heren zelf verdeeld. 74 Af en toe zegt de rekening, dat de heren het batig slot op de rentmeester ”veroveren”. 75
In het begin van de 19e eeuw teerde de ambachtsheerlijkheid nog enigszins op haar oude roem, al had zij door de verandering van de tijd in feite weinig bemoeienis meer met het bestuur van het grondgebied. Een merkwaardig overblijfsel was, dat de veldwachter van Oud Vossemeer op de dag van de vergadering diensten aan de heren verleende; daar kreeg hij in 1818 nog een gratificatie voor. 76 In haar bloeitijd was de ambachtsheerlijkheid door de baljuw gediend! In 1819 spreekt de rekening nog over de afgeschafte maaltijd; in plaats daarvan werden 180 gulden tussen de comparanten verdeeld. 77 In 1843 deden de gemeentebode en de veldwachter voor de laatste maal dienst bij de vergadering van de heren; 78 daarna is de binding tussen de voormalige heerlijkheid en de gemeente geheel verloren gegaan. In 1856 is bepaald, dat de vergadering gehouden wordt op de eerste dinsdag in juni. 79
De ambachtsheerlijkheid, het zedelijk lichaam en de N.V. zijn voor hun jaarvergadering aan de maand juni blijven vasthouden. Nog komen de aandeelhouders elk jaar in Vossemeer samen. Het geschiedt niet meer zo glorieus als voorheen; de maaltijden hebben niet meer de oude faam. Toch klinkt er nog dank en respect uit de mond der mensen van Oud Vossemeer, als zij zeggen, dat “Tambacht” vergadert.

5 AMBACHTSHERENHUIS
Een eigen huis van de heren van Vossemeer, de zetel van hun heerlijkheid en van het plaatselijk bestuur, komt voor het eerst in 1537 voor. 1 Crijn Adriaense had een huis gekocht, dat tegen de herenkamer stond; hij wilde hieraan verbouwen. De heren verleenden hem toestemming en besloten de ”herenkamer” te laten staan. Er was namelijk aan een verbouwing of een nieuw gebouw gedacht. De kamer bestond derhalve al langer; toch wordt er in andere stukken niet expliciet melding van gemaakt. Dit eerste huis zal wel heel eenvoudig zijn geweest. Daar de bronnen lange tijd van herenkamer spreken, mag worden aangenomen, dat het recht- of raadhuis (zo wordt het gebouw genoemd) uit slechts één vertrek bestond.
Het diende tevens als rechthuis voor de zittingen van de schepenbank. In 1543 verleenden de heren gratie aan een verdachte, die wegens een gepleegde mishandeling was vervolgd. Zij legden hem evenwel een boete op van 6 karolusguldens, die gebruikt zouden worden om een “schoen” beeld van Oordeel (schilderij van Vrouwe Justitia) te laten maken, dat tegen de schouw van de herenkamer gehangen zou worden, waar de schepenbank haar gewone zittingen hield. 2 De boete was niet toereikend, zodat de heren van Vossemeer de meerdere kosten en de vracht betaalden. 3
Gezicht op het ambachtsherenhuis te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968

Gezicht op het ambachtsherenhuis te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968

De herenkamer was nog met stro gedekt; in 1548 waren 100 bossen nodig voor een vernieuwing aan het dak. 4 Zó klein was het rechthuis ook weer niet. Enige jaren nadien kocht de rentmeester nieuw stro, doch hij verkocht dit weer, omdat Anthonis van Wissenkerke de kamer met leien gedekt wilde hebben; 5 blijkens de rekening is dit ook geschied. Misschien is het om het nettere en enigszins sierlijk aanzien van het gebouw, dat terzelfdertijd de nieuwe term van raadhuis wordt ingevoerd. 6 In 1561 was het leien dak al aan herstel toe, dat verricht werd door een schaliedekker van Bergen op Zoom. 7 Enige jaren later is het dak door een forse hagelbui ”geramponeert”, zodat de dakdekker er weer aan te pas moest komen. 8 Dat tegelijk een nieuwe tafel voor de rechtbank werd aangeschaft, kan misschien doen vermoeden, dat het inwendige van de herenkamer eveneens bedorven of vernield was.
In juni 1576 moest de stad Zierikzee voor de macht van de Spanjaarden bukken. Het Staatse leger zette er alles op, om de Spanjaarden daaruit te verdrijven, wat inderdaad in de maand november gelukte. Doch voor het zover was, werd het gehele eiland Tholen met Staatse soldaten overspoeld, die zich daar, merkt Ermerins bitter op, 9 gedroegen alsof zij in een vijandelijk land waren. Op 7 october 1576 staken zij Oud Vossemeer in brand; het dorp en het ambachtsherenhuis gingen geheel verloren. 10 De losse stenen van het huis werden binnen de nog gedeeltelijk overeind staande muren geworpen; het ijzer, ankers en beslag, werd bijeengegaard. 11 In hun volgende vergadering besloten de heren een nieuw raadhuis met gevangenis te bouwen. 12
Er was zelfs aan gedacht, de ruïnes van het verbrande dorp maar te laten liggen en op een andere plaats een nieuw dorp te stichten, doch de tijden waren er niet naar om dit plan ten uitvoer te brengen. In 1578 besloten de heren de oude herenkamer te herstellen en daarvan een gevangenis te maken; het rechthuis zou geheel nieuw gebouwd worden. 13 Van Crijn Corneliszoon werd een oud brandijzer aangekocht, dat in de herenkamer gezet zou worden. 14 De oude stenen, die de brand hadden overleefd, werden schoongebikt. 15 De heren hadden derhalve wel ernstige plannen met de wederopbouw van hun huis. De tijdsomstandigheden waren echter zo “troebel”, dat de heren een lange reeks van jaren besluiten moesten, de bouw van de herenkamer maar weer uit te stellen. 16 Reeds in 1582 schijnt die hoop op een spoedige wederopbouw diep gedaald te zijn; de stenen van het afgebrande herenhuis werden aan een dijk gebruikt. 17 Het archief was per schip weggevoerd, waarschijnlijk naar de stad Tholen. Enigszins opmerkelijk is, dat in de rekening van 1586/87 een post voorkomt van nieuw meubilair voor de vierschaar.
Plakkaat van aanbesteding van het rechthuis te Oud Vossemeer

Plakkaat van aanbesteding van het rechthuis te Oud Vossemeer. Archief v.d. Ambachtsheerlijkheid.

De schepenbank is derhalve wel blijven functioneren, zij het op een andere plaats dan in het oude rechthuis.

In 1591 is het eindelijk tot een nieuw gebouw gekomen. De heren hadden eerst een huis genaast, dat naast en zelfs rondom de oude herenkamer stond met de bedoeling het gehele perceel te verbouwen. Dat erf en hofstee gunden zij aan Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke. Paes Janszoon, een timmerman, ontwierp en bouwde een nieuw ”huis van justitie”. De aanbesteding ervan vond in Delft plaats. Voor het leggen van de eerste steen gaven de heren een fooi; voor het opzetten van de mei stelden zij een ton dubbele faro (zwaar bier) ter beschikking. Het gebouw moest met St. Jan 1592 opgeleverd zijn. 18 In 1593 hielden de heren van Vossemeer er hun eerste vergadering, nadat zij jarenlang op vreemde plaatsen bijeengekomen waren. 19 Jonker Huijbrecht van Wissenkerke kocht een bel, die bij de vergaderingen werd gebruikt. 20 Sindsdien vermelden de resoluties met enige trots, dat de vergaderingen gehouden zijn in de “herenkamer van Vossemeer” 21 In 1597 had het dak reeds herstel nodig; 22 blijkens de rekening was het gebouw met pannen gedekt. 23
Met dit ambachtsherenhuis heeft de heerlijkheid het geruime tijd gedaan. Het stond niet op de plaats van het huidige. Volgens Ermerins, die als heer van Vossemeer in 1767 de stichting van een nieuw gebouw meemaakte en het vroegere huis gekend heeft, stond dit aan de Ring van Oud Vossemeer, ten westen van de kerk. 24 Tot aan de oprichting van het nieuwe gebouw vermelden de archiefstukken slechts weinig bijzonderheden over de herenkamer. In 1613 werd er een nieuw kantoor in gemaakt, 25 te gebruiken door de rentmeester en tevens bestemd voor de berging van het archief. In 1656 werd een kleine schouw bijgebouwd. 26 In 1656 kreeg de rentmeester opdracht een dozijn zitkussens met wapen te laten maken en een nieuw tafelkleed aan te schaffen. In de voorvloer (hal) van de herenkamer zou een wenteltrap gemaakt worden om de zolder te kunnen verhuren. 27 Enige jaren later liet de rentmeester nieuwe ramen maken, met het wapen van de heerlijkheid in de vensters. 28 In 1675 kwam een plan ter tafel om een nieuwe keuken en kamer bij te bouwen, doch dit voorstel is in beraad gehouden en klaarblijkelijk niet tot uitvoering gekomen. 29 Voor de schepenen werden 12 ”pruislederen” stoelen aangekocht. 30 Een tijd later zijn 12 geborduurde kussens aangeschaft. 31
In 1718 is een nieuwe vloer gelegd. 32 De rentmeester kreeg in 1745 opdracht voor de rechtkamer een stoep van blauwe steen te laten maken. 33
Dit moest geschieden “ten minste koste en meeste menage”, water op wijst, dat de heren niet veel meer ten koste wilden leggen aan het oude gebouw.
In de vergadering van 1764 kwam het voorstel ter tafel voor de bouw van een nieuw rechthuis. 34 De voorzitter toonde zelfs al een ontwerp, door Jacobus Philipse vervaardigd. 35 Volgens Ermerins was de voornaamste aanleiding tot de oprichting van een nieuw gebouw gelegen in het feit, dat het oude rechthuis geen gevangenis had om er de criminele gevangenen op te sluiten. Omdat in 1764 slechts weinig heren ter vergadering aanwezig waren, werd het voorstel aangehouden. Het volgend jaar sprak de vergadering de vrees uit, dat de kosten te hoog zouden oplopen. Besloten werd, dat de heren in Walcheren zouden confereren, of misschien aan een meer bescheiden opzet de voorkeur moest worden gegeven. 36 Inmiddels had Johan Willem van Rosevelt een minder kostbaar ontwerp laten maken. De heren besloten dit te doen uitvoeren. 37 Wel moest nog een geschikte plaats voor het nieuwe gebouw gevonden worden. In een buitengewone vergadering van october 1766 is het plan aangenomen; tevens werd besloten een nieuw terrein ervoor in Oud Vossemeer te zoeken. 38 Een voorstel werd gedaan om het erf achter het bestaande rechthuis aan te kopen, waarover de magistraat zeggenschap had, doch dit is niet gelukt of om andere redenen niet doorgegaan. Het volgend jaar berichtten de gecommitteerden, dat zij geen geschikter terrein hadden kunnen vinden dan dat van Leendert van der Valk, dat bebouwd was met een huis, schuur en wagenhuis. Een ander persoon wilde zijn huis voor het oude rechthuis ruilen. Van der Valk wilde voor 200 pond verkopen. Een en ander is door de vergadering goedgekeurd. 39 Op 19 maart 1767 heeft de aanbesteding plaats gevonden. 40
Op 10 maart 1767 had Leendert van der Valk het erf aan de Ring, naast de woning van de predikant gelegen, aan de heren van Vossemeer overgedragen voor de som van 200 pond plus het huis van Abraham van Schetse in de Kalisbuurt. Deze had op dezelfde dag zijn huis aan de heren overgedragen. Hem droegen de heren van Vossemeer het oude richthuis over, ook aan de Ring gelegen, met uitzondering van de inboedel en het meubilair. 41 De transactie werd nog ingewikkelder, daar de heren van Vossemeer zich bij contract verbonden hadden, in het oude huis van Abraham van Schetse een spinde met twee bedsteden te laten maken, welk werk uitgevoerd werd toen Van der Valk het huis betrok. 42
In het voorjaar van 1767 is met de bouw begonnen. Het tweede ontwerp is gemaakt door de timmerman Evert Philipse uit Middelburg. 43 De boeren van Oud Vossemeer werden door de bode opgekommandeerd, om de materialen te vervoeren. Op 11 juli 1767 is door Johan Isebree, burgemeester en raad van Goes, voorzitter van de raad van beheer, de eerste steen gelegd, die zich nog in de hal van het ambachtsherenhuis bevindt. De heren sloten een geldlening af van 739 pond. Het werk is aangenomen door Johan van der Leck en Nicolaas Krijger voor de som van 900 pond. 44 De namen van deze twee metselaarsbazen zijn zwaar van symboliek! Toen Krijger zijn geld gekregen had, bleek het gebouw totaal lek te zijn. Bij de junivergadering van 1768 is het ambachtsherenhuis in gebruik genomen. Het batig saldo van het afgelopen dienstjaar ten bedrage van 200 pond stelden de heren beschikbaar voor de bouwkosten. Het erf achter het huis werd aan de schoolmeester Dane in erfpacht gegeven. 45 Aan de buitenzijde volgden nog enige verfraaiingen. Vóór het huis werden vier palen gezet. Er werd een stoep, aangelegd; boven het torentje prijkte een vos. De bode kreeg verhoging van salaris voor het schoonhouden van het nieuwe rechthuis ”vermits de grootte van hetselve”. Bij de oplevering van het werk geschiedde de inspectie door Huijbert van der Burgt, een metselaarsbaas uit Vlissingen. 46
Eerste steen, in de hal van het ambachtsherenhuis

Eerste steen, in de hal van het ambachtsherenhuis. Foto: A. Delahaye, 1968


In de grote zaal vormt de nog bestaande schoorsteen, naast de sobere doch stijlvolle resten van de schepenbank, het pronkstuk van het huis. De wapens aan deze schouw van de ten tijde van de bouw zittende heren van Vossemeer zijn ontworpen en geschilderd door Joannes Piepers uit Middelburg 47 en gesneden door de beeldhouwer Adriaan van de Bilt. 48 Evert Philipse, de ontwerper van de bouw, maakte de vierschaar, de procureursbank, de balustrade en het lijstwerk van de schoorsteen. 49 Het grootste deel van zijn werkstukken is nog aanwezig. In een paneel van de schouw bevindt zich het in 1950 gerestaureerde schilderij van de Haagse schilder Jacob Xaverij, dat in 1773 is gemaakt. 50 Deze schilder, zoon van de beeldhouwer J. B. Xaverij, is in 1736 te ‘s-Gravenhage geboren; volgens sommigen kort na 1769 overleden, doch blijkens de gegevens uit het archief leefde hij nog in 1773. Het schilderij in Vossemeer is wellicht een van zijn laatste werken. Hij was een leerling van Jacob de Wit en J. van Huijsum. Bekendheid geniet hij als bloemen- en landschapschilder. In zijn Parijse tijd schilderde hij ook veel historische taferelen.
Het schoorsteenstuk stelt de Gerechtigheid voor, verzinnebeeld door een maagd, die een zon boven haar hoofd heeft, een zwaard en een weegschaal in haar handen, en wier ogen geblinddoekt zijn. De schilder heeft zich een ironisch grapje veroorloofd door de blinddoek doorzichtig te maken! De maagd leunt op een kind, wat op grondige kennis duidt. Zijn hoofd is gevleugeld en met bovenaardse glans gesierd. Het houdt een passer in de hand: het juiste afmeten van daad en straf. Met een stift in de andere hand wijst het op de wet, in het Hebreeuws geschreven, wat zeggen wil, dat slechts de puntelijke en letterlijke tekst van de Wet in beschouwing moet worden genomen. Zijn sluier is met gouden sterren bezet, wat de kennis verbeeldt. Het staat op een antiek altaar; waarmee te kennen wordt gegeven, dat alle gerechtigheid en rechtspraak op de Godsdienst stoelt. Onder de mantel van Vrouwe Justitia ziet men enige rollen van processtukken.
Kort na de voltooiing van het gebouw bleek, dat de aannemers zeer slecht gewerkt hadden. De heren van Vossemeer lieten het huis inspecteren door Jan Bommenee en Johan Carol uit Middelburg. 51 Hun rapport was vernietigend. 52 De gevangenis was slecht gebouwd. De achtergevel waterde door. De architecten kwamen er na een grondig onderzoek achter, dat zeer slechte mortel was gebruikt. De herstelwerken raamden zij op 506 pond. De aannemers, die ter vergadering ontboden waren, kregen de wind van voren. Zij behoefden nooit meer op enig werk van de heren van Vossemeer te rekenen. De manier, waarop zij gewerkt hadden, kwalificeerden de heren als regelrechte fraude. De vergadering nam zich voor, op hun kosten alles in orde te laten maken. Dit werk is uitgevoerd door Jan Bommenee uit Middelburg; alles bij elkaar kostte het meer dan 600 pond! 53 Een en ander verklaart, waarom in de gevel van het ambachtsherenhuis het jaartal 1771 staat, terwijl het gebouw in feite al in 1768 opgeleverd was. Waarschijnlijk hebben de heren van Vossemeer een blijvend protest tegen de twee fraudeurs willen stellen.
De steenhouwer Johannes Lanshout leverde het wapen in de voorgevel en de andere stenen ornamenten; 54 voor de nissen naast de ingang maakte hij twee hardstenen vazen. 55 Deze zijn reeds lang verdwenen. In 1771 heeft men nog niet alle fouten gevonden. Toen in 1896 de oude predikantswoning werd afgebroken, kwam de noordelijke muur van het ambachtsherenhuis bloot; zij bleek zó slecht in elkaar geknoeid te zijn, dat zij geheel vernieuwd moest worden. De heren besloten daartoe, en de gelden te putten uit de rekening van de Sluispolder. 56
In 1773 vervaardigde Evert Philipse in de grote zaal muurkasten, waarvoor Adriaan van der Bilt het snijwerk leverde. Voor de rechtbank werden 10 nieuwe “pruislederen” stoelen gekocht. Het torentje werd voor de eerste, doch niet voor de laatste maal gesoldeerd, daar het lekte. 57 Het is tot op de dag van vandaag blijven lekken! In 1774 werd voor de bodenkamer een schoorsteenstuk gemaakt door de schilder Bodens. 58 Het justitie-zwaard, nog aanwezig, in de rekening beschreven als een groot zwaard van staal met een stalen gevest en een hecht van haaievel, was gesmeed door baas Verduenk; Evert Philipse maakte er de kast voor. 59 Het heeft enkel als rechtsteken of symbool gediend en niet als executiezwaard, zodat het minder luguber is dan zijn uiterlijk doet vermoeden.
Bij de omwenteling van 1795, toen de gemeente van Oud en Nieuw Vossemeer zich van lieverlede van de ambachtsheerlijkheid losmaakte en een autonoom bestaan verkreeg, is de magistraat van Oud Vossemeer rustig in het ambachtsherenhuis blijven zitten, waar van ouds het bestuur en de rechtspraak gevestigd waren. In 1806 werd echter enige orde op zaken gesteld. De gemeente Oud Vossemeer had weliswaar aangenomen, dat zij het huis zonder meer als gemeentehuis zou krijgen, doch op dit punt hebben de heren van Vossemeer voet bij stuk gehouden. In 1806 werd het eerste huurcontract gesloten; 60 de gemeente kreeg de beschikking over de grote zaal, één voorkamer, de kelders en de zolder. Voor de rentmeester bleef een kamer als kantoor beschikbaar, waar zich ook de archieven van de heerlijkheid bevonden. De heren reserveerden voor zich wel het recht op de grote zaal voor enige dagen in juni bij gelegenheid van de jaarvergadering. De huurprijs heeft lang op 60 gulden per jaar gestaan.
Talloze malen heeft de gemeente Oud Vossemeer geprobeerd, het huis aan te kopen. Een belangrijk motief voor de heren om dit af te slaan, was gelegen in het feit, dat zij geen andere geschikte plaats voor hun archief hadden. Terecht vreesden zij, dat het verloren zou gaan, indien het op een ”onbekwame plaats” aan bederf of verlies zou worden blootgesteld. 61 Ongetwijfeld hebben ook andere overwegingen een rol gespeeld. In deze tijd bestond er een onmiskenbare animositeit tussen de gemeente en de ambachtsheerlijkheid. Door toedoen van de gemeente had de heerlijkheid al zoveel veren verloren, dat zij persé alles wilde vasthouden wat nog te redden was. Als de heren het huis lieten schieten, verloor de ambachtsheerlijkheid haar laatste representatie naar buiten. De huidige aandeelhouders mogen hun voorgangers erkentelijk zijn voor hun vasthoudendheid; waarschijnlijk is de N.V. de enige oude ambachtsheerlijkheid, die haar ambtsgebouw nog bezit.
Aan het onderhoud werd de nodige zorg besteed. In 1823 zijn nieuwe vloeren gelegd en werden de kelders waterdicht gemaakt; voor de eerste maal is een brandverzekering ten bedrage van fl. 5000,- afgesloten. 62 In 1830 mocht de diaconie in de kelders haar appelen opslaan; de sleutels van de kelders moesten bij de rentmeester blijven. 63 In 1840 zijn nieuwe ramen in de achtergevel gezet. 64 In 1885 werden drie oude stoelen aan het Zeeuws Museum in bruikleen afgestaan; 65 en in 1896 volgden de oude folterwerktuigen, die nog in de gevangeniskelders aanwezig waren. 66 Zij bestonden uit een geselpaal, en stel “lasterstenen” 67, een ketting, en een zware plank met drie gaten.
De huur van het ambachtsherenhuis is in 1897 tot fl. 150,- per jaar verhoogd; de gemeenteraad van Oud Vossemeer wilde dit niet geven, doch de heren hielden aan hun besluit vast. 68 Mogelijk was de nogal drastische verhoging bedoeld om de gemeente te pressen ’t gebouw te verlaten. In 1921 werd de huur op fl.250,- bepaald. 69 In 1911 had de gemeente nogmaals gevraagd het huis te mogen kopen of het te doen verbouwen, zodat het beter voor de administratie geschikt werd. De heren wilden de gemeente wel tegemoet komen; sommigen van de aandeelhouders vonden het niet gewenst, dat het gebouw leeg kwam te staan. Een verkoop aan de gemeente werd toch niet in overweging genomen. De gewenste verbouwing bleek echter nogal kostbaar te worden; bovendien zou de grote zaal zo ingrijpend veranderd worden, dat er niet veel meer van overbleef. 70 Nogmaals in 1918 kwam de gemeente op de verbouwing terug. Nu stelde zij voor in de tuin een burgemeesterskamer bij te bouwen. De grote zaal wilde zij in een aantal vertrekken indelen; hier waren de heren pertinent tegen. 71 In 1920 vroeg de gemeente weer te mogen kopen, doch ook dit aanbod werd terstond afgewezen. 72 In 1930 is de voormalige bodenkamer tot burgemeesterskamer ingericht. 73 Een nieuw breedvoerig overleg volgde in 1940. 74
Het voorstel was gedaan, om in de tuin een archiefbewaarplaats te bouwen; door de oorlogsdreiging was de zorg voor de archieven acuut geworden. De heren van Vossemeer kochten voor hun archief een brandkast aan, doch van andere plannen tot een verbouwing kwam door de uitgebroken oorlog niets meer, ofschoon er in 1941 een ver uitgewerkt plan werd voorgelegd, dat door de raad van beheer serieus in overweging is genomen.
Tijdens de oorlog kwam een onzalig uitbreidingsplan voor de gemeente Oud Vossemeer tot stand. 76 Achter het ambachtsherenhuis was de aanleg van een nieuwe wijk gepland; deze zou een verbinding met de Ring krijgen.
De rooilijn van de nieuwe straat liep recht door het huis; overeenkomstig de inmiddels befaamd geworden rechtlijnigheid van sommige moderne planologen was het ambachtsherenhuis ten dode opgeschreven. In 1943 werd het uitbreidingsplan afgekondigd. De rentmeester geloofde wel niet, dat het ooit tot uitvoering zou komen, doch adviseerde in elk geval tijdig bezwaren in te dienen. 77 Tengevolge van de ziekte en het overlijden van de voorzitter van de raad van beheer werd niet tijdig tegen het plan geageerd; ten onrechte trokken sommigen daaruit de conclusie, dat de aandeelhouders van de N.V. aan het huis niet veel meer gelegen was.
Toen in 1947 de woningbouw te Oud Vossemeer op gang kwam, gaf de gemeente uitvoering aan het uitbreidingsplan, dat inmiddels was goedgekeurd. In dat jaar onteigende de raad der gemeente een deel van de tuin, achter het huis gelegen. Hiertegen heeft de raad van beheer zich niet verzet. Reeds was, om de gemeente tegemoet te komen, een plan tot een inwendige verbouwing van het ambachtsherenhuis aan de orde gesteld. Dit plan werd door de Commissaris van de Koningin in Zeeland, Jhr. Mr. J. W. Quarles van Ufford, die tevens voorzitter van de raad van beheer was, met burgemeester en wethouders van de gemeente besproken; met hun instemming werd besloten het nader uit te werken. Daar werd evenwel geen voortgang mee gemaakt. De donderslag bij heldere hemel kwam van de ”Eendrachtbode”, die op 4 juni 1948 het bericht publiceerde, dat de raad van Oud Vossemeer het gebouw van het ambachtsherenhuis voor afbraak wilde onteigenen. Enkele dagen later zond de Rijkscommissie voor Monumentenzorg een telegram aan het gemeentebestuur, waarin werd medegedeeld, dat het gebouw niet zonder een zogenaamde “sloopvergunning” mocht worden afgebroken, welke vergunning zeker niet zou worden gegeven. Zo was de zaak heel duidelijk gesteld. Een onteigening zonder de mogelijkheid van afbraak had voor de gemeente geen enkele zin.
Op 10 juli 1948 requestreerde de raad van beheer uitvoerig tegen het plan van onteigening. Hij beriep er zich op, dat het ambachtsherenhuis op de voorlopige lijst van monumenten stond, en dat noch de N.V. noch de Rijkscommissie voor Monumentenzorg verlof tot sloping of tot een ingrijpende verandering zouden geven. Inmiddels was een compromis-voorstel gedaan, om het huis te halveren, doch dit plan is als een kwalijke gedachte geen moment bij de raad van beheer in serieuze overweging geweest. De Hoofddirecteur van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting oordeelde in 1949 de afbraak van het huis niet nodig en in verband met de andere plannen der gemeente, o.a. de verbouwing van de voormalige predikantenwoning tot gemeentehuis, zelfs ongewenst. Voor het uitbreidingsplan van de gemeente had hij geen goed woord over; volgens hem was het ondoordacht opgemaakt. Hij was er helemaal tegen dat slechte plan te redden met de opoffering van een oud historisch gebouw. Bovendien wees hij de gemeente de weg naar een betere en fraaiere oplossing.
Op 18 maart 1949 berichtte het provinciaal bestuur van Zeeland aan de raad van beheer, dat het raadsbesluit tot onteigening de vereiste goedkeuring niet zou krijgen, indien de nv zich verplichtte binnen afzienbare tijd tot restauratie van het gebouw te willen overgaan. Hierover was trouwens al door de aandeelhouders gesproken, zodat de raad van beheer de toezegging van een restauratie kon doen. De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting nam er genoegen mee en besliste, dat geen dwingende noodzaak aanwezig was het ambachtsherenhuis ten behoeve van de gemeente te onteigenen.
Ondertussen zat de gemeente met een nieuwe wijk, die inderdaad slecht bij de bestaande bebouwing aansluit. Op 30 maart 1950 nam de gemeenteraad een nieuw besluit tot onteigening. Volgens hem was de afbraak van het ambachtsherenhuis nodig om een goede verbinding met de nieuwe straten te krijgen. Daar er geen nieuwe en doorslaggevende argumenten naar voren kwamen, kreeg de gemeente spoedig te horen, dat op dit besluit beslist geen goedkeuring zou volgen; bovendien zou zij toch nooit een sloopvergunning krijgen. Het moet haar ten goede gehouden worden, dat zij niet gepoogd heeft het ambachtsherenhuis ten eigen behoeve te onteigenen. Omdat de gemeente niets aan het huis had, indien het niet afgebroken zou mogen worden, trok de raad op 12 juli 1950 het tweede besluit ter onteigening wijselijk in. De gemeente wilde het huis ook niet langer als gemeentehuis gebruiken en was reeds doende de oude pastorie aan te kopen.
De moeilijkheden hebben tenslotte toch een goed gevolg gehad. In 1952 werd in principe besloten tot restauratie van het gebouw over te gaan. 78
In dit stadium dacht de vergadering slechts aan herstel van de meest urgente dingen, waarvoor een raming van ongeveer fl. 14.000,- was gemaakt. In november 1952 is het gebouw geïnspecteerd door de rayonarchitect van Monumentenzorg in Zeeland. Als architect voor de restauratie werd H. van der Kloot Meyburg uit Den Haag voorgesteld, die bezig was met de restauratie van de kerk van Tholen en de toren van St. Maartensdijk. Door het ministerie werd een gunstige beslissing en een aanvraag voor rijkssubsidie in het vooruitzicht gesteld. In overweging werd gegeven, zowel in- als uitwendig te restaureren; de kosten waren begroot op minder dan fl. 30.000,- Dit is door de algemene vergadering goedgekeurd. 79 Op 6 maart 1954 vergaderde de raad van beheer in Den Haag met enige architecten van Monumentenzorg. 80 Nu bleek, dat de kosten van het uitgewerkt plan op ruim fl. 45.000,- kwamen, mede omhooggedreven door een algemene loonsverhoging. Inmiddels waren de subsidieaanvragen al ingediend. Die van het Rijk was zo goed als zeker, schoon de uitbetaling pas in 1956 te verwachten was. Voor de ambachtsheerlijkheid zelf bleef een last over van circa fl. 19.000,- Het viel de raad van beheer wel enigszins tegen, doch er was een reserve van fl. 25.000,- gekweekt, zodat besloten werd toch door te zetten.
De uitvoering van de werkzaamheden is gegund aan de Fa. Huurman te Delft, die bezig was met de restauratie van de kerk te Tholen, voor een som van fl. 44.550,- Het Rijk kwam de nv enigszins tegemoet, door inplaats van de gebruikelijke veertig procent in de kosten van de restauratie nu vijftig procent voor zijn rekening te nemen. 81 De provincie Zeeland zegde eveneens het gebruikelijke percentage van de rijkssubsidie toe. Op aandringen van Monumentenzorg vroeg de raad van beheer ook een gemeentelijke subsidie, doch deze werd niet verleend.
Eind augustus 1954 zijn de werkzaamheden begonnen. De vergadering van 1955 kon reeds in de herstelde zaal worden gehouden. 82 In de herfst van 1955 vond een officieuze ingebruikneming plaats. Toen de restauratie klaar was bleek zij in totaal fl. 53.499,- gekost te hebben. Bij deze restauratie zijn de voormalige kelders, gevangenis en plaats van streng verhoor, met zand gedempt; de toegang ervan is afgesloten. Voor het overige heeft het ambachtshuis zijn aanzien van 1771 behouden.

6. ARCHIEF
Zeer juist heeft Ermerins opgemerkt, dat de geschiedenis van de heerlijkheid niet te schrijven ware geweest, indien de heren van Vossemeer hun archief niet zo goed hadden bewaard. Inderdaad hebben zij altijd veel zorg aan het archief besteed. In de streek hadden zij tot voor kort in dit opzicht zelfs een minder gunstige reputatie; dat zij zeer moeilijk een buitenstaander in het archief toelieten, werd wel eens in deze zin uitgelegd, dat zij een en ander van hun bestuurlijk en financieel beleid liever verborgen wilden houden. Doch deze beweegreden heeft de heren van Vossemeer hun houding ten opzichte van het archief niet ingegeven. Zij waren er zuinig op wegens hun bezorgdheid voor het compleet houden. Overigens hebben de huidige aandeelhouders het archief voor serieuze onderzoekers opengesteld. Ongetwijfeld heeft de vroegere reserve goede vruchten afgeworpen. Als Jan-en-alleman in het archief gegrasduind hadden, zouden heel wat stukken de weg van Jan-en-alleman zijn gegaan.
In 1494 besloten de heren een register te laten maken voor alle brieven en stukken. 1 Vermoedelijk is het bij een goed voornemen gebleven, al werd het jaar daarna ook besloten, dat de heren op de volgende vergadering hun stukken moesten meebrengen, om die in de registers te laten inschrijven. 2 Dat besluit had een zeer concrete achtergrond.
In verband met de moeilijkheden over de juiste paalscheiding tussen de heerlijkheid en het land van de heer van Bergen op Zoom moesten de heren de beschikking hebben over alle stukken. 3 Dit geeft wel de indruk, wat trouwens ook door het archief zelf bevestigd wordt, dat de heren van Vossemeer in de eerste tijd van het bestaan van hun heerlijkheid nog niet sterk aan de vorming van een heerlijkheidsarchief gedacht hebben. Vanzelfsprekend zat er in de verdeling van het heerlijk recht over zes deelgenoten het gevaar, dat iedereen zijn stukken als privé-archief beschouwde, of dat de gezamenlijke stukken terecht kwamen bij diegene, die zich een bepaalde zaak ter afdoening aantrok. Van lieverlede groeide bij de heren het inzicht, dat zij naast hun particuliere archieven ook een archief van de heerlijkheid dienden te hebben. In 1501 werd nog eens besloten, registers te doen aanleggen. 4 Na enige processen bleek, hoe nuttig het was retroacta te bezitten.
De heren oordeelden het gewenst een archiefkist te laten maken met drie sleutels, door drie heren te bewaren; men moest dus met z’n drieën zijn om bij het archief te komen. Tevens kreeg de rentmeester opdracht, een inventaris op te maken en bij te houden. De eerste archiefkist werd pas in 1505 gemaakt; het was Joost van Bloys, die het besluit tenslotte concrete vorm gaf. 5 Van toen af werd de rekening in tweevoud opgemaakt; een exemplaar werd direct na afhoring bij het archief gedeponeerd. Jan Pels kreeg de kist toegewezen, om de brieven en stukken in een register te copiëren. 6 Ook de papieren van de aanwassen, die door de landmeesters werden opgesteld, moesten in de herenkist opgeborgen worden. 7
’s Herenkist, die enige tijd bij heer Joos van Bloys had berust, werd in 1525 in bewaring gegeven aan Symon Theuniszoon; de drie sleutels berustten bij drie heren. 8 Toen de heerlijkheid nog geen eigen huis bezat, reisde het archief van de een naar de ander. Jan Zoettens verloor zijn sleutel van de kist, zodat een slotenmaker eraan te pas moest komen om het archief weer te openen. 9 Een tijd later waren twee sleutels zoek; de kist werd opengebroken, opdat de slotenmaker nieuwe sleutels kon maken. 10 Nu werd het archief in bewaring gegeven aan Jan van Doornik. 11
In 1539, toen er een oorlog dreigde, bedacht de rentmeester een merkwaardige manier, om de archieven veilig te stellen. Twee mannen groeven een halve dag aan een put en besteedden twee dagen om er de ”boeken” in te leggen. 12 In de drassige bodem van Vossemeer kan het “begraven” van het archief natuurlijk niet goed zijn geweest. De rekening vermeldt niet, of en hoe het archief weer tevoorschijn is gehaald. Het geeft wel boekdelen te denken, dat men in 1541 bij de rentmeester en de erven van verschillende overleden heren nasporingen deed naar het archief van de heerlijkheid. 13 Als de twee mannen een hele dag groeven en twee dagen aan het versjouwen van het archief besteedden, moeten zij een grote hoeveelheid archief begraven hebben. Wat er van vóór 1539 nog bewaard is gebleven is beslist geen stof voor drie dagen werk. Het is dan ook vrijwel zeker, dat bij die gelegenheid belangrijke bestanddelen van het archief verloren zijn gegaan. In hetzelfde jaar hadden de heren nogmaals bepaald, twee ”schoene” boeken te laten maken: een als cartularium voor belangrijke stukken; het andere als resolutieboek, waarin alle besluiten geregistreerd zouden worden. Van het laatste is wel iets gekomen; een cartularium is nooit aangelegd.
In 1544 kreeg de rentmeester opdracht uit te zien naar een ‘kom’, een stevige archiefkist. 14 Hij mocht er ruim 10 pond aan besteden. In 1561 maakten Jaspar van der Meijen en Jacob van Gelre een inventaris op van de stukken, behorend tot het archief van de heren en aangetroffen in het sterfhuis van Anthuenis van Wissenkerke. 15 Deze was lang als voorzitter van de heren opgetreden. Blijkens de zeer summiere opgaven van deze inventaris was de oogst niet groot; te vrezen is, dat veel stukken reeds verdwenen waren. Toch is dit voor de heren een waarschuwing geweest. In 1581 gelastten zij de weduwe van de overleden rentmeester het archief af te geven. 16 Dat dit niet vlot gebeurde, bewijzen de talloze herhalingen van het bevel tot 1586 toe. 17 Het blijft een open vraag, of het archief in 1586 werkelijk gerestitueerd is; misschien hadden de heren onderhand genoeg van de lakse weduwe.
De rekeningen en bijlagen zullen in de “heren arke” gedeponeerd worden, beslisten de heren in 1598. 18 Nu was het gebruik, dat de rentmeester het archief in zijn huis bewaarde: In 1577 immers was het ambachtsherenhuis afgebrand. Dit gebruik bleef nog een tijdlang gehandhaafd nadat het nieuwe rechthuis gereed gekomen was. In 1614 gelastten de heren, dat het archief van het huis van de overleden rentmeester gebracht zou worden naar het huis van de nieuwe. 19 Blijkbaar vonden de heren het rechthuis, waar de schepenbank zetelde, niet veilig genoeg. In 1624 kwamen zij terug op het oude denkbeeld, om alle stukken in een boek te doen inschrijven. 20 De daaraan toegevoegde bepaling, dat het geschieden moest ‘ter minster coste’ heeft vermoedelijk de voor archiefzaken toch al geringe animo niet bevorderd. Nadat het archief een tijdlang in het ambachtsherenhuis had berust, werd de ”ark” of archiefkist in het jaar 1630 weer ten huize van de rentmeester geplaatst. 21
In 1679 is de archiefkist naar Oud Vossemeer teruggebracht, nadat zij jarenlang bij de rentmeester Faes had gestaan.De twee sleutels zouden beheerd worden door de rentmeester en de baljuw. Dit wijst er op, dat de archieven van de heerlijkheid en van de schepenbank niet zo strikt gescheiden waren als de hedendaagse archivistiek voorschrijft. Enige tijd is het archief in de herenkamer geplaatst. Daarna is het in 1690 overgebracht naar het huis van de rentmeester Van Rosevelt, die beloofd had het te “caveren”; 23 deze al te brede term zal men vergeefs in een handleiding archiefbeheer zoeken! In 1696 werd opdracht gegeven van het archief een ”nette” inventaris te maken. 24 De heer van Coppendamme nam dit werk voor zijn rekening; er blijkt nergens uit, dat er iets van gekomen is. Wel werden voor dit doel de archieven naar de stad Tholen overgebracht. 25
In 1723 is de archiefkist van het huis van de rentmeester naar het ambachtsherenhuis, overgebracht. De twee oudste heren bewaarden de sleutels.
Jacob Ermerins, secretaris van Veere, heer van Vossemeer, geschiedschrijver van Zeeland en van de ambachtsheerlijkheid, 1725-1795.

Jacob Ermerins, secretaris van Veere, heer van Vossemeer, geschiedschrijver van Zeeland en van de ambachtsheerlijkheid, 1725-1795. Naar een gravure uit de collectie van Zelandia Illustrata in het Zeeuws Museum te Middelburg.

In geval van brand moesten de baljuw en de schepenen vóór alles de archiefkist redden. 26 In het jaar 1752 werd aan de baljuw en de rentmeester opgedragen, een kist papieren te examineren, die in de polder “d’Enkelde Noort” (verm. de Nieuw Vrijberghse Polder of Nieuwenpolder, of Hinkelenoord?) aanwezig was, waarvan gezegd werd, dat zij aan de heren van Vossemeer toebehoorde. In de marge staat de teleurstellende mededeling, dat deze kist al voor enige jaren was opgeruimd. 27 In 1757 lieten de heren een oud resolutieboek copiëren, wat hun 7 pond kostte. 28 Een enigszins deskundige verzorging van het archief is door Jacob Ermerins aangepakt. In het jaar 1757 was hij zijn broer Jan Willem Ermerins opgevolgd in een 24e deel van de heerlijkheid. Hij was in 1725 te Lillo geboren. Reeds jong legde hij zich toe op het landmeten en het in kaart brengen van vestingwerken. Bij het beleg der Schelde-forten in 1747 leverde hij goede diensten aan de Staat. Kort daarna is hij benoemd tot commies van de landsmagazijnen en gedelegeerd rechter te Lillo; in 1768 was hij secretaris van Veere. Na de omwenteling van 1795 nam hij op sterke aandrang van zijn medeburgers het ambt van baljuw van Veere op zich, doch kort daarna stierf hij. Gedreven door een sterke historische belangstelling, begon hij spoedig na zijn optreden als heer van Vossemeer aan de ordening van het archief, welk werk in 1760 reeds ver gevorderd was. 29 De charters, tot dan toe in een kist bewaard, werden gerangschikt en om alle mogelijke verwarring met de stukken der gemeente te voorkomen, in een afzonderlijke loketkast op de rechtskamer geplaatst. De heren keurden zijn werk goed en verzochten hem ermee door te gaan. Het vak heeft hij niet geheel beheerst; verschillende stukken in het latijn moest hij door een ”kundige hand” laten vertalen. Het volgend jaar bood hij zijn collega’s de gereedgekomen inventaris aan, die nog in het archief aanwezig is. 30 Ermerins vervaardigde eveneens een index op de resoluties. Voor de privileges en de belangrijke stukken liet hij een kistje maken, dat bij een onverhoopte brand vlug gegrepen kon worden. 31 Voor de ordening van het archief schonken de heren hem Hoogstraten’s Groot Algemeen Woordenboek in zeven Franse banden. 32
In het jaar 1778 bood hij de vergadering de geschiedenis van de heerlijkheid aan, in een handschrift, versierd met een getekend titelblad en gebonden in een fraaie quarto Franse band. 33 Blijkens de resolutie van 1765 was hij toen al gereed met het schrijven ervan. Ermerins vroeg de overige heren verlof deze te laten drukken, hetgeen met volle instemming van allen werd goedgekeurd. Toch verscheen zijn boek pas in 1784 te Middelburg als een deel van zijn serie over de Zeeuwse Oudheden. Hij schonk een exemplaar aan de heren van Vossemeer, die hem bedankten “met het verzoek om daar in te willen continueren”. 34 De vier platen, in het boek opgenomen, zijn door de ambachtsheerlijkheid betaald; zij kostten ruim 35 pond. 35 In 1795 zond hij de heren een werkje over het eiland Tholen met een aanhangsel over de heerlijkheid Vossemeer en Vrijberghe. Enkele maanden nadien is Jacob Ermerins overleden.
Vanaf het begin van de 19e eeuw is het ambachtsherenhuis lang als gemeentehuis van Oud Vossemeer in gebruik geweest. Ofschoon zulk een samenwoning dikwijls funest is voor de goede bewaring van de archieven, hebben de opeenvolgende rentmeesters het archief van de heerlijkheid in goede staat gehouden. Opmerkelijk is zelfs, dat er practisch geen vermenging van archieven heeft plaats gehad. Omstreeks 1870 heeft de toenmalige gemeentesecretaris van Oud Vossemeer, Adriaan de Graaff, later rentmeester van de ambachtsheerlijkheid, zich intensief met het archief bezig gehouden. Wegens zijn verdiensten benoemden de heren hem in 1872 tot ”honorair archivaris”. 36
Huidige archiefkast in het ambachtsherenhuis te Oud Vossemeer

Huidige archiefkast in het ambachtsherenhuis te Oud Vossemeer.

Kort voor de Tweede Wereldoorlog werden plannen beraamd om de archieven te beveiligen. Een ogenblik is door de raad van beheer overwogen, het Rijksarchief in Zeeland te deponeren. Bij nader inzien werd van dit denkbeeld afgestapt. Gelukkig maar, anders zou het archief in de meidagen van 1940 misschien verloren zijn gegaan.
De thans fungerende rentmeester W.J. van Doorn stelde in 1963 voor, het archief door een deskundige te laten ordenen. De raad van beheer, waarin enige personen met historische belangstelling zitting hebben, nam dit voorstel aan. Voor het werk is de streekarchivaris van het gemeenschappelijk archivariaat “Nassau-Brabant” aangezocht (gemeenschappelijke regeling tussen de gemeenten: Halsteren, Oud en Nieuw Gastel, Rijsbergen, Steenbergen, Zevenbergen en Zundert). In juni 1964 zijn de ordeningswerkzaamheden begonnen; in het najaar van 1965 was de inventaris voltooid. 37 Een tweede resultaat van de ordening is de geschiedschrijving van de heerlijkheid.
Terecht verdient het archief van de ambachtsheerlijkheid de aandacht, niet alleen omdat het een massa historische gegevens van Oud en Nieuw Vossemeer bevat, doch tevens, omdat het vermoedelijk het enige archief is van een ambachtsheerlijkheid, dat zo goed en zo compleet bewaard is gebleven. Vanzelfsprekend zijn er hiaten aan te wijzen; tussen 1410 en 1500 werden héél weinig stukken overgeleverd. Ondanks dat is het nog een rijk archief. Voor veel facetten van de geschiedenis der streek bevat het onontgonnen bronnen, die in de summiere beschrijving van Ermerins niet eens geopend waren. Zelfs nu dit boek ter tafel ligt, mene men niet, dat het archief volledig erin is verwerkt.
Na de ordening blijft het archief in het ambachtsherenhuis te Oud Vossenveer berusten. Het is geborgen in vier brandkasten, die een genoegzame veiligheid bieden, zij het dat het archief iets te compact staat. Een deel der charters, dat tengevolge van een ”ingepakte” opberging veel geleden had, is in het kunstatelier van het Norbertinessenklooster “St. Catharinadal” te Oosterhout gerestaureerd en op platten gezet, die als laadjes in een brandkast passen. Andere maatregelen zijn genomen, opdat het archief in goede staat en onder voortdurend deskundig toezicht blijft.

7. ZEGEL EN WAPEN
Uit de brief van Gillis van Wissenkerke van het jaar 1433 blijkt, 1 dat de heren van Vossemeer reeds over een zegel beschikten: ”. . . . . bezegelen van der heren wegen van Vossemeer met des lants zeghel van Vosmeer”. Er is echter niets naders van bekend. In het jaar 1502 werden twee schutters aangesteld. 2 Op de mouw van hun tabbard moesten zij het embleem van de heerlijkheid voeren: een vos met een “mare” in de mond, ”zoals van ouds gebruikelijk was”. Het wijst er in elk geval wel sterk op, dat de ambachtsheerlijkheid de vos al langer in haar wapen en zegel had gevoerd, waarschijnlijk vanaf het begin.
De juiste betekenis van de “mare” is niet duidelijk. De naam van Vossemeer of Vossemaer (in de oude spelling) is vermoedelijk een samenstelling van Vos, afgeleid van de oude Vosvliet, en Mare, een aldus genoemd waterland, dat na de eerste indijkingen van Vossemeer nog als open water of gors buiten lag. Ermerins meent, 3 dat de vos een beuling of worst in zijn bek houdt, die men in de streektaal ”mare” noemt. Volgens anderen houdt de vos een tak in zijn bek, een maretak; in het embleem zien zij een uitbeelding van het woord Vossemare. Mogelijk heeft de volksetymologie inderdaad aan een maretak gedacht; in de eeuwige strijd met het water heeft zij dit beeld misschien geassocieerd aan de duif van Noach.
In 1515 droegen de heren de rentmeester op, een zegel voor de heerlijkheid te laten maken. 4 Blijkens de rekening van het jaar is inderdaad een nieuw stempel gemaakt. De afbeelding zou zijn “eenen vos met een mare in den mond op een groen veld”. Het randschrift zou luiden: ”Sigillum dominii de Vossemare” (zegel van de heerlijkheid van Vossemare). In het archief zijn twee zegelafdrukken bewaard gebleven: een gebroken zegel aan een stuk van het jaar 1554, 5 en een afdruk onder papieren ruit op een stuk van het jaar 1579. 6 Deze zegels hebben evenwel als randschrift: “Sigillum dominorum de Vossemaer” (zegel van de heren van Vossemeer), zodat het niet zeker is, dat zij vervaardigd zijn met het stempel van 1515, dat blijkens de resolutie een ander randschrift had.
Op de nog bestaande zegelafdrukken is het wapenschild gedeeld; in het onderste staat een lopende vos op een veld van groen; in de bovenste helft staan twee kruisen, waarvan de zijarmen doorlopen, zo zes vierkanten vormend, kennelijk doelend op de zes oorspronkelijke delen of deelgenoten in de heerlijkheid. De kleur van dit veld is onbekend. Als schildhouders fungeren een klimmende leeuw en een klimmende vos. Het helmteken wordt gevormd door een mand of korf, waarin een halve klimmende vos. Uit de rekening van 1552/1553 blijkt, dat de heren een nieuw zilveren zegelstempel hebben laten maken. 7 Voor de hand ligt aan te nemen, dat de afdrukken van 1554 en 1579 van dit stempel zijn gekomen. Naast de afwijkende tekst van het randschrift wijst dit er ook sterk op, dat in 1515 een ander zegel heeft bestaan.
Het wapen van de heerlijkheid werd ook door haar dienaren gedragen. In 1515 bepaalden de heren, dat de bode de“leseneije” van Vossemeer op zijn mouw moest dragen. 9 In 1525 werd de bode gelast, een beurs te dragen met het wapen van de heren er op. 10 In 1617 gelastten de heren aan de rentmeester, het zegel ter zaken aan de baljuw te overhandigen. 11 Vermoedelijk is het verder gebruikt voor de zegeling der acten van de schepenbank en de gemeente.
Vermoedelijk in het begin van de 18e eeuw is een nieuw wapen en een nieuw zegel ingevoerd, waarvan het zilveren stempel nog bij de ambachtsheerlijkheid berust. De entourage van het schild is vrijwel onveranderd van het oudere zegel overgenomen; het wapenschild zelf is ingrijpend veranderd. Het schild is gedeeld; het bovenste heeft een gouden veld, met een klimmende halve vos in rood; beneden een blauw veld met drie golvende dwarsbalken van zilver. Dit laatste deel is duidelijk uit het Zeeuwse wapen overgenomen.

Het oudste zegel van de ambachtsheerlijkheid.

Het oudste zegel van de ambachtsheerlijkheid.

Het zegelstempel van het ambacht werd, vermoedelijk in 1705 of 1709, bij een inval van het Franse leger in Oud Vossemeer gestolen. Luitenant Holderman een officier uit het Staatse leger, kocht het in 1713 in Namen terug van een Franse officier, en droeg het voor zijn koopprijs aan de ambachtsheerlijkheid over. 12 Onlangs is het stempel, dat enige jaren als zoekgeraakt was beschouwd, bij de weduwe van de vorige rentmeester G.W.J. de Graaff teruggevonden.
In 1786 schilderde Pieter van den Heuvel het wapen van de hoge heerlijkheid en dat van Vrijberghe. 13 Dat van Vrijberghe bestaat uit een gedeeld wapenschild: het bovenste deel toont drie rode rozen op een zilveren veld; het benedendeel is rood met drie witte schapen, twee en een. De schilder plaatste beide wapenschilden naast elkaar tussen twee klimmende leeuwen in goud; en nam het oude helmteken over van de korf met de halve staande vos. Het wapen van Vossemeer geeft hij weer overeenkomstig de laatste versie, de klimmende vos boven de Zeeuwse golvende dwarsbalken. Dit wapen is aangenomen en gepresenteerd als dat van de gecombineerde heerlijkheden van Vossemeer en Vrijberghe. Te vrezen is echter, dat de schilder de regels van de heraldiek niet in acht heeft genomen.


De wapens van Vossemeer en Vrijberghe.

De wapens van Vossemeer en Vrijberghe. Naar een schilderij in het Ambachtsherenhuis

In de vergadering van 1968 heeft de raad van beheer, na bekomen advies van de Hoge Raad van Adel, dit wapen voor de NV Ambachtsheerlijkheid vastgesteld.
Het bestaat uit een samenvoeging der oude wapens van Vossemeer en Vrijberghe. Het bovendeel van het wapen van Vossemeer, in goud, vertoont een verdeling in zes vakken, vermoedelijk verwijzend naar de zes oorspronkelijke delen. In het onderste deel, waarin een lopende vos in natuurlijke kleur op een veld van zilver, is de klimmende Zeeuwse leeuw vervangen door het embleem van het oudste wapen.
Het wapen van Vrijberghe wordt gevormd door een gedeeld schild: boven drie rode rozen op een veld van zilver; beneden drie witte schapen op een rood veld.
De heraldische beschrijving luidt:
Gevierendeeld:
I. Van goud, verdeeld in zes gelijke vakken door een versmalde dwarsbalk en twee staken van sabel;
II. In zilver drie rozen van keel, dwarsbalksgewijze geplaatst;
III. In zilver een gaande vos van keel;
IV. In keel drie schapen van zilver, staande 2 en 1.
Het schild gedekt door een zilveren helm, getralied en gesierd van goud, gevoerd van keel, met dekkleden van zilver en keel. Helmteken: een uit een gouden korf komende vos van keel.
Schildhouders: rechts een leeuw en links een vos van natuurlijke kleuren.

8. DE RENTMEESTERS
De heerlijkheid, zegt Ermerins, 1 wordt waargenomen door een rentmeester, die in de vergaderingen van de heerschappen als secretaris fungeert. Hij verpacht de tienden, veren, dijken, visserijen en alles wat tot het domein behoort. Hij moet de besluiten notuleren en uitvoeren, de benoemingen van de functionarissen en lagere bedienden opmaken. In naam van de heren woont hij de afhoring bij van de polderrekeningen, de collegia qualificata (voor het beroepen van de predikanten), kortom, hij verschijnt overal, waar buiten de jaarvergadering de heren vertegenwoordigd moeten zijn. Hij alleen heeft de ontvangst en de uitgaaf van het gehele financieel beheer, zodat, zegt Ermerins schalks, het ambt van rentmeester altijd een even aanzienlijke als voordelige functie is geweest. Dit nog temeer, omdat aan het ambt ook het dijkgraafschap van alle polders verbonden was, en de rentmeester derhalve de grootste gage van het dijkbestuur ontving.
Het is zeer waarschijnlijk, dat er kort na de stichting van de ambachtsheerlijkheid al een rentmeester heeft gefungeerd. Voor de eerste maal wordt hij in een stuk van 1431 vermeld; 2 zijn naam is echter niet bekend. De volgende rentmeesters worden in chronologische orde besproken; naast de gegevens over de personen vindt men daar tevens de bijzonderheden over het ambt zelf.

1. Ydo Jacob zoon, (1481) - (1492?)
Hij wordt genoemd in een stuk van het jaar 1481. 3 Samen met de vertegenwoordigers van de graaf van Nassau regelde hij de paalscheiding tussen het land van Vossemeer en Steenbergen. Dat hij in deze zaak zelfstandig optrad, uiteraard op bevel van de heren, is een blijk van de grote bevoegdheden, die de rentmeester in deze tijd had. In 1492, toen er reeds een nieuwe rentmeester was benoemd, bleef Ydo Jacob zoon nog belast met bepaalde zaken, voornamelijk verband houdende met de geschillen, die de heren van Vossemeer met de kapittels van Bergen op Zoom en Tholen hadden. 4 Als er “nieuwigheden” opkwamen in het land van Vossemeer, zegt een resolutie laconiek, zal de rentmeester daar de “last” van hebben. 5

2. Pieter Ydo zoon, (1491) - (1493)
Van deze rentmeester zijn twee rekeningen bewaard gebleven. 6 Mogelijk is echter, dat hij langer gefungeerd heeft. Vermoedelijk was hij een zoon van de vorige rentmeester.

3. ? 1496 - (1499)
Een nieuw benoemde rentmeester, wiens naam niet bewaard is gebleven, legde in 1496 de eed af voor baljuw en schepenen. 7 Blijkens een resolutie van 1497 had hij er toezicht op te houden, dat de schepenen de inwoners recht verschaften. 8 Daar de rekeningen tussen 1493 en 1499 ontbreken, kan de tijd van zijn ambtsvervulling niet nauwkeuriger worden vastgesteld.

4. Michiel Pieterse, 1499 – 1510
In het jaar 1499 legde Michiel Pieterse de eed af als ontvanger en “uitgever”. 9 Hij beloofde alle renten te innen gelijk de vorige rentmeesters gedaan hadden. Die renten vervielen met Bamis (St. Bavo-mis d.i. 1 october) en Kerstmis. Van zijn geldelijk beheer zou hij tegen Pinksteren rekening afleggen. Hij mocht geen uitgaven doen zonder verlof van de “naast bijgezeten” heren; overigens zou hij alles doen wat een goed rentmeester behoort te doen, tot hij opgezegd zou worden door de heren. De volgende rentmeester legde in 1510 dezelfde eed af, doch ditmaal hadden de heren als eis gesteld, dat zijn geldelijk beheer door twee borgen gedekt zou worden. Michiel Pieterse fungeerde gedurende elf jaren. De laatste rekening, die van 1509/10, werd door zijn weduwe ingediend. 10

5. Cornelis Cornelis Pieters zoon, 1510 – 1525
Hij is in 1510 benoemd 11 en bekleedde het ambt tot 1525. 12 In deze tijd genoot de rentmeester een gage van 6 pond per jaar. 13 Om zijn goede diensten, voor de heerlijkheid verricht, kreeg Cornelis in 1513 zes gemeten land in de nieuwe polder van Schuddebeurs. 14 De gage was belachelijk laag; doch buiten dit vast inkomen had de rentmeester nog andere emolumenten, zodat hij toch aan een behoorlijk salaris kwam. In 1525 is de vaste gage tot 8 pond opgevoerd; 15 in 1532 zelfs tot 10 pond (60 gulden!). 16

6. Guido van Bloys, 1526
Deze rentmeester diende slechts één rekening in, 17 zodat het waarschijnlijk is, dat hij het ambt slechts tijdelijk heeft waargenomen.

7. Marinus Simon Anthonis zoon 1527 – 1529
Bij de benoeming in 1527 stelde diens vader Marinus Anthonis zoon zich borg, terwijl de zoon een schepenakte liet opmaken, dat hij zijn vader voor eventuele schade zou vrijwaren. 18 Hij fungeerde gedurende drie dienstjaren. 19

8. Anthonis Boudiins, 1530 – 1533
Van hem is enkel bekend, dat hij gedurende drie jaren rentmeester was. 20

9. Jan Jacobs zoon de Houwer, 1534 – 1535
In de rij van goede en voortreffelijke rentmeesters, die de ambachtsheerlijkheid over het algemeen heeft gehad, vormt deze het zwarte schaap. Toen hij één jaar het beheer had gevoerd, bleek zijn beleid niet goed te zijn geweest; hij werd dan ook niet langer gehandhaafd. In 1535 moesten de heren van Vossemeer een gerechtelijke actie tegen hem instellen, om de gelden los te krijgen, die hij de heerlijkheid nog schuldig was. Van particuliere zijde was een andere vordering op hem gedaan. 21

10. Jan Jans zoon, 1535 – 1560
Ondanks zijn simpele naam heeft de ambachtsheerlijkheid in Jan Jans een buitengewoon bekwame en actieve rentmeester gehad. Hij heeft de zaken beheerd in een zeer moeilijke tijd, toen politieke en godsdienstige troebelen alom de geesten in verwarring brachten. In zijn periode heeft het ambacht in veel opzichten met de rug tegen de muur gestaan. Het is aan zijn voorzichtig maar toch vasthoudend beleid te danken geweest, dat de heerlijkheid vrij goed door een kritieke tijd heen is gekomen. Het mag deze rentmeester dan ook van harte vergeven worden, dat hij in 1560 niet meer tevreden was met zijn eenvoudige en oer-Nederlandse naam, en dat hij zich toen Jan Janssen van Couwerffve noemde. 22 Hij overleed op 19 september 1583. Hij was gehuwd met Balbina Jacob van Bleyswijck, die op 28 october 1576 overleed. Hun grafsteen bevindt zich in de kerk van Tholen.

11. Mr. Jacob Pieters zoon van Gelre, 1560 – 1581
Deze rentmeester is in 1560 of 1561 benoemd. Vooral in deze tijd was het ambt geen sinecure. Dikwijls moest de rentmeester voor de heren op reis; de heerlijkheid had overal belangen, en als er moeilijkheden waren, konden die slechts door conferenties ter plaatse uit de weg worden geruimd. Er zou een boeiend verhaal geschreven kunnen worden van de reizen, die Mr. Jacob voor de heren heeft gedaan; blijkens de rekeningen bevond hij zich herhaaldelijk in Brussel, Mechelen en Antwerpen, waar hij zijn ziel in grote lijdzaamheid moest trachten te bezitten bij de eindeloze besprekingen met de advocaten en procureurs, die in drommen ingeschakeld moesten worden om iets bij de landsregering gedaan te krijgen. Laten wij hier één detail ophalen. In 1572 moest de rentmeester voor zaken naar Zierikzee. ‘s Morgens begaf hij zich naar St. Annaland, met de bedoeling daar een schip te nemen. 23 Doch door een groot “tempeest” was hij genoodzaakt er te blijven en op beter weer te wachten. Tegen de avond “cesseerde” de wind een weinig. Toen waagde hij de reis naar Nieuwerkerk. Pas de volgende morgen kon hij overvaren naar Zierikzee.
In 1575 vergunden de heren hem, dat hij de dijken van Vogelenzang en Kijkuit tot eigen profijt mocht beplanten. 24
Enige jaren nadien moesten de heren van Vossemeer fel voor hun rentmeester in de bres springen, toen hij door de rentmeester van Beoosterschelde in de gevangenis was gezet, om de betaling af te dwingen van bepaalde beden en schoten, van wier rechtmatigheid de heren niet overtuigd waren. De gijzeling werd weliswaar spoedig ongedaan gemaakt, doch de rentmeester van Beoosterschelde bleef dwingen en dreigen.

12. Dierck Heijnricxs zoon , 1581 – 1596
Deze is in 1581 tot rentmeester aangesteld na het overlijden van Mr. Jacob van Gelre. 25 Voor de eerste maal stelden de heren van Vossemeer een instructie op, volgens welke de rentmeester zich had te gedragen. Eén bepaling hiervan was, dat hij zijn rekening te doen had zonder resten of restanten. Dit wil zeggen, hij moest er voor zorgen, alles binnen te hebben wat in dat dienstjaar moest zijn betaald. Voorheen hadden de heren nogal last gehad met de resten, die de neiging hadden over te blijven staan, zodat men tenslotte zat met de resten van verschillende dienstjaren.
Dierck Heijnricxs genoot bekendheid als waterbouwkundige. In 1581 en 1582 was hij als gezworene in dienst van de stad Steenbergen, toen deze het werk van de heropening van de haven liet uitvoeren, die tengevolge van de bedijking van de Graaf-Hendrikpolder was gesloten. 26
In 1595 werd de rentmeester tevens als baljuw en dijkgraaf aangesteld. 27 In deze tijd is de cumulatie van de betrekkingen slechts een enkele keer voorgevallen; over het algemeen werd een afzonderlijke baljuw aangesteld, die tevens als dijkgraaf van de polders fungeerde. In de 18e eeuw was de functie van dijkgraaf aan het rentmeesterschap verbonden.

13. Hendric Dierxs zoon, 1597 – 1611
Aangesteld in 1597, werd hem in 1606 verlof gegeven, om een plaatsvervanger aan te stellen, doch op voorwaarde, dat hij op het eerste aanzeggen van de heren zijn ambt weer zou opnemen. 28 Zijn laatste rekening, die van 1610/11 is door zijn weduwe afgelegd.

14. Johan van Gelre, 1611 – 1613
Hij wordt in 1611 aangenomen als rentmeester en als secretaris van de heren. 29 Wat in de practijk waarschijnlijk al langer gewoon was, namelijk dat de rentmeester notuleerde en voor alle zaken de pen voerde, is ten overvloede nog eens vastgelegd. Hem werd bij zijn eerste aanstelling tevens opgedragen, “suffisante” borgen te stellen, zonder dat een som werd genoemd. Zijn laatste rekening die van 1612/13, werd namens zijn weduwe Maria Huijberts door een ander afgelegd. 30 Ook uit de benoeming van zijn opvolger blijkt, dat hij vóór de vergadering van juni 1613 overleden is.
Tussen 1613 en 1624 en 1625 tot 1628 ontbreken de rekeningen van de ambachtsheerlijkheid, zodat de lijst van de volgende rentmeesters tot 1628 niet absoluut zeker is.

15. Jacques Dallens, 1613 – 1624
In de vergadering van 1613 is Jacques Dallens benoemd. 31 Als de rentmeester voor het ambacht buiten de heerlijkheid dienst moet doen, besluiten de heren in 1615, mag hij door de baljuw een wagen en paarden laten vorderen. 32 In 1621 klaagde de rentmeester over zijn klein en sober tractement “voor het opbeuren en innen van zo grote sommen”. De heren kenden hem voor het vervolg de 20e penning toe van de ontvangsten. Bepaalde posten werden echter uitgezonderd, zoals de 5e penning van de verpachting van de dijkettingen, gorzen, tienden en molens. 33

16. Hendrik de Putter, 1624 – 1628
Aan de nieuwe rentmeester worden bepaalde gelden uit de tienden toegewezen op voorwaarde, dat hij zorg zal dragen voor het meten en karteren van de gorzen en dijkettingen, zonder daarvoor een aparte vergoeding te vragen. Op deze en andere bepalingen werd Hendrik de Putter in het jaar 1624 aangesteld. 34 Hij was in 1628 reeds overleden. 35

17. Hendrick de Roovere, 1628 – 1631
Een deel van de vroegere salarisverhoging hebben de heren van Vossemeer bij de benoeming van deze rentmeester in 1628 teruggenomen. 36 Nu vroegen zij voor het ambt een recognitie van 100 karolusguldens, die hij elk jaar als een post van ontvangst in zijn rekening moest verantwoorden. In feite was dit een verkoop van het ambt, ofschoon geen enkel stuk dit min of meer brute woord gebruikt; de bronnen spreken altijd van recognitie. De nieuwe rentmeester werd tevens gelast, het archief van zijn voorganger over te nemen. De Roovere was vóór de vergadering van juni 1631 reeds overleden. Zijn weduwe ontving nog enige betalingen van de ambachtsheerlijkheid voor uitgaven, die zij te doen had gehad in verband met de waarneming van het ambt door anderen, doch de heren beslisten meteen, dat zij dit nimmer meer voor de weduwe of erven van een rentmeester zouden doen. 37

18. Cornelis van Gelre, 1631 – 1655
Op de gewone recognitie en de gebruikelijke borgtocht werd Cornelis van Gelre in 1631 benoemd. 38 Vanwege zijn langdurige dienst verkreeg hij in 1642 kwijtschelding van de jaarlijkse recognitie. 39 Hij moest ze wel storten, doch hij mocht ze als een post van uitgaaf weer boeken. Dit was kennelijk bedoeld om de recognitie in de boeken te houden. Een merkwaardige zaak deed zich in 1649 voor. De rentmeester verzocht uit zijn ambt ontslagen te worden, doch de heren weigerden hem dit. Zij haalden hem over in zijn ambt te blijven en spiegelden hem voor, dat zij hem misschien wel ontslag zouden geven, indien hij hun een geschikte opvolger wist voor te stellen. 40 Sinds 1652 heeft Van Gelre geen dienst meer gedaan; enige jaren heeft Jacob Jacobse Faes het ambt waargenomen.

19. Jacob Jacobse Faas, (1652) 1655 – 1678
Na het overlijden van Cornelis van Gelre is Faas in 1655 op de voorwaarden van zijn voorganger benoemd. 41 De jaarlijkse recognitie werd terstond hersteld. Een nieuwe bepaling bij zijn aanstelling was, dat hij elk jaar “continuatie” moest vragen, d.w.z. de rentmeester werd van jaar tot jaar benoemd. Dit voorschrift is nadien tot 1861 gehandhaafd. In 1668 verkreeg de rentmeester acte van “survivance” voor zijn zoon Jacob Faas. 42 Dit hield de toezegging in van de heren, dat hij ingeval van het overlijden van zijn vader tot rentmeester benoemd zou worden.

20. Jacob Faas, 1675 – 1679
Naar het schrift in de resolutieboeken en rekeningen te oordelen, heeft Jacob Faas het ambt van 1675 tot 1678 bekleed. Zijn opvolger notuleerde al de vergadering van 1678; deze werd in 1679 benoemd. Van Jacob Faas is geen benoemingsbesluit te vinden, zodat het waarschijnlijk is, dat hij in 1675 zijn vader is opgevolgd uit kracht van de vroegere acte van survivance. Voor zijn optreden als rentmeester hebben de heren geen nieuwe benoeming nodig gevonden.

21. Marijnus vant Rosevelt 1679 – 1690
Na het overlijden van Jacob Faas werd Marijnus vant Rosevelt in 1679 benoemd “om zijn bekwaamheid en nuttigheid”. 43 Een strikte instructie is hem niet gegeven, doch in de bewoordingen van zijn benoemingsbesluit lagen nauwkeurige omlijnde opdrachten vast. Hij mocht zijn ambt aanvaarden “onder expresse stipulatie en beding, dat hij in alle delen de voordelen, profijten en voorrechten van de hoge heren naar uiterste vermogen moest waarnemen en betrachten”. Het ambt werd hem bij provisie verleend; tevens moest hij de jaarlijkse recognitie betalen. In 1687 verkreeg hij van de heren de toezegging, dat zijn zoon Hendricus van ’t Rosevelt hem zou opvolgen. 44 Marijnus heeft ook gefungeerd als burgemeester van Tholen. Hij overleed in 1710; de grafsteen van hem en zijn vrouw Johanna Poulier bevindt zich in de kerk van Tholen.

FAMILIE VAN ROSEVELT
Met Marijnus vant Rosevelt doet de familie van Rosevelt haar intrede in de ambachtsheerlijkheid. Het geslacht heeft aan Vossemeer enige rentmeesters geleverd; later zijn meerdere leden ervan ambachtsheer van Vossemeer geweest.
Het sterke vermoeden bestaat, dat de voorvader van Franklin Delano Roosevelt, tussen 1932 en 1944 president van de Verenigde Staten van Amerika, in de 17e eeuw van het eiland Tholen naar Amerika is geëmigreerd. Naar de juiste afstamming is een intensief onderzoek ingesteld, dat bij gebrek aan gegevens niet verder is gekomen dan enkele aannemelijke hypothesen. Volgens Amerikaanse gegevens, onder andere ontleend aan een familiebijbel, staat vast, dat de stamboom van president Roosevelt teruggaat op Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt, die met een schip van de West-Indische Compagnie in 1649 of 1650 in Amerika arriveerde. Hij huwde met Jannetje Thomas (of Samuels). De dopen van hun kinderen komen voor in de kerkelijke registers van Nieuw-Amsterdam (New York).
Het land tussen Tholen en Poortvliet

Het land tussen Tholen en Poortvliet, het oude Rosevelt, van welke toponiem de familienaam vermoedelijk is afgeleid. Foto: F. van Rosevelt U.S.A., 1967.

Het is niet gelukt in Nederland gegevens over deze Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt terug te vinden, hetgeen niet verwonderen moet als men bedenkt, dat de kerkelijke doop- en trouwboeken uit die tijd in Oud Vossemeer ontbreken, terwijl ook met de mogelijkheid rekening moet worden gehouden, dat Claes Maertenszoon in Amerika een andere naam heeft aangenomen.
In de 17e eeuw was onder de gemeente Tholen, in de Peuke- of 1500 Gemeten Polder, een boerderij gelegen met de naam “Het Rosevelt”, waarschijnlijk aldus genoemd naar de vele klaprozen, die er bloeiden. Daar woonde als eigenaar Pieter Jorisse, die kort vóór 22 februari 1647 overleed. Hij was gehuwd met Pieternella Marinusse. Hun dochter Tanneke huwde eerst met Marinus Janse Reuijer, later met Cornelis de Ronde. Tussen de laatst genoemde en een zekere Maarten Cornelisse Geldersman ontstond in 1652 onenigheid over de pacht van “Het Rosevelt”. Maerten Cornelisse Geldersman was een zoon van Cornelis Geldersman van Westkerke. Omstreeks 1647 bezat hij een huis of land te Oud Vossemeer; op 19 maart 1649 kocht hij bovendien de hoeve “Het Rosevelt”. Naar de gewoonte van die tijd heeft hij waarschijnlijk de naam aangenomen van de plaats, waar hij woonde, en noemde zich Maerten van ’t Rosevelt. Het is evenwel niet bewezen, dat hij een zoon Claes had, die rond 1650 naar Amerika vertrok. Maerten Cornelisse Geldersman ging in 1653 failliet; de historie zwijgt verder over hem. Overigens komt de toponiem “Rosevelt” op meerdere plaatsen in Zeeland voor. Als tweede hypothese is gesteld, dat de Amerikaanse Roosevelts afstammen van een zekere Klaas Gelderman. Deze vertrok ook in het midden van de 17e eeuw naar Amerika, maar is daar uitsluitend onder zijn werkelijke naam Geldersman bekend. Zijn afstamming is in Nederland niet terug te vinden; er blijkt niets van enig verband met Maerten Cornelisse Geldersman van Westkerke, die op de hoeve “Het Rosevelt” woonde.

Bezoek van Mevr. Roosevelt aan Oud Vossemeer in 1950

Bezoek van Mevr. Roosevelt aan Oud Vossemeer in 1950

De derde hypothese is, dat de gezochte Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt voorkomt uit de Rosevelt-tak, die zich in Oud Vossemeer vestigde. Tanneke, dochter van Pieter Jorisse, had een broer, die de naam “op ’t Rosevelt” aannam, en op 6 januari 1648 de eigendom verkreeg van een boerderij onder Oud Vossemeer. Vermoedelijk is hij Marijnus vant Rosevelt, die tussen 1679 en 1690 als rentmeester van de ambachtsheerlijkheid fungeerde. Hij werd de stamvader van de Roseveltfamilie, die in Oud Vossemeer spoedig belangrijke functies te vervullen kreeg. Zijn zoon Marinus, in 1679 geboren, was later notaris en gemeenteontvanger. Zijn andere zoon Hendricus volgde hem als rentmeester van de ambachtsheerlijkheid op; deze werd in 1707 door zijn broer Pieter opgevolgd.
Al is Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt in deze tak ook niet te vinden, dan bestaat wel de mogelijkheid, dat hij een broer van Marijnus van ’t Rosevelt was. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in de naam van Marijnus en in de vadersnaam van Claes Maertens, wat zou kunnen wijzen op de naam Maerten van hun vader. Een zoon van de rentmeester, waarschijnlijk de oudste, heette ook Marinus; de oudste zoon werd meestal naar zijn grootvader van vaders kant genoemd. Het blijven slechts gissingen, zolang de juiste afkomst van de stamvader der Amerikaanse Roosevelts niet vaststaat.
In Oud Vossemeer zijn nog enige overblijfselen van de familie te vinden. Men zegt, dat het herenhuis “Huize Rosevelt” op de plaats staat, waar vroeger de boerderij van een Rosevelt gelegen was. Enkele wapenschilden bevinden zich nog in de hal. De juistheid van deze traditie is echter aanvechtbaar.
In het schoorsteenstuk van de rechtszaal van het ambachtsherenhuis bevindt zich het wapen van Mr. Johan Willem van Rosevelt, die ten tijde van de bouw van het huis (1767 - 1771) ambachtsheer was. Dit wapen vertoont enige overeenkomst met het familiewapen der Amerikaanse Roosevelts; tussen beide wapens zijn overigens belangrijke afwijkingen. In de hal van het ambachtsherenhuis bevindt zich de eerste steen, gelegd door Johannes Isebree, echtgenoot van Catharina van Roosevelt.In de Ned. Herv. kerk van Oud Vossemeer is een lichtkroon aanwezig met het opschrift: “Johannes van Rosevelt, in leven schoolmeester te Scherpenisse, zoon van wijlen Pieter van Rosevelt, in leven schoolmeester en koster te Oud Vossemeer, offreert dit aan en ten geschenke van deze kerk; sterft den 26 october 1787”.
Het zilveren doopbekken in dezelfde kerk is in 1761 door Johanna Ermina van Rosevelt geschonken ter nagedachtenis van haar man Mr. D.P. Recxstoot, heer van Vossemeer, schepen van de stad Tholen, bewindhebber van de Westindische Compagnie ter kamer van Zeeland, enige zoon van Mr. Johan Pieter Recxstoot, burgemeester en raad van Tholen, daarna raadspensionaris van Zeeland.
Uit de familie van Rosevelt zijn ambachtsheer van Vossemeer geweest:

Johanna Maria Rosevelt ? – 1705
Pieter van Rosevelt 1730 – 1731
Johanna Hermina Rosevelt 1731 – 1755
Mr. Johan Willem van Rosevelt 1731 – 1790
Catharina Elisabeth van Rosevelt 1743 – 1754
Maria Hermina van Rosevelt 1792 – 1824

In 1950 bracht Mevr. Anne Eleanor Roosevelt, weduwe van de president, een bezoek aan Nederland en aan Hare Majesteit op paleis Soestdijk. Van deze gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt om, vergezeld van haar zoon Elliot, twee kleinkinderen en de Amerikaanse ambassadeur op 20 juni Oud Vossemeer met een bezoek te vereren. Met een diep respect, doch ook met enige trots is zij er ontvangen door het gemeentebestuur van Oud Vossemeer en door de raad van beheer van de ambachtsheerlijkheid. Met veel interesse bezichtigde zij het “Huize Rosevelt” en het ambachtsherenhuis. Zij maakte kennis met plm. 50 Nederlandse naamgenoten, voor het merendeel afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen.

22. Hendricus van ’t Rosevelt, 1690 - 1706
Tijdens de vergadering van 1690, nog door zijn vader genotuleerd, werd hij tot rentmeester benoemd. 45 Uit dezelfde resolutie blijkt, dat Marijnus van ’t Rosevelt bij zijn indiensttreding een som van 200 pond Vlaams had betaald, waardoor hij voor zichzelf en zijn zoon gedurende hun leven kwijtschelding van de jaarlijkse recognitie had verkregen.
In werkelijkheid had hij het ambt gekocht, al wordt in de rekening door een boekhoudkundig foefje een andere bestemming of aanleiding voor die 200 pond gegeven. Deze rentmeester kreeg later opdracht, zoveel mogelijk op alle bod- en rechtdagen aanwezig te zijn om toe te zien, dat niemand ongelijk of “onjustitie” geschiedde. 46

Mr. Hendrik van Rosevelt, rentmeester van Vossemeer

Mr. Hendrik van Rosevelt, rentmeester van Vossemeer, later secretaris van Rotterdam, 1670 - 1728. Foto: Iconografisch bureau.

23. Pieter van ’t Rosevelt, 1707 – 1732
Hendrik van ’t Rosevelt vroeg in 1707 ontslag en stelde zijn broer Pieter als opvolger voor. 47 De heren benoemden hem op dezelfde voorwaarden en emolumenten. Hij moest elk jaar ciering (bestek en begroting) opmaken van alles wat er te herstellen was. 48 Ook werd hem opgedragen een inventaris op te maken en bij te houden van alle charters en stukken. 49 Deze rentmeester stelde in 1730 de heren voor een geheel nieuw probleem. 50 Hij had een 24e aandeel in de heerlijkheid aangekocht en vroeg als ambachtsheer te worden toegelaten. De aanwezige heren stemden in zijn toelating toe, doch vroegen zich wel af, of deze functie te verenigen was met het rentmeesterschap. Hierover zou de mening van de andere heren gevraagd worden. Voordat het tot een principiële uitspraak kwam, overleed Pieter van ’t Rosevelt.

24. Nicolaas van Diest, 1732
In 1732 werd Nicolaas van Diest benoemd. 51 Hij had tot dan toe als secretaris van Vossemeer gefungeerd, van welk ambt hij afstand deed. Er werd een uitvoerige instructie opgesteld. Zijn vast salaris bedroeg 5 procent van de ontvangsten; daarnaast kreeg hij nog procenten van verschillende posten van inkomst; bovendien was hem de vrije jacht in Vossemeer toegestaan. Van Diest heeft maar kort van zijn ambt geprofiteerd; hij is zelfs niet aan het afleggen van zijn eerste rekening toegekomen.

25. Mr. Jan Willem van Rosevelt, 1733 – 1746
Deze is in 1733 aangesteld, op dezelfde voorwaarden en instructies als zijn voorganger. 52 Hij werd in 1746 benoemd tot gecommitteerde raad der Staten van Zeeland; als rentmeester van Vossemeer nam hij ontslag, wijl hij beide functies niet kon blijven uitoefenen. Bij zijn ontslagaanvrage verzocht hij tevens om terugbetaling van de recognitie van fl. 10.000,- die hij voor het ambt betaald had. Merkwaardigerwijs is hiervan niets te vinden bij zijn aanstelling. Het verzoek om ontslag werd toegestaan. 53 De kwestie van de terugbetaling der recognitie werd door de nieuwe rentmeester geregeld; hij nam op zich deze aan Van Rosevelt terug te betalen.

26. Gerrit ten Hage, 1746 – 1756
Bij diens aanstelling is een geheel nieuw financieel accoord gemaakt tussen de heren en de rentmeester. 54 Vooreerst moest hij aan de vorige rentmeester terstond de fl. 10.000,- recognitie terugbetalen. Als ontvangloon zou hij de eerste 10 jaren 1000 gulden per jaar genieten; daarnaast werden de andere gebruikelijke procenten van bepaalde posten vastgesteld. Mocht hij binnen 5 jaren overlijden, dan zouden de heren aan de erfgenamen 500 gulden uitkeren; daarna 3000 gulden. Na tien jaren zou het ambt aan de heren terugvallen; dan kon Ten Hage het verder vervullen, indien hij wilde, tegen het vroegere ontvangloon van 5 procent der inkomsten. Verder besloten de heren, dat na het overlijden van Ten Hage het rentmeesterschap niet meer verkocht zou worden “op een recognitie in gelde, te verdelen bij de respectieve heren ten tijde der begevinge tegenwoordig zijnde, gelijk nu sedert vele jaren is geschied”, maar uitsluitend tegen een jaarlijks ontvangloon. Het verkopen van het ambt schijnt derhalve niet de gehele ambachtsheerlijkheid ten goede te zijn gekomen, doch enkel de aanwezigen of de stemgerechtigde leden. De koopsommen treft men dan ook niet in de rekeningen aan. Toen de termijn van tien jaren verstrijken zou, benoemden de heren een commissie uit hun midden, om een voorstel te doen, op welke voorwaarden zij het ambt verder moesten verlenen. 55 Gerrit Ten Hage had laten weten, dat hij wel genegen was tegen een behoorlijke gage aan te blijven. Doch vóórdat de beslissing viel, werd hij in de magistraat van Tholen benoemd. Hij gaf daarom te kennen, dat hij tegen de terugbetaling van zijn recognitie het ambt zou laten schieten. De heren kenden hem een schadeloosstelling toe van 6.000 gulden. Gerrit Ten Hage had gedurende zijn rentmeesterschap zijn licht wél opgestoken. In 1759 kocht hij een aandeel in de heerlijkheid aan.

Korte of 2 mijten, 1544.

Korte of 2 mijten, 1544.

27. Adriaan Catshoek, 1756 – 1793
In 1756 werd Adriaan Catshoek benoemd, die als eerste opdracht kreeg persoonlijk de 6000 gulden aan Ten Hage uit te keren. 56 Bovendien moest hij in zijn eerste rekening een post van 2600 gulden (zonder ontvang!) opnemen als een recognitie, om deze met 400 gulden uit de kas te bestemmen als koopsom van de tienden van wijlen Johan Jacob van Vrijberghe. Het is wel waar, zeggen de heren in dezelfde resolutie, dat wij besloten hebben het ambt niet meer te verkopen, doch in dit geval was er in verband met de terugbetaling aan Ten Hage niet aan te ontkomen; in de toekomst zal het niet meer gebeuren. De nieuwe instructie was zo uitvoerig en gedetailleerd uitgewerkt, dat zij vele bladzijden in het resolutieboek vult. In 1770 is de rentmeester tevens tot baljuw en dijkgraaf aangesteld. 57 Daar hij al lang ziek was, vroeg Catshoek in 1780 om zijn zoon Marijnus Anthony als zijn adjunct te mogen nemen. 58 De heren stonden dit toe, op voorwaarde, dat het voor zijn eigen rekening geschiedde. Uit hetzelfde jaar dagtekent een acte van borgtocht, voor Adriaan Catshoek gesteld door Jacob Hendrik Verkouteren te Geertruidenberg. 59 In 1785 mocht de rentmeester zijn zoon Willem Pieter als adjunct nemen, 60 voor wie hij in 1788 de toezegging verkreeg, dat deze hem zou opvolgen. 61 De nieuwe rentmeester zou een jaarlijkse recognitie van 83 pond Vlaams te betalen hebben en zich moeten gedragen naar de instructie van 1756. Adriaan Catshoek is op 23 januari 1794 overleden.

28. Willem Pieter Catshoek, 1794 – 1826
De zoon van de vorige rentmeester is in de vergadering van 1794 benoemd. 62 Voor schepenen van Vossemeer werd een acte van borgtocht gepasseerd door Levinus Catshoek, predikant te Scherpenisse, en Jacob Hendrik Verkouteren, secretaris van Geertruidenberg. 63
In 1805 vroeg hij aan de heren in Bergen op Zoom te mogen wonen. 64 Het was altijd gebruik geweest, dikwijls door de heren zelfs uitdrukkelijk verlangd, dat de rentmeester in Oud Vossemeer woonde. Catshoek was ziekelijk. Hij had veel dokters geraadpleegd, “die na het (schoon vruchteloos) toedienen van een enorme quantiteit geneesmiddelen” hem eindelijk eenparig verklaard hadden, dat hij verandering van grond en lucht nodig had. De man zag zijn toestand zeer donker in; op de vergadering nam hij alvast afscheid van de heren. Hij heeft nog ruim 20 jaren geleefd! Blijkens een later gegeven leed hij aan een podraga (jicht).
Des te groter is onze bewondering voor deze rentmeester. Hij heeft, in een tijd van omwenteling en revolutie, de ambachtsheerlijkheid voortreffelijk gediend. Meermalen is hij tactisch doch zeer resoluut opgetreden tegen al te ver gaande eisen en bedreigingen van de “revolutionairen”.
In 1811 klaagde hij bij de heren, dat zijn inkomsten sterk achteruit waren gegaan. 65 Hij vroeg ontheffing van de jaarlijkse recognitie van 83 pond. Dit werd hem toegestaan, terwijl zij voor het vervolg van 500 op 200 gulden per jaar zou worden teruggebracht. 66 In 1817 blijkt de ambachtsheerlijkheid zo “vernederlandst” te zijn, dat de heren hem opdroegen zijn rekening voortaan in guldens te stellen in plaats van ponden, schellingen en groten Vlaams. 67
Catshoek vroeg in 1820 zijn zoon Willem Plevier als adjunct te mogen nemen. 68 Dit werd eerst aangehouden, doch in 1821 toegestaan. De adjunct moest echter elk jaar continuatie vragen en de heren wilden zich beslist niet binden tot een volgende benoeming. 69 Kort tevoren had de rentmeester een ongeluk gehad, zodat het hem vrijwel onmogelijk was, het ambt persoonlijk waar te nemen. In 1824 diende hij een uitvoerige memorie in over zijn salaris. Door allerlei omstandigheden, niet in het minst door de veranderingen in de staat van de ambachtsheerlijkheid, was zijn inkomen na 1810 aanzienlijk gedaald. Aan de hand van zijn berekeningen stelde Catshoek een vast salaris voor van 1900 gulden, wat gezien zijn becijferingen een redelijk en zelfs laag gemiddelde was. De heren besloten evenwel zijn gage op de oude voet te laten. Wel stonden zij hem tot 1830 de kwijtschelding van de jaarlijkse recognitie toe. 70 Catshoek overleed in 1827.

29. Willem Plevier Catshoek, 1827 – 1839
In de vergadering van 11 juni 1827 werd Willem Plevier Catshoek, die het ambt reeds enige maanden zelfstandig had waargenomen, definitief benoemd. 71 Een nieuwe instructie werd vastgesteld, waarin het accent tengevolge van de veranderde omstandigheden kwam te liggen op het goede beheer van de nog overgebleven rechten en eigendommen. Als salaris zou hij 5 procent van de ontvangsten genieten. Blijkens de nieuwe instructie moest de rentmeester in Oud Vossemeer wonen of in een dicht daarbij gelegen plaats. Het oude stringente voorschrift van het wonen te Oud Vossemeer werd nu wat soepeler gehanteerd. In 1834 is zijn borgtocht vastgesteld op fl. 10.000,- 72 die de rentmeester als een hypothecair verband op zijn hoeve te Maire op Zuid Beveland vestigde. 73 Willem Plevier Catshoek overleed op 22 october 1839.

30. Willem Johannes van Voorst Catshoek, 1840 – 1861
De raad van beheer droeg in 1839 het ambt voorlopig op aan Willem Johannes van Voorst Catshoek, secretaris van de stad Tholen. 74 In 1840 werd hij voor één jaar benoemd. 75 Daarna is hij elk jaar herbenoemd, tot de vergadering hem in 1860 oplegde een borgtocht van fl. 20.000,- te stellen. 76 Waarschijnlijk hield dit verband met een in het vooruitzicht gestelde vaste aanstelling. Sedert 1858 was deze rentmeester door reumatische koortsen gekweld. Hij had zonder veel resultaat de baden te Wiesbaden bezocht. Op 18 november 1860 had hij bovendien een ernstig ongeluk gehad, zodat hij sindsdien niets meer kon doen zonder hulp van anderen. Vanaf die dag heeft Jhr. F.Ch. de Casembroot het ambt waargenomen. In 1861 vroeg van Voorst Catshoek voor het leven benoemd te worden; in de gegeven omstandigheden gevoelde de vergadering daar niet veel voor. 78 De dag na de vergadering nam de rentmeester ontslag. Voordat de bijeengeroepen buitengewone vergadering van 7 october plaats vond, overleed hij op 4 october 1861. Deze ziekelijke en gebrekkige man is een der beste rentmeesters geweest, die de ambachtsheerlijkheid heeft gehad. Zijn financieel beheer getuigt van een grote accuratesse. Zijn rekeningen, uitgebracht aan de “Edele Hoge Heerschappen van Oud en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe”, staan in een klaar schoonschrift gesteld. Ook aan zijn andere stukken kan men zien, dat de man zijn ambt niet als een taak of als een last heeft opgevat, doch dat hij er een persoonlijk plezier en bevrediging in gevonden heeft. Zijn grootste verdienste echter ligt in de bedijkingen, de cultivatie en het beheer van de Hollarepolder. Zonder de toenmalige heren tekort te doen, mag toch gezegd worden, dat deze polder voor een zeer groot deel zijn werk is. Tot de inpoldering heeft hij de voornaamste stoot gegeven. Toen de dijkage voltooid was en Van Voorst Catshoek tot beheerder was aangesteld, heeft hij zich doen kennen als een uitstekend landbouwdeskundige, die de nieuwe polder tot grote bloei heeft weten te brengen.

31. Jhr. Francois Charles de Casembroot, 1860 – 1872
Vóór de benoeming hield de vergadering zich uitvoerig bezig met de vraag, of een ambachtsheer tot rentmeester benoemd kon worden. Sommigen meenden van wél; doch de meerderheid was er sterk tegen gekant, zelfs als de heer zijn aandelen verkocht of ze tegen taxatie aan de heren overdroeg. Het zou onnodige complicaties geven, meende men, als een voorheen gelijkwaardige aandeelhouder nu in een ondergeschikte positie kwam. Dan zouden de juiste verhoudingen gemakkelijk in het gedrang komen. Deze discussie toont aan, dat één van de ambachtsheren het ambt geambieerd heeft; zijn naam is niet genoemd.

Bijgevolg werd Jhr. de Casembroot aangesteld op een borgtocht van fl. 20.000,- 79 De heren droegen hem tevens voor ter benoeming als beheerder van de Hollarepolder. Enkele jaren na zijn aanstelling werd hem verlof gegeven het rentmeesterschap van het kroondomein aan te nemen. 80Tijdens zijn rentmeesterschap werd de ambachtsheerlijkheid omgezet in een zedelijk lichaam. Ingevolge de nieuwe opzet is een nieuwe instructie voor de rentmeester vastgesteld. De Casembroot vroeg ontslag op 10 januari 1872. 81

32. Jhr. Samuël Otto de Casembroot, 1872 – 1878
Deze, een zoon van de voorgaande, was candidaat-notaris. Voor zijn benoeming nam de vergadering het besluit, dat de betrekkingen van rentmeester en notaris onverenigbaar waren. 82 Bij een eventuele benoeming tot notaris zou de nieuwe rentmeester moeten bedanken. Zover is het niet gekomen, daar de nieuwe rentmeester al op 6 juni 1878 overleed.

33. Adriaan de Graaff, 1879 – 1886
De gemeentesecretaris van Oud Vossemeer, in 1821 aldaar geboren, die voorheen kruidenier en winkelier was geweest, fungeerde in de vergadering van 1878 als waarnemend rentmeester. 83 Als gemeentesecretaris had hij zich bezig gehouden met het archief van de ambachtsheerlijkheid, weshalve hij de vergadering van de heren in 1879 als archivaris notuleerde. 84 In deze vergadering werd hij tijdelijk met het rentmeesterschap belast. In 1880 werd zijn waarneming bevestigd. 85 Het volgend jaar werd hij uit voordracht van twee personen als rentmeester aangesteld. 86 Hij overleed op 10 november 1886 en is door zijn zoon opgevolgd. Tot 1962 toe is het rentmeesterschap in de familie De Graaff gebleven.

34. Gerrit Johannis de Graaff, 1886 – 1911
De zoon van de voorgaande rentmeester was vanaf november 1886 met de waarneming belast, en werd in 1887 benoemd. 87 Hij kreeg tevens verlof zijn andere betrekkingen te blijven uitoefenen, namelijk: secretaris van Oud Vossemeer, ontvanger-griffier van het waterschap van Oud Vossemeer, secretaris-ontvanger van de calamiteuze polder van Scherpenisse, dijkgraaf van de Van Haaftenpolder en de Sluispolder, en rentmeester van freule Van der Heim. Hij had de heren toegezegd afstand te doen van de posten van brievengaarder en telefoonkantoorhouder.
Hij overleed op 24 october 1911 . Aanvankelijk was J.H. de Graaff uit Rotterdam met de waarneming van het ambt belast. Deze berichtte echter in januari 1912, dat hij van de waarneming wilde afzien, omdat hij tegen zijn verwachting niet tot gemeentesecretaris van Oud Vossemeer was benoemd, waarna de broer van de overleden rentmeester met de waarneming werd belast, die deze trouwens al voor zijn neef had gedaan. 88

35. Jacob Marinus de Graaff, 1911 – 1921
Sinds november 1911 heeft de broer van de vorige rentmeester het ambt waargenomen. Hij is in de vergadering van 1912 aangesteld op een borgtocht van fl. 8000,-. 89 Per 1 juli 1921 heeft hij om gezondheidsredenen ontslag genomen. 90 Hij is opgevolgd door zijn zoon.

36. Gerrit Willem Jacobus de Graaff, 1921 – 1962
Reeds jaren vóór 1921 hielp hij zijn ziekelijke vader in het rentmeesterschap. De vergadering stelde zoveel vertrouwen in hem, dat zij hem in 1921 ondanks zijn jeugdige leeftijd tot rentmeester aanstelde. Hij fungeerde tevens als ontvanger-griffier van het waterschap van Oud Vossemeer, welke functie de heren hem toestonden te blijven vervullen.
Nadat hij het ambt meer dan 40 jaren had bediend, overleed hij na een korte ziekte op 31 maart 1962. Zijn verdiensten zijn door de voorzitter van de raad van beheer kernachtig samengevat in deze woorden uit de vergadering van 1962: “Gedurende zijn rentmeesterschap is hij van onschatbare waarde geweest voor de ambachtsheerlijkheid. Hij oefende zijn functie met hart en ziel uit; werkte zich in alle voorkomende kwesties intensief in en wist, steunend op zijn rijke en lange ervaring, steeds een antwoord te geven op vragen, die in en buiten de vergadering door de ambachtsheren werden gesteld”. Het zou een manco zijn niet te vermelden, met welk een zorg deze rentmeester het archief van de ambachtsheerlijkheid heeft omringd. Uiteraard had hij de tijd en de opleiding niet, om er zich intensief mee bezig te houden, doch hij heeft het gekoesterd en bewaakt als een onvervangbare schat.

37. Willem Jan van Doorn, vanaf 1962
In de vergadering van 1962 is W.J. van Doorn, burgemeester van Poortvliet, tot rentmeester benoemd. 91

9 DE OUDSTE REKENING
De oudst bewaarde rekening is die van 1491/92. In zeker opzicht kan een domeinrekening beschouwd worden als het jaarverslag van een heerlijkheid. Zij bevat een opgave van de eigendommen en de rechten; een opsomming der belangrijke zaken, in het dienstjaar voorgevallen; in haar details geeft zij een meestal zeer betrouwbare momentopname van de stand der heerlijkheid. In historisch opzicht zijn de rekeningen bijzonder waardevol, omdat zij een boekhoudkundige verantwoording ten doel hebben, waar enkel de nuchtere feiten en cijfers tellen, en in tegenstelling tot oorkonden en brieven vrijwel nooit de vraag behoeft te worgen gesteld, of de samensteller misschien gechargeerd heeft. Mogelijk heeft hij zijn posten en declaraties opgetrokken, doch dat interesseert de historicus niet! Daar de rekening voor intern gebruik was bestemd, geeft zij dikwijls inlichtingen over achtergronden van feiten, die uit de andere stukken niet te voorschijn komen.
In 1491 bestond de heerlijkheid 80 jaren. Zij was echter tussen 1450 en 1460 pas goed van de grond gekomen. Na 1450 immers is de Kerkpolder bedijkt en het dorp Oud Vossemeer gesticht. Het beheer van de eerste dijkage, de Oud Vossemeerse Polder, waar voor 1450 hoogstens enige hoeven met een minimale bevolking zijn gesticht, kan de heerlijkheid niet veel allure gegeven hebben. De Oud Vossemeerse Polder alleen zal de heren in financieel opzicht niet veel hebben opgebracht. In 1491 had de heerlijkheid een veel grotere omvang gekregen. In de rekening staan de korentienden vermeld van het gehele grondgebied, dat toen bestond uit de polders: Kerkpolder, Slabbecorn, Oud Kijkuit, Leguit, Karnemelkland, Onze Lieve Vrouwepolder en Nieuw Kijkuit. De laatste polder was de eerste landaanwinning aan de overzijde van het water. Zelfs na deze aanzienlijke uitbreiding van de heerlijkheid beliep in 1491/92 de totale ontvangst slechts ruim 234 pond (d.i. plm. 1204 gulden). Daartegenover stond een kleinere som aan uitgaven, zodat er een batig saldo werd bereikt van ruim 92 pond, dat voor elk zesdedeel een uitkering van ruim 90 gulden betekende. Indien men voor de waardering van dat bedrag de zeker niet overdreven vermenigvuldigingsfactor 10 aanlegt, komt men op een inkomen voor elke heer van plm. 1000 gulden, gesteld dan dat hij een zesdedeel bezat. Dit kan men moeilijk als onredelijk beschouwen. Het is dan ook duidelijk, dat geen heer enkel van Vossemeer heeft moeten leven.
De credithelft van de rekening behoeft weinig toelichting. De heren hadden inkomsten uit: de verpachting van de dijken; de verhuur van enige gorzen; de lammertiende; de visserij; de korentienden; de molen; de moernering en enige restanten van een vorig dienstjaar. Op te merken is, dat in de Oud Vossemeerse Polder geen tienden geheven werden, althans niet voor gezamenlijke rekening. Overigens blijkt, dat de heren in 1491 nog niet waren overgegaan tot het uitoefenen van al hun rechten, in de twee uitgiftebrieven vermeld. Men vindt dan nog geen veergeld, geen cijnsen of erfpachtsommen, geen jacht of andere zaken, waaruit zij later wel inkomsten plukten.
De uitgaven vertonen een mengelmoes van betalingen voor diverse doeleinden: van een fooi voor iemand uit de curie van Rome tot enkele ijzeren banden voor de molen. Of als men dit onvergelijkbare grootheden vindt: van de schilder Hendrik van Delft tot de glazenier van Tholen. Die bonte en dikwijls verrassende mengeling van allerhande zaken, soms naar ons gevoelen naïef toegelicht, is trouwens de charme van oude rekeningen; bij elke lezing ontdekt men nieuwe details.
Een groot aantal posten houdt direct of zijdelings verband met de processen, die de heren van Vossemeer op dit tijdstip te voeren hadden tegen de kapittels van Bergen op Zoom en Tholen inzake de tienden. De rentmeester vermeldt het afzetten van de baljuw, verschillende vergaderingen van de heerschappen; de schutter en de bode; de vernieuwing van de molen; de schepenen; de koster. De heerlijkheid was in haar bestuur en haar rechten stevig gevestigd. Het gehele beeld van de rekening toont echter ook aan, dat in 1491 het land van Vossemeer een bescheiden bestaan had.

PINXTEREN ANNO (14)92.
Rekeninge der heerscippen van Vossemare van haar heerlycheyt.

Folio 1
Rekeninge der heerscippen van Vossemare van haer heerlicheijt
te weten: dijcken, gorssen. visserien, vlettingen, 1 verschenen
te bamisse 2 Ao XCI, ende van haren tijende verschenen
te kermjsse Anno vors., uijt de Hicke ende Kyckuyt over ’t water,
verschenen deen helft te bamisse ende dander helft te pase daer
an Anno XIJ, daer die rekeninge aff ghedaen
watet bij mij Pieter Ydo zone als rentmeester van den vorseiden
heerscippen te pinxteren Anno XCIJ etc
.
Eerst ’t ontvanc van de dijcken
den dijck van den Dalemse Polder totten Nyewelantse dijck
toue 4 hieft 5 Everden Symons om 2 p. 3 sch.
den dijck ant Nyewelant totten Cruyswech toue van Vossemare
hieft Thoon Mathijs zoon om 2 p. 5 sch.
den dijck vande Cruyswech tot die Puyt toue hieft
Pier Gillis zoon om 18 sch. 4 pen.

Folio 1v
den dijck andie Puyt tot die Kerke wech toue hieft
Pier Jan Joris zoon om 20 sch. 3 pen.
den dijck van die Kerke wech tot die Puddicke toue hieft
Come Jan Brant om 23 sch.
den dijck an die Puddick hieft
Pieter Gheene om 37 sch. 3 gr.
den dijck an die 1500 gemeten tot Jacob Hugezoon wech
toe hieft Jacop Jan Dancke om 23 sch.
den dijck van Jacop Huge zoon wech totten Roelande
toe hieft Cornelis Mathijs zoon om 20 sch.
den dijck ant Roelant van de 1500 gemeten tot die Vossemare
wech toe hieft Dacke van Dreijsser om 13 sch.

Folio 2
den dijck van den Vossemarse wech totten Brouck toe
hieft Willem Pier Mens zoon om 24 sch.
den dijck an den Dalemse Polder, van der Sellinge
ingaende tot Lem Hartsens wech toe hieft Jan
Mijnkitt om 26 sch.
van de weghe vorseit alsoe verre als Slabbecorne gaet hieft Adriaen
Cornelis zoon om 35 sch. 6 pen.
van Slabbecorne tot int cromme van den dijcke toe hieft Dieric Lenderts
zoom om 14 sch. 6 pen.
vant cromme van den dijcke tot Cornelis Janssens dreve
toe hieft Willem de Backer om 16 sche
van Cornelis Janssens zoon dreve tot die Kerkepoldersen dijck toe hieft
Huge die Brouwer om 30 sch. 6 pen.

Folio 2v
van die Kerkepoldersen dijck tot die mole toe
hieft Pier de Heerde om 2 p. 4 sch. 3 pen.
van die mole streckende tot den Ham toe hieft
Jan Pierssen Beel om 25 sch.
van den Ham vorseid streckende tot Jacop Floris zoon
werff 5 toe hieft Jacop Huge zoon vander Tonge
om 26 sch. 4 pen.
den dijck van achter den werff vorseid totten Brouck toe hieft Reijn
Pierssen om 28 st.
dat endekijn 6 dijcks tussen den Brouck ende die
Kerkepolder hieft Cornelis Lenis zoon om 12 sch. 12 pen.
van den Brouck in ten eerste wege toe hieft
Pier Pier Meussen om 12 st. 11 gr.

Folio 3
van den vorseiden weck totten die wech die benorden
der kercken loopt hieft Cornelis Flore om 14 sch.
van den vorseiden wech tot Jacop Tonis zoon
ooslope 7 toe van sijnen huse hieft Cornelis
Symonsen om 12 sch.
van den vorseiden ooslope van den huse totten
dijck van Sugwt toe hieft Jacob Tonis zoon om 13 sch. 1 pen.
van den vorseiden dijck totten dijck van Ouwe Vossemar 8
toe hieft Jacop Symonssen om. 14 sch. 7 gr.
van den dijck an Cleijn Vossemaar 9 totter sluijs van Kykwt
toe hieft Jacops zoon om 23 sch.
den dijck van der Kijkwtse sluijs tot Antonis
Janssen van Wyssenkerke lant toe hieft
Jan Cornelis zoon Lutse om 22 sch.

Folio 3v
Van Anthonis Janssens zoon lande vorseid om die
Kerkepoldersen dijck toe hieft Gobbe Cornelis
zoon om 16 sch. 2 pen.
den zeedic van Legwt tot Anthonis Janssens lande
toe hieft Jan Cornelis zoon Luetse om 13 sch. 6 pen.
van Anthonis Janssens lande tot an die Kerkepoldersen
dijck toe hieft Adriaen Jacops zoon om 17 sch.
den dijck van der Hicke 10 hieft Jan Gertsens
weduwij om 30 sch.
dat endekijn dijck tussen die Kerkepolder ende
Vrijberghe toe hieft Lem Pier Pier Huge om 9 sch.
den dijck van Kijkwt over ’t water 11 en is dit jaer
nijet verhuert gheweest
Somma alle die dijcken die vorseid
staan belopen in gelde 36 p. 12 sch. 6 pen.

Folio 4
Die wtergorssen 12 van Vossemare
Tgors van der Heije hieft in hure Lam Mijchielsen
de Visser sonder die lamtijende om 20 p. 5 sch.
en is dat eerste jaer van der hure daer om hier 20 p. 5 sch.
Tgors van der Plate hieft in hure Gloris Thoon Glorie, ende is dat 5e
jaer vander hure daer om hier 15 p.
Somma die wtergorssen in Vossemare bedragen
35 p. 6 sch.
Die lamtijende 13 in Vossemare hieft dit jaer ghehadt
Helmic van Dornic stic 13a voer 12 pen., ende daer isser
gheweist 56 lammeren facit 2 p. 16 sch.
Somma die lamtijende in Vossemare
bedraghet 2 p. 16 sch.

Folio 4v
Die visserie van Vossemare
die Ghemeen Weije 14 hieft Jacop Mathis zoon
Kappert om 7 p. 4 sch. 8 pen.
Hellinc Vliet 15 hieft Jacop vorseit om 6 p. 15 sch. 4 pen.
Lijsendijck 16 ende Kackkers 17 hieft
Cornelis Mechelaerssen om 2 p. 8 sch.
die Kerkamer 18 mijt tegene dat van ’t landekijn 19 buten
den dijck van den Nyewelandekijn ghebleiven is
hieft Comeja de Visser om 35 sch. 7 gr.
die visserie om de sluijs int Ouwelant van Vossemare
hieft Adriaen Jacops zoon om 10 st.
die visserie in de Hicke hieft gehehadt dit jaer
Jan van Terlonge ende gheduert tot sinsse 20 toe om 8 sch.
(mar die heerscippen van Vrijberge die hebben dat vierendeel).
Somma van die visserien
belopen dit jaer 18 p. 19 sch. 11 1/2 gr.

Folio 5
Die corentijende 21 in de Kerckepolder,
Slabbecorne, Sigwt 22, Legwt, Karnemelck
lant, Onse Vrouwe polder, ende Kijckwt overt
’t water ant lant van Ghelimis,
verscheen kermisse laest leden.
die west houck, diemen die Mare 23 het, vanden
Brouck off ten eerste wege toe hieft Willem van
der Brouckhorst om 4 p. 13 sch.
den houck lans den zeedic tegens Andries Tonis
zoon over de wech hieft Willem van der Bouchorst
vorseid om 4 p. 11 sch.
den houck lans den Ouwen Dijck, daer die mole op
staet, hieft Thoon Artsen om 4 p. 3 sch.
die Creck houck van Jacop van Bleijswijcks wech 3
tot die Kerke wech toe hieft Thoon Artsen om 3 p. 9 sch.
den houck, daer Lendert Mijchielsen in placht te
wonen, hieft Jan van Terlongen om 2 p. 13 sch

Folio 5v
die Wel houck benorden der kerke hieft Willeken
Rovele om 3 p. 6 sch.
Slabbecorne al gheheel hieft gehadt Cornelis
Yesen om 7 p. 14 sch.
T westende van Kijkwt tot den eerste weghe toe
hieft Thoon Artsen om 4 p. 7 sch.
den houck int selve landt van de weghe tot an
Slabbecorne ende ande zeedick toe hieft Pier
Hennesen om 3 p. 12 sch.
Eerste bladzijde der rekening van Marijnus van ‘t Rosevelt, 1681/82

De latere rekeningen zijn lijvige boekdelen. Eerste bladzijde der rekening van Marijnus van ‘t Rosevelt, 1681/82; Archief van de Ambachtsheerlijkheid.

T nijewelant ghenamt Legwt 24 algheheel hieft
Coppe Clate om 5 p. 11 sch.
Karnemelck lant hieft dit jaer ghehadt Ydo
Jacops zoon om 21 sch. 6 p.

Folio 6
den tijende in Onse Vrouwe polder hieft ghehadt
dit jaer Helmic van Dornic om 16 p. 13 sch. 4 pen.
den tijende in Kijkwt overt ’t water, ant lant
van Ghelimis, hieft dit jaer ghehadt Helmic van
Dornic om 16 p. 13 sch. 4 pen.
Somma die corentijende in
Vossemare, die vorseid staet,
bedraget dit jaer 78 p. 7 sch. 3 pen.
Ontfangen van der molen in Vossemare
Ontfangen van Cornelis Willemsen van een
quartier 25 van der Mole, dat verscheen
‘t Sinte Jansdage anno ’91 3 p. 11 sch. 3 pen.
Ontfangen van Adriaen de molenare van drije
quartieren van der mole te weten: bamisse,
kersmisse ende pase, elck quartier 3 pond, 6
6 sch., 3 pen. te weten die gheheel mole om
13 p., 5 sch., waerom bedragen die drije
quartieren vander vorseide mole in Vossemar
3 p. 11 sch. 3 pen.
Somma dese twee perscheelen 26
van der mole vorseid bedragen 13 p. 10 sch.

Folio 6v
Ontfangen van sess scepe vlettinge 27, die
ghekocht ende gheleijt waeren bij Hallinc
Janssen, Cornelis Bouwen Dieric zoon, Thonis
Claes zoon ende Bollert Huge zoon opte Heije,
elck scip voer 9 rijnseguldens ende 20 sch.
in geld 9 p. 10 sch.
Somma die vlettinge, die
vorseid staet, beloopt 9 p. 10 sch.
Item ic leverde ’t ijaerent 28 ’t sinsse 29
over den heerscippen van Vossemaere in resten 30,
die niet ontfangen en waere ende nw ontfangen
sijn, 40 p. 14 sch., wtghenomen 10 sch. 8 pen.
van Cornelis Jan Huge weduwij 31, daer niet en
is te ghecrigen 32, want een arm weduwij is, ende
noch 13 sch. 3 pen. van Gillielmus Omberaen
Hoot, daer hij voren ghesworen 33 hieft,
dat hij daer nijet aff sculdich en was,
aldus deze twee perscheelen van resten affghetoge,
sonder zuver blieven in resten ontfangen 39 p. 10 sch. 7 gr.
Somma Sommarum van alle ontfangen,
die vorseid staen mijt
die vorseide resten beloopt die
heerlicheijt van Vossemare
dit jaer 234 p. 12 sch. 2 1/2 gr.

Folio 7 en 7v blanco

Folio 8
T witgeven der heerscippen van Vossemare van
pinxteren Anno ’91 achterwaert 34 etc.
den balliou 35 wt Vossemare betaelt douen 36
hij affgheset was van sijnder offitie te
pinxteren laest leden van dat hij verleijt 37
hadde voer den heerscippen van Vossemare
betaelt tot Cornelis Piersens in de Valke
ter tijt toue dat die heerscippen van Vossemare
daer vergaert waren van beginsel ten ende 38
toue, tsamen 3 p., 3 sch., 4 pen., mar om dat
ic Helmic van Dornic ghekort hebbe 20 sch. van
de natte lijfcop 39 van de hure van der tijende
van de nijewelanden, dattet blift zuver daer ten
huse verthert die reijsse 40 2 p. 3 sch. 4 pen.
betaelt tot Jan Cornelis zoon in ’t Swane dat
die heerscippen vorseid verteerden des
donderdachs nonentijts 41 nae pinxteren 21 st.
betaelt tot Jacop Arents zoon dat die vorseide
heerscippen daer verterden des fridachs nonentijts
nae pinxteren 19 sch. 10 gr.

Folio 8v
Item mijn vader betaelt dat hij te Mechelen ende
te Loven 42 reijsde mijt heer Willeboert nae
pinxteren ende verteert die reijsse 43 27 sch. 6 pen.
Item mijn vader betaelt van dat hij mester Andries
gaff, douen hij quam wt Hollant te Mechelen ende
was daer over 8 dagen, dachs 4 sch. facit 28 sch. 8 pen.
Item mijn vader betaelt van dat hij den clerck
van den procureur general gaff van dat hij die
saeken van den heerscippen proses drouch 20 gr.
Item mijn vader gheweist te Loven opte selve
reijsse ende ghesconncken daer mester Jan Wemelinge,
mester Cornelis Amsterdammas, Johannis Custodis
ende Gijsbertum van Quatmechelen, procureurs ende
advocaets des vorseide heerscippe een ghelach
van 11 sch. 4 pen.
Item mijn vader betaelde op die selve reijsse
mester Cornelis Amsterdammis op sijn salaris 3 sch. 8 pen.
Item mijn vader betaelde op die selve reijsse
Johannes Custodis om die exsecusie te douene 44
van den connpulsoer 45 3 sch. 4 pen.
Item mijn vader betaelde noch die selve reijsse
mester Jan van Wemelinge 12 gr.

Folio 9
Item mijn vader betaelde op die selve reijsse
mester Andries van Hargen, procureur den heerscippen
vorseid, van dat hem quam van owts 46 van dat
hij den heerscippen vorseid ghedient hadde. 16 sch. 8 pen.
Item mijn vader betaelt, douen hij ’t Antwerpen
waert reijsde om mijt mester Andries te spreken
doue men ’t fonnis 47 in den Hogen Raet verwachtende
was, ende vertert die reijsse 3 sch. 8 pen.
Item mijn vader ende ick vertert, douen wij Steenbergen
waren om te sprekene den dijenaren mijn
heere van Axssouwen 48 van der paelsceeninge 49
tussen den vorseiden heere ende den heerscippen
van Vossemare 6 dagen in julij 3 sch.
Item een bode betaelt, die te Rome reijsde om
eenen brief daer te draegen. 6 gr.
Item betaelt van laken, dat Cornelis, scottere
ende bode in Vossemare, ghadde tot eenen tabbert
mijt dat vouerlaken 50, dat den heerscippen van
Vossemare hem ’t jaeren 51 gaven. 14 sch.
Item. betaelt een bode, dien wij sonden
steenbergen an den rentmeester mijns
heere van Axssouen mijt eenen brief 3 gr.

Folio 9v
Item betaelt Heyndric die scilder van Delft om
dat hij ter Tholen quam om ’t lant van Vossemare
te scilderen 52, 2 sch. dachs, ende waes daer
over 7 dagen facit. 14 sch.
Item ghegheven mijn vader, Jan van Terlongen
doue sij ontboden waere om sekere noetsake
angaende den heerscippen in julio ende ghekost
die reijsse 36 sch. 8 pen.
Item mijn vader ende ic hebben gheweist anderwerve
Steenbergen om te spreken den dienaers
mijn heere van Axssouwen van der paelsceeninghe
tussen den vorseiden heer ende die heerscippen
van Vossemare ende verteert 3ssch.
Item betaelt Cornelis Mijchielsen om dat hij
eenen brieff drough an Damas Sijmonsen, Cornelis
de Waert ende Jacop van Bleijswijck, hem betaelt
daer voeren 6 gr.
Item betaelt een bode, die eenen brieff drouch an
Jan Goortsen, om den vorseiden brieff te Diest
te dragen, daer voren betaelt 6 gr.

Folio 10
Item ghegheven ende betaelt Thoon die Wilde,
een timmerman van Bergen, om dat hij reijsde
te Mechelen ende kochte daer een ijseren spille
met eenen rijn met eenen hals ende met een
ijseren panne, ghekost met bringen ende met dien
vorseiden timmermans dachgelden ende met meer
ander werck, dat hij daer leijde, ende met
timmeren ende maken ghekost, de vorseide
mole in Vossemare mit een nijew schijfloop
ende waghescot, daer men die mole mede beschovet,
met ijser ende arbeijt ghekost
tsamen nae wtwijsende sijn rekeninge 4 p. 16 sch. 9 pen.
Item betaelt Damas Sijmonsen, mijn neve, tot
behowff den heerscippen van Vossemaere om haer
sake daer mede te bewaren, 12 dagen in
augusto 4 p. 4 sch.
Item betaelt eenen bode, ghenaemt Jan Gortsen,
omdat hij reijssen soude ’t Sint Truwen 53
angaende den heerscippen sake tsegens heer
Pauwels 4 sch. 8 pen.
Item betaelt den vorseiden ode om te gheven
ons procureur Gijsbertum van Quaetmechtelen van
’t ghene dat hij verdient hadde op rekeninge 10 sch.

Folio 10v
Item een bode betaelt die lijep om Jan Goortsen
te Woude, 54 om dat hij te Diest reijsen soude 2 gr.
Item heer Oolert als notarius betaelt van een
procurasie te maken 16 gr.
Item betaelt mester Jan Rotsseau, commissarius
ende raet mijn ghenaghe heere in sijnen Hoghen
Raet, douen hij ter Tholen comen was om te verhooren
die ghetughenisse, die daer gheleet 55 waren
tussen den heerscippen van Vossemare ende dat
capittel ter Tholen, nae inhout sijn quitansie 5 p. 8 sch.
Item betaelt mester Cornelis Pottelberch, adiunckt
in de vorseide sake, voer sijn arbeijt 16 sch. 8 pen.
Item betaelt den clerck van mester Jan Rotsseau
voer sijn scriven ende voer sijn papieren, na
inhout sijn quitansie 10 sch.
Item eenen doerwaerder betaelt om dat hij die
ghetughen verdachvaerde ter Tholen om haar ghetugenisse
te leenen 56 5 sch.

Folio 11
Item mester Andries van Hargen betaelt op die
tijt van sijnen dienst, die hij ghedaen hieft
den vorseiden heerscippen op rekeninge ende
na inhout sijn quitansie 2 p. 19 sch. 2 pen.
Item mester Andries vorseid betaelt van dat
hij verleijt hadde om die exssecusie te
douene an den procureur van den capittel ter
Tolen 16 gr.
Item mester Andries noch betaelt van dat hij
verleijt hadde om een supplicatie mijt eenen
besloten brieff te douen maken, die men in
den Hage senden moust 12 gr.
Item ghescenkt die commissarissen, die ter
Tholen ghecomen waere om die ghetughen te
verhoren, een ghelach van 16 sch. 8 pen.
Item mester Hogo Clate, een cortisaen 57 van
Rome, ghesconncke een ghelach, daer mijn
vader hem mede berijet van den vorseiden
heerscippen sake als van der tijende 6 sch. 8 pen.
Item betaelt de ghene die te ghetughe ghedacht
59 waere tussen den heerscippen vorseid
ende dat capittel ter Tholen 2 sch.

Folio 11v
Item die glaesmaker ter Tholen betaelt van
die figure 60 te vermaken van ’t lant van
Vossemare 8 gr.
Item Snellemart 61, bode in Vossemare, ghesonden
in Hollant mijt eenen brieff an Dammas
Sijmonsen ende Cornelis de Waert in augusto
ende ghekost 3 sch.
Item brouer 62 Thonis van de Kartusers te
Delft betaelt douen hij wt Hollant ghesonden
waert mijt brieven an mijn vader 2 sch. 6 pen.
Item Jan Goortsen betaelt om dat hij brieven
drouch te Diest, die ’t Sint Trwen sijn moeste 3 sch. 6 pen.
Item ghesonden Damas Sijmonsen bij Snellemart,
bode in Vossemare, tot profijt den heerscippen
van Vossemare, 7 dagen in september 2 p.
Item den vorseiden bode betaelt, die ’t gelt
daer drouch, voer sijn teergelt 3 sch.

Folio 12
Item Helmic van Dornic betaelt, douen hij
‘t Acke 64 reijsde mijt eenen priester van
Poortfliet, om te spreken mijt mester Huge
Clate angaende plaijt 65 van den heerscippen
van Vossemare, ende ghekost die reijsse 2 p. 11 sch. 6 pen.
Item mijn vader betaelt douen hij te Mechelen
reijsde in september om te weten howe 66
dattet metter sake stont in den Hoghen Raet 10 sch. 2 pen.
Item Jan Goortsen ghegheven om te Diest te
dragen van wegen den heerscippen van Vossemare
om daer te lesen int plaijt aldaer in september 20 sch.
Item den vorseiden bode betaelt om die penningen
daer te draghen 3 sch. 4 pen.
Item Jan Cornelis soon int Swaene ghegheven,
om dat hij eenen brieff drouch te Mechelen an
mester Andries, procureur van den heerscippen
van Vossemare, in september 3 sch.

Folio 12v
Item ghesonden bij Jan Goortsen te Diest te
dragen douen ons die vier monisien 67 van
Beke 68 quamen in september 12 sch.
Item den vorseiden bode betaelt omt ’t gelt
daer te draghen an den procureur aldaer 3 sch. 4 pen.
Item mijn vader ghegheven op ’t Sinte
Mijchiels avent, douen hij ’t Antwerpen
waert reijsde om daer sekere penningen te
dragen, de welke mester Andries daer ontfinc
nae inhout sijn quitansie 2 pen.
Item Claes de Waert betaelt opten vorseiden
dach van dat hij verleijt hadde in den heerscippen
sake te Mechelen 10 sch.
Item mijn vader betaelt om dat hij ghesonncken
hadde mester Huge Clate ’t Anwerpen in presensie
van Helmic van Doornic 4 sch. 8 pen.
Item betaelt mijn vader omdat hij ghegheven
hadde de clerck van mester Huge vorseid 10 gr.

Folio 13
Item mijn vader betaelt douen hij ’t Anwerpen
reijsde om te spreken den vorseiden mester Hugo
Clate, wt gheweijst drije dagen ghekost 4 sch.
Item betaelt Jan Goortsen om dat hij eenen
brieff drouch in Hollant an Damas Sijmonsen,
Cornelis de Waert ende Jacop van Bleijswijck 2 sch. 6 pen.
Item den vorseiden bode ghesonden te Diest
douen hij wt Hollant quam met brieven, 25
dagen in october, daer voere betaelt 3 sch. 8 pen.
Item ghegheven den Opservanten 69 te Berghen
voer diensten die brouer Matheus voer den
heerscippen van Vossemare ghedaen hieft ende
noch alle dage dowet, een tonne harincks van 15 sch.
Item ghesonden Damas Sijmonsen, Cornelis
de Waert ende Jacop van Bleijswijck bij
broueder Anthonis van de Kartusers te Delft,
om daer te besen 70 int plaijt aldaer,
14 dagen in november 3 p.

Folio 13v
Item ic was selver in persone te Mechelen om
te spreken mester Andries, die ic daer nijet
en vant, ende hadde ghewaent dat die sake ten
ende ghecomen soude hebben, ende daer vertert
mijt mij paert 8 sch. 2 pen.
Item Jan Goortse ghesondeniin Hollant mijt
brieven an Damas Sijmonsen ende Cornelis de
Waert in november 3 sch. 6 pen.
Item mester Jan Yese betaelt van twee copien
te scriven van ’t instrement 71 van heer
Jan 72, pastoer in Vossemare 10 gr.
Item betaelt eenen bode, die te Rome track ende
drouch daer eenen brieff 5 pen.
Item heer Willeboert ghegheven douen hij in Hollant
reijsde om ’t seggen ten ende te bringen van
de composicien 73 tussen heer Pauwlsen
Janssen ende den heerscippen van Vossemare 8 sch. 6 pen.
Item ghesonden in Hollant an Damas Sijmonsen,
Cornelis de Waert ende Jacop van Bleijswijck
bij Huge de Kaarskoper 7 pond, die heer Pauwels
vorseid toue gheseijt waren uut eenen
segghene 74 van ’t ghescil tussen den vorseiden
heere ende den heerscippen van Vossemare facit 7 p.

De Dame:
Heer ridder, zeg mij al lachend,
waarvandaan bij de minnaar de
jaloezie komt.
De Ridder:
Ik denk, dame, dat zij die krijgen
van het zeer loyaal en zeer hardnekkig
minnen. Want weinigen of geen
kunnen beminnen zonder
jaloers te worden.
In de rekening vindt met zelfs hoofse poëzie

In de rekening vindt met zelfs hoofse poëzie

Folio 14
Item ghesonden te Mechelen bij porters van Mechelen
om te gheven mester Andries op ’t ghene dat hem
comen mach op rekeninge van sijnen dienst,
die hij den heerscippen dowet 17 dagen in desember,
ende nae inhout sijn quitansie 3 p.
Item betaelt in de Coude Mart 75 van
Berghem Willem te Courtyse, explotierer
in den Hoghen Raet, van een mandement
antangierende 76 Merten Claessen 4 sch. 8 pen.
Item heer Merten, mijns heeren van Berghen
capellaen, betaelt van een copie, die hij
ghescreven hadde van der heerscippen sake,
die die balliou van Vossemare besede 4 sch.
Item betaelt Evert Jacops soon, explotierer 77
in de Haghe, die mij verdachvaerde 78 als
rentmester ende van weghen den heerscippen
van Vossemare tsegens Willem van der Bouchorst,
baeliou in Vossemare was, van een copie 12 gr.
Item Helmic van Dornic ghegheven, douen hij
te Mechelen reijse 79 bij mester Andries, om
met hem te spreken van den heerscippen sake nae kersavent
laest leden ende verteert 8 sch. 6 pen.

Folio 14v
betaelt Ghijsbertus Quaetmechelen, procureur
van den heerschippen int hooff 80 van
Luijk, op sijn solares 81 8 sch. 8 pen.
Item mijn vader betaelt, douen hij ontboden
waert van mester Andries ende die sentensie
gheghaen soude hebben 82, die noch wt gheset
waert 83 14 dagen, ende hij verteerde
die reijse met sijn tween 22 sch. 4 pen.
Item mijn vader, heer Willeboert ende ic gheweist
te Loven 84 om te responderen 85 ’t gene
dat ons die fiscus 86 daer ansegghende was,
ende ghekost op die reijsse 28 sch. 4 pen.
Item mester Andries betaelt van sijn looen
op rekeninge, 3 dagen in februarie 20 sch.
Item betaelt mester Walterus de Becka te Loven
van een connsultasie te maken mijt meer
ander doctoren, die daer raet mede over gaven
doer versouck van brouer Matheus, ende gekost 22 sch. 6 pen.
Item mester Claes Amsterdammis, advocat den
vorseiden heerscippen van Vossemare int hoff
van Lwck 87, betaelt op sijn dienst 4 sch.

Folio 15
Item ghesonden mester Andries bij 88 Everden
Sijmonsen domen den vorseiden Everden ter dachvaert
track 89 te Mechelen, op rekeninge 20 sch.
Item betaelt broueder Anthonis van den Kartusers
te Delft, omdat hij reijsde te Mechelen mit
eenen brieff an mester Andries om van dien antwoerde
te hebben. 3 sch.
Item mijn vader ghegheven douen hij in Hollant
ontboden was van den heerscippen aldaer, om mit
mester Heijndric ende mester Andries, sijnen
sone, te spreken, 26 dagen in merte, ende
ghekost die reijsse 37 sch.
Item mijn vader betaelde mester Andries op de
vorseide reijsse op sijn solares, nae inhout
sijn quitansie 4 p. 20 sch. 2 pen.
Item die bode wt Vossemare ghesonden in Hollant,
douen wij wederomme verdaechtvaert waeren tegens
capittel van der Tholen voer den abt van Sinte
Gheertruijt, in april, hem betaelt 3 sch. 2 pen.
Item betaelt heer Cornelis Axssen als notarius
van een instrument te maken angaende alle die
ghene, die op die tijt verdachvaert waeren tegens
‘t vorseide capittel van der Tholen 3 sch. 6 pen.

Folio 15v
Item betaelt Damas Sijmonsen, mijn neve, van
dat hij mester Heijndric van Alkemar ghegheven
hadde dowen hij te Loven track om daer instrucsie
te geven procureurs ende advocats, om te
verantwoerden den heerscippen sake voer
mijn here den abt van Sinte Ghertruijt, hem betaelt 3 pen.
Item ic betaelde mester Heijndric vorseid selver
noch te Bergen binnen der stat, douen hij
te Loven reijsde, om de vorseide sake, 25 dagen
in april 2 p. 22 sch.
Item mijn vader ende ic verteert opte vorseide
dacht te Bergen, dat hij ons daer ontboden hadde
om hem te spreken 20 gr.
Item betaelt den scepenen van Vossemare voer haer
kaprowen laken 90 91 20 sch.
Item den heere van Sacke betaelt een tonne biers
van 4 sch.
Item mester Andries van Hargen betaelt op al ’t
ghene dat hem van den heerscippen van Vossemare
quam, 25 dagen in meije, nae wtwisende sijn
rekeninge ende nae inhout sijnder quitansie 5 pen.

Folio 16
Item mester Andries vorseid ghesconncken douen
hij ter Tholen was opte vorseide reijsse een
gelach van 3 sch. 2 pen.
Item Thoon die Wilde betaelt van eenen dach werckens
an de mole in Vossemare an den ast 12 gr.
Item betaelt Pieter Castelein van dat hij verleijt
hadde te Berghen in presensie van Jan van
Terlongen, Jan van Botlant ende Helmic van Dornic,
nae wtwijsende heur quitansie mij bevolen
dat ick ’t den vorseiden Pieter betalen soude 16 sch. 8 pen.
Item betaelt tot Jacob Vodde van ijserwerck, dat
daer gehaelt is ande mole in Vossemare
Item betaelt tot Meus Janssens Scille van ijserwerck
dat daer ghehaelt is gheweist an de mole
in Vossemare 8 gr.

Folio 16v
Item betaelt heer Merten, coster in Vossemare,
van een dartichste 92 voer Cornelis de Waert
zalegher ghedachte, die hij dowet 8 sch. 6 pen.
Item den rentmester voer sijn arbeijtsloon
ende solares 7 pen.
Item betaelt heer Merten van de costerie, dat hem
die heerscippen pleghen te gonen 93 12 sch.
Item betaelt van twee ijseren banden, die
gheleijt waeren om de heicken 94 van der mole
in Vossemare 2 sch. 2 pen.
Item noch betaelt Meus Cornelis zoon van dat hij
dat ijserwerck haelde dat in Vossemare op te mole
vorseid gehaelt behoerde van Bergen ter Tholen 12 gr.
Item mijn heere van Terlonghen betaelt van sekere
diensten, die hij den heerscippen van Vossemare
ghedaen hieft in haren plaijte 95 ende andere 6 p.

Folio 17
Item mijn vader betaelt van dat hem die heerscippen
van Vossemare towe gheseit 96 hebben van
zekere diensten bij hem ghedaen 5 p.
Item Brant Janssen betaelt van sekere penningen
van hem verleijt in den heerscippen sake 2 sch. 8 pen.
Mijn heer van Terlongen betaelt dowen hij ’t ijaerent 97
lach 98 te Mechelen om te soliciteren 99 2 p.
Item Jan van Terlongen ter rekeninge ghebracht dat
hij die stock 100 in Vossemare hieft dowen maken
ende hem ghekost 5 sch. 6 p.
Sommarum van allen wthheven vorseid
beloopen hondert zeven pont, drije
groten. Ende dat ontfanc beloopt
234 p. 12 sch. 2 1/2 gr.
Onderlinge verfeffent soe beloopt ‘t ontfanc
meer dan ’t utgeven hondert zevenentwijntich
pont, elff scellinge, 11 1/2 groten. Ende die
resten bedragen 34 p. 19 sch. 1/2 gr. Onderlinge
vereffent 101 soe beloopt ’t ontfanc zuver
tweentnegentich pent, twalff scelling,
11 groten. Beloopt elck sestendeel 15 p.
8 sch. 10 gr. 102.

Folio 18
Dit sijn alsulke resten als mij
ghebreken 103 van der heerscippen
van Vossemare, die verscenen bamisse
en de kersmisse Anno ’91 laest leden.
Die vissers van Ordamme 104 20 sch.
Cornelis Mechelarsen Steenbergen 18 sch.
Doman Jan de Visser 2 sch. 7 gr.
Pier Kapelleman 4 sch. 2 pen.
Willem Pieter Meussen 8 sch.
Thoon Floren 5 sch.
Claes Heijndric zoon 9 sch. 6 1/2 gr.
Pier de Heerde 11 sch. 7 1/2 gr.
Jan Pier Beelesen 16 sch. 9 gr.
Jan Willemsen 9 sch. 6 pen.
Gobbe Claes zoon wedewe 4 sch. 1 pen.

Folio 18
Resten die verschenen te kermisse
laest leden.
Willem van der Bronchorst 9 p. 4 sch.
Thoen Artsen 30 sch.
Heer Willeboert 14 sch.
Willeken Rovele 6 sch. 9 pen
Cornelis Yesen 4 p. 12 sch.
Pier Lievensen 13 sch. 6 pen.
Doppe Clate 2 p. 10 sch.
Adriaen Jacops zoon 24 sch.
Heijn Tonissen opte Heije 5 p. 12 sch. 10 pen.
Somma van alle dese resten die
vorsied staen bedragen 34 p. 19 sch. 1/2 gr.